De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Augustinus Terwesten]

Wy zagen de voorgaande eeuw sluiten, door het ontsteken van het groote konstlicht Antoni van Dyk. Deze halve eeuw van zestien hondert loopt meê niet ten eynde, of de Konstgodes ontsteekt een ligtende konstfakkel, om de tweede helft van de 16de eeuw, door den glans der zelve te bestralen, en

[p. 268]origineel

voor te lichten in AUGUSTINUS TERWESTEN, geboren den 4 van Bloeimaand 1649, in 's Gravenhage. Zyn lentejaren bragt hy door eerst met teekenen naar printen en pleister, naderhand met bootseeren in was, dat hem aanleyding gaf tot de Dryfkonst, waar van hy verscheiden stalen zoo in goud als zilver, met veel roem bewerkt heeft. Hy met dezen lof niet vernoegt, wyl zyn geest op grooter ondernemingen doelde, ontdekte zyn voorneemen (nu ontrent twintig jaar geworden) aan zyn Ouders in dezer voegen: dat hy vast had voorgenomen, of te trouwen, of hun ter keur te stellen, wat zy liefst wilden dat hy doen zoude. Zyn Ouders die van twee het beste keurden, stonden hem toe de Schilderkonst te laten leeren. Gelyk zy hem ook bestelden by den berugten Konstschilder Wielin. Dog deze tot Hofschilder beroepen van Fred. Willem Keurvorst van Brandenburg, genoot hy maar twee jaren zyn onderwys in de Konst, waar na hy zig begaf, om de menging der verwen en penceelhandel voort te leeren by Willem Doudyns, voor den tyd van twee jaren, in welke jaren hy zoo veer in de Konst gevordert was, dat hy, om tot meerder volmaaktheid in de Konst te geraken, besloot een reis door Duitsland naar Italie te doen, daar hy drie agtereenvolgende jaren bleef, zig naarstig oeffenende naar de beste voorbeelden, daar men om naar Rome gaat; als de berugte marmere Antiken, en penceelkonst van Rafael, waar van hy uitvoerige afteekeningen maakte, om naderhand zig daar van te bedienen.

Na dat hy zig dan nog eenige maanden te Venetien had laten ophouden, nam hy zyn te rug reys door Vrankryk, en over Engeland naar zyn

[p. 269]origineel

geboorteplaats, hebbende in 't geheel zes jaren met die reys door gebragt, wanneer hy t' huis kwam in 't jaar 1678.

Verscheiden groote Konstwerken, zoo zalen als zolderstukken, heeft hy zoo op zyn reys, als naderhand, gemaakt; nevens andere Konststukken, daar men een gansche lyst (aangezien hy wonder vaardig met het penceel wist om te gaan) van zoude konnen opstellen.

My gedenkt nog, dat als hy te Dordrecht de zaal van den Heere Baarthout van Slingeland, naderhand Borgermeester en Opperschout, in 't rond met Historien uit Ovidius beschilderde, ik, verzeld met den Konstschilder Arent de Gelder, en den braven Beeldsnyder Henrik Noteman, hem daar ging bezoeken, met voornemen van hem tot een wandeling uit te lokken. Maar hy sloeg 't beleeft af, onder voorwending dat hy nog iets te doen had, 't geen noodzakelyk moest gedaan wezen, met verzoek of wy zoo goet wilden weezen van na 't verloop van een uur of twee weder te komen. Wy deden 't en vonden toen tot verwondering een schoorsteenstuk met drie of vier beelden, 't geen, als wy 'er de eerste maal kwamen, alleen met kryt afgeschetst was, in 't geheel met zyn koleuren aangeleit.

Hy is een der voornaamste yveraars geweest, die de Haagsche Academie, of hooge school der Konstoeffeningen, in verval geraakt, in den jare 1682 en 83, weder hielpen opbouwen, en aankweken, als een zaak van groote nutbaarheid voor de Konstoeffenaren en min bedrevenen, of aankomelingen: waarom hy ook naderhand, een Hoogeschool op 's Vorsten Beurs deed opregten, die al veel gelyk-

[p. 270]origineel

heid had naar die van Parys, waar van wy straks nog iets meer zeggen zullen.

