De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johannes Glauber]

Verscheiden voorbeelden hebben ons doen zien, dat de natuurlyke zugt en geneigtheid wel de scherpste sporen zyn, om de konstoeffenaars tot den voortgang in die Konst aan te zetten. Thans ontmoet 'er ons weêr een, wien de Natuurdrift de voornaamste Leidstar tot de Konst geweest is.

Deze is JOHANNES GLAUBER, gebentnaamt Polidoor, geboren in 't jaar 1646, tot Utrecht, by gelegenheid van dat zyne Ouders van Amsterdam door 't Sticht naar Duitsland (van waar zy herkomstig waren) meenden te vertrekken; welk voornemen daar door gestuit werd.

Glauber, van der jeugt af aan met een vuurige drift tot de Konst geneigt, werd daar in door

[p. 217]origineel

zyn Vader, die hem tot andere bezigheden opbragt, gedwarsboomt, zoo dat hy hem gansch niet wilde zyn geneigtheid ten gevalle, by eenig schilder bestellen om de Konst te leeren. Dit belette egter niet dat hy by tyd, en ontyd, zig in het teekenen en schilderen oeffende, tot dat hy kennis kreeg aan verscheiden brave konstschilders, die hem uit enkele liefde (ziende zyn drift tot de Konst) vorder onderwezen. Door dit middel en gestadig yveren zoo veer gevordert, dat hy zig zelven pas kon bedruipen, besteede hy zig zelf by Nicolaas Berchem daar hy negen maanden bleef.

In dien tyd was G. Uilenburg (het penceel voor den konsthandel verwisselt hebbende) de grootste handelaar in Italiaansche schilderyen die 'er in Holland was, en hield verscheiden jonge schilders aan 't werk, met die stukken na te schilderen. By dezen ging hy inwonen, en oeffende zig voort naar die schoone voorbeelden, die te gelyk ook een lust in hem wekten, om Italie te gaan zien. Deze reis ging hy doen in den jare 1671, verzelt met zyn Broeder, een borst van 15 jaren, en de twee Broeders van Doren. Zy gingen te Rotterdam te scheep op Diepe, en vorder naar Parys, daar hy omtrent een jaar lang schilderde voor Mr. Picart konstkooper op de Pontneuf, een bloemschilder en Brabander van geboorte. Van daar vertrok hy naar Lions, daar hy twee jaren woonde, en meest voor Adriaan vander Kabel schilderde. In dien tyd het Roomsche Jubeljaar op handen zynde vertrok hy met zyn Broeder en twee Fransche schilders van Lion naar Rome.

Na dat hy nu een half jaar te Rome geweest had, en kennis aan Hollandsche, en Duitsche schilders kreeg, vleiden zy hem om in de bent te ko-

[p. 218]origineel

men, waar zy hem Coridon doopten: dog alzoo hy bewust was dat den jongen vander Kabel die naam gegeven was, en zulks voorstelde, veranderden zy dien naam in Polidoor. Maar Carel du Jardyn, met wien hy wel meest te Rome omgang gehouden heeft, wilde zig niet onder de bentvogels begeven, nog zig laten inschryven, waarom zy hem Bokkebaart noemden, of om dat hy zig zelden liet scheren, of uit kwaatheid, gelyk zy om de zelve rede een anderen konstschilder met den schandelyken bentnaam Platluizenbaart gebrantmerkt hebben.

Na dat onze Glauber nu twee jaren te Rome had geweest, vertrok hy, verzelt met zyn Broeder en den Konstschilder Robbert du Val, naar Padua, daar hy een jaar bleef, en van Padua naar Venetien, daar hy zig twee jaaren ophield, met dagelyks zig naar 't leven, als fraaije voorbeelden, te oeffenen, van waar hy naar Hamburg vertrok daar hy gewoont heeft tot het jaar 1684. uitgezondert, dat hy ondertusschen een half jaar te Koppenhagen (ontboden van den Heer Guldenleeuw, Viceroy van Noorwegen) gewoont heeft, en voor gemelden Viceroy geschildert. Wedergekeert tot Amsterdam, woonde hy 'er, of had een kamer in 't huis van Ger: de Laires, 't zedert welken tyd hy vele treffelyke stalen van zyn Konst, zoo door 't schilderen van kabinetstukjes, als groote werken in zaalen, heeft doen zien, waar by zyn naam nog eeuwen lang zal levendig blyven, als die onder de grootste konstenaars van Landschapschilderen mag getelt worden.

Op 't Lusthuis te Soestdyk heeft hy de eetzaal van Koningin Maria met een geestig Landschap beschildert, als ook die van den Koning: dog

[p. 219]origineel

daar aan heeft hem Albert Meyering (alzoo 'er haast meê gemaakt wierd) geholpen. Deze is met jachteryen door Dirk Maas van Haarlem opgeciert, gelyk die van de Koningin met beelden door Ger. de Laires.

Tot Amsterdam, in 't huis van den Heere Jacob de Flines, is in een zaal, het Landschap op gelyke wyze door G. Laires met beeldwerk opgeciert, als ook op den Agterburgwal in de Brouwery van den Hooiberg, ook verscheiden te Rotterdam, als by de Heeren Meyers, Verburg, en Paats.

Thans woont hy (getrouwt met de Zuster van den vermaarden Bouwmeester Steven Vennekool) in 't Proveniershuis te Schoonhoven, daar hy zig met een pypje, in zyn bloemhof, verlustigt.