Mijn belangstelling voor volkse (kinder)poëzie, waarin de anonieme, orale oorsprong doorklinkt, bracht me een aantal jaren geleden op speurtocht in een grote, goedgevulde New Yorkse bibliotheek. Daar zocht ik naar versjes en rijmpjes, niet door volwassenen vóór kinderen geschreven, maar van kinderen zelf, direct opgetekend uit hun mond, bij hun straat- en pleinspelen, onderlinge wedstrijden of als commentaar bij of verzet tegen allerlei volwassen ge- en verboden.
Aan enkele bibliotheekmedewerkers, die behulpzaam met een paar bekende verzamelingen liedjes kwamen aandragen, zoals Rainbow in the sky (L. Untermeyer, 1963), maakte ik duidelijk dat ik minder geïnteresseerd was in de gangbare varianten, zoals bovenstaand voorbeeld, maar dat mijn speciale belangstelling uitging naar het scabreuze en erotische vers. Kortom: liedjes, nonsensicale versjes, klankspelen, aftelrijmpjes, spot- en naamdichten, parodieën, raadsels, rijmdialogen, verhalende gedichten en verbasterde gezegden met een schandaleuze, beledigende, erotische of scatalogische inslag. Zoals de zelfgemaakte sexuele limericks, die vooral wat oudere kinderen op een bepaalde leeftijd onweerstaanbaar vinden.
Of liedjes waarin op een nietsontziende manier wordt afgerekend met de autoriteit van de leerkracht, zoals in onderstaande gewelddadige versie.
Ja, ze begrepen wat ik bedoelde, maar helaas, daar konden ze me zo een-twee-drie niet aan helpen. Toen ik na enig aandringen naar het kantoortje van de directrice werd gebracht, hoopte ik even dat ze op een apart plankje in het archief wellicht...
Maar op het moment dat ik binnenkwam en de blik zag waarmee ik werd begroet, wist ik dat het fout zat. Nee, natuurlijk hadden ze dergelijke bundelingen niet, en ze wilden ze, als ze al bestonden, ook niet in hun bestand hebben. Ouders en leerkrachten zouden daar, dat moest ik toch begrijpen, nogal wat bezwaren tegen hebben. Maar wat was eigenlijk mijn bedoeling? Waarom was ik zo geïnteresseerd in dit soort, je mocht toch wel zeggen perverse teksten? En wat had dit alles te maken met kinderen en kinderliteratuur? Jawel, deze teksten bestonden en werden door bepaalde kinderen gemaakt en gezongen, maar poëzie was toch...
Enfin, het werd een discussie die me nog eens duidelijk maakte dat het in het openbaar blijkgeven van belangstelling voor het scabreuze kindervers heel wat misverstanden en vooroordelen kan oproepen. Een beetje naïef misschien, verweet ik me later, want had ik niet gelezen over soortgelijke confrontaties waarbij de onderzoeker of
verzamelaar door de volwassen omgeving allerlei oneerbare motieven werden toegedicht?
Zoals Ernest Borneman, cultureel-antropoloog en sexuoloog, die in zijn driedelige Studiën zur Befreiung des Kindes (Borneman, 1973, 1974, 1976) een unieke en zeer uitgebreide verzameling anonieme kinderversjes, gedichten en rijmen publiceerde, - resultaat van zo'n achttien jaar (tussen 1960 en 1978) veldwerk waarbij hij, geassisteerd door vele medewerkers, heeft geprobeerd een beeld te geven van de orale Duitstalige straatcultuur. (Hulsens, 1982; Van den Hoven, 1986.)
Zijn bundeling beslaat zo'n 5000 thematisch geordende versjes, rijmpjes, spreuken, variaties op bekende religieuze, reclame- en operateksten, liedjes, vraag-en-antwoord teksten, naam- en scheldgedichten en nog veel meer, opgetekend op straathoeken en pleinen van vooral grote steden. De trilogie is terecht wereldvermaard en dankzij het commentaar van Borneman, die overigens vanuit psychoanalytische en sexuologische interesse rubriceert en niet zozeer literair geïnteresseerd is, geven de boeken een indrukwekkende kijk op de veelzijdige en springlevende orale kindercultuur.