In 't jaar 1690 werd hy van den Keurvorst van Brandenburg (naderhand Koning van Pruissen) tot zyn Hosschilder te Berlyn beroepen. 'T eerste voornaam werk dat hy daar maakte, was op Oranjenborg in de beroemde Porçeleinzaal, gelyk hy ook naderhand in de meeste Vorstelyke huizen zoo binnen als buiten Berlyn, zyne uitstekende penceelkonst, in Gaanderyen, Oranjeryen, en op beschoten Zolderingen van ruime zalen heeft doen zien, tot groot genoegen van den Vorst, en den grooten Konstbeminnaar den Heere Dankelman voorzitter in den Vorstelyken Hofraad.

Wanneer hy nu zag dat hy des Vorsten Konstliefdigheid door zyn loffelyke Konst deed opwakkeren, nam hy dien slag waar (als men zeit) en stelde den Vorst het oprechten van een Academie op die wyze, als men in Vrankryk heeft, zoo smakelyk voor, dat 'er straks toezegging op kwam, en t'effens de bouw, en het bestier aan Terwesten opgedragen, die ten eersten zyn werk daar van maakte, en voorts alles bezorgde 't geen daar toe dienstig was. Hier in kwam hem zyn Broeder Elias, anders de Paradysvogel, die twee jaren jonger was, een braaf bloem-, fruit-, en beesteschilder, en die te Rome woonde, wel te pas. Deze bezorgde hem de keurlykste afgietsels van de beste Antiken. Als ook het gansche beroemde Beeldhouwery-konstkabinet van Peter Belori, het geen zonder merkelyke schade in kisten over kwam.

Ondertusschen werden 6 vertrekken tot de Academie aangeleid, en tot elks onderscheiden gebruik vervaardigt, en tot ieder Kamer een Opzichter of onderwyzer aangestelt.

[p. 271]origineel

De eerste kamer diende om de jeucht in de beginselen der Teekenkonst te onderwyzen.

De tweede om naar pleister te teekenen.

De derde tot vergaderplaats voor de Regenten.

De vierde om de jeucht, in de Deurzigtkunde, Meetkunde, Bouwkunde, en Vestingbouwkunde te onderwyzen.

De vyfde om in de Anatomie of Menskunde, als ook in 't plooyen der kleederen onderwezen te worden.

De zesde of hoogste school was een groote ovale zaal, in 't rond bezet met gemelde Beelden, die dus gestelt waren, dat elk op zyn voetstuk gedraait, of zonder veel moeite kon verplaatst worden. Dit nu alles in zulk een geregelde orde geschikt en 1697 voltooit zynde, verzogt onze Patrysvogel, (dus was hy in de Bent gedoopt) den Vorst en 't Hofgezin, dit werk te bezigtigen, die daar in groot genoegen namen, en de Heer Everard Dankelman eerste President werd aangesteld tot Directeur der Academie.

Drie malen heeft hy eerste Professor van deze Academie geweest, wanneer hy kwam te sterven in den jare 1711, op den 21 van Loumaand; totgroot verlies der opkomende Konststarren van dat vorstendom. Zyn Beeltenis kan men zien in de Plaat L. 26.

Met deezen sluiten wy het Toneelgordyn, voornemens om den Lezer, door een zedig vertoog, de nutbaarheid der Schilderkonst, als in een spiegel, te doen aanschouwen.

De maker van 't heel Al heeft de Natuur een vermogen ingeplant, om menigvuldige ontelbare, in vorm en koleur verschelende Schepsels voort te brengen, en elk der zelve op hun tyd te doen

[p. 272]origineel

verschynen voor d'oogen der menschen; om dat zy zig in die menigerhande aangename verschynselen zouden verlustigen, uit het veroorzaakte, de oorzaak der dingen na sporen, en de verwonderlyke wysheid van den Schepper in de schepselen verheerlyken.

En op dat de verwondering, die, na dat men de dingen kent, ophoud, niet om dat zy dan min van waarde zyn, maar om dat de nieusgierigheid staag naar verandering zoekt, niet zoude ophouden, heeft de Natuur de voortbrenging der zelve tot onderscheiden tydstanden bepaalt, en in zoo menige veranderingen verdeelt dat de verwondering altyd blyft; aangezien zy alle die schoone vertoonselen niet teffens, maar by beurtwisseling na den anderen doet verschynen.

Wanneer ik nu de Schilderkonst aanmerk als naaapster van de natuur, leid my die aanmerking straks op den weg om de verschillige geneigtheden der Konstoeffenaaren, omtrent de veranderlyke keur, en verkiezing hunner voorwerpen, na te sporen, welke zekerlyk door een verborgen werking (waar van de wyze en ons bekend is) daar toe worde bestiert.

