De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Tussenstuk]

My komt in gedagten, dat Fr. van Hoogstraten in een vaers op de Beeltenis van zynen broeder mynen meester S.v. Hoogstraten, zeide

 
Hy dicht in Schildery, en schildert in gedicht.

Dit past ook op onzen Dichter P. Verhoek, die door zyn pen even als Laires door 't penceel, het schoone gepaarde licht, en bruin, het natuurlyk voorkomen, en wegwyken en de zuivere behandeling daarin waargenomen, ten toon steld; en wat pryswaardig in dit konststuk aan te merken is afschetst in letteren. En dus mag men in 't algemeen van zyne penceel werken zeggen. Immers hy heeft altyd het voornaamste, en hoofdzakelykste in zyne werken laten spreken: daar andere brave mannen in de Konst zig somwyle wel eens aan kleinigheden hebben vergaapt, en 'er meer tyd dan ze verdienden aan besteed; waarom ik ook daar en boven tot zyn roem zeggen moet, dat zyne verkiezingen,

[p. 117]origineel

of de voorwerpingen zyner verkiezingen prysselyk zyn, aangezien dat hy zelden iet door 't penceel verbeeld heeft, dat geen vlyt en Konst verdiende. 't Is waar, alles is wel niet even gelyk van schoone vinding, en penceelbehandeling; maar men moet weten dat de gedagten der Konstenaren niet altyd even bekwaam zyn, nog de lust altyd even groot is, te meer in hem, wiens levenskoers wel eens buiten 't spoor holde, en in stee van den boog t' ontspannen tot verfrissinge der geesten, uitspanningen kon maken die zyne geesten en kragten afsloofden.

Niemant zal dit zeggen voor hatig opnemen die weet, dat een regtschapen Historyschryver (gelyk ik in opzicht van dit werk daar voor moet worden aangezien) volgens zeggen van Polybius, geen agt moet geven op de persoonen; maar van de zaken oordeelen, zoo als ze zyn, en 'er in de Historie van spreken zoo alsze verdienen.

Om nu met onzen Luikschen Fenix voort te varen moet ik zeggen, dat hy in allen deele van de Konst getracht heeft de natuur na te bootsen. De mannenbeelden kleedde hy in laken aan de breede ploojen te kennen. Lichte zyde stoffen, en menigerhande tintelend weerschyn, by dunne floersen, en fyne Lywaten, geestig geschikt en natuurlyk geplooit, zyn alzins het cierzel en de bekleedingen zyner vrouwen beelden. Zilver, Goud, en velerhande metalen heeft hy geestig met hunne spiegelingen, en sterke afschitteringen weten na te bootsen. Geen minder cieraad heeft hy ook aan zyne konststukken toe gebragt, door 't schilderen van velerlei aart van marmere kolommen, vazen poortalen enz. Inzonderheid muntte hy uit in 't

[p. 118]origineel

schilderen der Bazarliere van wit marmer met veele Nissen die in voorpoortalen, op de Keysers, en Heere graft, tot Amsterdam pronken, zoo natuurlyk geschildert dat men dezelve voor gebeeldhoude marmere platen aanziet, 't Lust ons een van die werken, als wel het voornaamste in Konst van schilderen en geestige vinding, de Schilderjeugt tot leiding, (als haar iet diergelyks voorkomt) en een sleutel tot opening en verklaring van den inhout te geven.

Dit is een uitlegging van de vyf zinnebeelden in 't Graauw geschildert, ten huize van den konstlievenden Heer Philip de Flines. Het eerste stuk, als men de deur in komt over 't licht, verbeeld de Schilderkonst, Dichtkonst, Beeld- en Teekenkonst.

De Schilderkonst staat voor aan, houdende met de linkerhand haar gereedschap, palet, pencelen en maalstok; met de regterhand beurt zy een Tafereel op, waar eenige voorwerpen op afgeschetst staan. Agter haar staat de Natuur, waar van zy door Konst een naarvolgster is, en waar uyt zy haren oorspronk of beginsel heeft. Het kintje dat voor haar staat, met een masker of gryns, beteekent de veranderingen van vindinge, en naabootsinge. Hier nevens ziet men de Dichtkonst, houdende in de regterhand een trompet, en in de linker een rol papier *of tooneelrol. Zy is met een Laurierkrans gehult, aangezien zy door haar doen de menschen onsterflyk maakt, en den lof der

[p. 119]origineel

Helden (door de trompet verbeeld) uitbazuint. Het kintje dat nevens haar staat torst het speeltuig van Apol, ten bewys dat de zon god de Dichtkonst gunstig is. Men ziet twee beelden agter de Schilderkonst, verbeeldende de Beelthouwery en Teekenkonst, staan. In haar hand heeft zy een teekening beschetst met sommige konstbeginselen om aan te duiden, datzy is de grond daar de Schilderkonst op word gebouwt. De Beelthouwerykonst heeft meê haar beduidteeken; het kintje boven in de Niss met een gebeelthoud menschen hoofd gemaalt, wil aantoonen hoe die konst bestaat in een geregelde schikking van welgevormde menschelyke ledematen, waar van het hoofd een voornaam deel is.

Boven elk dezer groote vakken, staat een kleinder, en daar in door kleinder beelden verbeeld, iets dat toepasselyk is, op de groote of onderste Nissen, gelyk 'er dan zinspelende op het boven verklaarde, verbeeld staat de Godin der Wysheid, by een vlammend altaar, waar voor de Voorzigtigheid, vergezelschapt met nog andere beelden knielt, tot beduid, dat die door haar gonst tot volmaaktheid gestegen is, en toegang tot den tempel van eere en lof gekregen heeft, dankbaarheid verschuldigt is.

Het eerste der Tafereelen op een slinksen dag geschildert, aan de rechterzy, verbeeld de Godin der Wysheid in 't midden van zeven vrye konsten: Dichtkonst, Redenkonst, Letterkonst, Starrekonst, Rekenkonst, Maatkonst, en Zang-of Speelkonst. Zy staat als beschermvrouw in 't midden van dit doorluchtig gezelschap; om datze geagt is de wyste der Godinnen: waarom ook de Poëten verciert hebben, dat zy uit de hersenen van den oppersten

[p. 120]origineel

God Jupiter geboren is. Nevens haar staat een Olyfboom, of olyftak, het zinnebeeld van vreede, met rede by dees Godes gestelt; om dat de konsten en wetenschappen in vredestyd bloeyen, en als de Olyfboom hare nutte vruchten geven: gelyk ook het vlammende lamplicht van 't menschelyke verstant door den oly der wysheid gevoed en onderhouden word. Nevens haar staat ook haar schild met een Slang omvlochten; ten teeken dat zy zig met voorzigtigheid, meer als met gewelt beschermt tegen hare tegenstreevers.

Het vrouwenbeeld dat voor aan zit, en de Harp, of Lier van Apol *moet in de hand houden, is met een Laurierkrans gekroont, en komt voor de zinstreelende Dichtkonst in het Tafereel. Aan haaren cierlyken zetel hangt een Gryns, om inzonderheid het Toneeldicht te beteekenen; waar omtrent alle de byzondere wyzen der Dichtkonst gebruikt worden, en even eygen zyn.

Agter haar staat de Redenkonst te pralen op haar slangestaf, ten zinteeken van de kragt der rede en welsprekentheid, aangezien men zeit dat Merkuur hier door de menschelyke gemoederen, als door een vermogenden scepter beheerste. Zy

[p. 121]origineel

omhelst met een minnelyk gelaat de Letterkonst. Aan den anderen kant staat de Starrekunde, houdende in haar hand een Astrolabe, of Zonnewyzer.

Agter de Dichtkonst zietmen de Rekenkonst, met twee kindertjes, waar van 't een een Schryftafel ophoud, met eenig syffergetal, daar het ander op wyst, en aan de rechter zy van Pallas staat de Zangkonst, en de Meetkonst, met een passer Globe, of waereldkloot.

De kleene Niss boven het zelve vertoont den Zangberg, Apol, en de negen Zanggodinnen, in een overschaduwenden lommer, en de Faam voor uit vliegende, om den lof der wetenschappen en konsten te verbreiden.

Het tweede tafereel op de rechter zyde van den muur, verbeeld de Glori, of Eere van de waereld, Dapperheid, Zege, Roem, en Onsterffelykheid.

Men ziet hier op een hoogverheven zetel de Beeltenis van Eer geplaast. Zy hout in de linkerhand eenen waereldkloot, en in de rechterhand, het beeld van Zege of Overwinning (zoo als men 't op de oude Keyzerlyke muntstukken ziet) die verkreegen word door Dapperheid en Deugt; 't welk nog nader beduid word, door het kintje dat nevens haar staat, torschende Herkules leeuwenhuid en knods op zyn schouderen.