Als uit deze ongekuiste trilogie één ding duidelijk wordt, dan is het wel de ongelofelijke creatieve veerkracht van de kindertaal, die tegen de maatschappelijke en literaire druk van geaccepteerde normen en teksten in, een eigen universum schept waarin volop geëxperimenteerd, uitgedaagd, bekritiseerd en onderuit gehaald wordt.
Na gesprekken met ouders, die hem niet vertrouwen als hij op straten en speelplaatsen kinderen naar erotische rijmpjes vraagt en in toiletten op zoek is naar scabreuze graffiti, moet hij op het politiebureau omstandig uitleggen wat zijn bedoeling is.
Maar ook als de taal minder centraal staat kan dat gebeuren. De ontwikkelingspsycholoog J. van Andel, die voor zijn proefschrift Woonomgeving en kinderen (1985) zo'n negentienduizend kinderen in hun speelomgeving observeerde en velen van hen interviewde, lichtte vóór hij op pad ging de politie in, om beschuldigingen als kinderlokker te voorkomen... 1
Ik neem aan dat op dit moment, nu kinderontvoering, kinderverkrachting en pedofilie actuele discussieonderwerpen zijn, die situatie niet gewijzigd, alleen maar verscherpt is. De geïnteresseerde veldonderzoeker mag zich meer dan tweemaal bedenken voor hij kinderen ‘in het wild’ observeert dan wel ondervraagt, zeker als het gaat om ongeciseleerde taal. Waarmee ik maar wil zeggen dat de vieze versjes, en zij die vanuit antropologische, sexuologische of literaire invalshoek belangstelling tonen voor deze vorm van ondergrondse volkslyriek, met de nodige argwaan werden en worden be(voor)oordeeld. Daar is in de loop van de tijd weinig aan veranderd.
Er zijn twee, nauw met elkaar samenhangende redenen waarom de anonieme, scabreuze kinderpoëzie in het verborgene wordt gehouden, zozeer zelfs dat velen het bestaan ervan eenvoudigweg niet vermoeden, negeren of zelfs ontkennen.
De eerste wordt gevoed vanuit een moreel maatschappelijk, vaak ook godsdienstig gekleurd standpunt: dergelijke produkten worden gediskwalificeerd, omdat ze tegen de algemeen geaccepteerde fatsoensnormen indruisen, beledigend en discriminerend zijn (blasfemisch, seksistisch), en bovendien opvoedingsidealen belachelijk maken en gewenste sociale verhoudingen ondermijnen.
De tweede reden volgt uit een bepaalde, met de eerste samenhangende, genormeerde literaire opvatting: ongegeneerde taaluitingen uit de regionen van de onderbuik, en zeker wanneer die te maken hebben met de kinderwereld, behoren niet tot de officiële, gecanoniseerde taal- en letterkunde. Daarbij gaat het niet zozeer om het feit dat ze anoniem zijn, want dat zou betekenen dat bijvoorbeeld volkssprookjes en (heel veel) bakerrijmen buitengesloten zouden worden, - maar dat ze op een bepaalde manier indruisen tegen wat je zou kunnen noemen de literaire consensus. Dat het daarbij toch vooral om heel of half verborgen morele argumenten gaat mag blijken uit het feit dat het opvallend is dat een literaire beoordeling meestal achterwege blijft. Er zijn geen valide argumenten aanwezig waarom scabreuze kinderrijmen op het gebied van formele kenmerken (ritme, rijm, metrum, klankspel, herhaling, ambiguïteit en dergelijke) niet precies dezelfde kwaliteiten (of feilen) vertonen als ‘nette’ verzen. Want wat is nu eigenlijk het literaire verschil tussen dit aftelrijmpje:
en dit versje:
Of, anders gezegd, wat hebben, afgezien dus van verschillen in letterlijke bewoordingen, deze twee rijmpjes op het gebied van de prosodie en de metriek met elkaar gemeen? Nog een vergelijking.
En:
De klankkleur van de woorden, de motoriek stimulerende, sterk ritmische, zwierige cadans en het rijm maken er in beide gevallen een aanstekelijk zing-zeg-liedversje van, waarop naar hartelust, zowel wat inhoud als wat klank en toon betreft, gevarieerd kan worden.