Dit begrip zal min vremt geschat worden, wanneer men uit klare bestempelingen ziet, dat des waerelds Bouwheer (op dat de cieraden van zyn Heyligen Tabernakel konstig met lofwerk zouden geborduurd worden, als ook het Hoogepriesterlyk gewaad, en kruiken, voorts alle toerustingen tot den Godsdienst behoorende konstig gewrogt zouden worden) Bezaleel en Ahaliab op een boven gewone wyze met den Konstgeest overstort heeft, en bekwaam gemaakt tot allerhande Konstwerken, gelyk Moses dit aangeteekent heeft in het

[p. 273]origineel

Boek des Uittochts, in het XXX Hoofdstuk. Op zulke wyze gelooven wy ook dat de Propheet Ezechiel de teekenkonst geleert heeft, waar door hy, op een Tichelsteen, een grontbewerp van de Stad Jeruzalem, en de beschansingen der vyanden, met hun Stormgereetschappen, afschetste. Zie Kap. 4.

En gelyk de Natuur tracht naar de volmaaktheid die de Schoonheid maakt, zoo hebben ook menigte Konstoeffenaars van ouds af, en nog getragt de Natuur in hare verbeeldingen zoo na te komen als hun immers door 't penceel doenlyk was, waar door het des te meerder verwonderinge baart voor den aanschouwer. Ja men zou ook mogen denken, dat de zugt tot het verbeelden van verschillige voorwerpen, inzonderheid zulke welke kort van duur zyn, ook door een verborgen werking bestiert word; op dat door de Konst de dingen, wanneer de Natuur zig inhout, zouden konnen gezien worde, en dus den opmerkenden door zulke beschouwingen nooit voorwerpen ontbreken, om den Schepper in die wonderlyke veranderingen der schepselen als in een spiegel te beschouwen.

Onder alle Schepselen der Waereld munt des menschen Beeld, inzonderheid dat van de Vrouwe, uyt, in welker maatschikkelyke omtrek van ledematen een volmaakte schoonheid opgesloten leit. Deze in vele voorwerpen verdeelt, en door stadig yveren van vernuftelingen, in een enkel voorwerp samen gebragt, doet ons verwondert staan, en t'effens besluiten: dat het eerste geschapen vrouwenbeeld, wanneer het versch uit de hand des Scheppers hervoort kwam, volmaakt schoon zal geweest hebben, van welke

[p. 274]origineel

bedenking de groote Joost van den Vondel meê niet vreemt was, als hy de schoone stal van Eva, door Apollion, (in zyn Tooneelspel van Lucifer) zoo aanminnig afschildert, dat de Hemelboo zelf, op dat schoone beeld verslingert, Adam dit geluk misgunt. Hoe de Dichter aan dit begrip komt dat hy Engelen, enkel geestelyke wezens, menschelyke neigingen, hartstogten, en lichamelyke hoedanigheden en bedryven toevoegt, daar de schrift van zwygt, dat laat ik daar. En schoon hier omtrent een misvatting is, nogtans word volgens den zwier der Dichteren, door het bycieraad het voorname, te weten Eva, te kragtiger, en met meerder luister vertoont. Ten minsten js het zo eigen aan de Historie als dat een Tempelier voor alle toehoorders zeit: Ende Adam ontwaakt uit den slaap, ziende Eva, dagt by zig zelven, dit is recht een kolfje naar myn hand.

De mindere Schepsels die in ontelbare getallen zig op het Waereldrond, in de lucht en de Wateren vertoonen, hebben meê hunne meer en minder schoonheid, in Stal en Koleur: en de Konstenaars, die de zelve natuurlykst en welstandigst hebben weten te verbeelden, hebben den grootsten roem behaalt, als in 't verbeelden der Wilde Dieren R. Savry en Jan Hendrik Roos.

In Jachtdieren P. Snyers, en Ab. Hondius,
In 't verbeelden van Slachtdieren N. Berchem, P. Potter Adriaan vanden Velde, Jacob en Sim. vander Does.
In Paarden Phil. Wouwerman, H. Verschuring.
In Vogelen Melchior de Hondekoeter, en Adriaan van Emont.
In Vissen, Izaak van Duinen.

[p. 275]origineel

Welke alle en elk in 't byzonder natuurlyk en Konstig verbeeld, het oog des aanschouwers niet alleen verlustigen, maar de zelve ook verwondert doen staan over de menigvuldige veranderinge der Schepselen, en hunne verwonderbare verschillige samenstellinge hunner ledematen. Zelf deze aarde is op verscheiden plaatsen van verschillige gestalte en vorm.

