De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Guilhelmo van Ingen]

GUILHELMO van INGEN anders den Eersten brengen wy na 't jaar 1650 ten Toneel. De rede van dezen Bentnaam zullen wy straks ontdekken.

Hy is geboren tot Utrecht in 't jaar 1651. en van der jeugt aan tot de Konst geneigt zynde, heeft hy in zyn geboortestad, de beginselen daar van geleert, en vorder zig daar in door den Konstschilder Antoni de Grebber laten onderwyzen. Wanneer hy nu op eigen Wieken (als het spreekwoort zeit) konde dryven, werd hy belust om Rome te zien, om zig naar de konstige en berugte voorbeelden voort te oeffenen. Hier toe kreeg hy een gunstige gelegenheid aan de hand in den jare 1670, wanneer de Hoogwaardige Heer Johannes van Neerkassel, Bisschop van Castorien, en Vicaris van Nederland, dat is over de Roomsgezinde Kerken van Nederland, derwaards heen reisde, die hem onder zyn gevolg van Utrecht

[p. 316]origineel

meê nam naar Rome, en door zyn voorspraak maakte dat hy in gunst van den Konstschilder Karel Marat kwam, by wien hy een jaar de Schilderkonst oeffende; en na dien tyd verscheide groote Konstwerken, zoo in kerken, als elders gemaakt heeft.

Onderwyl had hy zig aangegeven in de zoo genaamde Roomsche Bent. Dog de bestemde tyd tot zyne inhuldiging gekomen, die gemeenlyk met vreugd verzelt gaat, werd gestoort; want sommige Hoogduitsche schilders, die de Bent van haar gezelschap afgewezen hadde, wisten, door verkeerd aanbrengen, den Kardinaal Inquisiteur agterdenken in te boezemen, als of dusdanige byeenkomsten der Nederlanders strekten tot het voortkweken van een vremde wyze van Godsdienst strydig met de Roomsche Kerk, ook dat zy door een wyze van wederdoop velen tot die gemeenschap inlyfden. Daar op werden de dienaars van de Inquisitie gesterkt met lyfwagten van den Paus gezonden om dat nest te storen, en de menschen in verzekering te nemen, gelyk geschiede. David de Koning was een van 't gezelschap. Dezen vraagden zy (gelyk zy ook den eenen voor en den anderen na deden) hoe zyn naam was, die daar op antwoorde in de Italiaanse taal, Ilre-Da-vide. Waar op de dienaars der Inquisitie (wanende dat hy de Koning van die bende was) zeiden; U inzonderheid moeten wy hebben; en bragtenze alle in de gevangenis. Dog 's daags daar aan volgende ter onderzoek gedaagt, bleek wel haast dat zy geen schult hadden aan het gene waar mede zy betigt werden, en overzulks werden zy in vryheid gestelt.

Deze donkere wolk van vervolging over gewaait, werd onze van Ingen, in de Bent ingelyft, en kreeg tot Bentnaam (om dat hy de eerste was na de vervolging) De eerste.

[p. 317]origineel

Van Rome trok hy naar Venetien, daar hy om zig voort te oeffenen by le Febre (die de voornaamste konststukken van Paulo Veronees en anderen in kooper gebragt heeft) begaf. Van daar quam hy te Napels, en eyndelyk weder tot Amsterdam daar hy ook (na dat hy veel fraaije penceelwerken gemaakt heeft) gestorven is.

GERARD SEGERS is geboren t' Antwerpen, als uit het rym van Korn. de Bie te besluiten is. Want na dat hy gezegt heeft:

 
Italie bekent zyn hooge waardigheit,
 
Die zyne Schilderkonst de waereld door verspreit.

Vervolgt hy:

 
Waar op Antwerpen roemt daar Segers was geboren.

Hy schilderde meest levensgroot. Het geen hem wel meest beroemt gemaakt heeft is de natuurlyke verbeelding der lydende hartstochten, die hy in zyne Passiestukken van Jesus Christus en Tafereelen van lydende Roomsche kerkheiligen, zoodanig heeft weten te vertoonen dat het den aanschouwers de traanen uit de oogen perste. Wanneer hy geboren is weet ik niet; maar hy is gestorven t' Antwerpen op den 18 Maart van 't jaar 1651. Dus hebben wy hem op zyn sterfjaar geplaatst. Sandrart die hem gekent, en omgang met hem gehad heeft, getuigt dat hy in zyne stukken 't hoog geel, blaau, en andere schreeuwende koleuren vermyde, en egter zyne Beelden zoo kragtig schilderde dat alle andere Schilderyen, die 'er by hingen, maar van waterverf scheenen gemaakt te zyn. Zyne beste werken zyn in Spanje, daar hy niet alleen rykelyk voor betaalt is geweest, maar

[p. 318]origineel

daar en boven ook groote geschenken ontfangen heeft.

Als Rubbens gestorven was, en van Dyk zig in Engeland neergezet had, vatte hy die manier op, die zoo geagt was, en schilderde zyne stukken kleuriger, zoo dat als ik (zeit de Schryver) eenige van de zelve in 't jaar 1645 zag, de zelve voor zyn werk niet zoude hebben aangezien, ten ware hy het my zelf gezeit hadde. Maar hy voegde daar by dat het de waereld dus begeerde, en hy overzulks maar om 't geld schilderde.

Hy liet een zoon na die in Italie zynde den grond, om een goed Meester op te bouwen, geleit had.