De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johannes van Haansbergen]

JOHANNES van HAANSBERGEN, geboren tot Utrecht in 't jaar 1642 op den 2 van Louwmaant, ging van daar 1669 wonen in den Haag, daar hy ook gestorven is op den 10 van Louwmaant 1705.

Hy had de Konst geleert by Korn. Poelenburg, en was door vernuft en vlyt zoo veer in die wyze van schilderen gevordert, dat zyne Konststukjes menigmaal voor zyn meesters werk wierden aangezien, wyl hy de verkiezinge, schikking der Beeltjes, gronden, agterwerken en de luchten zoo geestig helder en aangenaam wist na te bootsen. Egter waaren de zelve zoo haast niet verkocht als geschildert; waar door zyn stukken wel in getal aangroeyden, maar de geldbeurs niet deeden zwellen. Overzulks wert hem geraden zig tot het schilderen van pourtretten te begeven, zoo om dat zulks eerder, en meerder voordeel toebrengt, als om dat zyn vleyend penceel hem daar in byzonderen dienst zoude konnen doen, inzonderheid omtrent het schilderen van Jonge Juffrouwen, die graag het zuiver lelywit, en frisse rozekoleur zien doorsteken in haar pourtret. Ik wil niet zeggen dats' 'er alle meê behept zyn: maar die daar toe geneigt zyn, geven het door zoodanige bedekte wyze van uitdrukkingen te kennen, dat 'er geen Edipus toe noodig is om het raatzel t'ontzwagtelen. 'T is my gebeurt dat ik 'er een van diergelyken aart schilderde: die my onder 't schilderen vraagde, welke verwen wel het hoogste in prys waaren? waar op ik dan zonder agterdenken te hebben antwoorde dat d'Ultramaryn, Carmyn, en Florentynse Lak

[p. 170]origineel

wel de dierste verwen waren. 'T leed niet lang of zy vervolgde aldus: Ik geloof dat het wit ook wel diere verf is? en als ik naar rede van dat geloof vraagde, kreeg ik tot antwoort: Om dat ik zie dat gy 't zelve zoo schaars gebruikt, 't geen my stilzwygende wat meer daar van deed gebruiken. Dit heeft Haansbergen (na ik aan veele van zyne pourtretten bespeurt heb) ook wonder wel in acht genomen, die ook een grooten roem daar door kreeg: welke goude vlugt hy ook wel waarnam eer die voor by schoot; en waarom niet? 'T is verstant de gelegenheid, daar het al van afhangt; te kennen, en zig daar van te bedienen, zeit de Heer D. van Hoogstraten in het kantschrift op Fedrus Fabelen p. 185, en Augustyn Niphus zeit van Trogus: Deze oordeelt dat het wyze luiden past, zoo dra de Fortuin klopt, de deur te openen: want eens weg gegaan zynde komt zy niet weder.

Ik weet wel dat de Spaanse spreuk zeit: De Fortuin zelf vergelt met woeker den genen die 't gedult hebben van uit te wachten. Maar dit gaat zoo zeker niet. Jan de Baan (om onder de Broederschap te blyven) die vermaarde pourtretschilder, werd door de Fortuin in zyn tyd minnelyk aangelachen. Hy lietse agteloos voorbygaan, en zy kwam, schoon hy daar naderhand wel om gewenst heeft, niet weerom. Men leert de waarde van een zaak (zeggen d'oude wyzen) best kennen uit het vermissen van de zelve. Maar dan is het ook veeltyds te laat. Dus kan de Schilderjeugt dit gezegde tot een grondles nemen.

Onze Haansbergen (om weder ter zake te komen) had zig dan van zyne vorige wyze van konstoeffeninge begeven tot het schilderen van pourtretten. Het lukte hem wel (gelyk ook de konsthan-

[p. 171]origineel

del, daar hy zig met den Jode, drost van 't Haagse Hof, ingewikkelt had) en hield zig daar by tot het eynde van zyn leven.

't Beurt yder, die zig tot dusdanige veranderinge in de Konst begeest, niet, dat het van zulk een gelukkigen uitslag is. Dog hier van is ook wel het onvermoogen de oorzaak. Niemant beter als de man zelf kent zyn kragten: maar zonder daar agt op te geven gebeurt het veeltyds, dat wanneer een Schilder de gelegentheid van een pourtret te mogen schilderen aan de hand krygt, hy zulks om het voordeel dat hem toelagt maar onderneemt, schoon het dikwils gedaan zynde niemant minder als het voorwerp gelykt. Men wil kwansuis geen kooren (als het spreekwoord zeit) van den Moolen wyzen, 't gaa daar meê zoo 't wil.

Zeker Engelsman nergens anders op afgerigt als op 't schilderen, en vergulden van Rozen, die men gewoonlyk tot cieraat van de zoldering der Scheepskajuiten plaatst, had in een kroeg meer verteert dan hy betalen kon. De waard die geen ander middel 't zyner voldoeninge zag, als door hem dit te laten verdienen, vergde hem een Leeuw in zyn uithangbord te schilderen. De Schilder, die daar geen handeling van had, riedt hem, dat het beter zoude zyn dat hy daar een Roos op schilderde, maar de Huiswaart wilde daar niet naar luisteren. Als hy dan onverzettelyk by zyn voorneemen bleef, en een Leeuw wilde geschildert hebben, zeide de Schilder-Baas, it is very well, j will paint you a Lion, but et shall be als much like a Rose, as yon ever see. Dat is: 'T is heel wel, ik zalje dan een Leeuw schilderen: maar het zal zoo wel een Roos gelyken alsje ooit hebt gezien.