De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jan Luiken]

JAN LUIKEN, geboren den 16 April, in 't jaar 1649. heeft de schilderkonst geleerd by Martinus Zaagmolen. Zyne Schilderyen ziet men zelden, want hy al vroeg het schilderen (veel ligt om dat de zelve hem geen voordeels genoeg aanbragt) heeft afgelaten, en zig tot het etsen van Platen voor de Boekverkoopers begeven, 't geen hem wonder wel gelukte. Want hier door heeft hy een menigte van fraaije Boeken groot cieraad bygezet, inzonderheid de Joodse en Mozaise Oudheden van Goeree, en een onnoemelyk getal van andere Boeken. In den lentetyd zyns levens was hy los en ongebonden; en dit melde ik om geene andere reden, als om tot verwondering aan te toonen, hoe hy door de liefde tot deugt en godvrugt naderhand zyn aart en levenswyze verandert heeft, ja zoo, dat hy tot een opmerkelyk voorbeeld van mededeelzaamheid omtrent arme en behoeftige menschen strekte.

Wy konnen ook niet voorby gaan te zeggen, dat hy niet alleen 't penceel voor de etsnaald, maar ook voor de pen verwisselde, en al een goed getal fraaije Boekjes geschreven, met Konstplaatjes verciert, in druk heeft laten uitgaan, die den weg tot de Deugt, Liefde tot God, Begeerte tot het zalige leven, als ook zulke, die de zeedeplichten zoo in 't algemeen, als de kinderpligten omtrent hunne ouders, in 't byzonder betreffen. Waarlyk proeven van een geheiligden geest, en verbetert leven, waarom hy ook zyn Boekje, 't geen hy in zyn jeugt berymt had, genaamt DUITSE LIER, vol van verliefde gedichten, en dartele minnezangen, alzins by de Boekverkopers,

[p. 254]origineel

zelf tot hoogen prys ging opkoopen, om deze ydelheden uit de waereld te helpen en te vernietigen. Dit is 'er een staal van:

 
Een straal uit Leonoraas oogen,
 
Nog bruiner dan de Diamant;
 
Stak door een heimelyk vermogen
 
Myn jeugdig hart in lichten brant.
 
Blaas uit, blaas uit, ô Leonore!
 
Blaas uit de vlam die my verteert;
 
Een vlam uit uw gezicht geboren,
 
Gezicht dat zon en maan braveert.

Dog hy werd schandig bedrogen; want dit Boekje was in stilte nagedrukt, en werden hem, de afdruksels met 4, 6, 10 of 12 stuks door baatzugtige menschen aangebragt, daar hy niet agterdenkende van werd, dan wanneer hy bevont dat hy 'er meer ingezamelt had, dan hy 'er had laten drukken; wanneer hy ook den inkoop schorte, wyl zyn goed voornemen hier door verydelt was; en het smartte hem, ziende dat de eerlykheid zoo veer verbannen werd. Zoo dat Jeremias de Dekker reden vond, om te zeggen:

 
Zoo schaarsheid de waardy der dingen ryzen doet,
 
Zoo is een eerlyk man een onwaardeerlyk goedt.

Maar hoe bedrieglyk de verbeelding is, inzonderheid in 't stuk van den Godsdienst, zulks heeft de bevinding geleert, zelf omtrent mannen van een bekwaam oordeel en begrip.

J. Luiken oeffende zig in zynen buitentyd in de Boeken van Jakob Bohme en Antonette Bourignon, en hield byna met niemant, als

[p. 255]origineel

zulke, die aan der zelver dweeperyen vast waren, zamenspraak, en ommegang. Verders ging hy des namiddag om een wandeling alleen, en was voorts stil by zig zelf in huis, altyd met opgespannen gedagten, als opgetogen en mymerende, zoo dat hy den genen, die hem over 't maken van eenig plaatwerk kwamen spreeken, dikwils voorquam als een simpele knecht. Om kort te gaan, hy kwam door 't leezen der gemelde boeken zoo ver dat hy zig ontsloeg van alle werk, en de Boekverkopers Mortier, vander Sys, en andere, daar hy veel voor te doen had, 't zelve op zeide, zyn goederen verkocht, een klein deel behield, en de rest aan den armen gaf, en van Amsterdam, vertrok om stil door 't geloof met zyn oude Meid, die hem overleefde en naderhand nog part in zyne nalatenschap gehad heeft, te gaan leven: maar bevond in korten tyd dat zyn geloof niet sterk of kragtig genoeg, en zyne verbeelding op een zandgrond gebouwt was. Overzulks werd hy door nood gedrongen weder te keeren, en de Etsnaald weder op te vatten om zig door dat middel zyn nootdruft te bezorgen. Ondertusschen nam hy maar van zyne winsten, zoo veel als dienstig was, om zyn leven op de soberste wyze te onderhouden. Het overige gaf hy aan den armen. Zoo dat wanneer hy kwam te sterven, zyn Zoons vrouw en Zoontje naar den Grootvader genoemt hunne vingeren niet blaau telden aan hun erfgeld. Maar wat zal ik zeggen? geld scheen hem ligt te gering. Men zegt dat hy zyn Zoons kind een Boekje met opgeplakte printjes, onderschreven met zedespreuken en godvrugtige leydingen, naliet.

[p. 256]origineel

Hy stierf in het zelve gevoelen als van Bohme voorheen gemeld, in den jare 1712 den 5 April in den Ouderdom van 63 jaren.

Vander Sys, die veel agting voor hem in zyn leven gehad hadde, liet hem gestorven zynde afteekenen, met voornemen om des zelfs wezen (ter gedagtenisse voor de nakomelingen) in koper te laten snyden gelyk ook geschied is; en ik ook in myn Lofdigt, dat diende om de Printverbeelding te verzellen, daar aldus op zinspeel:

 
Dit is de Beeltenis van Luiken, om 's mans groot
 
Vernuft en vindingen geteekent na zyn doodt.
 
Hy was een Waereldling, daar na heel ingetogen.
 
Van leven, en gedrag, een voorbeeld van medogen
 
En mededeelzaamheid, aan d'armen steets betoont,
 
Waarom zyn beeld verdient met eeuw'ge lof gekroont.

De Schouburgh vertoont zoo wel de loffelyke daden der vromen, als de hatelyke bedryven der goddeloozen; beide op dat de waereld zig daar aan spiegelende, t'effens zig een denkbeeld van het goede, en een afkeer van het kwade zoude inprinten. Dit spoor hebben wy ook gevolgt; om dat het wit van 't zuiver blank geweten, tegens het zwart van een gekrenkt gemoed te kragtiger zoude afsteken. Te regt zegt zeker Schryver:

 
Zoo flikkert steets een Diamant in 't duister.
 
Zoo onderscheid m'een Wolfpest uit een Schaap.
 
Zoo praalt de Deugdt met ryker glans en luister.