De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan van Bunnik]

Nu treden wy tot JOHAN van BUNNIK. Hy is geboren tot Utrecht in 't jaar 1654. Na dat zyne ouders bespeurden dat hy inzonderheid tot de schilderkonst geneigt was, werd hy in 't jaar 1668 bestelt by den berugten Herman Zachtleven, by wien hy in den tyd van drie jaren zoo veer in de Konst vorderde, dat hy eigen werken dorst ondernemen, welke hy met veel roem ten einde bragt. Gelyk de jonge vogels eerst boven 't nest klapperwieken, daar na een korte vlugt ondernemen, eer zy zig veer van honk begeven, zoo deed ook onze Bunnik, die eerst by zyn ouders zyn vermogen in de Konst ter proef stellende, daar na een korte vlugt naar 't Kleefsland ondernam, 't geen wel gelukten. Weder t'huis gekomen ondernam hy andermaal zig te voegen by den konstschilder G. Hoet, eer hy zyn koers dorst zetten naar Rome. Hoe reiszugtig hy van aart geweest is, blykt aan de lyst die hy my zelf heeft opgegeven van al de plaatsen daar hy stalen van zyn Konst gelaten heeft, waar by hy eeuwen zal gedagt worden.

Te Rees kreeg hy gelegentheid van voor den

[p. 340]origineel

Oversten Sales te schilderen. Van daar trok hy naar Duitsland, en hielt zig een tyd lang op te Frankfoort met zyn konstgenoot Merian. Van daar vertrok hy naar Heydelberg, en voorts tot Spiers, daar hy voor Karel Lodewyk Keurvorst van de Paltz, en den Raadsheer Jonkmans, verscheiden Konstwerken maakte. Van daar is hy gereist op Straatsburg door Zwitserland tot Zurig, voorts over de Alpes tot het Milanees. Van daar naar Genua, daar hy kennis kreeg aan den braven Konstschilder P. Moulyn, anders Tempeest, by wien hy een tyd lang bleef en verscheiden stukken maakte. Van daar is hy gereist op Livorne daar hy voor den Hollandsen Consul eenige tafereelen schilderde; waar na hy zyn reis voortzette tot Rome toe, daar hy gekomen zynde straks kennis maakte met Karel Marat, Abraham Genoels, Piemont, Ferdinant Voet, Adriaan Honig, anders Lossenbruier, en den Konstigen plaatsnyder Korn. Bloemaart: dog hy bleef 'er niet lang, maar toog naar Napels daar hy vele konstwerken gemaakt hebbende weder te rug keerde tot Rome. Van daar reisde hy naar Boulonge, Ferrare en Venetien, alwaar hy den konstschilder Carel Loti bezogt. Toen trok hy voort naar Milanen en Modena, alwaar hy gelegentheid kreeg van voor den Hertog Franciscus den tweeden van dien naam te schilderen; welke Vorst zulk een zugt voor zyn Konst kreeg dat hy hem in zyn dienst nam, en jaarlyks aan hem een goede som gelts gaf. Hier bleef hy acht agtereenvolgende jaren, in welken tyd hy vele lofwaardige konststukken, zoo aan 't Hof, als op Buitenplaatsen van den Vorst, nu nog te zien, gemaakt heeft.

De Hertog deed in dien tyd een beedevaart naar

[p. 341]origineel

Lorette, daar hy hem verzelde, gelyk ook naar Rome, daar hy nu voor de derde reys gekomen zig in de schilderbent liet huldigen, en kreeg tot bentnaam de Keteltrom. Kort daar aan met den Hertog wedergekeert tot Modena, werd hy het reizen wars, zoo dat hy ontslaging van den Hertog verzogt, die hem een vrye pas bezorgde om door Vrankryk naar zyn Vaderland te keeren, gelyk hy deed. Dog vindende te Turin meergemelden konstschilder Ferd. Voet, hield hy zig daar een wyl tyds op met het schilderen van eenige stukken, waar na zy te samen reisden door Vrankryk tot Lions, daar zy vander Kabel, P. van Blommen en Gillis Wenix ontmoetten. Hier elkanders vaar wel gedronken hebbende, vertrok onze van Bunnik, met Ferd. Voet en zyn Broeder Jakob van Bunnik die hem doorgaans op de reis verzelt had, en een goed Bataljeschilder was, naar Parys, en van daar door Braband tot zyn geboortestad, 't welk was in 't jaar 1684. Dog meergemelde Ferd. Voet bleef in zyn geboortestad Antwerpen, daar hy stalen van zyn brave Konst deet zien, zoo in 't schilderen van Historien, als van Pourtretten en Landschappen, waar van hy 'er verscheiden op koper geëtst heeft, en met konstig geteekende beeltjes opgeciert. My is verhaalt dat hy te Rome op den muur van de kamer in de Herberg, daar de schilders gewoon zyn by een te komen, met kool geteekent heeft het gantsche gezelschap dat op een Bentfeest by een was, zoo, dat elk in 't byzonder aan de wezenstrekken kenbaar was. Daar en boven waren de beelden zoo konstig en vast geteekent, en de schikking der beelden zoo geestig bedagt, dat al wie het zag daar af verwondert stond. Wat agting het Bentgenootschap daar voor heeft, blykt

[p. 342]origineel

hier aan: dat, wanneer de muuren van die kamer jaarlyks worden gewit of schoon gemaakt, dit beteekende vak alleen word uitgezondert; om tot een proefstuk van Konst altyd te pronken.

Myn pen heeft Bunnik vervolgt tot in zyn geboortestad: nu rest 'er nog te zeggen, dat hy ten eersten aangezogt werd om op 't Konings Huis van 't Loo verscheide groote landschappen te schilderen, gelyk ook naderhand op het Huis van den Heer van Odyk te Zeyst, als mede op het Huis te Voorst. Waar aan men zien kan wat zyn penceel vermogt. Hy is nog in leven en woont te Utrecht.

 

Het beurt maar zelden, dat, na verloop van tyden, dingen gevallig zig samenschikken als voor henen.

Het schikte zig zoo in de levensbeschryving der Italiaansche schilders door van Mander, dat Daniel Ricciarelli voor Taddeo Zucchero kwam te staan, waar uit van Mander reden vont om te zeggen: Dat Daniel door moeite en grooten arbeid zoo hoog in de Konst geklommen weder gedaalt is, en dat hy 't penceel voor den beitel verwisselende, by een pyl is te gelyken die met kragt in de hoogte opgeschoten straks weder tot de laagte daalt: maar dat die gene welken de Konst aangeboren is, hoe langer zy dezelve oeffenen, hoe zy daar in volmaakter worden. 't Welk hy op Zucchero toepast.