De twee jonge maagden die in haar schoot bloemen, en in hare handen laurierkransen hebben, en dezelve d'Eer aanbieden, en opofferen, willen te kennen geven, hoe door een aangename duurzaamheid, de Eer door deugd en dapperheid verkregen vereeuwigt word. 't Zelve word ook door de Jerusalems veer, of palmtak (die door een kintje opgeheeven word) te kennen gegeven, waarom wy er ook in onze Emblemata, een kleenwerkje dat

[p. 122]origineel

eerstdaags meê staat uit te komen, een zinneprint van gemaakt hebben, met dit byschrift:

 
Hoe meer dat d'Oosterpalm gedrukt,
 
Getrapt word en ter neêr gerukt,
 
Hoe weeliger zy wast en groeyt.
 
Gelyk de Deugt te schooner bloeyt,
 
Hoe meer zy word geschopt, vertreên,
 
Als ook de Waarheid, fel bestreên,
 
Van Kerktyrannen............

Op den agtergrond van de Niss zietmen een Gedenknaald, opgerecht ter gedagtenisse der zulken die den weg van deugd, eer, en dapperheid betreden hebben; ook de Faam, die hunnen roem waereldrugtig maakt.

In het kleene Tafereel boven dit stuk staat verbeeld een balmboom, waar aan twee fakkels, en schilden hangen, zynde het oulings een overwinningteeken, als boven, door deugd, eer, en dapperheid verkregen. Men ziet hier nevens ook verbeeld een Leeuw, Paard, en leggenden Kameel; om nader uittedrukken, dat de verwinning moet behaalt worden, door kragt, moedigheid, en lydzaamheid. Daar wy mede op zinspelen in 't bovengemelde Boekje, op de verbeelding van den geduldigen lastdragenden gebukten Kameel, met deze toepassing;

 
Gedult en stille Lydzaamheid,
 
Zyn stutten die den Kruisdruk schragen.
 
Leer van dit Lastdier ('t welk tot dragen
 
Den rug bied, en zig nederleit)
 
Hoe elk zig naar zyn lot moet voegen,
 
Met taay gedult, en vergenoegen.
[p. 123]origineel

Het eerste vak, geschildert op een regtsen dag aan de slinkerzyde van den Muur, vertoont de Godin des Rykdoms, of anders d'Afgodin die heel de waereld door hare blinkende munt betoovert.

Zy zit op een verheven troon of zetel, welker leuningen gebeeldhout zyn met Arentskoppen, om haar opperste vermogen, en aanzien te beteekenen. Zy houd op haar schooteen koffertje met gesteenten, en in haar regterhand een Appel. Voor haar troon staan verscheide cierlyk gewrogte Schotelen, Kannen en Vazen, ook de Hoorn des Overvloeds, vol goude en zilvere penningen en andere kostelykheden, die de begeerte verrukken, de zinnen betoveren, en de heele waereld voor zig doen buigen, om in hare gunst te staan, en van haar staatdochter de Fortuin begistigt te worden. En gelyk de Magneetsteen het yzer door een verborgen kragt tot zig trekt, zoo trekt zy ook door de verborgen kragt van 't blinkend Goud de begeerlyke harten der menschen naar zig: schoon de zelve niet als de behandeling daar van genieten; gelyk door de twee kindertjes, die aan een open vaas vol goude en zilvere penningen lustig en vrolyk grabbelen, en dien spaarpot gretig en yverig staan om te roeren, om de Schyven van de schimel te bevryden, te zien is, en dat is 't al. Want

 
Die zig aan 't blinkend goud vergapen,
 
En zoeken hunne rust in 't geld,
 
Die vinden zorg die hen steeds kwelt:
 
Zoo wel in 't gretig zamen schrapen,
 
Als in 't bezitten van hun wensch;
 
En schoon het zelve nog vernoegen,
 
Nog rust, maar onrust baard na 't zwoegen,
 
't Blyft egter 't doelwit van den mensch.
[p. 124]origineel
 
Dus was het oudtyts, en nog heden,
 
De Munt god word steeds aangebeden.

Men ziet nevens de kindertjes verbeeld, een krokodil, een gedierte dat de vermaarde Rivieren den Nyl, Ganges, en inzonderheid de Indische stroomen (daar zig de parelen, gesteenten en het goud laaten vinden,) bewoont.

Nevens den Rykdom staat een vrouwenbeeld, welk in de hand heeft het beeld van Pluto, en agter haar twee beelden by een vrugtboom, als ook een Kintje dat van de vruchten plukt. 't Een en ander wil al wat zeggen, gelyk ook de Appel dien zy in de hand hout, zynde een afbeeldsel van de Goude Appelen, die de Poëten vercieren dat Herkules mede bragt uit de Hoven der Hesperides. Waar door de oude Fabeldichters niet anders hebben willen beduiden, dan dat hy uit de Afrikaanse oorlogen wedergekeert, een ryken buit meê bragt. 't Wil ook aanduyden, dat de Rykdom ontspruit uit den vruchtbaren Land- en Veebouw, inzonderheid de Schapenteelt, welker melk en vlees tot voeding, en hunne vellen, of wolle, noodwendig tot bekleedinge der menschen, groote voordeelen geven en aanbrengen: waar om men ook in den ouden Fabeltyd heeft verdicht, dat Jason het Gulde vlies op den raad en door hulp van Medea bekomen, dat is een vetten buit gerooft had, die Goud waart was.

Het kleene Tafereel boven het stuk verbeeld, dat Jason de Goude vagt veroverd heeft, na dat hy den beschermdraak gesteld, om het zelve te beletten, had omgebragt. Het welk zedelyk toegepast, onderwyst, hoe men door 's hemels hulp en bystand, den Draak van kwade driften en ge-

[p. 125]origineel

neigtheden, die den toegang tot het Gulde vlies van Godvrugt, en oprechte Deugt beletten of dwarsboomen, eerst moet overwinnen en dooden.

Het tweede Vak aan de linkerzyde van den muur, verbeeld Mildadigheid, Voorspoed, jeugdige Gezontheid, en zwakken, of armen Ouderdom.

Mildadigheid staat midden in de Niss houdende een overvloeds hoorn, daar het geld aan allen zyden uitstort, in haar rechter arm, het geen mildadigheid, of mededeelzaamheid te kennen geeft. Aan haare regterzyde knielt de Voorspoed, die haar aanbied een kostelyk halskarkant. 't Waar te wenschen dat zulks altyd geschiede en dat de voorspoed den Mildadigen toevloeyde aangezien zy *gewiekte §open handen hebben om vaardig wel te doen en den behoeftigen meê te deelen. Gelyk wy dan hier zien dat aan de voeten van de Miltdadigheid de arme Ouderdom, door een afgeleefde magere oude vrouw verbeeld arm (aan haar slegt hulzel en bekleeding te kennen) ter aarde leit, by zig hebbende een kruk of stut, leunende op een waereldkloot, als ook een kindje nevens haar schoot staan,

[p. 126]origineel

welk van de mildadigheid eenige stukken geld worden toegereikt, waar over 't zig verheugt, en bly ziet, 't geen klaarlyk aandient; dat de deugt van Mildadigheid, een troosteresse is voor de wezen, en den afgeleefden een stut verstrekt, wanneer zy dubbeld ongelukkig; dat is Arm, en Oud, zyn.

Zy heeft een zedig wezen en gelaat, ten bewys dat de Godvrugt in haar hart huisvest, waarom ook onze vernufteling den Olyfant tot een zinteeken van de Godvrugt agter hare zetel heeft geplaatst.

Men ziet ook agter de Miltdadigheid een Arent opwaarts vliegen naar den troon van Jupiter, 't geen te kennen wil geven, dat de deugt van Miltdadigheid van d' Aarde opwaarts vliegt, naar den Hemel, waar van zy hare belooninge wagt. En wat lager de jeugdige Gezontheid, tenger van wezen en leest, bekranst met bloemen, die tot een krans met levend groen gevlogten Jeugt beteekenen. Zy hout in hare rechterhand den staf van *Esculapius, en aan haar zyde het stuur of roer van een Schip, welke dingen Gezontheid, en een gelukkigen staat van Voorspoed beteekenen.

In 't kleene Tafereel boven dit stuk word ver-

[p. 127]origineel

toont Marcus Curius, daar het gezantschap der Samniters hem met geschenken komt aanzoeken, en daar hy vergenoegt met een schotel Rapen, gerust, en buiten staatgewoel, de gezanten, en hunne geschenken afwyst. Dit vertoonsel eischt geen verklaring.

Weide ik door dit doen in sommiger levensbeschryving wat breet uit, dit geschiet, om dat de genen, welke nog onbedreven zyn, hunne denkbeelden door het bespiegelen van grooter vernuften zouden oeffenen, en door brave voorbeelden hun brein scherpen. 'T is geen blinkende franje, of 't zyn geen beuzelingen, die een verstandigen lezer doorgaans lastig vallen; maar 't is het wezentlyke, de ziel en het leven van de Konst, en die het konstwerk doet spreken.

In dit zelve huis van de Flines, thans bewoont van den Heere Adr. Rutgers, is ook een beschilderde zaal van onzen Laires te zien.