Het tweede voorbeeld zal echter eerder commentaar ontlokken. En dat niet vanwege de openlijke aanprijzing van een bepaald merk electrische heggeschaar. (Het versje moet zo halverwege de jaren tachtig ontstaan zijn op het staccato ritme van een bekend tv-reclamedeuntje.)
De twee bovenstaande keurige rijmpjes heb ik gehaald uit een recente bundeling met versjes en speelliedjes van kinderen: Iene miene mutte (Judith Eiselin, 1996). Allerlei oude en bijna uit het geheugen verdrongen spelletjes uit diverse hoeken en gaten van Nederland worden in dit boek aan de vergetelheid ontrukt, met daarnaast wat meer actueler voorbeelden, meestal voorzien van de bijbehorende nonverbale rituelen en rijmen.
Een uitgelezen kans om ook aan het scabreuze vers aandacht te besteden, want juist dit soort buitenactiviteiten, uit de buurt van luisterende oren en verbiedende ingrepen van volwassenen, stimuleren de grensoverschrijdende taalcreativiteit. Eigengemaakte varianten, die ingaan tegen of variëren op via ouderen overgeleverde en dus goedge-
keurde liedjes, provoceren de in taal- en spelafspraken vastgelegde regels, en tasten zo grenzen af van de geordende en genormeerde wereld van de volwassenen. Daarnaast wordt er geëxperimenteerd met machtsverhoudingen 2 in de sociale groep (bijvoorbeeld tussen jongens en meisjes), met nieuwe, zelfgemaakte en steeds veranderende spelstructuren en niet in de laatste plaats met allerlei taalmogelijkheden, van klankassociaties tot het uitproberen van sexueel of anderszins beladen woorden en termen.
Helaas moet geconstateerd worden dat de verzameling van Eiselin zich wat de bijbehorende liedjes, versjes en rijmpjes betreft vooral beperkt tot de (over)bekende, geaccepteerde versies. In de summiere inleiding wordt in het geheel geen aandacht geschonken aan het bestaan, laat staan de functie van de vele onderbuikse varianten. Slechts één keer, als in het eerste hoofdstuk de aftelversjes ter sprake komen, worden twee scabreuze rijmpjes geciteerd, met als enige toevoeging dat die ‘extra spannend’ zijn:
En met de opmerking - over versies van Witte zwanen, zwarte zwanen - dat door sommige onderzoekers gewezen is, in verband met woorden als sleutel en enge-land, op de mogelijke sexuele connotatie hiervan, moeten we het doen. 3
Jammer, want nu missen we bijvoorbeeld een aftellied als Onder de brug, waar veel uitvoeringen van bestaan, zoals deze:
of deze:
Ook van dit uitdagende aftelversje zijn veel vormen bekend, die graag hardop worden gescandeerd:
En wat te denken van het volgende meezinglied, gebruikt om, bij kringspelen bijvoorbeeld, de andere sekse te provoceren:
De meisjes hebben aan het eind natuurlijk een andere tekst in petto:
Eiselin citeert de tekst van een bekend handenklapspelletje waarbij ook allerlei gebaren een rol spelen (bij hoi wordt bijvoorbeeld even gewuifd en bij roetsj worden lippen getuit):
Daarvan bestaan allerlei scabreuze varianten, zoals deze, waarbij het duidelijk zal zijn dat ook de gebaren worden aangepast:
Hierin wordt trouwens gecontamineerd met de tekst van een bekend wandel- en marsliedje waarvan vele tientallen, zo niet honderden versies bestaan:
en ook in het buitenland bekend is:
Het negeren van dit soort kinderteksten in verzamelingen is overigens meer gewoonte dan uitzondering, en gaat ook op voor Alles in de wind (C.J. Aarts en M.C. van Etten, 1993). In dit boek gaat het behalve om in de volksmond bekend geworden gedichten waarvan de
auteur bekend is (zoals die van Van Alphen, Goeverneur, Louwerse en Heije), ook om anonieme liedjes en versjes: vierhonderd teksten bijeengebracht uit allerlei (lied)bundels, schoolboeken en tijdschriften. Gebundeld zijn de oudst bekende versies van de anonieme kinderversjes, maar latere uitvoeringen, zo schrijven de samenstellers in hun inleiding, die ‘een nieuwe betekenis kregen, een fraaie vondst opleverden, of echt veel bekender zijn geworden’ zijn ook opgenomen. Het opmerkelijke daarbij is echter dat de meer obscene versies geen enkele plaats is gegund. Sterker nog: in inleiding noch verantwoording wordt gewag gemaakt van het bestaan hiervan, en het gevolg is dan ook dat een versje als
de meest onbehoorlijke tekst is die in het boek kan worden aangetroffen, als we het bekende stinkende poepje van Adam en Eva op het stoepje buiten beschouwing laten.
