De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 251]origineel

[Johan van Hugtenburgh]

JOHAN van HUGTENBURGH, geboren tot Haarlem in 't jaar 1646. Deze een byzondere goede kennis van Jan Wyk, zyn stad- en buurgenoot, drie jaren en eenige maanden ouder, dan hy, is door leyding van zyn Vader al vroeg in de Konst gevordert: en hebbende geleegenheid van hem dagelyks te zien schilderen, werd hy hier door zoodanig in zyne konstzucht opgewakkert, dat hy eerst de teekenpen, naderhand het penceel aangreep, en zoo gelukkig in de Schilderkonst vorderde, dat hy voornemens wierd een reis naar Italie te doen, 't geen hy ondernam omtrent den jare 1667, te meer om dat hy daar een Broeder had Jakob van Hugtenburgh genaamt, die een braaf Schilder was van Roomsche gezigten met beesjes; hebbende by Nicolaas Berchem de Konst geleert. Dog dees stierf op zyn 30 jaar, maar te Parys gekomen raakte hy gevallig by den Konstschilder vander Meulen, onder wien hy zig voort oeffende, en naderhand op zig zelven schilderde, tot dat hy op 't laatst van 't jaar 1670 weder in Holland kwam, daar hy sedert dien tyd een groot getal van konststukken gemaakt heeft, die hem geroemt maken.

In den jare 1708, of 1709 raakte hy in dienst van Prins Eugenius.

In 't jaar 1711 werd hy met een Goude Medailje en keten van Fredrik Willem, Keurvorst van de Palts, beschonken.

 

Dat de driften van 't gemoed, als ook de geneigtheid van 's menschen geest, wel kan gedooft maar niet geheel overwonnen worden, is door veel waereldwyzen bevestigt. 't Een en 't ander hebben wy den Lezer reeds door voorbeelden aan-

[p. 252]origineel

getoont. Thans dient ons voorwerp weder om het laatste gezegde te bestempelen.