Maar alzoo wy met het verklaren van het voorste werk, reeds buiten ons bestek zyn uitgedyd, zullen wy 'er niet anders van zeggen, als dat dit zelve konstig van vinding, wel geteekent, natuurlyk van koleur, geestig van toetakeling, en breed, en smeltende geschilderd is. Dog dit zouw de eenigste reden niet wezen; maar als ik bevond dat Laires, in zyn schilderboek verscheiden zyner Tafereelen verklaart en beschreeven heeft, en niemant als de maker zelf beter weet, wat hy met het zelve te verbeelden gemeent heeft, heb ik 't noodeloos geacht my daar verder in uit te laten.

't Waar te wenschen geweest dat hy het zinnebeeld van d' Armoe (door hem zelf verbeeld) met wat meerder nabedenken bespiegelt had, en in tegendeel het zinnebeeld van de Spaarzaamheid zig

[p. 128]origineel

tot naavolging voorgesteld, en betragt, daar hy een grooten troost en steun aan zoude gehad hebben, toen hem in den jare 1690 de blintheid overkwam, die hem tot zyn dood bybleef. Menigwerf heeft hy betuigt dat hy blint zynde meer zag dan toen hy ziende was; want toen zag hy daar hy te voren niet eens op gedacht had, namentlyk dat hy moest gespaart hebben, dog te laat, even als die van wien Jan de Bruin de jonge in zyn Jok en Ernst op pag. 5 verhaald: Dat hy zyn inkomen verwaarloost hebbende, met een zyner vrienden in een Schilders winkel ging, die daar eenige stukken kogt. Hy ziende een Tafereel dat konstig geschildert was, verbeeldende het oordeel, dog dier van prys, en geen geld hebbende om 't zelve te koopen, gaf de smart die hy daar over had dus te kennen: Wat een Oordeel verlies ik, overmits ik geen geld heb! waar op zyn vrient hem tot antwoord gaf: Gy mocht beter zeggen: wat een geld verlies ik, overmits ik geen Oordeel heb! Dog het schynt my toe dat zyn noodlot hem uit geduldigen aart zoo zeer niet smarte als het wel anderen zou gedaan hebben! want die genen die verkeering met hem gehouden hebben, getuigen, dat hy zig in die elende heel getroost droeg, en zig met een deuntje op de Fluit, of de Fiool te spelen vermaakte, daar hy wonder wel in bedreven was.

Hy verstond zig heel wel op de Geniologia of uytbeelding des verstands, en wat de Historien, en de oudtydsche gebruiken, in opzigt der Feesten, Praalen, Zwier, Vergodingen, en Lykbestellingen, met hunnen toestel, of aankleven van dien aanbelangt, daar omtrent bediende hy zig, van in de Oudheidskunde bedreven puikdichter

[p. 129]origineel

Andries Pels, die hem dikwils kwam bezoeken.

De zugt, en geneigtheid tot de Konst bleef hem, schoon blint, by tot het eynde van zyn leven, en verscheiden liefhebbers, Schilders, en Plaatsnyders kwamen weekelyk by den anderen aan zyn huis, om zyne lessen, of redenvoeringen over het een en ander deel van de Konst te hooren, die hy, na dat hy 'er een denkbeeld van gevormt had zoo goet als hy kon schreef.

De Lezer zal licht vragen hoe dit geschieden konde, daar hy blind was? maar hy deed het dus; hy had twee geplumuurde doeken, waar op hy by den tast, als men zeit, schreef met een stuk wit kryt. Als de een vol geschreven was, vervolgde hy op den anderen, terwyl inmiddels de eerste door een van zyn Zoonen wierd na geschreven op papier, en voorts uitgewist, om ledig te wezen tegens dat de tweede doek weder met kryt vol geschreven zoude zyn. Eyndelyk zyn deze schriften opgezamelt, en door het Konstgenootschap tot twee Boeken geschikt, en overal met plaatwerk, daar de voorwerpen, waar op hy in zyne redenvoeringe zinspeelt, op vertoont staan, vermengt. Het eerste dient tot inleyding van het tweede, en handelt van de Teekenkonst, gelyk het tweede van de Schilderkonst, nevens al het gene daar toe behoort.

Hy overleed in Amsterdam in 't jaar 1711. en werd door 't Konstgenootschap gedragen, en op 't Leitsche Kerkhof ter aarde besteld, op den 28 van Hooymaand.

De Konstlievende Arnout van Halen, die groote agting voor zyn Konst heeft, ziende naa lang wagten, dat niemant van de Amsterdamsche Dichters, des mans overlyden met eenig Lykdicht ge-

[p. 130]origineel

dacht, maar 't zelve met een eeuwig stilzwygen scheen voor by te willen stappen, vatte de pen op en maakte een langslepend rouwbeklag, tot een altyd-duurende gedagtenis van zyn overlyden, waar van de Tytel dus is:

 
Op de stilzwygentheid van den Amsterdamschen
 
Helikon, over het afsterven van den vermaarden
 
Konstschilder Gerard de Lairesse &c. Het begint dus:
 
 
 
Wat tyd beleef ik, ach! vermaarde Amstelaren,
 
Nu dat het licht verdwynt der grootste Konstenaren,
 
Die zoo veel jaren hier roemrugtig heeft geleeft,
 
En na zyn dood niet meer in uw gedagten zweeft.
 
Is dan die Geest niet waart, voor al zyn Konstbedryven,
 
En moeite, dat uw pen zyn lof voor 't laatst mag schryven?
 
Daar Schilder en Poeët, van een natuur en aart;
 
In geest en vinding, als gezusters gaan gepaart.

En zoo voort..... Waar op zig W. vander Hoeven aldus liet hooren:

 
De liefde tot de Konst brengt ons Laires Voor d' oogen,
 
Wiens onbepaalde geest, ten Hemel ingevlogen,
 
Den Schilders voorlicht als een beld're morgenstar,
 
Gelyk Auroraas schoon gelaat, of als de Kar
 
Van Phebus, waar zy eerst in 't Oosten op komt dagen.
 
Heeft dan van Halens pen geen reden om te klagen,
 
Terwyl geen Dichters oog dien Schilderheld beschreit,
 
Die met natuur om 't schoonst heeft met penceel gepleit?
 
Zyn vlugge hand werd door zoo hoogen geest gedreven,
[p. 131]origineel
 
Dat hy 't verstorven deed door zyne Konst herleven:
 
Dit speet de dood; zy stak, als dol en opgeruit,
 
Toen 't sterflot haar bedwong, Laires zyn oogen uit.
 
Om dat zyn Schilderkonst haar macht niet zou braveren.

Wat lager:

 
Van Halen, die Laires zyn licht, zyn leidstar noemt,
 
Heeft zig na zyne dood op 't loffelykst gekweten.

en eyndelyk:

 
Laires herleeft door hem in schraapkonst, en Gedicht.
 
De Zangers aarzelden om 's Mans waardy te roemen:
 
Dit gaf van Halen stof d' ondankbaarheid te doemen.

Die ook de Beeltenis van Laires (door hem zelf in koper gebragt) liet voor het Lykdicht, en agter aan zyn Grafschrift drukken, op dat de gedachtenis van zyn overlyden niet te gelyk met zyn Lichaam vergaan zoude.

Meer gemelde van Halen is ook bezitter van een zyner beste Konststukken, verbeeldende de vergoding van Eneas, daar P. Rixtel dit vaersje op gemaakt heeft:

 
Hier spoelt Numicius, Eneas Mensch-heid af;
 
Die, na veel ramp, in 't ent, geplaatst word by de Goden:
 
Het lof van d' Oorlogsmoet, blyft eeuwig buiten 't Graf.
[p. 132]origineel
 
Vrouw Venus daalt beneen, om hem om hoog te nooden.
 
Men loont de dapperheid vaak lasterlyk met nyt.
 
Dies stygtse om hoog, en word ontsterflyk, door den stryt.

Eyndelyk moeten wy nog na zyn dood tot zyn roem zeggen: dat hy de persoonverbeelding, volgens den regel der Konst wel verstaan heeft, waarom ook zyne Konsttafereelen met den eersten opslag aanduiden wat zy verbeelden willen: en zig daar omtrent zelden heeft vergrepen. Want dat somwyl groote meesters een misslag hebben begaan, eischt geen bewys. Wie is 'er zonder gebreken? dus zoo ik niemant een puikschilder wilde noemen dan die volmaakt in al zyn doen was, weet ik niet wie op de lyst myner Konstgenooten boven aan moest staan; waarom ik in dit opzigt van de zelve, zeg, als *A. Pels van de Dichters:

 
Niet dat ik een gedicht juist zoo volmaakt begeer,
 
Dat ik geen misslag in den Dichter zou verschoonen.
 
In 't luitslaan geeft somtyts een snaar wel and're toonen,
 
Als hart, en hand begeert; men grypt by avontuur,
 
Al denkt men in B mol te grypen, in B duur,
 
Ook treft de pyl niet steeds, daar oog, en boog op mikken.
 
