De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Ernst Stuven]

ERNST STUVEN zal dit gezegde ten voorbeeld bestempelen, en zyn levensbedryf 't ons, in steê van een printverbeelding, doen zien.

Hy is te Hamburg geboren, en heeft ook aldaar aangevangen de Konst te leeren by eenen Hins, die hem, om dat hy 'er een leerzugtigen aart in bespeurde, had in zyn huis genomen, daar hy wakker en vaardig het penceel had leeren

[p. 372]origineel

handelen. Hy kwam in den jare 1675 toen 18 jaren oud in Amsterdam, genegen zynde om pourtretten te leeren schilderen, daar toen veel geld meê te winnen was. Misschien was hy aangespoort door de blinkende voordeelen die de brave pourtretschilder Jan Ovens had overgegaart. Hy presenteerde zig aan Johannes Voorhout dien hy te Hamburg gekent had, die hem ook, om dat hy van een goeden inborst scheen te wezen, aansloeg: maar hy was maar een korten tyd by hem. Want zyne behandelinge van 't penceel beter naar het bloemschilderen hellende, kwam hy by den berugten Guilhelmo van Aalst, en na dat hy daar een wyl geweest had, te leeren by den braven bloemschilder Abraham Minjon, daar hy zoodanig in korten tyd toenam, dat zyn Konst geroemt wierd, en hy over zulks bestont by zig zelven de Konst voort te zetten 't geen bysonder wel gelukte, aangezien de fortuin hem gunstig was. Hy kwam te trouwen en kreeg verscheide kinderen, dog konde egter op zyn Konstrykelyk bestaan hebben, zoo hy zig niet by gezelschappen, in drinkwinkels en andere uitsporigheden had begeven.

Van Claudius Nero word getuigt, dat hy, zoo lang hy onder opzigt van zyn opzigter Seneca leefde, en zig des zelfs leerlessen onderwierp, van een goeden inborst scheen te wezen, maar zoo haast hy Vorst was geworden, uitborste tot alle ongebondentheid, en schelmstukken.

Dus getuigt ook Johannes Voorhout, die hem in zyne jeugt gekent heeft, dat hy zig minzaam, beleeft, meegaande, en leerzaam, gedragen heeft zoo lang hy onder opzigt van zyne meesters geweest is. Maar niet zoo ras en was hy dien teugel ontwasschen, of hy spatte uit tot alle ongebon-

[p. 373]origineel

denheid, stugheid, en weergalooze stoute en onvoeglyke bedryven.

Een byzonder stuk van zyn weergaloos kwaataardig en boos bedryf viel 'er voor, als Willem Grasdorp om de Konst te leeren by hem woonde; in den jare 1697. Deze Grasdorp was van zyn moeder, en aangehuwden vader, by Stuve besteet voor den tyd van drie agtereenvolgende jaren. Hier van was een kontrakt gepasseert, en daar in wel stipt bedongen, den tyd ten voordeele van hem te voldoen. Ondertusschen zogt hy 't op allerhande wyzen tegen den jongen, op dat hy 't hem loof mogt maaken, en dus middel vinden om uit hoofde van het kontrakt, een eysch tegen zyne ouders (om zyn onwil) te formeren, om alzoo aan penningen te geraken, wanneer dat verbant door geld zoude afgemaakt worden. Hy beschuldigde zynen Leerling dan van diefstal, van wegen een kleen pourtretje 't geen naderhand gevonden werd. Dit niettegenstaande moest hy veele mishandelingen dulden, daarenboven werd hem belet aan zyn ouders te schryven: en uitgaan of wegloopen en konde hy niet, wyl hem zyne kleederen tot de schoenen toe waren weg genomen en in de Bank van leening ter bewaring gebragt. Dus hy zyn noot, en dat hy honger en gebrek leet, uit een venster den buuren toeriep, 't geen hem weinig holp, aangezien de buuren de kwaataardigheid van Stuve kenden, en gevolglyk schroomden zig daar mede te bemoeyen.

