De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johannes Bronkhorst]

JOHANNES BRONKHORST is geboren tot Leiden in 't jaar 1648. Dertien jaren oud zynde, als zyn vader hem vroeg ontvallen was, werd hy van zyn moeder tot Haarlem besteld by een Neef van haar die een pasteibakker was, (een beroep dat in dien tyd goed voordeel aanbragt, en waar meê het drok was; of om dat'er meer lekkertanden waren, of om dat die tyd beter was dan deze) om het zelve tot zyn beroep en kostwinning te leeren. Ondertusschen voelde hy altyd een smeulend konstvuur in zyn boezem, 't geen niet in vlam raakte voor dat hy zig in den jare 1670 tot Hoorn neerzette en trouwde. Toen begon dat smeulend vuur aan te gaan, dat is, zyn drift tot de Konst wakkerde zoodanig op datze niet wel te stuiten was. 'T was ook nodig. Aangezien hy zonder het eene te verlaaten het andere doen konde, oeffende hy zig naarstig in zyn buitentyd in de Konst, en kwam zonder eenig onderwys zoo veer dat hy onder de brave Konstschilders in waterverf mag getelt worden. Hy is thans nog in leven, en oeffent de Konst tot zyn vermaak, en het Pasteibakken tot zyn levensberoep. Een beroep dat met de Konst gepaart kan gaan; om dat het beide lekkernyen zyn,

[p. 243]origineel

het eene om den smaak, het ander om het oog te streelen.

Wat voorwerpen hy zig in zyn Konst voorgestelt heeft om na te volgen: en hoe veer hy de natuur der zelve weet na te bootsen, heeft de brave predikant en puikdichter Johannes Vollenhove aangetoont, in een gedicht dat hy op het zien van een Boek, waarin stukken waren van zyne Teeken-en Schilderkonst, gemaakt heeft, en het geen dus begint:

Nequeunt expleri corda tuendo.

 
Hoe leeft en zweeft uw Schilderboek,
 
O Bronkhorst, nog in myn gedagten!
 
Wiens oog kon op paneel of doek,
 
Volmaakter Schilderkonst verwagten,
 
Dan daar men uw vernuft aan kent,
 
Op uw papier of pergament?
 
 
 
Myn geest weidde in een beemt met lust,
 
Daar 't woelt en leeft van tamme dieren,
 
En vog'len, die als vreemt van rust
 
Geschapen, gins en weder zwieren,
 
Zoo schoon gekleet, als Salomon
 
In al zyn pragt niet praalen kon.
 
 
 
Wie roept niet; Dit 's geen schyn, ô neen:
 
Natuurlyk leven hier de Vogels.
 
De klauwen vatten, waar ze op treen:
 
De vlugheid rept zig van de vlogels:
 
Vergat het kunstpenceel geen tong,
 
Men hoorde, hoe 't gevogelt zong.
[p. 244]origineel
 
En wat verandring, net gemaakt,
 
Wat keurig oog konze ooit verveelen?
 
Wat vlyt heeft dit by een gehaalt
 
Uit alle vier des aardskloots deelen?
 
Want nimmer baarde een land en lugt
 
Zoo veelerbande Vogelvlugt.
 
 
 
Waant iemant nu met Olyverf
 
Dit zagte Konstwerk te verdooven?
 
Dees Waterverf, die nooit versterf,
 
Gaat kragt van Olyverf te boven.
 
Nog holp hier toe geen meesters les:
 
Natuur alleen was leermeestres.
 
 
 
Natuur bewaart niet schoons, dat zy
 
In 't ligt kwam brengen, voor 't bederven:
 
Maar Bronkhorst, kloek van geest, als hy
 
Natuur met teekeninge en verven
 
Dus volgt, verdient, de doot ten spyt,
 
Te leven na zyn levenstydt.