Dus weet ik eene vlek, of twee wel in te schikken,
 
Die uit verzuimenis, of's menschen zwakheid spruit
 
Steekt maar het grootste deel des werks voortreflyk uit.

Onze Gerard Laires had drie Broeders, Ernst of Ernest genaamt, die ouder was, en twee die jonger waren dan hy, Jacques en Jan die nog in leven is, en dagelyks 't penceel oeffent.

[p. 133]origineel

Ernest, die al vroeg in de Konst gevordert was, muntte inzonderheid uit in 't schilderen van allerhande gedierte, waar van hy een geheel boek toegestelt had, en zyn beeltenis uitvoerig in waterverf geschildert daar voor geplaatst, het geen als den Cancelier van den Prins van Luik in handen kwam, hy zulk welgevallen daar in had, dat hy hem aannam in zyn dienst: dog zont hem op zyn kosten naar Italie om zyn Konst naar brave voorbeelden voort te zetten. Van daar weder gekomen, is hy in dienst van gemelden Prins tot Bon overleden, omtrent den ouderdom van 40 jaren.

Jacques, die naar onzen Gerard volgde, schilderde alles, ook beelden in 't graau om in nissen te plaatsen, maar daar hy zig 't best op verstond, was 't bloemschilderen, hy kwam meê van Luik naar Amsterdam zakken, daar hy de Konst tot het einde van zyn leven geoeffent heeft.

Gerard de Lairesse liet drie Zonen na. De oudste Andries genaamt, geen genegenheid tot de Konst hebbende, ging in Vrankryk by een Koopman woonen, naa welks dood hy naar Indie vertrok. De twee andere Abraham en Jan oeffenen de Konst, gelyk ook hun Neef de oudste Zoon van Jacques, van wien met roem gesproken wort, zoo dat de naam der Lairessen niet licht staat te verdwynen.

Wy hebben in eene Redenvoering op pag. 334. van ons tweede Boek ter proef gebragt, wat een goede leyding vermag omtrent de genen die een laagen geest bezitten, en by den uitslag gezien, dat niet mogelyk is hen door dien weg tot groote ondernemingen in de Konst op te voeren. Nu is overig aan onze belofte op 't end van onze laatste Redenvoering te voldoen.

[p. 134]origineel

Onderwyl de kaarsen gesnoten worden klinkt het snarenspel.

De laatste tusschenrede hadden wy besloten zonder op de vrage: of de natuurdrift, of 't onderwys elk in 't byzonder een goed Schilder maken kan: en of de Schilders die een grooter verstant dan anderen bezitten, altyd de grootste meesters in de Konst zyn; te antwoorden.

My schiet in gedagten dat ik eens van ymand heb hooren zeggen: Dat alle Menschen met even groot verstant geboren worden, en ook verstandigen voor, en tegen die zaak hooren twisten; gelyk ook of het verstant in den mensch door de generatie, dat is: met de teling word ingestort, dan of het van elders in dat punt des tyds komt. Zeker zoo 'er verschil viel over de gestalte der kooten in de pooten van een mug, of over het schuine, of kruiswysse draadschynig weefzel van hun vlerkjes, men hoefde zig maar te bedienen van de beroemde vergrootglazen van den Delfsen Leeuwenhoek, om uit de duttery te komen: maar verborgentheden in een donkeren kelder van de natuur opgesloten te beschouwen, daar toe is myn gezicht te duister, en onbedrieglyke geslepen kykglazen, om zulks te konnen zien, weet ik niet of ergens te koop zyn. 'T zal dan best wezen, dat wy onze meening door voorbeelden betogen, dat zyn zaaken waar over men niet hoeft te twisten: aangezien die vatbaar zyn voor het menschelyk begryp, meer of min haar het zelve geoeffent is, want naar mate der leiding zyn de begrypen der menschen doolende, of rechtzinnig. En gelyk een Beelthouwer van zyn blok door afsnipperingen zyn Beeld vormt, naar die gestalte waar toe het dienen moet: zoo word ook des menschen

[p. 135]origineel

verstant door beschaving van een vernuftigen beitel bereid tot zoodanige werkingen die het heeft te verrigten. Dog gelyk alle houd niet even bekwaam tot het bewerken is; zoo volgt ook dat niet alle verstanden even wel geslepen konnen worden, tot een en dezelve oeffening; maar dat het eene tot dit, en 't andere tot wat anders bekwaam gemaakt kan worden, schoon het door een en de zelve leyding word bewerkt.

Dus hangt de bekwaammaking van het menschelyk verstand tot de uitvoering van vernuftige werken niet volslagen af van de bekwame leyding, maar te zamen van de natuurlyke of aangeboren geneigtheid, en goede leyding: zoo dat nog door de leyding, nog door de natuurdrift, elk op zig zelve afgetrokken, maar door beide te gelyk, het verstand tot vernuftige bewerkingen bekwaam gemaakt word. Zulks dat dien een van beide ontbreekt bezwaarlyk een goed Konstschilder kan worden.

Dit gezegde zal de Heer Petr. Francius nog klaarder aanduiden in zyne redenvoering van eenen volmaakten redenaar, daar hy de noodwendigheid der uiterlyke gebaarden en stemleyding bepleitende, dus zeit:

 

De eerste beginselen is men aan de natuur verschuldigt, de overige aan de Konst en dagelyksche oeffeninge. Zonder Konst is de natuur zwak en onvolmaakt: en de Konst, zoo ze de natuur niet te baat heeft, is ydel; want zy heeft niet waar in zy zig oeffent. Hierom missen zy, myns oordeels, byster, die alle deze uitwendige welsprekentheid, welke in de uitspraak en gebaarden bestaat, de natuur alleen toeschryven, en alles wat van de Konst ontleent word,

[p. 136]origineel

aanstonds voor gemaakt uitschreeuwen, en meenen dat niemant te gelyk natuurlyk en konstig zou konmen spreken. en lager.

 

Gy dwaalt, wie gy ook zyt; en gy verstaat niet ter deege wat tot de natuur, wat tot de Konst behoort. Dog ik begryp het dus; dat al wat natuurlyk is, konstig, al wat konstig is, natuurlyk zy. Ik schyn een wonderspreuk te zeggen: en niets is nogtans waarachtiger; want niets word 'er van de natuur voltooit, ten zy 'er de Konst by kome; niets van de Konst, 't en zy natuur voorgaa enz. Dit op de Schilderkonstoeffenaars toegepast agten wy dat verstaanbaar genoeg op het voorstel: of de natuurdrift, of 't onderwys elk in 't byzonder een goed Schilder maken kan, geantwoort is: dog ons lust tot meerder bestempeling de getuigenis van Andries Pels hier by te halen, die in zyne vertaling van Q. Horatius Flaceus Dichtkonst op pag. 30 dus zeit:

 
De meeste menschen, dat 's te zeggen zeer veel zotten,
 
Die alle konsten, en bespiegeling bespotten,
 
Gelooven, dat alleen de geest Poëten maakt,
 
En konst, of oeffening, de Poëzy niet raakt;
 
Zoo datze lieden van verstant, en oordeel buiten
 
Den berg van Helicon, en zyne grenzen sluiten.

en op pag. 5 en 36.

 
Men heeft van ouds getwist, en twist nog op dit uur;
 
Of ymant Dichter word door konst, of door natuur.
 
Voor my, ik oordeel, wien de Zanggodinnen haaten,
 
Dat hem nog oeffening, nog blokken iets zal baaten.
 
Ook is 'er, dunkt me, niets van waarde aan d'andre kant
 
Te hoopen van een gaauw, maar onbeschaaft verstant.
[p. 137]origineel
 
De een heeft des and'ren hulp van doen, een' vruchtbaare ader
 
Zoo van natuur, als konst, behooren bey te gader
 
Verzelt te weezen, eer men in 't beroemd getal
 
Der grootste Dichteren een plaats verkrygen zal.

Dit oordeel te gelyk met dat van Francius op de Schilderkonst (die het zelve in dit opzicht met de Dichtkonst is) toegepast, schynt daar geen twist meer over te vallen. Dog het is een gemeene spreuk, en de bevinding bevestigt de waarheid der zelve. Dat 'er geen regel is zonder tegenspraak; want schoon het in 't algemeen waarheid is, en zulks met redenen verstandige mannen bekragtigt hebben, datmen zonder natuurdrift en leyding geen meester in de Konst worden kan; zoo hebben wy egter voorbeelden van mannen, die zonder leyding alleen door drift en genegenheid Konstenaars geworden zyn, uit hun eigen getuigenis geboekt: maar ik twyffel niet als hun met ernst gevraagt wierd, of het hun in hunnen oeffentyd niet ging als een reiziger die op een velt doolt daar geen huizen staan, om naar den naasten weg te konnen vragen, en dos een grooten omtrek tot zweetens toe moet afloopen eer hy te recht raakt, of zy zouden zulks moeten bekennen, en ja zeggen.