De noot zoekt list, zeit het spreekwoord. Grasdorp nam de gelegentheid waar, schreef een brief aan zyn moeder, en gaf die in der stilte aan een Wevers baas, die somwyl by Stuve kwam, om

[p. 374]origineel

Bloemen en Loofwerken tot zyn hantwerk dienstig te leeren teekenen. Daar op kwam de moeder die te Zwol woonde over, en zond haar mans Broeder om haar Zoon te spreken, daar Stuve niet in wilde verstaan, maar den man eerst met schelden, daarnaa met slagen te keer ging, zoo dat zy al worstelende voor de deur vochten; en wyl de straatmakers bezig waren om de straat te verleggen, bediende hy zig daar van, nam een steen op en sloeg den man daar twee gaten meê in 't hooft, die met den bebloeden kop straks naar den Hooftofficier ging, welke aanstonds een diender meê zont om onderzoek van zaken te doen; dog die kwam op gelyke wyze geteistert te rug, met de boodschap dat het wel een dol mensch geleek, die al wie hem voorkwam sloeg en scholt; gelyk hy ook den Makelaar Loot (die voor heen een schuldeys op hem gehad, en hem uitgewonnen had) die 'er op dien tyd voor by kwam en 'er een woort in ten beste wilde spreken, onfatsoenelyk bejegende, scholt voor een schoft, en dat hy de oorzaak van zyn bederf was, zoo dat die meê werks genoeg had om zyn biezen te pakken, en heels huids 'er van daan te komen. Daar naa zont de Schout twee andere van zyne dienders, met bevel dat hy den jongen zoude los geven. Maar hy begeerde zulks niet te doen, maar scholt en lasterde de Overigheid. Zoo deet ook zyn wyf, dat daarenboven nog de stoutheid had, van zelfs naar den Officier te gaan, en te klaagen over het ongelyk 't geen haar wierd aangedaan, maar bragt het door haar stout spreken en schelden zoo veer dat zy in de boeyen gebrocht wierd. Hy de tyding daar van gehoort hebbende werd te doller, liet door zyn Zoon buskruid en kogels koopen, laadde

[p. 375]origineel

sommige pistolen, en maakte zig tegen den aanval gereet, wyl hy wel konde bezeffen dat hy 'er willig of onwillig meê aan zou moeten. Daar benevens deed hy van zyn Zoon een grooten stapel steenen op de bovenkamer dragen, en verzekerde de deuren zoo goet als hy konde.

Den avont gekomen zynde besmeerde hy zyn aangezicht en handen met roode verf, ging voor 't venster staan en riep tegens de menigte die zig van allen kanten (om te zien hoe het met hem zoude afloopen) vergaderde, dat hy van God tot Richter was gestelt, dat de Heeren van Amsterdam luiden onschuldig ter doot gebragt hadden. Dit zeggen zag op die persoonen, die in den oploop in 't jaar 1696 werden gevat, en voor de Waag opgehangen; waar door, als ook door 't byspringen der gewapende Borgery, de oproer gedempt werd, en de Magistraten voor meerder rampen beschermt werden; waarom alle die zig terzelver tyd in de wapenen begaven, van de Heeren Borgermeesteren van Amsterdam zyn beschonken met een zilvere Medalje, waar op Neptuin op zyn schulpkoets van twee zeepaarden voortgetrokken door een ongestuime Zee, door wederzydse winden ontsteken, verbeeld staat, met het byschrift,

Motos praestat componere fluctus.

Dat is:

Best is de driften van de vloeden neêr te zetten.

Voorts dat hy ook zoo doen zoude. Hy keerde zig daar op naar Grasdorp, zeggende dat hy zig bereiden moest tot de dood, die daar op niet wist van be-

[p. 376]origineel

naauwtheid waar te kruipen. Die buy wat overgewaaid, dwong hy Grasdorp by hem op 't bed (daar hy een blooten degen nevens hem leggen had) te komen leggen. Maar de vrees en angst (dus heeft my Grasdorp zelf verhaald) hield hem den vaak wel uit de oogen. Dog Stuve sliep een lange poos dat hy snorkte. Als hy dan in den morgenstont ten drie uuren ontwaakte nam hy Grasdorp in volle razerny by een vlerk, en scheurde hem van 't bed af, zeggende, ziet gy dat licht niet? nu is je vonnis gemaakt: doe je laatste gebed; je moet sterven. 't Geen dien Jongman in een doodelyke vrees bragt, dat hy 'er eindelyk nog toe zoude komen. Waar naa hy zig weder te bed ley, en ondertusschen liep Grasdorp in den donker omsnuffelen of 'er ergens gelegentheid van uitkomen voor hem was, maar te vergeefs; want deuren en vensters waren vast gesloten, en bebolwerkt, en gestommel te maken was voor hem niet raatsaam; maar hy ging zoo haast het dag was zig zetten tot schilderen aan een werk dat af moest wezen, om dog geen oorzaak van misnoegen te geven. Maar hoe 't hoofd naar 't schilderen stont kan elk oordeelen. Stuve uit zyn bed opgestaan komt hem als een verwoede draak aanvliegen, grypt hem by 't haar en sleept hem over den gront, rukt hem zyn pale ten penceelen uit de hand, en steekt met een penceel stok door zyn lip dat hem 't bloet langs de kin afgudste, waar door hy het op een schreeuwen stelde. Dog dit werd hem door den dollen wel haast belet, die hem de strot wel zoo digt toe hield dat hy byna geworgt was. Naa het verloop van eenige uuren riepen hem de buuren van agteren toe, lokten hem op de agterplaats, en baden hem dat hy zig dog wat stil

