De Leidse rederijkerswedstrijd van 1596Op zondag 26 mei 1596 was het zover: Vrouwe Retorica verwelkomde de rederijkerskamers aan de Leidse Zijlpoort. Timmerlui hadden een toneel gebouwd van waaraf zij de intrede kon gadeslaan. Dankzij de gedrukte tekstboekjes, Den Lust-Hof van Rethorica en Cort Verhael, is het mogelijk een vrij nauwkeurige beschrijving te geven van het verloop van de wedstrijd. Tijdens de intrede beeldde elke kamer `het leven der Tyrannen' uit: `wat een beloonen zy oyt verworven hebben voor haer doot en naer'. 31 Bijna alle kamers voerden wel een Nero, Caligula en Herodes in hun stoet mee. Van de Zijlpoort trokken de rederijkers eerst in optocht door de stad, daarna werd elke kamer naar zijn herberg geleid. Als bijlage 2 is hierachter een kaart opgenomen met een overzicht van de weg die de stoet volgde en de plaatsen waar de rederijkers gelogeerd waren. De dag werd op lachwekkende wijze afgesloten door de zotten. 32 Zij vierden de bruiloft van Joncker Mors en Vrou Lors met een feestmaal, dat bestond uit `fijne kouc' en `erweten' die werden opgediend in drie vloten. 33 Het bruidspaar werd verblijd met onder andere de volgende `geschenken': een bundel kerfstokken, een lantaren zonder licht, mosselschelpen om de aars te krabben en enkele pispotten. De eigenlijke rederijkerswedstrijd begon op maandag 27 mei 1596. 's Ochtends om acht uur werden de rederijkers van hun herbergen opgehaald door leden van de Witte Acoleyen. Iedereen droeg, met het oog op de verklaring van de intrede, weer `tselfd' habijt' als de vorige dag. 34 Vrouwe Retorica wachtte de kunstbroeders op, ditmaal aan de Breestraat waar een tweede toneel opgetrokken was. Bovendien waren er tribunes voor de toeschouwers gebouwd. 35 Retorica troonde op een fraai opgetuigde zetel met `aen wederzijden drye van haer Gesusters inder vrye Consten'. De zeven artes liberales waren dus gepersonifieerd, `elcx met hunne tytels ende bewijs van hun Constige handwercken'. 36 Aan de voeten van Vrouwe Retorica zaten de `Auditores', dat zijn juryleden of gecommitteerden van elke kamer. Om de jurering zo eerlijk mogelijk te laten verlopen hadden de Acoleyen namelijk al in de kaart gevraagd:
Retorica heette alle kamers afzonderlijk welkom en vroeg om een uitleg van de intrede. De antwoorden, waarin elke kamer de personages uit de eigen stoet aan haar voorstelt, zijn in balladevorm gegoten. Daarop volgde het aanbieden van de blazoenen, een soort houten wapenborden of -schilden. Eén van de drukken van Den Lust-Hof vermeldt in een aantal gevallen wie de schilders van deze blazoenen waren. Zo weten we dat niemand minder dan Karel van Mander de blazoenen van de Haarlemse kamers Trou moet Blijcken en de Witte Angieren verzorgde. 38 De blazoenen gingen vrijwel al verloren, alleen het blazoen van de Blaue Acoleyen uit Rotterdam wordt nog bewaard in de Leidse Lakenhal. 39 Voor de middag verklaarden de eerste vijf kamers hun intrede, na de middag volgden de andere vijf. De dag werd afgesloten met toneelspel van de Witte Acoleyen: eerst een - niet bewaarde - Prologhe van twee Personagien, gevolgd door het Loterijspel van` Jan van Hout. 40 De leden van de Witte Acoleyen hadden dit spel ingestudeerd ten huize van keizer Mathijs Harmansz van Crenenborch. De drank die tijdens de oefeningen werd genuttigd kwam voor rekening van het stadsbestuur. 41 Dinsdag 28 mei 1596 stond in het teken van de refereinen en liederen. Elke kamer had een referein geschreven op de stokregel:
|
31 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p.