Daar is zy met een wyde uitgestrekte vlakte, die de Lantman met het kouter doorploegt op hoop van een ryken graanoegst: gins met diepe valeyen, daar de Echo met dubbele klanken het geluit nabaaut. Elders ziet men steile bergen die met hun kruinen tot de starren schynen op te groejen, beplant met boomen van allerlei stal, en gedaante van loof. De Eyken die eeuwen verduuren, Linden die met hunne digt getroste kruinen, ten schuil strekken voor Veldeling en zyn blaetend Vee om onder te schuilen voor 't brandende kreeftvuur, trotse Ceders die oudtyds Libanon cierden; Cypressen en dergelyke meer hebben hunne nabootsers by menigten onder de Konstoeffenaars zoo hier als elders van tyd tot tyd gevonden. En geen wonder. Israëls Harpenaar heeft de voorzorg van den Almachtigen daar in bespiegelende, waardig gedagt daar aan te gedenken in zyn 104 Tempelgezang, gevolgt van H. Dullaart aldus:

 
Zie ik de hooge Bergen aan,
 
Gy drenkt haar lommerryke toppen,
 
Waar om de Wolken weem'len gaan,
 
Met verschen douw of regendroppen.
 
Des morgens als de starrenroem,
 
Zoo schoon uit 't oosten aan komt brallen,
[p. 276]origineel
 
Dan laat gy in een yder bloem
 
Gesmolten diamantjes vallen.

Dus is 't ook met de stille Wateren, en woeste Zee, zelf daar zy in haar meeste woede en oploopentheid, de rotsen en zantduinen met stoot op stoot rammeit, en den Landman voor een geweldige overstrooming doet beven. Waarlyk die in alzulke verbeeldingen zyn opmerkingen wat veerder doet weiden als op de bloote Konst van het geschilderde tafereel, en zig in bespiegelingen met den naaukeurigen Oordeelaar van Balthazar Gratiaan, Spaans Jesuit, nederzet op een rots, van waar hy beschout de gevankenis, waar in de Zee word besloten, en hoe dit verschrikkelyke monster zoo gerustelyk omringt word van zoo zwakke palen, en wederhouden door zoo zagten toom als het zant, en het Aartryk geen andere muuren heeft dan de stranden tegen dien woelenden vyant, ziet hy de Goddelyke voorzorg daar in uitblinken, en besluit: Is deze uitwerkinge of dit veroorzaakte zoo wonderbaar, hoe verwonderlyk moet derzelver oorzaak in zig zelve wezen?

Inzonderheid wanneermen met onzen puikdichter in 't zelve koorliet, de zelve beschout met te rugdenking op haar grondbeginzel, aldus:

 
De waat'ren als een mollig kleed,
 
Die op haar rand verspreit vast ruisten,
 
Met losse golven wyd en breed
 
Rontom de hooge bergen bruisten.
 
Gy spraakt maar slegs een enkel woord,
 
De Zee die deisde in haare stranden,
 
Zoo ras uw adem was gehoort.
[p. 277]origineel

De gemeene menschen (zeit Ant. de Guevara) aanschouwen de dingen alleen om hunne oogen te verlustigen; maar de wyze doorzien dezelve, om de verborgenheid daar af te weten.

Wend men het oog van het nare Zeestrant tot de grazige Beemden, groene Waranden, en Lusthoven welker grond als met een bloemtapyt overspreit is, dat aan alle kanten een oegst van geurige bloemen vertoont, alle onderscheidentlyk en konstig door de natuur met allerhande koleuren beschildert, ieder voorwerp is een verwonderenswaardige zaak. Ik was byna verdwaalt (zeit Andrenius, in den Oordeelaar van Gratiaan) in dezen aangenamen Doolhof der verwonderlykheden. Aan alle kanten plukte ik bloempjes, getrokken door haar aangenamen geur en glans. Ik plukte een voor een, en maakte een naauwkeurige ontleding van hare zamenstelling.

Zeker die zulke veld- en tuincierselen te gering achte om door het konstpenceel verbeeld te worden, zou zig tegens het begryp van Koning David kanten, die op zyn zilvere harpsnaren Godt de voorzorg daar over toeschryft, aldus:

 
Gy laat de Bronnen langs een padt,
 
Zeer heim'lyk door de bergen vlieten,
 
Om zoo den schoon' maar vluggen schat
 
Der Bloemryke akkers te begieten.