En dat terwijl toch algemeen bekend is dat veel gezongen (school)liedjes, zoals Drie schuin-tamboers, Hop, Marjanneke, Ik heb mijn wagen volgeladen, Vader Jacob, Altijd is Kortjakje ziek of Daar was laatst een meisje loos - om maar een kleine selectie te noemen - dankbaar materiaal vormden voor vele scabreuze ingrepen:
die misschien niet in de klas, maar wel op het schoolplein ten gehore worden gebracht.
Er zijn ook belangrijke omissies, zoals het bekende Tararaboemdiee, nog zo'n klassieker, waarin de vaderlandse historie haar sporen heeft achtergelaten. Waarschijnlijk heeft het versje als achtergrond een publiek schandaal uit 1894, toen in Harlingen de hervormde predikant Johan Barger zijn huisnaaister, met wie hij een relatie onderhield, doodschoot:
Op dezelfde melodie (van een bekend revue-liedje) werd door Amsterdamse straatjongens gezongen:
toen Nederland, ook in 1894, troepen naar Lombok stuurde. Maar het lied heeft ook een uitgebreid scabreus verleden, zoals deze tekst aantoont:
Hetzelfde verhaal gaat op voor een andere bundel: Liedjes met een hoepeltje erom (Joke Linders en Toin Duijx, 1994), eveneens een succesvolle uitgave, bedoeld voor wat jongere kinderen (en hun ouders). Ook in dit boek wordt in het Woord vooraf geen aandacht besteed aan door kinderen zelf gemaakte varianten. Toch is het algemeen bekend dat bijvoorbeeld de Sinterklaasliedjes veelvuldig gebruikt worden om het gezag van de volwassenen uit te dagen en bangmakerij onderuit te halen:
of:
Voor jonge kinderen is het bedenken van nieuwe varianten een bron van creativiteit, waarbij angst en afhankelijk zijn om de voorrang strijden met durf en eigen initiatief. En wie wil trouwens beweren dat hij of zij vroeger géén plezier heeft gehad in het verzinnen van weer een nieuwe couplet van 'k Zag twee beren broodjes smeren? Beren zonder kleren, beuken die neuken, mezen die kezen, vissen die pissen en ga zo maar door: ze zijn helaas verdrongen door apen die wortels schrapen, slangen die de was ophangen en vlooien die mutsen plooien. Keurige dieren allemaal. Een beet in je bil van een krokodil, daar blijft het bij.
Ontzeg ik hiermee aan bovengenoemde bundelingen, en nog heel wat andere, het bestaansrecht?
Nee, het zijn alle drie heel bruikbare bloemlezingen die het oude kinderlied levend houden en waarin het goed bladeren is op zoek naar bijna vergeten voorbeelden. Ik meen wél dat het opvallend is dat het niet gecanoniseerde, scabreuze vers genegeerd wordt en daarmee aan een levendige orale praktijk van vroeger en nu onrecht wordt gedaan. En er zit blijkbaar systeem in de negatie daarvan.
Vraag is wat de oorzaak daarvan kan zijn. Op de eerste plaats natuurlijk de al genoemde (maatschappelijke en) literaire normering. Alles wat buiten een bepaalde geschreven en moreel geaccepteerde canon valt, en vooral het produkt is van orale ingrepen, behoort niet tot het literaire verleden. Anonieme teksten - met uitzondering van bepaalde verzamelingen volkssprookjes en door volwassenen bedachte
bakerrijmen - zoals de moderne broodje-aap-vertellingen en zelfgemaakte kinderrijmen, vallen buiten de officiële literatuur. Voor wat betreft de kinderlyriek ligt hieraan een overtrokken tegenstelling tussen ‘banale’ volksrijmen en ‘hogere’ dichtkunst ten grondslag.