[p. 377]origineel

wilde houden en zoo voort. Immers zy hielden hem zoo lang op met praten dat Grasdorp inmiddels gelegentheid vond om hem blootsbeens door een venster te ontspringen.

Ondertusschen hadden de Magistraten der Stad over dit doen zig dien dag beraden. En wyl zy van voorleden tyd, te weten dat hy zig mede in gemelden oploop in den jare 1696. had gemengt, en in het huis van den Heere Boreel was gezien, wanneer het geplondert wierd, nog wat tot zynen lasten hadden, werd den onderschouten belast hem levendig of doot te leveren, die dan in den avontstont gesterkt met Stads Dienders, en sommige van de ratelwagts, op het huis (dien tyd woonde hy op de Blomgragt) aanvielen. Maar zy werden met steenen die hy daar toe had doen boven brengen op hunne hersenpannen gebonst, dat hun de lust van 't stormloopen over ging. Egter rammeyden zy de benedendeur aan spaanders, daar een van de ratelwagt willende door inkruipen met een bebloeden kop weer te rug deisde. Zy berieden zig (wyl 'er geen kans was om door dien weg buiten gevaar hem meester te worden) van daar het naaste huis van boven het dak in te klimmen, waar door zy op den zolder kwamen; maar niemant dorst zig 't eerst van den trap begeven, wyl hy daar met den degen in de vuist stont op te passen, en zwoer by al wat leelyk is, den eersten die af kwam te doorstooten. Wat nu? zy deden de planken van de zoldering boven de kamer daar hy zig toen had opgesloten op breken, om hem met een schippers haak daar door te keer te gaan. Een lange wyl ontweek, en keerde hy den slag van den haak af. Eens kregen zy hem beet aan zyn japonsen rok, maar dat ontdraayde hy; dog de tweedemaal

[p. 378]origineel

hegtte de haak in zyn kakebeen, waar aan zy hem wel zoo vast hielden dat hy niet veel figuuren konde maken, gelyk hy 't ook eindelyk opgaf en zyn degen weg wierp. Egter hielden zy hem zoo lang tot dat sommige beneden klommen en hem met touwen bonden om den dans niet te ontspringen. En dus bragten zy hem voort met een Sleetje (want gaan en wilde hy niet) geknevelt naar de boejen.

Na dat hy van de Heeren Schepenen verhoort was werd hy voor den tyd van 12 agtereenvolgende jaren in 't Rasphuis, en zyn wyf in 't Spinhuis gebannen; dog hy kreeg door goede beloften van zulks niet meer te doen, en voorspraak van sommigen die hem om zyne Konst nog zugt toedroegen, 6 jaren afslag; naa welken tyd hy 'er uitraakte, onder belasting van de Stad te ruimen; maar hy gehoorzaamde daar niet aan, bleef in Amsterdam, maakte op nieuws weer vreemde figuren, kon ook zyn tong van laster tegens den Magistraat te spreken niet onthouden. Des werd hy weder opgeligt en voor de tweede maal in 't Rasphuis gezet; daar hy verscheide bloemstukken zoo voor deze als gene geschildert heeft; tot dat hy eindelyk daar weder uit ontkwam, en zig tot Haarlem begaf by Romein de Hooge. Van daar trok hy naar Rotterdam, daar hy voor den Heere de Beer schilderde, die hem daar voor den kost, drank, en een dukaat daags gaf, naderhand voor andere konstlievenden meer, tot dat hy aldaar eindelyk zynen veragtelyken levensloop geëindigt heeft.