Gelyk het dan in 't algemeen niet vast gaat, dat men zonder leyding geen goed Schilder word, zoo gaat het ook in 't algemeen niet door, dat de grootste vernuften en veelweeters, de grootste, of beste Konstschilders zyn.

Myn Meester S.v. Hoogstraten bezat een groot verstant, in by na alle zaken; inzonderheid verstont hy de grontreegels der Konst, zoo volkomen in allen deelen, dat ik niet geloof dat 'er ie-

[p. 138]origineel

mant na hem dezelve beter verstaan heeft: maar, hy was daarom geen hoogvlieger in de behandeling van de zelve. In tegendeel heeftmen gezien dat anderen die min dan een gemeen verstant bezaten, groote vernuftelingen te boven streefden. 'T lust ons een staaltje tot bevestiging van ons gezegde, en tot verlustiging van den Lezer, hier by te voegen, van Herm. Zachtleven, dien geagten Rynstroomschilder. Deze was zoo onbedreven in de Weereldkunde, zoo onnoozel in zyn omgang, en zoo eenvoudig in zyn begrypen buiten de Konst: dat hy in een vol gezelschap van Schilders tot Utrecht (daar Ger. Hoet ook tegenwoordig was) verhaalde: dat hem, (komende met den wagen van Deventer op Utrecht) door den voerman was vertelt, dat in Gelderland en Overyssel in gebruik is, als 'er een paar jong volks by de Boeren trouwt, dat de buuren en vrienden elk wat toebrengen om Bruiloft meê te houden, 't geenze dan een geefbruiloft noemen: en wanneer al 't gene dat te samen gebragt is, niet opgegeeten word geduurende die vrolykheid, of dat de jonge getrouwden 't niet ten goede zouden konnen gebruiken, dat dan ieder gast daar van iets weder mede te rug draagt naar zyn huis: en dat gebeurt is, dat een Boere meid een brood weder te rug droeg, en komende aan een wyd en slikkig wagen spoor, ontziende haar bruiloftsmuiltjes en witte kousjes vuil te maken, het brood in 't spoor leide om daar op te trappen, maar (het misbruik tot een spiegel) haare voeten bleven onbeweeglyk vast daar op staan, zonder van de plaats te konnen komen. En dit verhaalde die goede oude Man, met zulk een ernstig wezen, dat zy verzet stonden over deszelfs onnoozelheid, geloovende hy voor waarheid,

[p. 139]origineel

't geen een potsige wagenaar hem, om de klugt, op de mouw gespelt had.

'T kan wezen dat onze Schilder een lit van die Kerk is geweest, welke al dusdanige dingen, en die nog vreemder zyn, zonder onderzoek leeraart te moeten gelooven, en de rest van 't gezelschap zulke, die geen geloof slaan aan vertellingen, ten zy de zelve op waarschynlykheid gegrond zyn. 'T geen wy dan licht wat verschoonen konnen.

De reden waarom de verstandigste onder de Konstoeffenaren, en die in Historykunde, Oudheden, en andere wetenschappen ervaren zyn, dikwils by andere die min wetenschappen bezitten, in Konst van schilderen te kort schieten: komt daar van daan, dat de zelve uit hoofde van hun veel weten, met menigerhande en verschillige denkbeelden bezet zyn die hen teffens vleijen, en tot de uitvoering sporen; waar door het gebeurt dat zy in geen van alle uitsteken; aangezien elk deel der Konst een geheel menschen leven alleen vereist, zoo men daar in boven alle anderen wil uitmunten. Ja dit gaat zoo veer, dat de bevinding ons heeft doen zien, dat een vernufteling, wiens geneigtheid onbepaalt tot alles zwiert, en zig tot geen bepaalde verkiezing van eenig byzonder deel der Konst zetten kan, veeltyds anderen, die alleen zig oeffenen in 't geringste van de Konst, niet te boven streven kan.

'T is waar, wy hebben niet veel rôem over voor lage geesten, die uit laf hartige beschroomtheid, hun vermogen nooit op de proef stellen, en, als Quintilianus zeit, langs den grond kruipen uit vreeze van te zullen vallen. Dog die ook alle anderen in hun bedryf en oeffening (uit een al te groote verbeelding van hun vermogen) straks op

[p. 140]origineel

de hielen volgen, dog altyd agter blyven, doen nog minder nut aan de Konstschool.

Dog zoo de schilderjeugt naar goeden raad luisteren wil, zy geve acht op de Spaansche wysspreuk die zeit: men moet zyn schouders voor af beproeven of zy magtig zyn, dien last te torschen, dien men tragt te onderneemen, en stellen haar vernuft en kragten ter proef, agt gevende waar toe haar natuurlyke geneigtheid meest held, waar aan zy zig dan houden moet, wil zy zig zelve en de Konst dienst doen. Gelyk ik ook zulken in tegendeel, die te los, zaken ondernemen die boven hun bereyk zyn, wys tot de oude Hollandsche zinspreuk, die leert, dat niemant wyder moet tragten te springen dan zyn pols reiken kan.

Niemant moet uit onze redenvoering verkeert besluiten, dat wy het verstant en bedrevenheid in allerhande kundigheden ondienstig agten, voor een Konstschilder; of dat niets het verstant eenig behulp zoude konnen toebrengen. De twee voorbeelden aangehaald, toonen alleen dat het dus by wylen gebeurt: en is zulks geschiet om aan de vrage: of de Schilders die een grooter verstant als anderen bezitten, altyd de grootste meesters in de Konst zyn? voldoening te geven.

Om nu het besluit op de voorstellingen, uit de voorbeelden, en voor-, en tegenredenvoeringen op te maken, zoo zeggen wy: eerst, dat gemeene verstanden, in 't een of ander deel der Konst somwyl hebben uitgemunt. Ten tweede, dat gebeuren kan, dat groote verstanden in vele wetenschappen en kundigheden bedreven, welke vereist worden om een goed Historyschilder te wezen, naar mate van hun vernuft en kundigheid, altyd geen overvliegers in de Konst zyn: maar dit gaat

[p. 141]origineel

altyd zeker, dat alle hoogvliegers in de Konst, en die door hun penceel een altytduurenden roem behaald hebben, groote vernuftelingen en veelweeters geweest zyn. De bevinding heeft ons dit geleerd, en 't gaat wis: dat de grootste Schilderkonstoeffenaars, ook in verstant en wetenschappen hebben uitgemunt, en zig daar van op hun tyd bedient; 't geen zy hebben doen zien in hunne penceelwerken, daar de vernuftige vindingen, bespiegelingen en bygevoegde cieraden klare blyken geven, dat hun verheven geest, den aart, en grond der verbeelde zaaken begreep, wanneer zy die door zinnebeelden en invoegselen wisten aan te duiden.

'T lust ons een opmerkelyk staal van vernuftige vindinge, in een konststuk, door Rubbens penceel bemaalt, en door Vondels pen beschreven, tot bestempeling van ons gezegde, na te schryven, uit de opdragt voor het Treurspel der Gebroederen.

 

Hier word ik belast (zeit hy) om door Rubbens, ds glorie der penceelen onzer eeuwe, een heerlyk en Koninglyk tafereel, als een treurtooneel te stofferen. Hy valt aan het teekenen, ordineren en schilderen, nog zyn wakkere geest rust eer het werkstuk voltooit zy. David zit 'er zwaarmoedig op den hoogen troon. Men ziet 'er, door een poort in 't verschiet, de drooge dorre en dorstige landouw quynen. Boven in 't gewelf van 't pragtige marmeren en cederen hof zwieren sommige Engelkens, die, naar de gewoone zinrykheid des allervernuftigsten Schilders, elk om stryt bezig zyn om net uit te beelden 't geen ter zaake dient. 't Een schynt het vonnis der Gebroederen uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander geeft

[p. 142]origineel

met een gesloten waterspuit te kennen, dat de Hemel gesloten zy. Een ander beduit met een dompige fakkel, een ander met een waeijer in 't aangezigt waeijende, hitte en benaauwtheid. Twee andere schynen twee stammen uit te beelden, te weten, het een, dat, vrolyk van opzigt, met kroon en schepter in top vliegt, Juda; het ander, dat, verbaast en treurig van gelaat, en met den hoofde neêrwaart vallende, vaar de vallende kroon grypt, Benjamin. Andere maken een yzere keten klaar om der misdadigen halzen te sluiten. Een ander drukt met weegschaal en zwaart de rechtvaardigheid der straffe uit. Sauls verweze nakomelingen staan voor den rechterstoel, en zien zeer deerlyk, overmits Benajas den lammen Mefiboseth, en het kleentje Micha, op het wenken van 's Konings oogen, en wyzen des uitgestrekten schepters, uit den hoop trekt; terwyl de Gabaonners met wraakgierige en gloeijende aangezichten, aan de eene zyde, op hun recht dringen, en aan de andere zyde hem benaauwen het misbaar en de tranen der alderbedrukste Michol; waar nevens de stokoude Weduwe, al bevende met de rechterhand op haar stoksken, en met de slinker op den rechten schouder van hare kamenier leunende, met een lachend aanschyn meld, datze, van rouwe aan 't mymeren geslagen, niet weet watze zeit.