13.
32 Cort Verhael, fol. A3r: Den xxvj. Mey.
Anno. M.D.XCVI.
33 Cort Verhael, fol. A2r; Prinsen 1904, p.
473.
34 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p.
13.
35 Prinsen 1904, p. 477.
36 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p. 78.
Retorica staat dus boven haar zusters, een mooi voorbeeld van de gewijzigde
hiërarchie binnen de artes. Zie: L. Roose, `Lof van retorica. De
poëtica der rederijkers. Een verkenning'. In: Liber alumnorum Prof. Dr.
E. Rombouts. Leuven 1968, pp. 111-128, pp. 115-118.
37 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p.
14.
38 Lust-Hof, ed. Andriesz/Orlers, fol.
[D8]r.
39 Prinsen 1904, p. 449 (verwijst naar Lakenhal,
inv.nr. 2470).
40 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p. 103;
Prinsen 1904, p. 476.
41 Prinsen 1904, pp. 465, 471-472.
42 Later zou
Jacob Duym een spel
schrijven op ongeveer dezelfde regel: Een bewys dat beter is een goeden
Crijch, dan eenen gheveynsden Peys. In: Jacob Duym,
Een Ghedenck-Boeck, Leiden 1606. Men heeft
aangenomen, dat Duym zijn spel heeft geschreven naar aanleiding van de Leidse
wedstrijd, geïnspireerd door de opgegeven stokregel. Zonder het verband
tussen stokregel en spel geheel te willen ontkennen, wil ik er op wijzen dat er
meer aan de hand is geweest. Er bestaat namelijk nóg een zinnespel op
dezelfde vraag, geschreven door de Haarlemse rederijker
Jan Prins, factor van de
Wijngaertrancken en werkzaam in de jaren rond
1600. Dit spel is overgeleverd in de boeken van Trou Moet
Blijcken, Boek E, spel 14 (zie met name fol. 170r). Kennelijk is er een
wedstrijd geweest; waar en wanneer deze wedstrijd precies heeft plaatsgevonden
is vooralsnog onbekend.
|
|
De refereinen moesten bestaan uit vier strofen van zeventien regels in `vrije maet'. Het lied diende gewijd te zijn aan de vraag `hoe Godes gonst staet open, Voor die den armen bijstant doen, en toonen deucht.' 43 Weer kwamen er vijf kamers vóór en vijf na het middaguur aan de beurt. Ook deze teksten zijn te vinden in de verschillende edities van Den Lust-Hof.Op woensdag 29 en donderdag 30 mei mochten de kamers een toneelstuk spelen, `nieut of out'. Er was, wegens de korte voorbereidingstijd, geen spelonderwerp vastgesteld. 44 De meeste kamers kwamen met een esbattement of `een drollige of outbollighe Cluyt'. 45 De toneelteksten ontbreken in Den Lust-Hof van Rethorica. Alleen de klucht Vanden vloijvanger van Trou moet Blijcken en het spel van de Leidse Vlamingen, Den Spiegel der Liefden van Jacob Duym, zijn overgeleverd. 46 Het laatstgenoemde spel van Duym had, net als het Loterijspel van Van Hout, tot doel de liefdadigheid te bevorderen:
Helaas zijn deze proloog en conclusie niet overgeleverd - wat overigens wel begrijpelijk is: toen Duym in 1600 zijn Spiegelboeck liet drukken hadden deze teksten immers geen actualiteitswaarde meer. De woensdagavond werd afgesloten met een feestmaal, aangeboden door de Witte Acoleyen aan Keizer, Prins en Factor van alle kamers die te gast waren. 