De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johannes Verkolje]

Een diergelyk geval, dog anderzins ontsproten, ontmoet ons in 't levensbedryf van den Konstschilder JOHANNES VERKOLJE, geboren te Amsterdam, in 't jaar 1650. den 9 van Sprokkelmaand. Zyn Vader was een Slotemaker Benjamin genaamt. Johannes 10 jaren of daar omtrent oud zynde, speelde nevens andere jongens met prikjes; zynde een houten blokje, waar vooraan een naald, en agter vogelveertjes in steken,

[p. t.o. 282]origineel



illustratie

[p. 283]origineel

een prikje genoemt, om dat zy daar meê in zekeren afstant op een gestelt doel prikken. Wat gebeurt'er? een der zelve van een jongen zoo maar in 't wild heen geworpen, kwetst zyn hiel, of enkel. Hy gaf daar geen agt op, voor dat de pyn vermeerderde en naa 15 of 16 weken, het gebrek of ongeval, door de prik van de naald veroorzaakt, zig ontdekte, en dat wel zoodanig zorgelyk voor zwaarder ongeval, dat zyn ouders goedvonden hem te brengen by eenen Kornelis, vermaart heelmeester te Jisp, daar hy eenige jaren door die kwaal bedlegerig was. Onder allerhande speeltuig dat zy hem om de pyn, en den tyd te doen verdryven, gaven, waren ook oortjes printjes, daar de kinderen nu nog, opgeplakt, als kaarten, meê spelen, daar hy wel 't meeste gevallen in had, aangezien zyne geneigtheid strekte om dezelve na te teekenen. Daar na zette hy, op het aanraden van zekeren Bronkhorst, zig van tyd tot tyd tot het naatekenen van beter soort van printkonst, en vorderde uit dat gering beginzel door stadig yveren zoo veer op eygen wieken, dat ik met verwondering van hem heb gezien een teekening met de pen omgetrokken, en met Oostindischen inkt geschaduwt, naar den Bachus van Mantanga, zoo gelyk aan de print dat zelfs de wezenstrekken daar in naaukeurig waaren waargenomen. Welke daarom nog van zyn zoon Nicolaas Verkolje tot zyner gedagtenis bewaart word.

Door die zelve drift gespoort leerde hy alleen door behulp van boeken de gronden der Deurzichtkunde volkomen in den tyd van een maand.

Daarna ondernam hy ook uit zig zelven het schilderen met olyverf: hebbende groot bevallen in de penceelkonst van Gerrit Pietersz van Zyl, anders Gerards, daar hy zig naar oeffende, en allengs zoo

[p. 284]origineel

verre quam dat die behandeling van penceelkonst voor die van Gerards wierd aangezien, als uit het gevolg blyken zal.

Hy begaf zig dan eyndelyk den tyd van een half jaar, ten onderwys by Jan Lievensz. den jongen. Dees ziende dat zyne handelingen naar die van Gerards zweemden, liet hem de onvoltooide nagebleven stukken van dien meester (die hy na zyn dood gekogt had) opmaken. Ondertusschen schilderde hy ook een stukje 't geen Jan Lievensz. zoo wel beviel, dat hy tegens hem zeide; geef my dat; ik zal u weder een ander present doen. Dit geschiede. Hy verzogt dan eenige lief hebbers van Konst, om het zelve te komen zien, belastende aan Verkolje dat stukje op den Ezel te zetten; en onderwyl werd Lievens om ymant die hem spreken moest afgeroepen. Zy dit stukje wel bezien hebbende zeiden tot elkander, wat is dit? Jan kan het zoo goet niet maken, en Gerards is dood, hoe komt hy daar aan? Dit zeggen nam Verkolje in agt, en leerde daar uit niet alleen zyn vermogen kennen, en de waarde van 't zelve opmaken, maar het diende hem met een ten spoor, om met yver in het konstperk voort te draven.

Op gelyke wys stonden ook Valjant en Blooteling verwondert te kyken, als hy met zyne zwarte konstprinten (waar in hy by eygen uytvinding dus veer gekomen was) voor den dag kwam. 't Geen ik (als een staal van zyn byzonder vernuft en yver) de schilderjeugt ten voorbeeld, niet heb willen voorby stappen.

In den jare 1672. kwam hy tot Delf te trouwen, en bleef daar van dien tyd af wonen, zettende zig tot het schilderen van pourtretten, daar hy veel meê te doen, en veel geld voor kreeg, en gedroeg zig zoodanig in zyn omgang, dat hy

[p. 285]origineel

by grooten en kleinen bemint was; waarom hem ook met algemeene stemmen (zelden zoo) het ampt van Diaken of Armbezorger wert opgedragen.

Onder zyn konststukken zyn berucht de Venus en Adonis, dat ook in print uytgaat. Het stuk, waar in een Trompetter komt, is verwonderlyk natuurlyk geschildert. En nog een ander dat aan 't Hof geplaatst is.

Onder zyne voorname pourtretstukken worden getelt deze: waar in hy de kinderen van den Heer van der Heul; de kinderen van den Borgermeester Berkhout, en Vredenburg heeft afgebeeld, als ook de pourtretten van den Advoc. de Bries en zyn Vrouw, Dom. Ger. Brant, ook van zynen zoon Jan Brant en deszelfs Huisvrouw, en inzonderheid dat van den Advoc. Bogaart, in den jare 1685.

Hy heeft zyn levensloop met veel roem geëindigt, en is gestorven tot Delf in 't jaar 1693, oud 43 jaren, (wiens Beeltenis te zien is in de Plaat M. 27) naalatende zyn Vrouw en 5 Kinderen, 3 Dochters en 2 Zonen, waar van de oudste Nicolaas genaamt, geboren 1673. zig alleen geheel tot de Konst heeft overgegeven, en een arends vlugt genomen heeft, waar van wy op 't gemelde jaar 1673. zullen melden.

Pas aan 't schilderen geraakt zynde, maalde hy de luiden, die in zyne buurt woonden, en eenige mannen van de wagt, in een stuk zoo natuurlyk af, dat iemant van die luiden lang daar na het stuk ziende, alle de wezens der afgemaalden kende, en hen alle by hunne naam opnoemde. Even vernuftig en handig was hy in alle andere dingen te maken en toe te stellen.

Onder zyne Leerlingen die meesters in de Konst geworden zyn worden getelt

Thomas vander Wilt, pourtretschilder van Delf,

[p. 286]origineel

Joan vander Spriet, die uit het Borgerweeshuis te Delf, tot de Konst opgewiegt is. Dees werd meê een goed pourtretschilder, en trok naar Engeland, daar hy trouwde en t' zedert gebleven is.

Albertus van der Burg, mede van Delf, schilderde pourtretten en Ordonantien.

Henrik Steenwinkel. Deze wist verwonderlyk alles wat hem van andere meesters voorkwam na te schilderen, nevens

Willem Verschuuring Hendriksz. van Gornichem, waar van wy hier na zullen melden.