Opt ontset van Leyden, Lofsang
- Gy, wiens gelijc niet wezen zal,
- Niet is, niet was: Gy die het al
- Van niet tot wezen hebt geschapen
- Leyden uwen naem mit recht
- Tot den hogen Hemel drecht:
- Tot den Sterren moet verheffen,
- Jae veel hoger overtreffen,
- Al u herelicke daden,
- Al u heylzame genaden:
-
- Die van u handt haer zijn geschiet:
- Als zy noch onder het gebiet
- Des Prinche en Forsten van Oraengnyen
- (De schric en ijsing van heel Spaengnyen)
- Staende was: in welcker hart
- Men de Burricht ziet van vart,
- Wt de claver-rijcke velden,
- Die Gods handt rontsomme haer stelden,
- Hooch omringt van 't Oofsche steynen,
- Werc der strijtbarer Romeynen.
-
- V hooge muyren doen gewaer
- Gewerden zijn dat hem quam naer
- Tbehulp der Goddelicker machten,
- Wanneer u borgeren versmachten
- Deur den honger gants verneert
- Moeloos, bloeloos uytgeteert:
- Als den moet heel was verloren
- Door tgebrec van tspijsbaer coren:
- Als door twoeden vander pesten,
- Weerloos waren uwe vesten.
-
- Dier tijden als de tweede mael
- Des Conincx van Escuriael
- Veel duyzent knechten u omringen,
- En mit veel starcten vast bedwingen.
- Als den Nembrot van Madril
- Nam tbroot uyt u mont, en hil
- Wt u drooge en dorre kaecken:
- Als gy niet dan laster-spraecken
- Hoorde van de Spaensche fielen,
- Die u zochten te vernielen.
-
- Wat manlic is, en zo bejaert
- Die op zijn dgie [sic?] cost gorden tzwaert,
- Men dreycht mit killen, hangen, branden:
- En naer tschoffieren en tot schanden
- Vrouwen, Maechden, Dochters teer
- Sterven aen tBisschaeys geweer,
- Vallen in tspits der rapieren
- Van Valencen: zonder vieren
- Of medogentheyt te buygen
- Niet den kinderen die zuygen.
-
- Hoe menich, ach, onnosel wicht
- In smoeders wambe, die tclaer licht
- Noch niet gezien had, waer genomen
- (Tgedencken, las, maect ijslic schromen)
- Wreedich uyt den buyc gesneen,
- En verplet, of doot getreen,
- Aen den want den cop geslagen
- Voor tbeginsel van haer dagen.
- Deze dreyging most gy hooren
- Van tonnosel bloet versmooren,
-
- Mer ziet, o wonderbaerlic dinc,
- Ons God gaf mer een oogen-winc,
- Zijn wraec-hand was nau opgeheven
- daer al te saem aen tschudden beven
- Thart, bestolp een groote vaer
- Even als de vrouwen zwaer
- Die den arbeyt voelen naeren,
- En den weedom naect van baeren,
- Sulc verschricken hemluy allen
- En verbaestheyt heeft bevallen.
-
- Zy gaven hun strac opte vlucht,
- Gelijc bloo honden die tgerucht
- Des lichten jagers heesschen hooren
- Van verre is tuytende in haer ooren.
- Als het hitsich honts geblaf
- Thert van thart weemoech en laf
- Makende is, en dwingt langs d'open
- Velden, snellic wech te loopen:
- Vuyrich ellic hem zo stelden
- Deur te waen de vochte velden.
-
- Zy van malcander zijn verschoyt,
- Zy van den ander zijn verstroyt
- Recht als de slingerende schepen
- Wanneer tgehuyl van cabels, repen
- Door tstuyrsch Noordelic geblas
- Schielic aenbevochten was,
- En om tnacht-licht aen te treffen,
- Doet de vlact des zees verheffen:
- Als van dAmphitrijt de baren
- Nu den hoogen Hemel naren.
-
- En zouden wy dees daden groot,
- Die Leyden zijnde in zulcken noot,
- Ontfing, van tGoddelic vermogen?
