De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johannes Vorstermans]

Onder de Konstschilders welke een veranderlyke levens rol gespeeld hebben, word ook de Bommelaar JOHANNES VORSTERMANS getelt.

Zyn Vader was een pourtret-schilder, en van een goed geslacht, getrouwt met een weduwe wier man Borgermeester te Bommel was geweest. By deze is onze Vorsterman verwekt; maar in wat jaar weet ik niet: maar, om dat deze de onderwyzer van Johannes Soukens (die hier achter volgt) in de Konst geweest is, hebben wy den meester (dat voeglyk is) voor den Discipel geplaatst.

't Is denklyk dat hy de beginselen der Konst by zyn Vader geleert heeft, eer hy, zig vindende tot die wyze van schilderen geneigt, tot Utrecht zig begaf, om, onder opzigt van Herman Zachtleven, de Konst voort te oeffenen, na welken tyd hy van voornemen werd om Vrankryk (tot verlustiging, was 't zeggen) te gaan bezien. 't Mocht niet minder wezen (zoo veel Edel Gelders bloet zat 'er

[p. 199]origineel

in de borst) of daar moest een knecht met een geboorden rok agter hem gaan; en (zoo men zeit) gaf hy zig daar uit voor een Baron, en verteerde in die reis wel het meeste geld dat zyn ouders hem naagelaten hadden. Hy kwam naderhand weer te Bommel wonen, by zyn Zuster, die in de wandeling Mevrouw genoemt werd. Hier verkeerde hy met de braafste luiden van die plaats, hield zig als een Edelman, was deftig gekleed, en liet zig vinden in de beste herbergen, ontveinzende altyd zyn Konst voor geld te oeffenen: maar best wetende, hoe 't met zyn beurs gestelt was, ontweek hy by wylen het gezelschap voor een tyd, onder voorwending dat het hem ergens aan gescheelt had ('t geen de waarheid was) en schilderde dan eenige stukjes, welke hy stil in Holland liet verkoopen, waar van hy zig dan weer op nieuw bediende; en zoo hy al iets maakte dat hy weten wilde, zulks diende enkel tot een prezent aan een goed vriend. Dus voorzigtig behandelde hy dit stuk, om zyn eer niet te krenken.

Buiten dit, bezat hy een groot vernuft, geestige vindingen, en een vaardig en vleijend penceel, waar door hy zyn meesters behandeling niet alleen nabootste, maar in veel dingen (zeit de Konstschilder G. Hoed, die hem gekent heeft) H. Zachtleven overtrof.

In 't jaar 1672. wanneer de Fransche Gelderland en 't Sticht in bezit genomen hadden, hield hy zig op te Nimwegen, daar hy ook een Zuster had wonen. Ik heb nog vergeten te melden, dat, wanneer de Franschen toeleiden om deze Landen t'overstroomen, en de Staten van de Provincien zig genootdrukt vonden krygsvolk tot hun bescherming te werven, onze Jonker toen naar een Hop-

[p. 200]origineel

mans plaats dong, maar hy viel mis, en een Gelders Edelman ging 'er meê stryken.

Terwyl hy te Nimwegen woonde, ontdekten zig onder de Fransoizen verscheiden die Konstlievende waren, waar meê hy omgang hield, onder anderen de Marquis de Bettune. Deze nam Vorsterman mede naar Utrecht en elders om Konst op te koopen, tot een Konstkabinet. Men zegt dat gemelde Marquis, die in 't kort wederom naar Vrankryk vertrok, hem graag voor zyn Hofmeester had willen met zig nemen. Dog of hy daar geen zin toe had, of dat 'er iets anders in den weg was, hy bleef te Nimwegen.

Eenigen tyd daar na, vertrok hy naar Engeland, daar hy van wegen zyn Konst in groot aanzien kwam; zelf kreeg hy gelegenheid, om voor Koning Karel den tweeden, een schoorsteenstuk in een der zalen op Withal, anderen zeggen in een klein konstvertrek, te schilderen, waar in zig een van zyne Koninglyke Lusthuizen vertoonde. Hier in had hy verscheiden beeltjes van Heeren, die dagelyks aan 't Hof kwamen, in hun natuurlyken zweem van gaan, staan, en bekleeding, zelf hun wezen, zoo natuurlyk en konstig afgebeeld door zyn konstpenceel, dat dezelve elk in 't byzonder waren te kennen. Dit werd van elk tot verwonderens toe geprezen, en voldeed aan 't Hofgezin en den Koning, die hem daar op liet vragen, wat de Schilder voor zyn Konststuk begeerde. Hier stont onze Vorsterman wat verlegen. d'Een ried hem dat hy den Koning tot een present moest aanbieden, of de waarde daar van aan hem stellen. Anderen rieden het tegendeel; des deed hy een eisch van twee duizent guldens voor het zelve, 't geen de Koning wat te veel dagt te wezen,

[p. 201]origineel

zoo hem aangedient wierd. Ondertusschen vleide zig onze Konstenaar met de hoop van dien schoonen buit, die hy zig verbeelde dat met weinig korting (als in Holland wel geschiet) hem toe gedeelt zoude worden, en overlei vast by zig zelven wat hy den brenger daar voor in de vuist zou stoppen: 't welk te vergeefs van hem overleid werd; want het 'er nooit toe kwam. Hy wagte dagen, weken, maanden, eerst in hoop, naderhand met ongedult, tot zoo veer, dat hy al negen hondert gulden op die schult verteerd had in zyn herberg; waar over de waardin (ziende dat daar niet van komen zoude) hem dede voor die schult vast zetten.

Karel du Jardyn, wanneer hy te Lion in dergelyken rampspoedigen staat raakte, kwam 'er gelukkiger af; want zyn waardin, ziende dat 'er van hem geen gereede munt te wagten was, nam zyn persoon tot voldoening van de schult over, en daar meê was die rekening geeffent.

Onze Jonker, die tot nog toe voorwind gezeilt had, werd door een tegen wind op 't onverwagtst aan lagerwal gesmeten. De Spaanschen hebben een spreuk die op zulke luiden gepast word, die zeit: De Fortuin werd moe van hem langer te torschen.

Wat aanzoek onze gevangen, door deze en gene van zyne bekenden aan 't Hof liet doen, om zyn betaling, daar kwam niet van. Ondertusschen zat hy in elende, tot de Konst-schilders onder malkander wat uitleiden tot zyn verlossing. De waardin, die liever een weinig zeker als veel op een hopelooze onzekerheid wilde afwagten, ontsloeg hem uit de gevangenis. Toen weer van voren af aan den Hovelingen in 't oog geloopen; maar 't bleef als voren. Onderwyl gebeurde 't dat'er een gezant uit Engeland naar de Porte ging. Deze nam hem mede,

[p. 202]origineel

om eenige oudheden voor hem, naar 't leven af te teekenen: maar die Heer overleed op de reis: en men weet niet waar Vorsterman beland is.

Men zegt, terwyl hy in Engeland was, dat de Marquis de Bettune uit Polen aan hem schreef om over te komen in dienst van den Koning. Dog of hy daar heen niet heeft gewilt, of dat die brief niet in zyn handen gekomen is, daar van weet men 't rechte bescheid niet.