De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Heiman Dullaart]

De Schilderkonst en Dichtkonst zyn twee gezusters, die zig gemeenlyk t'zamenvlyen, aangezien zy eenerley grondwetten en toeleg hebben: de eene doet door de pen, de andere door 't penceel de gebeurde zaken, en die door de schimmel der oudheid verduistert zyn ophelderen, en op nieuws te voorschyn komen, waarom het ook niet zelden gebeurt, dat die twee gaven van 't vernuft in een persoon t' samenloopen.

Octavio van Veen, van Mander, vander Venne, waren Schilders en Dichters, dus ook de Haarlemmer Kornelis Ketel, die vele fraaije zinnebeelden op tafereelen gemaalt heeft, die hy, door zyne Referynen deed spreken, en toonde in beide zyn vernuft. Kristoffol Pierson was beter Schilder als Dichter. Over Samuel van Hoogstraten werd getwist, of hy de Schilderkonst, of de Dichtkonst best verstond. Dog Kamphuizen was beter Digter als Schilder, en dus moeten wy ook van onzen

HEIMAN DULLAART zeggen, die egter in de Schilderkonst (als my gebleken is) zo ver gevordert is geweest, dat ik reden vind om hem onder zyne brave tydgenooten, als Schilder ten Toneel te voeren.

Hy is geboren te Rotterdam, op den 6 van Sprokkelmaand 1636. Zyn vader Kornelis Michielze Dullaart, was een Koornhandelaar, wonende op de Botersloot. De Heer Abram Dullaart, in 't jaar 1628 Hooftschout der Stad Rotterdam was van zyn geslacht.

[p. 79]origineel

Hy was vander jeugt aan vlytig in 't oeffenen van talen en wetenschappen, wanneer ook de zugt tot de Schilderkonst, hem na een bekwaam meester tot zyn onderwyzer deed omzien. Dit was Rembrand van Ryn, by dewelke hy in korte jaren door zyn vernuft, zoo ver vorderde, dat hy voorts zig naar 't leven wist te behelpen, houdende naderhand nog omgang, met de zelve en zyne brave Leerlingen, inzonderheid Filips de Koning die ook t' zyner gedagtenis zyn pourtret schilderde, waar van wy ons (wyl geen van later jaren voor handen was) bediend hebben. 't Is te zien in de Plaat C 8.

Te Rotterdam zyn verscheiden pourtretten levensgroot kragtig geschildert thans nog van hem te zien, ook een keukenstuk, waar in komen twee beeltjes, het eene verbeeldende een vrouwtje dat een kopere ketel schuurt, waar by komt een deel ander tin en koper huisraad, met meer ander keukengereedschap, dit is alles natuurlyk, kragtig, en met een goede houding geschildert. In 't jaar 1696 zyn tot Leyden verscheiden van zyne penceelwerken, op het Boelhuis van Doctr. Douw (welke een zuster van hem, genaamt Agneta Dullaart, ten huisvrouw gehad heeft) verkogt; waar onder vyf stukken waren, welke andere vrienden graag tot zyner gedachtenis wilden hebben. Dog gemelde Doctor eiste daar voor 400 gulden, dog alzoo zy by briefwisseling dien koop niet eens konden worden, nog op de verkoopdag tegenwoordig wezen, zyn de zelve verkogt, maar aan wie weet ik niet. De Konstschilder Velthuizen, van Gouda, die ten huisvrouw zyn Broeders dochter heeft, heeft my verhaald, dat hy zyn meesters werk zoo eveneens met zyn pen-

[p. 80]origineel

ceel wist na te bootsen, dat de verbeelding van den krygsgod Mars in 't blinkent harnas door hem geschildert, voor een echt stuk van Rembrant, tot Amsterdam, verkogt werd. Meer weten wy van zyne Schilderkonst aan gaande niet te zeggen: maar wel dat hy daar benevens van alle kenners der Dichtkonst, voor een van de eerste puikdichters van Nederland gehouden word.

Vorders was hy een man wiens vernuft zig tot bespiegelinge van velerhande zaken zette, waar door vele zig van zyn oordeel en raad bedienden in duistere or verwarde zaken. In den jare 1672 werd hy aangezogt om in de Vroedschap tot Rotterdam te komen, maar hy wars van de driften dier tyd, heeft zulks geweigert, alleenlyk heeft hy vele jaren den kerkendienst der Fransche Gemeenten te Rotterdam waargenomen, en was inzonderheid een beminnaar van de Zangkonst, daar toe hy een schoone voordeelige stem had, en dus somwyl zyn geest door zyne hemelsche gezangen verlustigde, tot dat hy door een kwynende ziekte afgemat, den geest gaf, op den 6den van Bloeimaand 1684. Joachim Oudaan, die toen te Rotterdam onder al wat gedichten maakte de eerste plaats bezat, vereerde zyne gedachtenisse met een Lykgedicht, dat in yders handen is.