De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Simon vander Does]

SIMON vander DOES had tot zyn overgrootvader een Geheimschryver der Stad Amsterdam, tot zyn Grootvader een Secretaris van d'Assurantiekamer, gelyk wy in 't leven van zyn vader Jakob vander Does hebben aangemerkt, maar hy eindelyk in een slegten staat vervallen strekte voor zyn geslagt een zinnebeeld van d'Ondergaande zon.

Hy was geboren 1653, en oeffende zig in de zelve verkiezing en wyze van schilderen als zyn vader, en woonde in den Haag by zyn Moey.

Om nu eens proef te nemen, hoe veer hy op eigen wieken dryven konde, ging hy eerst een wyl in Vriesland wonen, naderhand in Engeland, maar bleef daar maar een jaar. 't Schynt dat hem de kost daar niet beter dan in zyn moers keuken smaakte. Zesendertig jaren was hy oud als hy zig in huwelyk begaf. Oud genoeg was hy om te trouwen, maar te jong om de wederwaardigheid die daar uit ontstond te torschen, want hy had een slegte keur gedaan. Wie kan alles voorzien? Alle zaken hebben geen voortgang van onze inbeeldinge tot de wezentheid, zonder verlies, zeit Fontenelle in de t' zamenspraak der dooden. Zy was inzonderheid verkwistende, en alles wat hy met zyn penceel en yver by een schrapen konde, was straks op de molen van zorgeloosheid tot kaf vermaalt, dus hy met

[p. 327]origineel

zugten de Konst moest oeffenen, en maakte zelden iets of 't was voor gegeten brood.

Hier kwam nog by dat de Heer de Graaf, die van zyn geslachts stam was, en veel om zyn vaders wil met hem gedaan zou hebben, zig nu om dit Huwelyk van hem onttrok, en hem (als het spreekwoord zeit) liet dryven. Johan van Gool die toenmaals zyn Leerling was heeft my tot verwonderens verhaald, hoe hy niet tegenstaande al die bekommernissen en hartkwellingen, dagelyks even yverig konde schilderen. Maar met al dit yveren deed hy geen voordeel, aangezien hy zig hier door het gezelschap der menschen onttrok, en gevolglyk de gelegentheid verloor van somwyl een pourtret te schilderen, dat wat meerder voordeel gaf, als het beeste schilderen. Verscheiden pourtretten zyn nog van hem in handen, die heel in handeling naar den ouden Netscher gelyken.

Zyn vrouw te sterven komende bevond hy zig in een slegten staat, zoo dat hy, door voorspraak van goede vrienden, een plaats in 't Gasthuis agter de Hal in den Haag kreeg. Maar na dat hy daar twee of drie jaren gewoont had liep hy daar uit, ging naar Brussel daar hy een jaar woonde, en voorts naar Antwerpen, daar hy voor de keelbeulen schilderde.

De Heer de Graaf, meer gemeld, dagt dit verval in 't geslagt, door zyn jonger Broeder Jakob vander Does Jakobsz. weder op te beuren: en vindende hem geneigt tot de Konst, bestelde hem by Karel du Jardyn, zyn overleden Vaders grooten vrient en zyn gewezen voogt, daar hy zoo lang by bleef tot Karel die on verwagte luim bekroop van Roome voor zyn dood te zien. Toen raakte hy by G. Netscher, en na 't verloo-

[p. 328]origineel

pen van twee jaren by G. de Laires tot Amsterdam. Naderhand by zig zelven de Konst oeffenende, gaf hy proeven van zyn grooten geest, en verzegelingen van 't geen in hem te hoopen stond. Hy was stout in zyne ondernemingen, en gereed om groote zaken de Konst belangende t'ondernemen, maar ook met een byzonderiyk dristig en haastig, zoo dat hy ('t geen my voor de waarheid verhaald is) eens drie of vier weken aan een stuk geschildert had, en als hy het niet na zyn zin konde krygen, een mes nam (niettegenstaande dat zyn Broeder die agter hem stond 't zelve wilde beletten) en sneed den doek aan riemen. Dit werk ondernam hy andermaal: 't lukte hem, en hy maakte een geschenk daar van aan den Heer de Graaf, die het dankelyk aannam, hem een paart gaf, en een dikke goudbeurs bezorgde, en zont hem onder den zwier van den Heere van Heemskerk (als hy voor Ambassadeur van wegens den Staat naar Vrankryk ging) meê naar Parys, daar hy zyn Fortuin gevonden zou hebben, had de dood hem niet na 't verloopen van een jaar uit dit leven weggerukt, en dus alle hoop verydelt. Nu volgen de twee gebroeders