De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Dirk Freres]

THEODORUS, anders DIRK FRERES, is tot Enkhuizen geboren, in 't jaar 1643. Deze was een groot meester in 't schilderen van Historien en naakten. Verscheiden groote werken zyn nu nog van hem te zien, die den toets konnen uitstaan, als onder vele een Galery op 't huis te Honslaardyk, en verscheide groote stukken op 't Raathuis te Enkhuizen, waar van nog sommige onafgemaakt gebleven zyn, door dien hem de Dood verrast heeft; want hy voer t'scheep van Amsterdam, wat onpasselyk zynde, naar Enkhuizen, om dat hy dagt daar meer gemak te zullen hebben, en beter door zyn vrienden opgepast worden, dog de ziekte nam zoodanig toe, dat hy al dood was, eer het schip de haven bezeilen konde. Dit viel voor in 't jaar 1693. als hy oud was 50 jaren. Tot Amsterdam op de Heeregragt, in 't huis van den Heer Roeters, is een Zaal met schilderyen van hem, daar met roem van gesproken word.

[p. 185]origineel

Ook heeft hy verscheiden heerlyke zolderwerken gemaakt, met konstige cieraden in de hoeken. Dog in 't gemeen word 'er van getuigt dat hy grooter teekenaar als koloreerder was. Waarom ook zyne Teekeningen van naakte beelden by de Konstkenners in waarde gehouden worden.

Hy had lange jaren in Italie zig geoeffent, naar de geagtste voorbeelden, en 't is aan zyn penceelwerk wel te zien, dat hy Roomsche lucht ingeademt had. Egter daar zynde hield hy geen gemeenschap met de geenen, die men in de wandeling Bendvogels noemt, welke doorgaans op 't verkwisten van geld uit zyn: maar in tegendeel nam hy proef, met hoe luttel geld als men sober leeft, men een jaar kan toekomen. Dus bevond hy dat de spreuk van Seneca: Dat onze Natuur van een gezeggelyken aart is, en met weinig zig laat genoegen, waarheid gezeit heeft. Dit doen was nogtans een eigenwilligheid van hem, buiten nood; want hy was afkomstig uit een oud en geagt geslagt, en had van zig zelven geld, om te konnen bestaan, buiten zyne Konstoeffening, waarom hy ook niet als met luiden van aanzien en eere omgang hield en verkeerde. J. Voorhout, die met hem (na dat hy van Rome weder tot Amsterdam was gekeert) op een Oeffenschool naar 't leven geteekent heeft, heeft my verhaald, dat hy het gezelschap liet raden, hoe veel zy dagten dat hy in dat mager jaar aan geld verteerd had; maar hoe min dat iemant riet, 't was nog minder, want het kwam op 30 gulden uyt. Daar wel uyt te gissen is, dat hy niet veel gebrade Kapoenen gegeten, of Florentynschen wyn gedronken zal hebben.

Hier nevens verschynt zyn tyd- en Konstge-

[p. 186]origineel

noot, die te gelyk met hem, in den jare 1666. in Italien geweest is,