Tot het verbeelden van deze aangename voorwerpen heeft de Konstgodes al van ouds af hare scholieren gevleit, op dat een aandagtige beschouwer, behalven de Konst van 't nabootsen dier schoonheden, t'effens zig ook verwonderen zoude over het onbegrypelyk vernuft van haren maker.

[p. 278]origineel

De voornaamste nabootsers van deze cierlyke verschynselen, die, wanneer de Lusthoven met ys en sneeuw bedekt zyn, dezelve door de penceelkonst in den zelven luister en schoonheid herschept, in de Konstkabinetten doen zien, zyn oudtyds Jan Breugel, Dan. Segers, naderhand Ev. van Aalst, vander Elst, Jan en Korn. de Heem, en andere hunne tydgenooten geweest. Thans (behalven Juff. Ruisch, anders Pool, waar aan wy voorheen gedagt hebben) munt uit de Konstschilder Jan van Huisum.

Ik ben tot geen keurmeester gestelt, maar neem egter de vryheid om te zeggen: dat de twee laatste de eerst gemelde in Konst zoo veer overtreffen als het daglicht in helderheid de maneschyn. Verder moet ik niet gaan, 'k vermag 't ook niet te doen, uit hoofde van het eng bestek 't geen ik my zelf in opzigt van de nog levende Konstenaars en Konstenaressen heb voor gestelt, te weten hun brave Konst alleen de Waereld voor te dragen, zonder daar van te oordeelen, of eenige vergelyking van des eenen met des anderen Konst te maken. Indien ik zulks had ondernomen, 'k had wis den haat en tegenspraak niet konnen ontgaan; daar ik nu in tegendeel zulke menschen die genoegen in hun eigen doen scheppen in die verheuging niet stoor, maar ieder in zyn yver, en naar mate van zyn penceels vermogen prys, waarom ik ook allen die my voorgekomen zyn, zonder eenig onderscheid daar in te maken, op hun tyd heb geboekt, en in mynen Schouburgh der Konstschilders en Schilderessen plaats vergunt, tegens het begryp der Thebaners. Want binnen Theben werd op de Schilders zoo

[p. 279]origineel

naauw agt genomen, dat'er geene mogten binnen de muuren banken, dan die uitsteekende geesten waren, en een roemruchtigen naam hadden: ja die gene, welke eenige botte of onverstandige Tafereelen maakten, vervielen in een zware boete, of moesten de stad ruimen: want de overheid wilde niet gedogen dat de eene Ezel voor den anderen zou zitten te kladden, en een edelgeagte Konst niet vuil besmeerde doeken in 't voetzant helpen.

Zeker eene al te strenge wet, en die in een land waar yder vry is geen grond vint. Vry, in opzigt dat yder doen mag met het geen zyn eigen is wat hy wil, zoo het niet tot schade van anderen strekt: gelyk het dus gelegen is met zulken die uit genegenheid tot de Konst het penceel voeren, schoon zy altyd als het veil in de laagte kruipen; om dat zy een goede leiding missen om hen op te beuren: of in het warnet van hunne verbeelding blyven hangen. Schoon men zulk yveren voor vrugteloos uitkreet, wat kan 't helpen, of wat regt heeft men daar toe? daar 't hun eigen doeken zyn die zy bekladden. Daar en boven kan 't gebeuren dat de minst bedreven in Konst het zelve genoegen in zyn doen vind als de meest bedreven, en zyne verdiensten met de elle van blinde eigenliefde breed uit meet. Nu kan ligt afgenomen worden hoe breed hy daar by staan zou, die zig ondernam als Keurmeester te oordeelen wie in de Konst boven streefde, en hem d eerkroon op 't hooft plantte. Zeker ik hou myn handen t'huis, en laat Flora met de veltnimfen over de bloemkrans twisten. Volg dit rym, lezer, en gy zult met my het besluit aan 't end goed keuren.

[p. 280]origineel
 
Juist als de lieve Lente een schoone veltlievrei
 
Had aangetoogen, om de aanlokkelyke Mei
 
In Floraas bloemprieel vol vreugts te wellekomen,
 
Daar 't westewindje speelde al zagtjes door de boomen,
 
Verscheen 'er in het wout een herderinnestoet
 
Die dartelende in 't groen, verheugt en wel te moed
 
Festoenen vlochten om het veltaltaar te cieren
 
Der Bloemgodes, wier feest ze al dansend wilden vieren.
 