48 Vrijdag 31 mei, de slotdag van het Leidse rederijkersfeest, was voor het juryoordeel en de prijsuitreiking door Vrouwe Retorica. De jury bestond uit gecommitteerden namens de kamers en `eenige neutrale, ende onpertijdige personen, de const verstaende'. Jan van Hout moet tot deze onbevooroordeelde kunstkenners hebben behoord: zowel de puntentelling als het berijmde juryrapport en het bijbehorende zogenaamde `solemnele dichtwerk' zijn in zijn handschrift overgeleverd. Het juryoordeel werd ter goedkeuring voorgelegd aan de Leidse burgemeesters. 49 Leden van de Witte Acoleyen leverden de prijzen vervolgens bij de winnaars persoonlijk af. Een en ander lokte weer een stroom reacties uit, `Sonnetten/ Epigrammen/ ofte Rondelen', maar daarvan bleef niets bewaard. 50 Na de prijsuitreiking konden de rederijkers weer naar huis. Gedurende de wedstrijd had er nog een bijzondere gebeurenis plaats: de Vlaamse kamer uit Haarlem, de Witte Angieren onder de zinspreuk `In Liefde getrou', legde haar meesterproef af. De officiële erkenning van een rederijkerskamer verliep vermoedelijk stapsgewijs. De kamer van de Witte Angieren was in 1593 tijdens de wedstrijd in Zandvoort al gedoopt. 51 Nu, in Leiden, moest de kamer bewijzen als volwaardige kamer te kunnen meedraaien. Van Hout had de test al aangekondigd in de Missive:
De meesterproef bestond onder meer uit het maken van een referein: als enige kamer declameerde de Witte Angieren een antwoordvers na het welkom van Retorica; hierin zijn de namen en spreuken van de overige deelnemers verwerkt. Verder had ze als enige een `Uytsprake gedaen op 't Tonneel in t' overleveren van t' Blazoen'. 52 |
43 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p.
14.
44 Zie de Chaerte, vss. 69-72.
45 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, pp.
150-151.
46 Zie: W.M.H. Hummelen, Repertorium van het
rederijkersdrama 1500-ca.1620. Assen 1968, 1 OG 4 en 3 I 2.
47 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p.
153.
48 Prinsen 1904, p. 472.
49 Lust-Hof, ed. Andriesz/Orlers, fol.
G4v.
50 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, p.
154.
51 De doop van de Witte
Angieren wordt, zonder bronvermelding, genoemd door: G.D.J. Schotel,
Geschiedenis der Rederijkers in Nederland. 2 dln. Amsterdam 1862-1864,
II, p. 256; A. van Elslander, `Lijst van Nederlandse rederijkerskamers uit de
XVe en XVIe eeuw'. In: Jaarboek De Fonteyne 18 (1968), pp.29-60, p. 42.
Dat de doop in Zandvoort plaatsvond wordt bewezen door de volgende plaats in
Boek C, fol. 38v, van het Haarlemse Trou moet Blijcken:
En het Widt angiertgen tot Santvoort gesprooten met const ouergooten door rethorices practijckenZie voor de aanwezigheid van de Witte Angieren in Zandvoort in 1593 ook: GAL, Gildenarchieven 1473, 3e afdeling, fol. 16v en vlg. 52 Lust-Hof, ed. Van Ravelengien, pp.
32-33, 85-86.
|
|
Het rederijkersfeest kostte de stad Leiden in totaal ruim 1844 gulden, geen gering bedrag. 53 Toch waren de organisatoren tevreden. Mede door de inzet van Jan van Hout had de aloude rederijkerskunst geschitterd op een wijze, die herinnerde aan het Antwerpse landjuweel. Doch het succes gold evengoed de loterij: het volk gaf massaal gehoor aan de oproep loten te kopen. |
53 P.J. Blok, Geschiedenis eener Hollandsche
Stad III: Eene Hollandsche stad onder de Republiek. 's-Gravenhage 1916, p.
271.
|