De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakob van Kampen]

Nu hebben wy te spreken van den vermaarden schilder en Bouwmeester JAKOB van KAMPEN, Heer van Rambroeck. Deze was een Haarlemmer van geboorte, dog het jaar van zyn levens begin is my onbekent, alleen heb ik uit een kreupelvaars, genoemt Haarlems Dood-Basuin, uitgeblazen op de Tombe van den Heer Jakob van Kampen enz., zyn sterftyd ontdekt, voorgevallen op 't jaar 1658, den 4 van Lentemaand.

Zyn penceelkonst bestont in Beelden en Historien meest levens groot, en zyn wyze van schilderen geleek naar die van J.v. Bronkhorst en Jan Bylert. Dog niet minder was hy in Konst van teekenen als kragtig schilderen. Dus men den lof dien ik deze twee groote meesters toegeschreven heb op hem alleen passen mag. En wat zyn wonderbaar vernuft door de bouwkunde uitgewerkt heeft, blykt aan menigte van praalgebouwen in Holland en el-

[p. 381]origineel

ders door hem gestigt; als het huis van Prins Maurits in den Haag, 't huis van den Heer van Zuilichem en Speelhuis te Voorburg. 't Huis van den Heer Dedel te Lis, en veele andere meer, als te Haarlem.

 
De gevel van het huis des Heeren Guldewagen,
 
Daar boven op de plint Jachthonden 't Hart najagen.

de Schouburg tot Amsterdam; en verscheiden graftomben van Batavische Zeehelden, als Tromp, van Galen enz., eindelyk het Amsterdamsche Raathuis, geschat voor 't agtste wonder van de waereld.

Hy stierf op Rambroek, en werd te Amesfoort begraven. Op zyn Kerkgraf staat dit te lezen:

 
d' Aartsbouheer uit den stam
 
Van Kampen rust hier onder:
 
Die 't Raathuis t' Amsterdam
 
Gesticht heeft, 't achtste wonder.

Ik heb onder zyne beroemde Bouwerken aan 't Amsterdamsche Raathuis gedagt, waar door zeker vreemt verhaal, my door geloofwaardige menschen overhandigt, in den zin schiet, 't gene ik niet kan naalaten den Lezer meê te deelen; schoon zulke die van aart zyn als de ongeloovigen Tomas was, 't zelve niet zullen willen voor zuivere waarheid aannemen.

Onze van Kampen deed in zyn jongen tyd een reis naar Italie met toeleg om zig in de schilderkonst naar de deftigste en schoonste voorwerpen te oeffenen. Onderweeg op de reys zynde ontmoet hem een Heydinne anders gelukzegster, die een

[p. 382]origineel

aalmoes van hem verzoekt en zig aanbiet hem te konnen voorzeggen 't geen hem in der tyd gebeuren zoude. Hy die weinig agt sloeg op dat zeggen, dog haar de vuist vulde, luisterde egter met verwondering toe, wanneer zy die hem nooit meer gezien had, nog gekent, wist te zeggen dat hy een schilder was, die naar Italie reisde om zyn Konst te oeffenen. Maar (vervolgde zy) gy gaat voor schilder daar heen, dog zult voor Bouwmeester wederkeeren in uw Vaderland, en tot groote werken gebruikt worden. Ook zal het oud Stadhuis van Amsterdam verbranden, en gy op den zelven gront een beter bouwen, waar door uw naam voor altoos berugt zal blyven. 'T gebeurde ook zoo: hy won de gunst van een Kardinaal die hem aanleyding tot de Bouwkonst gaf, waar van het begrip hem zoodanig toeviel dat hy verscheide roemwaarde werken voor den zelven deed maken.

Dit door het gerugt verspreit tot in Nederland, kreeg hy straks, weer gekeert van zyne reis, gelegenheid aan de hant; om zyn verstant in de Bouwkonst te toonen: gelyk wy daar van verscheiden stukken hebben opgetelt die geroemt werden, zoo dat wanneer het oude Stadhuis naderhand door de vlam verteert was, hy als de voornaamste Bouwmeester bekent, tot het bouwen van een nieuw gebouw gekeurt wierd.

Zie daar Lezer hebje het verhaal zoo zuiver als het my overhandigt is. Waarom zou ik 'er iets toe, of afdoen? ik zoek 'er niet op te schacheren of winst meê te doen: maar geef het voor denzelven prys, en in dezelve waarde als ik het heb ontfangen.