De nimfjes springen, zaam verblyt, door 't jeugdig kruit
 
Op 't juichend feestmuzyk van rinkelbom en fluit,
 
Tot dat zy wat vermoeit in schaduwe der Linden,
 
Zig nedervlyn om een luttel rusts te vinden,
 
Alwaar ze een bloemekroon ontdekken in het gras,
 
Als of die *door Glicere oudtyds gevlochten was.
 
Zoo geestig wist de kunst de bloemen te schakeeren;
 
Vrouw Venus mogt ze aan haar' Adonis vry vereeren.
 
Elk vat dit bloemkleinood met zuivre vingren aan.
 
De Bloemgodes bleef zelf als opgetogen staan,
 
Koomt, roept een nimfje, laat ons dit den Tuingod schenken,
 
Een ander: laat ons hier de hofjeugt meê bedenken,
 
Die is het waardig; maar vrouw Flora keurt dit af.
 
Aan wie men dit juweel als heilig overgaf,
 
Het geven aan Priaap zoude ik geensins gehengen:
 
Zoo zegt ze, de offervlam zou 't frisch gebloemte zengen.
 
En schenke ik 't aan de jeugt, 'k vrees haar onagtsaamheid.
[p. 281]origineel
 
Zy zou 't mishande'len, 't geen dan vruchtloos wierd beschreit.
 
Het veiligst is dat wy 't den schildergeesten wyden.
 
Die, die vereeuwigen myn schoonheid t' allen tyden.
 
Wat godheid is 'er die my meerder gunst bewyst?
 
Schoon al wat adem heeft myn' schoonheid viert en pryst.
 
Zelfs als de wintervorst het Aertryk houd bevroozen,
 
Zie ik gebloemte en kruid nog even jeugdig bloozen
 
Op 't dierbaar kunstpaneel, dat elk die 't ziet verbaast,
 
Zoo leevendig dat zelfs het bietje daar op aast.
 
Dies wilt u naar myn keur, en billik oordeel voegen.
 
Ik schenkze aan d'eed'le Konst, maar om alle ongenoegen,
 
Te myden, wie ze zal verkrygen, laat zulks aan
 
Die zig den waartsten schat in Konst van schild'ren, staan.
 
Wie dan natuur best weet in haar gedaante en zwieren
 
Te volgen, mag zyn kruin met dezen krans vercieren.

Het Jaar 1650. vrugtbaarder in 't voortbrengen van Konstenaren als wel andere jaren, zal ons Toneel stoffe opdissen voor alle smaken, door de veranderingen der toebereidselen, welke een zelven kost op nieuw smakelyk maakt. Dus daar wy voorheen twee, drie, Konstschilders, min of meer op hun geboortejaar doen verschynen, willen wy nu eens van wyze veranderen, en hen verzelt met een goed getal hunner tydgenooten, welker geboorte wy niet hebben konnen naspooren, te gelyk ten Toneel voeren, en in verscheiden bedryven doen uitkomen.

[p. 282]origineel

Hoe gevallen dikwils den grond geleid, of, om beter te zeggen, aanleydingen hebben gegeven tot Konst, en wetenschappen, daar van hebben wy van oude tyden af menigte van voorbeelden. Inzonderheid leezen wy by van Mander, hoe Kwintyn de smit op een jong meisje verliefde die op den zelven tyd een schilder tot minnaar had, maar zig verklaarde, ingevallen Kwintyn een schilder in steê van een begruisden smit waar, dat zyn persoon, haar beter dan de ander zoude aanstaan, en zy zig tot hem neygen. Maar hier scheen geen middel toe, aangezien hy dit ambagt geleert had, en daar en boven een oude moeder had, waar voor hy met een den kost moest winnen. Des werd hy droefgeestig en eindelyk ziek. In die langwylige ziekte leggende, en behoestig zynde, werd hem geraden, toen hy zoo veer weder begonde te beteren, dat hy zig op zyn bed konde opgeven, dat hy gedrukte printjes van Heyligen, Heyligjes genoemt, (die de Roomsgezinden uitdeelen aan de kinderen die yverig hunne gebedekens en de kerkbelydenis leeren) met koleuren en goud zoude afzetten, dat hy deed. Naderhand ondernam hy somwyle 't een voor en 't ander na uit de hand na te teekenen, en klom eyndelyk uit die geringe beginselen op, tot de hoogste van een vermaard Konstschilder.