Een andere, zogezegd meer prozaïsche reden, is de commercieel gemotiveerde beduchtheid voor de mening van het grote publiek dat nu eenmaal behoudend is en snel gechoqueerd kan worden. Een verzameling waarin naast geaccepteerde rijmpjes en versjes ook obscene varianten zijn opgenomen, zal zeker de nodige discussie oproepen en het is de vraag of potentiële kopers (ouders, leerkrachten, bibliotheekmedewerkers) hiermee ingenomen zullen zijn. Op de achtergrond spelen, relatief los van de zakelijke overwegingen, sociaal-maatschappelijke en pedagogische normeringen een doorslaggevende rol (beschadiging van de ‘tere’ kinderziel, opvattingen over sexualiteit en gezag, enzovoorts).
Een derde reden, tenslotte, kan gelegen zijn in wat Ernest Borneman in de introductie van zijn eerder genoemd driedelig standaardwerk met een psycho-analytische term de postpuberale amnesie noemt. Hij bedoelt daarmee dat veel mensen de neiging vertonen na de puberteitsfase veel van hun sexuele ervaringen, die ze in hun kindertijd hebben opgedaan, te vergeten en verdringen. Dat zou ook de reden zijn, aldus Borneman, dat veel volwassenen vasthoudend en met klem blijven beweren dat zij in hun jeugd dergelijke obscene liedjes en versjes nooit hebben gekend, en al helemaal geen ervaring hebben met sexuele spelletjes. De vaak felle ontkenningen zijn voor Borneman aanleiding om achter dergelijke reacties juist díe emotionele krachten te vermoeden, die herinneringen aan een prepuberaal sexueel leven doen vervagen en verdringen.
Wat hier ook van zij, in het verlengde van bovenstaande ligt een begrip als zelfcensuur en dat lijkt me in veel gevallen acceptabel als reden voor het ontbreken van ongekuiste kinderrijmen. Dat deze zelfcensuur veelal onbewust te werk gaat, is een evidentie. Het inschakelen van (volwassen) derden bij het verzamelen, waarbij zij zich baseren op eigen herinneringen, dan wel kinderen naar hun ervaringen ondervragen, kan zelfcensurerend werken. Zo hebben Iona en Peter Opie, voor hun becommentarieerde anthologie The lore and language of schoolchildren (1959), de hulp ingeschakeld van allerlei onderwijzend personeel om hun veldwerk te ondersteunen. Het zou best eens kunnen zijn, zo is de mening van critici (zoals Borneman), dat
het nagenoeg ontbreken van het obscene vers - op enkele underwear- en bottom-voorbeelden na - mede daaraan te wijten is. Ook Eiselin heeft zich laten ondersteunen door, zoals de achterflap meldt, ‘tientallen Nederlanders van alle leeftijden uit het hele land’. Ik vraag me af waar de selectie precies heeft plaatsgevonden; bij de medewerkers of bij de schrijfster?
Overigens gaat het bij zelfcensuur niet alleen om volwassenen. Het is bekend dat ook kinderen, ondervraagd door ouderen, zich vaak in eerste instantie conformeren aan wat zij denken dat de ander verwacht. Pas na aandringen, als zij overtuigd zijn van de eerlijke bedoelingen van de onderzoeker, doorbreken zij blokkades van fatsoensnormen en wordt de volwassene een kijkje gegund in hun ongekuiste straattaalcultuur.
Wordt die grens doorbroken dan blijkt steeds opnieuw dat kinderen en jongeren in hun eigen, niet door volwassenen gecontroleerde en genormeerde wereld, beschikken over een flinke dosis taalcreatieve spontaniteit en veerkracht, waarmee ze hun eigen wereld en die van de volwassenen vrolijk-ondermijnend te lijf gaan.
Vol associatieve lenigheid, geestige terzijdes, cynische zelfspot, uitdagende plaagstoten, gevoelvolle symboliek, sarcastische voltreffers, erotische experimenten, zwarte humor, afgesleten clichés, morele kaakslagen, ingenieuze woordgrappen, harde scheldkanonnades, prikkelende parodieën, platte dubbelzinnigheden, klassieke vergelijkingen en verrassende ambiguïteiten barst hun taal van een eeuwenoude volkslyriek, die van generatie op generatie wordt beproefd, doorgegeven, aangepast en vernieuwd.
