De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Michiel van Musscher]

Nu komt de brave Konstschilder MICHIEL van MUSSCHER (wiens beeltenis in de Plaat F 16. te zien is) ten Toneel, daar Rotterdam op roemen mag, binnen welkers ringmuur hy op den 27 van Louwmaand 1645. geboren werd.

Met zyn vyfde jaar begon hy al mannetjes en beesjes te teekenen op papier, en die drift tot de teekenkonst groeide zoodanig met de jaren aan, dat zyne Ouders ziende dien yver meer en meer toenemen, hem in den jare 1660. bestelden by

[p. 211]origineel

Martyn Zaagmolen, om de gronden van de teekenkonst te leeren, daar hy door zynen byzonderen yver en naarstigheid in korten tyd zoo gevordert was, dat hy in het volgende jaar (om de vermenging der verwen en behandelinge van het penceel te leeren) by den berugten Abraham van den Tempel besteld werd: daar hy al meê niet lang bleef, nog ook by Adriaan van Ostade en Gabriel Metzu; als my gebleken is uit een aanteekening die hy daar van geboekt heeft, aldus: 1660. twee maanden by Martyn Zaagmoolen geteekent. 1661. by Abraham van den Tempel. 1665. zeven konstlessen van Gabriel Metzu gehad, en in 't jaar 1667. drie maanden by Adriaan van Ostade, zeker t'samen gerekent eenen korten tyd, als men aanziet hoe verre hy in de Konst gevordert is geweest; waarom wy dat zoo veel zyne naduurdrift en naarstige oeffening, als de onderwyzing moeten toeschryven. Hier om heeft Aristoteles al weten te zeggen: Drie dingen zyn 'er noodig om tot wetenschap te komen, de Natuur, Onderwyzing en Oeffening: en ten zy de Oeffening zig by de Natuur en Onderwyzing voegt, is 'er geen vrugt te wagten.

t'Amsterdam, daar hy zyn meesten levenstyd in de oeffening der Konst heeft doorgebragt, zyn vele konstige uitgevoerde pourtretten van hem te zien, onder welke in Konst van schilderen uitsteekt dat van den konstminnenden Heer Jonas Witzen; waar aan hy geen tyd, of yver gespaart heeft: en 't heeft zyn rede gehad; aangezien gemelde Heer wel zyne grootste Kristoffel geweest is, die hem om hoog op zyn schouders beurde, op dat de nyt hem niet zou krabben.

Hy heeft ook verscheiden ordonnantiestukken gemaakt, en onder deze in verscheiden stukken

[p. 212]origineel

het potsig levens bedryf van Jan Klaasze en Saartje Jans. Maar 't geen onder alle in Konst van schilderen deursteekt, is het zoo genaamde Familiestuk, waar in hy zig zelf, zyn vrouw en kind verbeeld heeft, 't geen meer gemelde Heer Witzen, wanneer hy gestorven was, uit het boelhuis kogt. Dit had hy tot een staal van zyn penceels vermogen, door langen tyd, en yver bewerkt, 't welk thans berust by zyn oudsten zoon, wiens beeltenis, nog jong zynde, daar in afgebeeld is.

Hy stierf op den 20 van Wiedemaand 1705.

Ik lees ergens: Dat de aart der zaken leert eene wetenschap zoodanig te bevlytigen, dat men ook andere Konsten en Wetenschappen niet onaangeroert late, maar vlytig daar uit trekke al wat tot cieraad en voltoojing kan dienen van die beyvering die men zig heeft voorgestelt; want niemant steekt recht uit in eenige Wetenschap, die geheel onbedreven is in andere, zynde alle de Konsten en Wetenschappen als door eenen gemeenen bant aan een gestrengelt.

Men moet zig dan niet houden in den omtrek van eenige wetenschap, maar somtyds uitweiden in beemden van andere Wetenschappen en Konsten.