- Die wy mit dic betraenden oogen
- Zagen, zittende in de doot,
- Die ons al hing over thoot,
- Onze kinders en gezellen
- Niet mit blijschap groot vertellen?
- Zouden wijt ons enckels neven
- Niet mit vreuchd' te kennen geven?
-
- Gewislic neen, o neen gewis
- De zaec niet om te zwijgen is,
- Mer moet geroemt zijn tgunt die dagen
- In deze Stadt onze oogen zagen
- Door den honger tlijf zo laf
- Werden was, den moet gants af,
- Zo ontmant, dat opter wachten
- Niemand lust en hadd' te achten.
- Mocht de moet hem zo bedelven,
- Dat elc minst docht op hem zelven?
-
- Alleen de Goddelicke macht,
- De waec by daech, de waec by nacht
- Bevolen was, en heeft gehouwen:
- Op hem alleen stont al tbetrouwen:
- V alleen was schorm en schilt
- Leyden zijne goetheyt milt
- Schaer-wacht, schilt-wacht, harnas, wapen,
- Vesting, burrich, bedde om slapen,
- Beuckelaer om af te weeren
- Ende al tgeen dat coste deeren.
-
- O hulp des noots, o handt heylsaem
- Als wy versticten in onze aem,
- Ende in de twijfelicke nooden,
- Tot u alleen om bystant vloden:
- Baden dat u rechter handt
- Wou behouden onzen standt
- Als wy al mit knyen gebogen
- V ons bangicheyt vertogen,
- Zachmen u barmhertich neygen,
- Voelden wy vast opwaerts steygen:
-
- Naer uwen hemel hooch tgebet,
- Tgebet, ons inde mont gezet
- Van u o stuyrman onzer tongen,
- Ons hert hebt gy beweecht, bedwongen
- Om u die ons wou by staen
- In die noot te roupen aen,
- Jae hebt die tot u getogen:
- Als de naelde die gezogen
- Wert, door heymelicke treecken,
- Wezende aen d'Aymant gestreecken.
-
- Barmhertich Vader twas u wil
- Dat u oor ons gebet bevil,
- Geensins om dat wy in die dagen
- Vernedert waren en verslagen:
- Mer tscheen in u oogen schoon
- Door tverdienen van u zoon
- Die aen thout des cruys geslagen,
- Voor ons heeft den vlouc gedragen:
- Als ons hiel de hel verslonnen
- Heyl voor ons heel heeft gewonnen.
-
- Een onverganckelicken rom
- Van dijns naems heerlicheyt daerom
- Alomme in al des werelts plecken
- In twijt en breet hem gaet uytstrecken,
- daer de zon int Oosten licht,
- En ons toocht zijn lief gezicht,
- Daer zijn glinsterende stralen
- Zijnde opt hoochste, weder dalen:
- Daer hy vint de Wester oorden,
- Ooc in tsteeds behijselt Noorden.
-
- Wanneer Gods handt hier in dit dal
- Den Trotschen lasteraer tot val
- (Valdees, dees val van sHeeren handen
- V overquam tot uwer schanden)
- Had geslagen, in die uyr
- Sprong van vreuchden op u muyr,
- Als een callif inder weyden,
- En verblijde' haer mit u Leyden:
- Heft haer op, begint te danssen,
- Jaecht den vyant uyt zijn schanssen.
-
- Wel aen gy volcken, comt en weest
- Mit ons verheucht in deze feest,
- Ons straten, marcten ziet ten besten,
- Betreet ons chingelen en vesten,
- Schout de hooge Kercken aen,
- Daer dit wonder is gedaen
- Door de Heere der heerscharen,
- Die den zwacken can bewaren,
- En verlossing gaet betoonen,
- Wilt hem dies mit danc beloonen.
-
- Alzulcke goetheyt voor gemelt,
- Aen uwen kinderen vertelt,
- Op dat elc tdrie-eenich wezen
- Mach leeren kennen, minnen, vreezen:
- Dat by elc-een mach zijn gedient
- God die tgoet alleen verlient,
- God de Heer van sHemels hoven,
- Leert hem vastelic geloven,
- Dat alleen van zijner machten,
- Troost ter noot staet te verwachten.
-
- Finis.
|