De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Gabriel vander Leeuw]

Pousyn staat op den post van 't Ordonneren gelyk met Rembrant en van Dyk, maar staat op den post van de uitdrukking der Hartstochten zoo laag als Rembrant op den post van Teekenen.

GABRIEL vander LEEUW, anders De Lione, is geboren te Dordrecht, op den 11 van Slachtmaant 1643. zyn Vader Bastiaan Govertz vander Leeuw, was een fraai Schilder van Osjes, Koetjes, Schaapjes enz. Leerling van Jacob Gerritz Kuip, dog verwisselde naderhand het

[p. 180]origineel

penceel, voor de Collecte van de Bieren te Dordrecht.

Gabriel, al vroeg, door het voorbeeld van zyn Vader, tot de Konst aangespoort, draafde in weinig jaren zyn Vader vooruit in de penceeloeffening, zoo dat hy al vroeg berucht wierd. Hy die den zin van de spreuk, dat geen Sant verheven word in zyn eigen land, kende, begaf zig naar Amsterdam, daar hy kwam te trouwen met de Zuster van den Konstschilder David vander Plaats. Dog dit belette zyn reislust niet, nog porde hem tot spoedig wederkeeren, want hy zig volle 14 agtereenvolgende jaren, als vier tot Lion en Parys, twee aan 't Hof van Savoje, een jaar te Rome, en zeven jaar te Napels, heeft laten ophouden, eer hy wederkeerde. Wanneer hy aan verscheiden stalen genoegzaam heeft doen zien, dat hy zig naar de konstigste voorbeelden, als die van Castellione, en Roos, geoeffent had; welken laatsten hy ook in zyne vaardigheid nabootste. Ik heb een dreef van Ossen, Schapen en Ezels van hem gezien, die wonder geestig en los gepenceelt waren: maar alzoo onze landaart meer op het uitvoerige verslingert is, konde hy hier niet zoo veel, als hy wel gewoon was, voor zyn Konst bedingen; des besloot hy andermaal een reis naar Rome en Napels aan te vangen; om welke reden hy van Amsterdam naar Dordrecht vertrok, om zyn oude Moeder, voor zyn vertrek, te bezoeken; maar hy werd op zyn onverwagtst door de dood overvallen en weggerukt op den 3 van Hooimaand 1688. Hy was een welgemaakt man, woelig van geest, en wel bespraakt, waar door hy zig wist in yders gunst te vleijen, en zyn geluk te bewerken; daar en tegen was zyn Broeder en Konstgenoot Pieter

[p. 181]origineel

vander Leeuw van een stillen aart, en borgerlyk gedrag, had geen bekwaamheid van zig voor te dragen, of by elk bemint en bekent te maken; waar door (schoon hy zyn Konst wel verstond) hy maar een gemeen loon voor zyn penceelwerk bedong. Hy had een vleijend penceel, en de Osjes, Koetjes, Schaapjes, Beetljes en Landschappen, zweemden geheel naar de handeling van Adriaan van den Velde, van wien hy een stukje schildery had, 't geen altyd nevens hem, op den Ezel stond, om zig dus aan die wyze van schilderen te gewennen. Volgens myn bedenken is hy jonger geweest als zyn Broeder. Ik weet ook niet wel, in wat jaar hy gestorven is. Maar hy kwam 1669. te Dordrecht in 't Konstgenootschap, en heeft, (wanneer ik 1678. my in die Broederschap liet inschryven,) mynen naam, als Regent, geboekt.

Hy heeft een Zoon nagelaten, die een konstig Signet- en Stempelsnyder geweest is.