De verzamelingen van de Opies en Borneman, om de twee belangrijkste te noemen, hebben laten zien dat de laatste halve eeuw het spontane, al of niet scabreuze kindervers springlevend is. Beiden benadrukken dat dit soort poëzie het rechtstreeks gevolg is van de intensieve en veelzijdige interactie, - niet alleen van kinderen onderling, maar vooral ook van kinderen en hun naaste omgeving. De leefwereld, de materiële en sociale umwelt, en de belevingswereld, de mede daarop gebaseerde verbeeldingsrijke innenwelt, vormen in een voortdurende wisselwerking met elkaar de voedselrijke humuslaag waarop het spontane kindervers kan bloeien.
Maar wat als die interactie in de moderne tijd aan niet geringe veranderingen onderhevig is? Als de ingrepen de laatste vijfentwintig jaar enorm zijn, waardoor de directe leefomgeving van kinderen, zowel op het platteland - maar daar in een iets langzamer tempo - als in de stad, rigoureus van aanzien en impact verandert?
Te denken valt daarbij onder andere aan de toegenomen bebouwing en asfaltering van stad en platteland, en de geprefabriceerde speelplaatsen, zwembaden en pretparken, waardoor het buitenspel van kinderen steeds meer aan van tevoren vastgestelde banden wordt gelegd. Sinds 1980 is het aantal verharde wegen in Nederland met 15% toegenomen... In mobiliteitsscenario's is het op straat spelende en experimenterende kind vrijwel altijd afwezig. De gevolgen zijn significant: ‘In Engeland liep in 1972 80 procent van de zeven- en achtjarigen zelf naar school. Twintig jaar later was dat nog maar 9 procent. Nederlands onderzoek bracht aan het licht dat kinderen tegenwoordig gemiddeld met acht jaar zelf naar school lopen; twintig jaar geleden met zes jaar. (...) In beveiligde wijken gaan kinderen vanaf zeseneenhalf jaar zelf naar school, terwijl dat bijvoorbeeld in de Amsterdamse Kinkerbuurt pas bij acht jaar is. In beveiligde wijken mogen kinderen met acht jaar zelf naar een vriendje of club verder weg, in Amsterdam pas met tien jaar. In de Kinkerbuurt speelt een op de drie kinderen nooit of bijna nooit buiten.’ 6 Een recent Zwitsers onderzoek toont in dit verband aan, dat kinderen die weinig buiten spelen wat betreft hun sociale en motorische ontwikkeling een achterstand oplopen.
De onveilige situatie op straat, en het feit dat bijvoorbeeld ontspanningsclubs en sportaccomodaties steeds vaker aan de rand van de stad zijn gesitueerd, is er de oorzaak van dat we op dit moment te maken hebben met een soort achterbankgeneratie: kinderen, vooral stadskinderen, die door hun (chaufferende) ouders aan het handje worden gehouden. ‘Pietje Bell zit voortaan binnen’ 7, hangt voor de televisie en is alleen nog maar in begeleide vorm buiten aan te treffen...
Overdreven pessimistisch?
Misschien. Maar dat de controle van volwassenen over het (buiten)leven van kinderen de laatste decennia sterk vergroot is, staat
buiten kijf. En dat de televisie een steeds grotere greep op de jeugdige leef- en belevingswereld krijgt eveneens. Maar of en in hoeverre dat een negatieve weerslag heeft op de talige creativiteit van kinderen is een groot vraagteken. Wie een oor te luisteren legt op plekken (schoolpleinen, straathoeken, speelplaatsen) waar kinderen opgaan in hun spel, zal ongetwijfeld moeten toegeven dat er op het eerste gezicht niets mis is met de elasticiteit van het spontane rijm- en dichtvermogen en de behoefte om via scabreuze varianten de (volwassen) wereld uit te dagen.
is een bekende, al wat oudere variant van ons volkslied, waarin de draak gestoken wordt met alles wat te maken heeft met vaderlandsliefde en royalty. En zoals dat met bekende melodieën gaat, ze vormen een dankbaar voertuig voor allerlei nieuwe aanwinsten, zoals:
een tekst die zonder de goedkeuring van de Rijksvoorlichtingsdienst volop de ronde doet.
