Loff-sang op 't verlossen vande Burch Graven
- MAect u van hier gy honden woedich,
- Vergeefs ist dat gy my ansart:
- Vergeefs is al u nijdige hart:
- Hout op van tgrof geblaf trotsmoedich,
- En bijten bloedich.
-
- Mijn God ist die my selver leydet
- En stuyrt, als eenen harder goet,
- Zijn schaepkens acht, wacht, en behoet:
- Zo lang dees van my niet en scheydet,
- Mer lustich weydet,
-
- En zal my genes dinx ontbreecken,
- Langs beemden groen, zoo schoon verchiert
- Met bloemkens veel, ons toe ghestiert:
- Als Tytans lamp wert angesteecken
- In't Rammich teecken,
-
- Daer verwen duystreley verlusten
- Tooch, leyt hy my om zijn geaest:
- Als ic dan zadheyt heb gegraest
- Ic my legge in de clavercusten
- Zorchloos om rusten.
-
- Van een cleyn beexken tschuymich stromen,
- Dat mit geruys van bergen af
- Comt lopen, laept mijn tonge laf,
- En doet de cracht, my schier benomen,
- Strac weder comen.
-
- Mijn geest door angsten veelderhandich,
- En droufheyts dorst by naest verstict,
- Hy voedende is, en maect verquict,
- Terwijl de Zonne ons duynen zandich
- Maect heet en brandich.
-
- Mijn harder, als de ziel wijtvluchtich
- Nu hijchde door een jongheyt dom,
- Naer wegen ongebaent en crom,
- Daer my taenlocsel, trac quaetruchtich,
- Weende' en was zuchtich:
-
- En mit medogentlicken ogen
- Heeft hy mijn dolongen beschreyt
- Ooc op tpad der gerechticheyt
- (Om tot de stal te keeren mogen)
- My weer getogen.
-
- Al waert ziet dat de Pest afgrijsselic
- Wt haer traenmaeckende' hant bestont
- Jn my te slaen een dootsche wont,
- En zy der hellen poorten ijslic
- My snachts waer wijslic:
-
- Soe' en soude' ic my doch niet beswaren,
- Zoe lang gy Heer mijn harder zijt
- Zal ic geduyrich zijn bevrijt,
- U schaep-staf voor tquaet dat mocht naren,
- Zal my bewaren.
-
- Mijn tafel zietmen u ophopen
- Mit meet, zo hooch datse' is verlast;
- En van den besten dranc dier wast,
- Schenct gy mijn schalen vol mit stopen,
- Datse' overlopen.
-
- Mijn hooft mach ellic een aenschouwen
- Mit balsem oly nat gevucht:
- Mijn vyant die dit zicht, zeer zucht,
- En door nijt in zijn hart gebrouwen,
- Berst hy van rouwen.
|