De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakob Torenvliet]

JAKOB TORENVLIET is geboren te Leyden in 't jaar 1641. Zyn Vader had veel op met zyn Zoon, en was gewoon hem in zyn Jeugt tot yver aan te moedigen, door schoone beloften. Dit geloofde hy, en 't strekte hem ten spoor, dog hy verzuimde niet (de begeerte is het leeven van de ziel) 't elkens meer beloften aan te winnen, zeggende dikwyl, Vader als ik nu een Meester zal geworden wezen, zal ik dan een mooy kleed hebben, zal ik dan een deegen draagen? zal ik dan een pluim op myn hoed hebben? enz. Waar op zyn Vader hem doorgaans met een slepende stem, gewoon was te antwoorden (want beloften zyn haast getelt) Ja zoon. Dit werd onder de genen die aan des zelfs huys verkeerden ten spreekwoord, zoo dat, wanneer hun iemant iets kwam te vergen, zy dan antwoorden, Ja zoon.

Wanneer hy nu zoo veer in de konst gevordert was dat hy braaf teekenen en een goet pourtret schilderen konde, vertrok hy van Leyden naar Rome, om zig voorts in de Konst te oeffenen; mede hebbende tot Reisgezel en Konstgenoot Nikolaas Rosendaal, geboren te Enkhuizen in 't jaar 1636, die een Braaf Historyschilder geweest is; en na dat hy uit Italie wedergekeert in Holland veele fraaije konstwerken gemaakt had, stierf hy in 't jaar 1686.

[p. t.o. 164]origineel



illustratie

[p. 165]origineel

Torenvliet te Rome gekomen was kostelyk uitgedost met een Fluweelen Rok, met zilvere knoopen, een pluym op zyn Hoed, en voorts 't een na 't ander, zoo dat hy zig zelven naau kende; en als hy voor d' eerstemaal by de Schilders, die van zyn kennissen waren, in de Herberg kwam, en een glas meer als naar gewoonte gedronken had, begon hy met hun te spotten; om dat s'er wat schraal en ongezien uitzagen. Naderhand maakte hy 't nog slechter; want staande in de deur van de Herberg, en ziende een troep dorstige Schilders om de deur zwieren als Byen om de Suiker, vraagde hy aan de geenen die by hem stonden, zyn dat ook al Bentvogels? en als hem Ja geantwoord wierd: antwoorde hy met opgestreken knevels: Ik dagt dat het bedelaars waren: em dats'er zoo geplukt uitzien. Dit werd onthouden, en als hy in de Bent zig liet inhuldigen, zwegen zy tot zyn geld opgesmult was, en zetten hem toen die smaatwoorden betaald.

Want daar moest naar ouder gewoonte (was het zeggen) wanneer zy den nacht overgezeten hadden, tot verluchting, en om den vaak uit de oogen te dryven, nog een wandeling gedaan worden,

 
Daar de Nieuwling schoon vergult
 
Door zyn Bentnaam, en gehult,
 
Met zyn Bult, den troep gaat leiden,
 
Trouwverzelschapt van de beiden,
 
Aller oudste van de Bent,
 
Tuk op schuimen en gewent
 
Zulke knapen; zulke groenen,
 
Hunne goudbeurs schoon te boenen.
 
Dog me leert 'er ooit voor niet?
[p. 166]origineel
 
Deze toont hem in 't verschiet
 
Tivoli met waatervallen,
 
't Lustverwekkenste der dallen
 
Van 't geheele Roomsche lant.
 
Geen wyst aan den and'ren kant,
 
Grotten, en gesloopte muuren,
 
Die den tyd en spyt verduuren.
 
Elk op ouden luister bromt,
 
Toen men by de grafsteê komt.
 
Van God Bacchus daar een wyngert
 
Geestig is omheen geslingert.
 
Hier begintmen weer terstont,
 
Drank te bieden aan den mont,
 
't Bloeyen van de Bent te drinken,
 
En van hand tot hand te klinken,
 
Tot zy zien het laatste gelt
 
Aan den Kroegwaard uitgetelt.

Onder den hoop waren 'er die het oude spreekwoord van Ja zoon, waar van ik gemeld heb, nog onthouden hadden. Deze maakten de rest op om dat zy hem met dien naam zouden doopen. Hy zulks in die vrolykheid niet opmerkende, beelde zig in dat zy hem gebentnaamt hadden naar den Ridder Jazon, den verwinnaar van 't Gulde vlies, en was daar meê wel in zyn schik, tot den volgenden dach, toen 'er hem uitleg van gedaan wierd. Maar dit was niet te herroepen.

Hy was ruim 29 jaren als hy te Rome kwam, als aanstonts blyken zal, en had toen al veele pourtretten geschildert, daar hy roem door behaald heeft; als inzonderheid den Heer Korn. Schrevelius met zyn vrouw en kinderen in een stuk, daar Joh. Blasius een lang gedicht opgemaakt heeft, aan welks einde hy zyn zangnimf dus doet spreken:

[p. 167]origineel
 
Ik wyk voor Torenvliet: zyn zwieren in het Schilderen,
 
Verbeelden een Apel.
 
Gaf hy na konst, en geest, aan dit zyn leste streken,
 
De Beeltenis, die nu een schaduw is, zou spreken.

Dit was in den jare 1661.

Naarstig en yverig heeft hy te Rome zyn tyd waargenomen met teekenen, naar de Schilderyen van Rafael, Paulo Veronees, Tintoret, en zoo voorts naar de beroemste konstwerken, die in paleizen en Kerken ophingen, in welken yver hem zyn Reismakker Rozendaal stadig verzelde, die even als hy een braaf tekenaar was; waar van wy thans, zynde Slachtmaand 1718, de bewyzen zien; zynde eenige dagen koopdag gehouden tot Amsterdam van de lang vergaarde papier - en penceelkonst van Torenvliet, by zyn leven.

Tusschen beyde hadden wy vergeten te zeggen, dat hy ook verscheiden jaren te Venetien gewoont en de Konst geoeffent heeft. Daar hy ook een vrouw trouwde die veel geld had, welke hy meebragt als hy wederkeerde tot zyn geboortestad Leyden.

Gelyk ik van veelen gemeld heb, dat zy niet gelukkig met hun Konst geweest hebben: even zoo moet ik ook van hem zeggen. 'T is waar, gedult is het gereedste hulpmiddel in dusdanig geval. Maar 't is egter smartig, als men ziet dat anderen die minder Konst bezitten, als het spreekwoort zeit, door de waerelt rollen, daar zy 'er door kruipen moeten.

Hy overleed in 't jaar 1719. Zyn Beeltenis staat in de Plaat F. 15.