 

Maar hy al even styf weet nu van geen erbermen, Nog keert zig 't allerminst aan tranen, nog aan kermen.

Zeker daar zal niemant wezen die dit leeft of hy zal moeten toestemmen dat tot zulk eene verbeelding verstand vereist word, en Rubbens gevolgelyk een man van geoeffende zinnen is geweest.

Dog niet tegenstaande dat deze wyze van ver-

[p. 143]origineel

beeldingen den zin der Historie klaar aanduid, nogtans moeten al zulke, die zig in 't schilderen van Historien oeffenen willen, dit tot een les nemen, dat, wanneer men buiten vercieringen magtig is de eigen beeltenissen van de Historie te doen spreken, men de byvoegselen moet vermyden. Dog dit niet konnende doen, zoo moet 'er een zekere maat in gehouden worden; op dat men de Historie niet in het by gevoegde cieraat verlieze: waar ontrent wy dan nog onderscheid maken tusschen weereldlyke of Heidensche Historien en Bybelstof, tot welke zoo veel vryheid niet gegeven word, maar die om verscheiden reden, elders betoogt, in enger palen besloten word.

De groote Vondel is hier omtrent met ons van een zelve begryp. Ik lees in 't Bericht voor zyn tooneelstuk van Lucifer,(daar hy van de Dichtkonst spreekt, het geen wy op de schilderkonst toepassen) deze woorden: Ondertusschen ont kennen wy geenzins, dat heilige stof den Toneeldichteren naauwer verbint, en intoomt, dan weereldlyke Historien of Heidensche verciersels; onaangezien de oude en befaamde handvest der Poëzy, by Horatius Flakkus, in zyne Dichtkonst, met deeze vaerzen uitgedrukt:

 

De Schilder en Poëet ontfingen beide een magt, Van alles te bestaan, wat elk zig dienstig acht.

 

En nog klaarder in de opdragt van de Gebroeders, waar in wy met een zullen zien dat verstandig en van naauwe opmerking moeten wezen alle de genen die konsten naar vereisch zullen behandelen.

 

Men moet (hy spreekt van de Dichtkonst) haar

[p. 144]origineel

inwilligen een voegelyk misbruik, of liever een noodige vryheid, gelyk in meer konsten.

De Schilder, hoe wel hy niet anders als een nabootser van de natuur zy, verciert nochtans dikwils eenige hyvallende schaduwe, om 't ander werk te doen voorkomen: of maalt naakten en andere cieraden, die de Historie eenen welstand byzetten. Zoo leit het penceel ook zyn oordeel te werk in 't leggen en wel schikken der verwen, die zig best onderling verdragen. Muzikanten huwen heele aan halve toonen, en zoete aan wrange klanken; om het gehoor met meer zoetigheids, en bevalligheids te kittelen. Het gelyken der dingen tegens malkanderen is van groot vermogen, en geeft de zaak, die in zig zelve de zelve blyft, terstond een ander aanzigt. Evenwel is ons niet onbewust, dat in 't herhalen en vertoonen van geschiedenissen, beschreven met die zuivere en sneeuwitte Duiveveder (getrokken als uit den vleugel der Hemelsche Duive, die aan den oever der Jordane, op dat van heiligheid stralende hoofd des onbesmetten nederdaalde) een zonderlinge matigheid en eerbiedigheid dient onderhouden; terwyl men in weereldlyke Historien, nog meer in Heidensche vercieringen, ruim schoots, dog altyd binnen de palen der waarschynlykheid, mag zeilen.

 

Zeker wy moeten besluiten dat de gryze Vader in den omgang met de Amsterdamsche Konstschilders zyn wit beoogt heeft; wanneer wy hem dus op vasten grond, van de Konst, en derzelver byzondere waarnemingen hooren redenkavelen.

 

Hy doelde op wetenschap, en heeft geen waan gekent. Zyn boom droeg vrugten, van 't begin aan tot op 't ent.

[p. 145]origineel

Hebt gy dan lust, ô Schildergeesten, om het penceel tot dartelder vertooningen te vleyen? wel aan wy willen, ten dienst van de Konst, daar van een natuurlyk vertoog doen; op dat, zoo gy onbedreven mocht wezen in den oudtydschen zwier dier Feestgebruiken, niet (als men zegt) in 't wild mogt schermen, maar de zelve in haren rechten aart verbeelden. Geen duidelyker penschildery hebben wy daar van aan u konnen voorstellen, dan die van Dan. Heinsius, daar hy Bachus feestviering met zyn gantschen omslag, met opheldering van de zaaken en persoonen, daar in vermeld, by gelegenheid van de verlaaten en klagende Ariadne, op 't eyland Naxos aldus beschryft:

 
En wyl1 zy nog haar2 klachte, en klaachelykereden,
 
Uyt storte op 't droeve strant, komt3 Bacchus aangetreden.

Waar in hare klaagreedenen bestonden meld de Dichter L. Rotgans in dit volgende vaers aldus.

[p. 146]origineel
 
Met zynen dronken hoop, die afgekeert van tucht
 
Vast schreeuden dat de galm zig spreide tot de lucht,
 
In 't naad'ren van de strand. Tien breissende 4Menaden,
 
Omringden zyne Koets, en evenveel 5Lenaden,
 
Elk had een lange 6Spies, bewoelt aan allen kant,
 
Met klimmerbladeren, in hare rechte handt.
 
De Satyrs sprongen: en 7Silenus vol gezope.
[p. 147]origineel
 
Kwam met zyn *Ezel, traag van agter aan gedropen.
 
Hy droeg aan d'eene hand de Goddelyke 8wan,
 
En in zyn and're hand een groote volle kan.
 
Twee Goden uit den hoop, die van zyn 9Nachten wisten,
 
Die droegen het 10Geheim, in twee beslooten 11 kisten.
[p. 148]origineel
 
Hen volgde12 Maron na, en leste zynen dorst.
 
Al gaande langs den weg, met zoet en nieuwen most.
 
De dronken13 Staphylus, en Botrus kaal van veeren,
 
Met al het huisgezin, kwam agter aan laveren,
 
En14 Methe, vol van wyn, dat onbesuisde wyf,
 
Viel dikwils in het gaan, Sylvanus op het lyf.
 
Veel bromde grof geluid, gemengelt met15 Cymbalen,
 
En 't Hamers groot gebons, vervulde berg en dalen,
[p. 149]origineel
 
En Naxos oever, zelf zoo baaude d'Echo meê,
 
En riep met dubb'len klank16 ô Evan Evoë.

Terwyl wy nu den optocht van Bachus, met zyn gantschen zwier breedwydig, hebben aangetogen, is 'er eyndelyk nog iets te zeggen omtrent de verbeelding van den Wyngod, daar de Konstoeffenaars zig dikwils in vergrypen, of mistasten, door ingeslopen misbruik waar door men een Gulzigaart, en al wie dik en grof is, by Bachus gelykt; daar hy nogtans in d'oudste Griekse gedenkpenningen, en marmere Afbeeltselen, als een tenger Jongeling verbeeld word.

Du Choul vertoont ons in zyn Kabinet van Medaljes een zeer oud Muntstuk (waar van wy de afbeelding in print hier vertoonen) daarmen het Borstbeeld van Bachus, bekranst met Klim,

[p. 150]origineel

* met een teeder en jeugdig wezen verbeeld ziet, nevens den bynaam Lusoon Oprisper, van wegen

illustratie

het te veel drinken, of Lyson Losmaker, om dat door veel wyndrinken de tong los word. Op het ruggestuk vertoonen zig drie, met de handen in een geslingert, dansende Bachanten of Nimfen. Deze zouden naar 't beduid van den Medaljekundigen Heer Ludolf Smids en anderen beteekenen, het kout heet en lauw water der berugte badstoven aan Bachus toegewyd, in de Stad Apollonia, in Macedonie op de grenzen van Epire, volgens Lucius Ampelius, met het byschrift Dionisoo Dooron, geschenk aan Bachus. Dus vertoont ook de brave Teekenaar en Etzer Jan de Biskop ver-

[p. 151]origineel

scheide Beeltenissen van Bachus te Rome naar de egte marmere beelden afgeteekent, die het voorige bevestigen.

Eyndelyk, waarom Bachus met Hoornen op de Geldmunt van 't Eyland Tenus verbeeld staat, en de Dichters, Euripides, Horatius, Val. Flakkus hem met Horens afschilderen, daar van geeft meergemelde Lud. Smids, in het Kantschrift op den Brief van Laodamia aan Protesilaus, deze reden. Om dat de Wyn moedt en kragt geeft, en den beschonken als hoornen byzet. Dit is een rede voor den Wyngod in 't byzonder. Lysimachus, een van Alexanders staatvolgers, werd (om dat hy eenen wilden stier tot de offerhande geschikt, en den slagters ontloopen, by de Hoornen greep, vast hield en doodde) met een gehoorenden Koninglyken hairband (volgens 't zeggen van Appianus) ter gedagtenis van die daad, op de geldmunt van Calcha vertoont.