Een andere vraag is die naar de mogelijke invloed van de komst van allerlei immigrantengroeperingen. Ze brengen hun eigen culturele achtergrond mee in de vorm van opvoedingsgewoonten, verbale (zang)tradities (volksverhalen en liedjes), eigen folklore, spelletjes en feesten en natuurlijk allerlei versjes en rijmen, - zoals de vele Anansiliedjes, over de brutale streken van de gehaaide en tot de verbeelding sprekende spin:
Of een Nigeriaans dialoog-versje dat gebaseerd is op een slaapliedje, maar door kinderen, inclusief nonverbale expressie, is aangepast bij een kringspel:
Overigens, maar dit terzijde, heeft Frank Martinus Arion (1981) aannemelijk gemaakt dat een bepaald soort door vrijwel iedereen als oerhollandse gekenschetste nonsens-verzen (zoals Iene miene mutte), die louter uit zinloze klanken zouden bestaan, wel degelijk een betekenisvolle achtergrond hebben, waarbij het koloniale verleden een rol speelt. Zo laat hij zien dat een klankliedje als
en de talloze varianten die daarvan bestaan, via linguïstische determinatie tot een West-afrikaans/Portugees-creools lied kan worden herleid met de volgende betekenis:
Arions opmerkelijke artikel is bij mijn weten niet gevolgd door andere, onderzoekende bijdragen op dit gebied (ook niet door hemzelf). In het algemeen is de invloed van migranten en hun verschillende culturen op de straattaal van (stads)kinderen een nog onontgonnen terrein.
Nog een vermeldenswaard verschijnsel van de laatste tijd is de populaire muziekscene in relatie tot het taalgebruik van (wat oudere) kinderen en jongeren.
De hiphop-cultuur van de jaren tachtig, met breakdance, scratching, graffiti en nog het een en ander, heeft geleid tot een soort rap-epidemie: het declameren, tussen zingen en zeggen in, van sterk ritmische teksten die de zaal in gemitrailleerd worden, niet zelden met de mond als human beatbox bij gebrek aan adequate geluidsapparatuur. Tegenwoordig wordt zelfs gesproken over rap-poetry als ‘het nieuwe straatgebed’ (Van Westerop, 1997): met teksten die strak ritmisch zijn, vaak zeer metafoorrijk en boordevol alliteraties. Het Engels speelt daarbij een toonaangevende rol, waarbij bijvoorbeeld begrippen als chilling (een goede tijd hebben), illing (iemand irriteren) of dissing (disrespecteren) vernederlandst zijn tot chillen, illen en dissen, zoals rough en tough verbasterd worden tot rof en tof. Maar ook jongeren uit Surinaamse, Turkse of Marokkaanse culturen laten hun (taal)invloed gelden. De diversiteit is inmiddels, dat wordt snel duidelijk
voor wie zich ook maar enigszins in die wereld oriënteert, behoorlijk groot en de vermenging van allerlei allochtone taalculturen neemt met de dag toe.
Bepaalde rappers schrikken niet terug voor hardcore-teksten, die de wereld van bepaalde straatbendes - de posses - met een agressieve genadeloosheid blootleggen. Ze produceren rapteksten die als woord-battles de voorbodes of begeleiders zijn van de werkelijke confrontaties tussen bendes, of in het algemeen de burgerlijke samenleving tot bloedens toe trachten te verwonden. En dan gaat het daarbij niet alleen om sexuele of blasfemische provocaties, zoals bij de meidengroep Rockbitch die sexuele handelingen niet alleen bezingt maar ook daadwerkelijk op het podium uitvoert, - maar om regelrecht racistische en antisemitische teksten.
Daar wordt vaak zeer geschokt op gereageerd en ze zíjn ook niet misselijk, maar van de andere kant zijn dat soort teksten niet van vandaag alleen. Racistische - van pinda-poepchinees tot kanker-teringturk - en antisemitische scheldteksten zijn er altijd geweest en steken om de haverklap de kop op als bepaalde sociaal-politieke omstandigheden daartoe aanleiding geven. In de verzameling van de taalkundige G.J. Boekenoogen, die eind vorige eeuw over kinderrijmen schreef en een grote verzameling aanlegde, (Stigter, 1992) komt het volgende rijm voor:
Louis Velleman 9 herinnert zich een, rond 1930, ‘algemeen verbreid straatantisemitisme’. Straatvriendjes noemden nooit zijn voornaam, maar gebruikten altijd termen als smaus, Moos of de jood. En als ze hem in zijn kruis trapten, gingen ze om hem heen staan en zongen:
op de toen populaire melodie van: ‘Vier Worte will ich dir nur sagen, vier Worte nur, Ich hab' dich lieb’.
