De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Arent de Gelder]

Hier aan volgt ARENT de GELDER, geboren te Dordrecht in den jare 1645, op den 26 van Wynmaand.

Kleederen, Huisraad, en dergelyke soort van dingen zyn de mode, of veranderinge onderworpen; en wanneer de een daar in voorgaat, volgen straks anderen na. Dus is het ook gelegen met de schilderkonst. Dan bemint men eens 't geen stout gepenceelt en ruuw aangetast is, als het maar welstandig is in zyn afstant: dan eens weer 't geen gepolyst en uitvoerig geschildert van naby mag beschout worden.

De Konst van Rembrant had als wat nieuws in haar tyd een algemeene goedkeuring; zoo dat de konstoeffenaren (wilden zy hunne werken gangbaar doen zyn) genootzaakt waren zig aan die wyze van schilderen te gewennen; al hadden zy zelf eene veel prysselyker behandelinge. Waarom ook Govert Flink (gelyk wy in zyne levensbeschryving hebben aangemerkt) en anderen meer, zig tot de school van Rembrant begaven. Onder deze was ook myn Stadgenoot Arent de Gelder, die, na dat hy door S.v. Hoogstraten in de gronden van de Konst was onderwezen, mede naar Amsterdam vertrok om Rembrants wyze van schilderen te leeren, 't geen hem zoodanig toeviel en gelukte, dat ik tot zynen roem zeggen moet, dat geen van alle hem zoo na gekomen is in die wyze van schilderen. En is boven dit opmerkelyk dat hy alleen onder zoo een menigvuldig getal, welke naderhand die wyze van

[p. 207]origineel

schilderen agterlieten, daar in is staande gebleven.

Hy kwam in den jare 1645. by den zelven om de Konst te leeren, en bleef 'er twee volle jaren, wanneer hy zig weder naar Dordrecht begaf, en de Konst tot heden toe loffelyk heeft geoeffent.

Van Rembrant zeit * Pels, dat hy

 
... Door de gansche Stad op bruggen, en op hoeken,
 
Op Nieuwe, en Noordermarkt zeer yv'rig op ging zoeken
 
Harnassen, Mariljons, Japonsche Ponjerts, Bont,
 
En Rafelkragen, die hy schilderagtig vont.

Maar onze de Gelder, heeft niet minder dan hy een voddekraam van allerhande soort van kleederen, behangsels, schiet-en steekgeweer, harnassen, enz. tot schoenen en muilen inkluis, by een verzamelt; en de zoldering en de wanden van zyn schildervertrek, zyn behangen met floersche en gestikte zyde bewindselen en sluijers, sommige geheel, andere gescheurt even als de gewonnen legervaandels op de zaal van 't Haagsche Hof.

Uit dezen ryken voorraad haalt hy de toerustinge zyner beelden: gelyk hy dan ook voor gebruik houd, zynen Leeman van hoofd tot teen te bekleeden, en in zulk een gedaante te zetten, als hy noodig heeft, 't geen hy dan met het penceel, of met duim en vinger nabootst. Somwylen smeert hy ook de verf wel, als hy by voorbeeld een franje of borduursel op eenig kleed wil schilderen, met een breet tempermes, op het paneel of doek, en krabt de gedaante van het borduursel, of de draden der franje daar uit met zyn penceelstok, zonderende geene wyzen uit, als zy maar tot zyn oogmerk behulpig zyn; en 't is te verwonderen hoe natuurlyk en

[p. 208]origineel

kragtig zulk doen somwylen zig in afstant vertoont.

De voorwerpen van zyn Historische vertooningen zyn meest Bybelstof, en onder dezelve munt in Konst uit de verbeelding van een stervenden David, of daar Bathzeba de Rykskroon voor haren Zoon Salomon verzoekt. Ook de Zegening van den Aartsvader Jacob.

Gelyk onder zyne pourtretten, dat van den braven beeldsnyder Hendrik Noteman. Het laatste van zyne werken is de Passie, anders de Historie van den lydenden Christus, in 22 stukken, waar van 'er reets 20 voltooit zyn, waar in konstig de menigerhande hartstogten, of gemoedsdriften, uit kennelyke wezenstrekken te zien zyn, gelyk ook eene onbedenkelyke verandering van dragten, en vremde toestellingen omtrent de bekleedingen der beelden, bywerken, en verkiezinge van dag en schaduwe, en deze naar ik gis zullen ook wel de laatste blyven, want hy al een geruimen tyd doorbrengt met ter kerk te gaan, en vrienden te bezoeken. Hy is thans in dit jaar 1715. terwyl ik dit schryve, nog in goede gezontheid, en ongetrouwt. Veel licht heeft hy de spreuk Horatius

 
...... Melius nil caelibe vita:

Dat is:

 

Niet beter als een ongetrouwt leven, gekent, en die zig altyd ten leerles voorgestelt.

 

Zouden d'oude Letterwyzen, en Fabeldichters, geen reden gehad hebben, waarom zy de Fortuin geblind afschilderden? zekerlyk; om dat zy nog naar rede, of regel hare gaven uitdeelt, maar die

[p. 209]origineel

geeft aan die 't meeste heeft, en hem die niets heeft voorby gaat.