Op gelyke wyze zietmen ook Alexander op sommige van zyne muntstukken verbeeld; maar die bewust is, dat hy door een grootmoedigen inborst vervoert, voor den Zoon van Jupiter Hammon aangezien wilde wezen, zal niet vreemt dunken dat hy zyne Beeltenis met die van Jupiter (want de Africaners eerden een gehoorent beeld voor Jupiter Hammon) een zelfde aanzien deed geeven.

Dog in 't algemeen moetmen weten, dat

[p. 152]origineel

Hoornen, ten Zinnebeeld van Koninglyke macht en grootheid verstrekt hebben, by de Caldeërs, Feniciers, en Hebreen. Want door het zeegedrogt met tien Hoornen, daar men by Dan. Cap. 7. af leest, worden zoo veel magtige Vorsten, als Alexander, Seleukus, Lysimachus, Demetrius, Antigonus, Ptolomeus enz. verstaan. Gelyk W. Goeree aangemerkt heeft in het tweede Deel van zyne Mosaische Historie p. 593. Waarom dan ook de oude Veldoversten en Krygslieden, om meerder ontzag en schrik aan hunnen Vyanden te geven op hunne helmetten weerzyds Hoornen planten.

Huydensdaags zouden Hoornen op 't hoofd eens mans geplant van een heel andere beduydinge wezen.

Dus hebben wy den optogt van Bachus de leeryverende Schilderjeugt, op dat zy dien toestel leere kennen, en zig by 't gebruik des ouden tyds houde (waarin velen hebben misgetast) als in een Tafereel doen zien. 't Lust ons met dat zelve oogwit, des Wyngods verjaarfeestviering in zyn gantschen zwier, bekleedingen, hoofdcierselen der Veld-en Tuinnimfen, hun wyze van Vreugdbedryven, en hoe de snoeplustige Satyrs daar meê omspringen, als in een Schildery met levendige koleuren, eerst door de fenixpen van Naso, nu door zyn vertaalder Arn. Hoogvliet, in Duitse vaersen afgemaald, voor te stellen.

Zie daar het pentafereel, bevallig, woelig, vol gemoedsdriften, vol van veranderingen, en zoo ryk van gedagten datmen 'er verscheiden tafereelen van zou konnen opslaan, en waar in yder voorwerp, als met den vinger, word aangeweezen: inzonderheid daar Priapus in dat onver-

[p. 153]origineel

wagt voorval, even als Faunus, die Omfale in der nacht stil meende te bekruipen, van Alcides, die met de kleederen van Omfale uitgedost lag te slapen (waar door hy bedroogen werd) met een vuystslag gebolt werd, en over zyn misgreep bespot.

 
In Griekenland, werd op den korsten dag geviert
 
Het feest van Bacchus, met zyn bezikroon geciert:
 
Daar kwaamen all' de goón van Bosch, en Veldt, en Tuinen,
 
En de akkergoden van Liceus breede kruinen,
 
En elk, die was gezet op jok en boertery,
 
De veegoôn, Saters, tuk op Venus lekkerny,
 
En all' de nimfjes, uit de wouden, en rivieren;
 
Zelfs bestevaar Sileen, kwam op zyn ezel zwieren,
 
En Godt Priaap, die al 't gevogelte vertsaagt,
 
En, met zyn roodt geweêr, ten tuine en hove uitjaagt.
 
Toen dit gezelschap vondt een plaats naar zyn begeeren,
 
In 't ruimste van het woudt, om bly te banketteren;
 
Ging 't nederzitten in het gras, en jeugdig groen.
 
Elk hadt zyn eigen krans gemaakt, en bloemfestoen.
 
Godt Bacchus gaf den Wyn: en onder 't lustig plengen,
 
Gaf 't beekje water, om den Wyn weer schaars te mengen.
 
Het feestgezelschap werd ten lesten nog vervult
 
Met stroomnajaden, de een geciert, en net gehult,
 
En andere met losse, en omgekemde haaren.
 
Dees diende, wyl de knien, en dyen zigtbaar waaren,
 
En met een opgeschort gewaadt, tot aan den schoot;
 
En de and're met den hals, en blanken boezem bloot;
[p. 154]origineel
 
Die droeg de schouderen gansch naakt en onbenepen,
 
En deeze zag men 't kleed, langs gras, en kruiden slepen,
 
Terwyl geen riem beknelt, of prangt, den ted'ren voet.
 
Dit Volkje ontvonkt de min allengs in het gemoedt
 
Der Saters. Maar Priaap, de schut, en scherm der hoven,
 
Koos Lotis, uit den hoop, om zynen brand te dooven:
 
Hy zuchte, en wenschte om haar alleen, en maakte in 't endt,
 
Door minneleuzen haar zyn liefdevlam bekent:
 
Maar smaat, en trotsheid, schynt de schoonheid aangeboren,
 
Zy spot, veragt zyn min; en wil hem zien nog hooren,
 
Maar 's nagts, wanneer de drank de hoofden vadzig maakt,
 
Was yder eindlyk hier, en daar, in slaap geraakt,
 
En Lotis, ook vermoeit van 't kortswyl, lest van allen,
 
Juist, in den lommer van een boom, in slaap gevallen.
 
Toen kwam Priaap (die zagt op zyne teenen tradt)
 
Daar 't blanke nimfje lag, en sliep, langs 't eenzaam padt.
 
Hy vlyt zig, zonder datze ontwaakte, aan haare zyde,
 
In 't gras terwyl hy het gesuis zyns adems mydde,
 
Nog lagze in diepen slaap, en had schier geen gevoel.
 
Hy lagte in zyne vuist, en nadert vast het doel,
 
Voorspoedig, van zyn min, en lichte, stil en zoetjes,
 
Het lange kleed reeds van de maagdelyke voetjes;
 
Als juist het graauwtje van Sileen te ontydig raast,
 
En ruchelbalkt, waar door de jonge nimf, verbaast,
 
Ten slaap uitspringende, uit des Tuingods handen raakte,
 
En, door haar vlugten, all' de goden wakker maakte;
 
En al wat in het woud lag om te rusten neêr.
[p. 155]origineel
 
Maar godt Priaap, zelfs al te vaardig in 't geweer,
 
Doet elk, by maaneschyn, belachen die vertooning.

Leerzugtige Konstoeffenaars, vleit u dit woelig voorwerp, om daar van een Konsttafereel op te slaan, en hebt gy 't effens begeerte totiet diergelyks; wel aan ik wil u ten dienst zyn. Geen beter model tot een weerga, als dat, waar van de Latynsche Puikdichter Naso het model geschetst heeft in het III Boek van zynen Almanak, of Feestdagen, 't welk zyn nieuwe vertaalder Arnold Hoogvliet, met dezelve levendige koleuren dus naagemodelt heeft:

 
De Wyngod ging eens met zyn Saters bly spanseeren,
 
(Ons fabeltje zal jock, nog aardigheid, ontbeeren,)
 
Van daar de Hebrusstroom langs zandige oevers schiet,
 
Tot daar de Rodope all' de landen overziet,
 
En daar de byen op Pangeesche bloempjes brommen.
 
't Gezelschap speelde daar op kop're rinkelbommen,
 
Op welk geklank een zwarm van byen, zonder tal,
 
Vergaarde, en volgde, waar zy gingen, overal.
 
Maar Bacchus sloot den zwarm in een der holle boomen,
 
En heeft toen de eerste vrugt der honigraat bekoomen.
 
Wanneer de Saters, en Sileen, hoe kaal en oud,
 
Verliefden op den smaak, zogt elk om stryd in 't woud,
 
De geele honigraat, die oog en hardt bekoorde.
 
Toen de oude honig vond, daar hy 't gehommel hoorde
 
In eenen olm, ontveinst hy 't voor al 't Saterdom,
 
Tot dat hy eindlyk op den rug zyns ezels klom,
 
Zig aan de takken houd, en grypt, naar lekkernyen,
 
Te gretig, in het nest, en schend, en kwetst de byen:
[p. 156]origineel
 
Toen schoot de gansche zwarm vol gramschap op hem uit,
 
En steekt zyn kaalen kop, en rimpelige huit,
 
Dat hy ter aarde valt, met duizend angelsteeken,
 
En all' zyn Saters in dien nood, om hulp moest smeeken,
 
Terwyl zyn ezel hem vertrapte met den voet:
 
't Boksvoetendom schiet toe; bespot den ouden bloet,
 
En lacht, om 't aangezigt, bezet met roode linken:
 
Daar zyn gekwetste knie hem deerelyk deed hinken:
 
Zelfs Liber lachte meê......

