De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan Soukens]

Bergen (zeit het oude Hollandse spreekwoort) ontmoeten malkander niet; maar menschen wel. Dus is het ook met my en JOHAN SOUKENS, geboren te Bommel, een Leerling van Johannes Vorsterman gebeurt. Hy kwam my, en ik hem te kennen in de marktschuit van Dordrecht op Nimwegen, in den jare 1694. ik ontboden om den Borggraaf te schilderen moest naar Nimwegen, en hy naar Bommel daar hy 't huis hoorde, en 't was my leet dat ik niet van eersten af aan kennis aan hem kreeg, om de potsige vertellingen die hy my deed, waar door my de tyd, die door den tragen voortgang verdrietig was, my nu kort scheen. 'k ontdekte wie hy was, by gelegenheid dat ik de hoeken der beschilderde paneelen door zyn reiszak zag doorsteeken, waar op ik hem vraagde: of hy in Holland eenige schilderkonst gekogt had. Waar op hy my verhaalde, dat hy in Holland was geweest om schilderyen te verkoopen, dat hy zulks tweemaal des jaars gewoon was, en dat dit het overschot was, vorders dat hy een schilder was, en Soukens genaamt. Waar op hy (na meer andere redenen) tegen my zeide, dat hy wel wenschte dat ik ook tot Bommel woonde, om d'eer van myn gezelschap te hebben, en dat hem even veel dagt

[p. 203]origineel

te wezen waar ik woonde, om de Konst te oeffenen, en vervolgde: wilt gy daar toe bewilligen, ik heb myn huis tot uw dienst, of zoo gy het zelve in vollen eigendom wilt, ik zal 't u geven. Dat my zeltsaam in den eersten voorkwam, zoo dat ik hem vraagde waar hy dan wonen zoude? waar op hy my ten antwoord gaf: ik heb 'er twee, en wil u daar en boven nog van beide de keur geven. Dit zeggen kwam my nog al koddiger en vreemder voor, te meer om dat ik niet bewust was, dat de huizen in die landstreek, om de neringloosheid, van zoo geringe waardy zyn, des vraagde ik hem: staat het een dan ledig? 't antwoord was neen, maar hy zeide: dat hy die beide bewoonde, het eene des winters; om dat het dakdicht was, en 't andere des zomers, om dat het boven open zynde, luchtig voor hem was. Ik bedankte hem voor zyne aanbiedinge, en was verwondert dat hy nog zoo luchthartig en getroost was in zyn lot, want de markt van zyn Konst toen al vry gezakt was. Sedert heb ik hem niet meer ontmoet, of van hem gehoort.