De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Maria Sybille Merian]

De bevinding, die na den uitslag van zaken zekerder dan anders besluit, heeft dikwerf doen zien, dat de onbedwinglyke driften, lusten, en neygingen der zwangere vrouwen overgaan tot de vrugt, of die aan 't schepsel 't geen zy draagen meedeelen. Dit gezegde zullen wy klaarblykelyk bestempelt zien aan

MARIA SYBILLE MERIAN, dochter van den berugten plaatsnyder Matheus Merian, geboren te Frankfoort op den 2 April des jaars 1647. zy van haar elfde jaar af tot de Konst geneigt, helde meer tot het penceel, als tot huisselyke bezigheden over: des zy dikwils van haar moeder daar over werd begraauwt: immers het was geheel tegens haren zin, waarom zy zig genootzaakt was het vuur van hare geneigtheid onder ontveinzinge te dooven 't geen als haar moester van huis was, des te sterker ontvlamde; zoo dat zy zig ook naderhand haar moeders ongenoegtheid niet bekreunde, om dat zy daar in haar Stiefvader tot een sterken voorspraak had, die haar moeder dikwils erinnerde 't geen zy voorhenen wel verhaalt had,

[p. t.o. 220]origineel



illustratie

[p. 221]origineel

te weten: dat, toen zy van deze dochter zwaarging, zy meer als voorhenen geneigtheid had tot Konst en rariteiten, ja daar zy anders onverschillig in de beschouwinge van dit alles was, zy toen zelfs werk gemaakt hadde van Insecten te behandelen, opgezette vlintertjes, en allerhande soorten van bloede looze diertjes, tot horentjes, schulpen en zeegewassen inkluis, op hun orde in de kabinetladen te schikken, en de afschilderingen met vermaak te beschouwen: gevolgelyk dat zy d'oorzaak was van haar Dochters aangebore drift. Immers haar aangehuwde Vader Jacob Murel bragt het zoo veer, dat haar geoorloft wierd, haar neyging te mogen opvolgen; daar zy nu reets als gezeit is, steelswyze van haar elf jaar af, al begin van gemaakt had, en in dien vroegen tyd zig bedient van het onderwys van Abraham Minjon, haar Stiefvaders Leerling.

De geneigtheid tot de Konst groeide met het aanwassen van de jaren met haar op, en zoo veel te sterker, als de roem van haar Konst vermeerderde.

In den jare 1665, den 16 van Bloeimaand begaf zy zig in den Huwelykenstaat met Johannes Andriesz. Graff, van Noremberg. Dit niet tegenstaande, heeft zy zig naar haren Vader, om dat de naam van Merian meer berugt was, laten noemen. Deze was een goed schilder, inzonderheid ervaren in de Bouwkunde, als te zien is aan die naaukeurige afteekening van St. Pieters Kerk te Rome, door Joan Ulrich Kraus in koper gebragt, Anno 1696. beslaande negen groote bladen papier.

Dit niet tegenstaande bleef de liefde tot de Konst in haar, zelfs onder het kinderkrygen, en huisselyke zorgen aangroeijen.

't Was haar niet genoeg, de natuur in opzigt

[p. 222]origineel

van der zelver menigvuldige diertjes, met hare eygen levendige koleuren op perkament na te bootsen, maar zy kreeg ook een drift om de veranderinge der gedierten, en de wonderbare hervorminge van Rupsen in gevleugelde Uiltjes, Witjes enz. nevens den menigvuldigen verschilligen aart, en wyze van voortkomingen t'ontdekken, als ook het voedsel waar door zy bestaan na te sporen; op dat de menschen door klare beschouwingen dier wonderheden de wonderbare wysheid, en kragt Gods, in de minste schepselen zouden leeren beschouwen, en zien; en op dat de waereld te gereeder hare konstige afteekeningen, en vlytige nasporingen zoude deelagtig worden, nam zy voor dezelve in koper te doen snyden, en nevens, of met byvoegingen van hare naaukeurige agtgevingen in druk uit te geven: gelyk zy dan gevolgelyk het eerste stuk te Noremborg in den jare 1679. onder dezen tytel uitgaf:

Der Rupsen begin, voedsel, en wonderbare verandering. Waar in de oorspronk, spys, en gestaltenwisseling: als ook de tyd, plaats, en eygenschappen der Rupsen, Wormen, Kapellen, Uiltjes, Vliegen, en andere diergelyke bloedelooze Beesjes, vertoont worden.

Daar op volgde in den jare 1683. het tweede stuk, dat van gelyken aart was.

Deze onderzoekdrift, (om agter de ware hervormings wyze te komen, en de verkeerde wysmakeryen daar omtrent te verydelen) was in haar zoo groot, dat zy besluit nam (niet schromende de gevaren van de zee) om een reis naar de West-Indien daar om aan te vangen: gelyk zy gevolglyk deed in den jare 1698. en bleef omtrent 2 jaren op Suriname, enkel en alleen om alles wat

[p. 223]origineel

tot haar oogmerk diende naar 't leven af te teekenen en in den grond na te sporen. Wat nut haar yver aan de weetlustigen gegeven heeft, getuigen de genen, die haar groot werk gezien hebben, 't geenze daar van heeft uitgegeven in den jare 1705. getitelt,

Metamorphosis Insectorum Surinamensium,

of

Verandering der Surinaamsche Insecten, Rupsen, Wormen enz.

zynde elk geplaatst op die gewassen, bloemen, vrugten daar zy opgevonden zyn, ook de generatie der Kikvorschen, wonderbare Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en Mieren worden vertoont en beschreven, alles in America, naar het leven geschildert. Hier van spreken, die 't werk doorbladert en gelezen hebben, met grooten lof.

Nog verscheiden werkjes van minder beslag heeft zy in druk uitgegeven: daar haar Dochter nog een boekje met vyftig platen (waar van de aftekeningen gereet lagen) heeft toegestaan; want de dood haar levensdraat af knipte op den 13 van Louwmaand 1717.

Wy hebben haar beeltenis, wel waardig de geheugenisse der volgende tyden, geplaatst in de Plaat I 21. op welke, als ook op haar Konst, en levensgedrag deze volgende vaerzen gemaakt zyn:

 
Dit is de beelt'nis van Maria Meriaan,
 
Wier hand zoo lof'lyk wist het konstpenceel te stieren
[p. 224]origineel
 
In 't bootsen van gebloemte en allerhande dieren
 
Met dunne waterverf, op perkamente blaân:
 
 
 
Zelf 't geen Natuur ontdekt op veer gelegen kusten;
 
Waarom zy niet ontzag te steev'nen over Zee,
 
In 't dreigende gevaar, en rampen wel te vrêe,
 
Steeds latende 't bestier op Godes voorzorg rusten.
 
 
 
Wat gaf haar d'yverzugt, wat haar de nazoeklust?
 
Zy vond in Konst vermaak, en in bespiegelingen
 
Der Scheps'len d'oorzaak van het wezen aller dingen.
 
Haar naam leeft, schoon de dood haar lamp heeft uitgeblust.

Zy heeft twee Dochters naagelaten, die zy in 't bloemschilderen onderwezen heeft, Johanna Helena Herolt Graff, geboren den 10 van Louwmaand 1668. en Dorotea Maria Hendriks Graff, geboren op den 13 van Sprokkelmaand 1678. deze heeft haar moester vergezelschapt op de reis naar Suriname, en is buiten de konstoeffening ook geoeffent in de Hebreeuse taal.