De oude stramme Sileen, door duizent geangelde vyanden overvallen, ter aarde geploft, om hulp roepende aan de Boksvoeten, om van de zelve, en onder de pooten van zyn langoor gered te worden, die alle toegeschooten neffens den Wyngod om dat voorval staan te lachen, kon al een potsig tafereel opmaken. Zeker de aanschouwers van zulk een tafereel zouden meê stof vinden om te lachen.

Eyndelyk, hoe veer een Konstschilder, die verstant bezit, en bedreven is in de Historien en oudheidkunde, en uit dien hoofde op vasten gront voldoende reden geven kan van 't geen hy aan en tot zyne Historische Verbeeldingen toevoegt, anderen overtreft, en in tegendeel hoe anderen die min verstant bezitten, onbedreven, onbelezen en bot daar in toetasten, en over zulks, wanneer hun reden van hun doen gevergt word, dat even zoo onverstandig en op lossen gront doen, dat het bespottelyk is, zal uit deze stalen blyken.

Ik heb in myn tweede Boek in de tusschenreden op pag. 174; gemeld van een Konstenaar, die in print verbeeld had Abraham, daar hy zyn dienst-

[p. 157]origineel

meit Hagar uitleid. Deze, als hem gezeit werd dat dusdanige gedaanten van tenten, als hy verbeeld had, met de gewoonten van dien tyd niet overeen kwamen, en dat die niet van oude planken opgeslagen wierden, maar dat daar toe gebruikt wierden vaste stylen, overspannen met zeelen of koorden, die wederzyds in den grond met houte stekken vast gemaakt, voorts met vellen van beesten overdekt werden, of voor zulke welke van meerder vermogen waaren, bereid werden van geweeven hairen kleeden van verscheiden koleuren als onze tapyten zyn; welke toestel ligt af te breeken en weer ligt op teslaan was, wanneer zy van d'eene tot d'andere landstreek zig wilden verschansen, gaf aan die hem dit zeide tot antwoort: Dat hy 't zig niet verstond. Dat de tenten der Aartsvaders van houte planken gemaakt waren, 't zamengevoegt en gehecht met hengsels en knieren, omze dus beknopt op malkander toe te konnen vouwen, en met hunne stylen en dakschooren op wagens te vervoeren werwaards zy wilden, even als men thans wel Marionette en Waaffelkramen ziet. Schoon verdedigt.

Die uit weetlust daar onderzoek naar doen, in de oudentydsche schriften, en met taalkundigen raatplegen (gelyk ik meê doen moet) zullen bevinden, dat de Tentoria, van waar de benaming van Tenten af komstig is, dien naam draagen, om datze met koorden en stylen uytgespannen werden, waar na de zelve meest overdekt werden met vellen van beesten, in 't Latyn Pelles genoemt. By Livius word dikwils van vellen gewag gemaakt, waar mede de soldaten des winters hunne tenten pleegen te dekken. Klaudianus zeit van Stilikon dat hy dikwils onder de vellen huisge-

[p. 158]origineel

houden heeft. In de levensbeschryving van Alexander word zoo wel van Arrianus als van Curtius gezeit: dat de hutten der soldaaten van vellen waren. En Isidorus sprekende van dusdanige tenten zeit: zy worden Tabernacula genoemt om dat de behangsels die met koorden of met zeelen uitgespannen waren, door stylen onderschoort en in opstel gehouden werden. W. Goeree merkt aan op Gen: 13-18 dat de Kaldeesche text zeit, Hy heeft zyne tente opgespannen. dat is, om gemakkelyker van d'eene tot d'andere plaats te vervoeren, waar zyn vee vetter weiden vont, en in het tweede deel der Mosaische Hist. pag. 373 daar hy den Borgerstaat der Hebreeuse Vaderen beschryft: zy woonden meest in hutten en lichtopgeslagen legertenten. Gemelde Schryver merkt ook aan dat d'overdekselen des H. Tabernakels waren Rams en Dassen vellen, en op Exod. 35 vs. 26. Dat de Vrouwen Geytenhair gesponnen hebben om gordynen voor den Tabernakel te weven.

Eyndelyk vind ik nog een andere soort van Tenten die Vegetius CASAE noemt: om dat die van groene takken t' zamengevlogten waren, en met biezen en poelriet overdekt. Op deze ziet Ovidius als hy zeit.

 
Terwyl een ander vast een hut van groente vlecht.

Onder al deze naspeuring heb ik geen voetspoor konnen ontdekken om te vinden dat d'Aartsvaders Tenten van Planken gehad zouden hebben, gelyk by ons de Waaffelkramen, overzulks is de verantwoording des gemelden Konstenaars bespottelyk. Die dooroeffende Konstschilder (waar van W. Goeree in zyn Inleiding tot de Schilderkonst op pag. 46

[p. 159]origineel

meld) had zyn antwoord wisser. Deze had ten verzoek van een geleert Heer een stuk geschildert, verbeeldende de bruiloft te Kana, daar Christus het water in wyn veranderde, en had met voordagt rooden wyn verbeeld. Den Heer dit Tafereel beziende, viel juist zyn oog daar op. Des hy den Schilder vroeg, waar uit hy wist dat'er roode wyn op deze bruiloft geweest was. De Schilder vroeg weerom, waar het stond dat'er witte wyn geweest was? ondertusschen zogt men den text Joh. 2. op, om te zien of 'er uit d'omstandigheid eenige gissing ten voordeel van den een of den anderen, gemaakt kon worden. Dog niets vindende, wilde de Heer evenwel weten, waarom hy in steê van witten rooden wyn verkozen had. De Schilder merkende dat zyn verstand hier van een geleert man op den toetsteen gezet wierd, antwoorde, dat hy veel waarschynlyke reden hadde, die hem om by de waarheid te blyven daar toe noodzaakten. Want voor eerst (zeide hy) is het heel waarschynlyk dat Christus het water in zoodanigen wyn herschept heeft, als in Galilea groeide, en van de inwoonders gedronken wierd. Derhalven besluit ik dat hy het water in zulken wyn verandert heeft, als men te dier tyd, en te vooren, en ook op hoogtyden gewoon was te drinken, en dat dit nu geen witte maar roode wyn is geweest, blykt hier uit dat 'er in de Heilige schrift van geen anderen wyn gemelt word, waar toe hy bybragt de plaats uit Jes. 63 vers 2. Spreuk: 23 vers 31. en meer andere. In welke goede redenen de geleerde man groot genoegen nam, zig verwonderende over het welgeoeffent verstand van den Schilder.

Dus was 'er nog een Konstenaar, die zinnebeeldig de gesteldheid der Nederlanden in de Jaren 1567 en 68 vertoonde, door den geschonden

[p. 160]origineel

Hoed der Vryheid, verscheurde Previlegien en den Hollandschen Leeu, geplet tusschen de borden van een pers, welke van die mogentheeden, verbeeldende Margarita Hartogin van Parma, de Spaanse Inquisitie en Duc d' Alva, elk aan een spil staande zoodanig gedrukt werd, dat de tong uit benaauwtheid, als ten ende ademtocht ten bek uithing. De teekenmeester gevraagt: Waarom de Beeltenissen der Inquisitie, en die van Alva met meerder yver en kragt schenen de schroef aan te zetten en de Landvoogdes maar even de hand aan den spil der bloedpers had? gaf tot antwoord, om dat de Historyschryvers eendragtig zeggen, datmen in Spanje oordeelde dat zy de Nederlanders niet streng genoeg behandelde, 't bestier heur ontzeit, en Alba gesterkt met een strenger Inquisitie in haar plaats gezonden werd.

Een traagaart mag zeggen: waarom zal ik myn ledige uuren besteden, om dingen te weten, die my ligt nooit te pas zullen komen? maar hy weet niet dat 'er niets aangenaamer is, voor die'er den smaak af heeft, als wetenschap, en kent den zin der oude Hollandse zinspreuk, Men moet beslaagen ten ys komen, nog niet.

By T. Livius leestmen van den Veltoversten Philopoemen, dat hy zig zo wel in vrede als in oorlog geduurig in de Krygsoeffening bezig hield, op dat het hem, als 't 'er op aan zou komen aan geen bekwaamheid of raadsman in krygskunde ontbreken mogt. Dus moet zig een jong Schilder in den ledigen tyd gestadig oeffenen in 't lezen, ondervragen, navorschen, teekenen en ordonneren, om hier door zyn vernuft te wetten, en zyn geest met bekwaame denkbeelden aan te vullen, tot dat hy gelegenheid krygende om zyn verstand en

[p. 161]origineel

Konst te toonen, zig bedienen van den kostelyken voorraad, in zyn geheim Kabinet opgesloten, daar de rede de sleutel af heeft. Nu valt hier omtrent niet meer voor te stellen, als de goude spreuk van Epictetus, die zeit: Die wys is, doet gewillig dat hy doen moet.

Hier mede eindigen wy, alzoo de Toneelgordyn (deze tusschenrede wat te lang uitgerekt) reeds word opgeschoven, op dat de Konstschilders Barent Appelman en Pieter van Slingelant ten Toneel komen.