Hoe ver dit kan gaan bewijzen sinds jaar en dag de zogenaamde geweldsupporters bij voetbalwedstrijden, die er een eer in scheppen de tegenpartij zo meedogenloos mogelijk woordelijk, en als het even kan ook met lijfelijk geweld, onderuit te schoppen. Na een vechtpartij langs de snelweg, waar twee rivaliserende groepen elkaar via de mobiele telefoon troffen voor een afrekening die een dode opleverde, werd onlangs via Internet de volgende tekst verspreid:
Ondertussen, zo mag je verwachten, zullen deze rijmen ongetwijfeld invloed hebben op jongere groeperingen, die ze meestal naadloos weten te integreren en te variëren in hun straattaalcultuur. Want zo werkt het: kinderen beschikken over een feilloos afgestelde antenne voor wat door de samenleving (lees: de volwassenen) niet acceptabel wordt geacht. En juist dáar ligt de uitdaging voor een weerwoord via talige guerilla-uitvallen, die soms behoorlijk hard kunnen aankomen.
In het negeren en/of verdonkeremanen van het scabreuze kindervers doet de officiële kinder- en jeugdliteratuur niet onder voor de gecanoniseerde letterkunde voor volwassenen, waaruit ook zorgvuldig vrijwel alle onfatsoenlijke voorbeelden zijn gecensureerd.
Daarbij valt natuurlijk te denken aan allerlei volksvertellingen, kluchten, balladen, liederen en sprookjes die, nadat ze op schrift werden vastgelegd, van erotische, blasfemische, scatalogische, necrofiele en andere wreed- en kwaadaardigheden werden gekuist, zeker
wanneer daarmee een jeugdig publiek beoogd werd. 11 Zo treft een bepaald soort literaire amnesie bij wereldberoemde auteurs als Rabelais (Gargantua en Pantagruel) en Boccacio (Decamerone) niet zelden hun onverbloemde voorkeur voor exuberant godsliederlijk taalgebruik in de vorm van maniakale stront-en-pis-uitspattingen en carnavaleske obsceniteiten, die nog altijd ongeëvenaard zijn.
Ook in de vaderlandse literatuur kennen we (vergeten) voorbeelden van grote auteurs, die er een onderbuikse schrijfpraktijk op nahielden, waarin ze af en toe de officiële verhevenheid van de dichtkunst erotisch bijkleurden of vileine scheldgedichten produceerden. ( Dautzenberg, 1984) Zo schreven J.C. Bloem, E. Du Perron, G. Gossaert, J. Presser, A. Roland Holst en vele anderen pornografische (scheld)poezie, waarbij de limerick, zoals dit voorbeeld van laatstgenoemde auteur bewijst, een gewild genre is:
De experimenteerlust van kinderen om via de dichterlijke taal, een ontdekkingsmiddel bij uitstek, de geheimen van het (volwassen) leven te verkennen en grenzen van het betamelijke af te tasten, is van alle tijden. Vies is lekker en wat verboden is daagt extra uit; vandaar de voortdurende populariteit van perverse verzen, alle volwassen tegenwerpingen dat zoiets in zijn of haar omgeving niet voorkomt, ten spijt.
Zo nu en dan spelen volwassen auteurs, maar altijd met mate, hierop in. Dat gold voor het poep-en-pies-menuet van Hans Dorrestijn uit de Stratemaker-op-zee-show, waarop in de beginjaren zeventig door sommige ouders nog heftig werd gereageerd, - en voor meer recente boeken als Marietje Appelgat en haar vieze vrienden (1994) van Lydia Rood. Net zoals dat het geval was met de aanstekelijke toneelvoorstelling Vies Liesje, een co-productioneel muziek- en bewegingsspektakel van de jeugdtheatergroepen Teneeter en Artemis uit 1994, -met als tekst bekende en minder bekende varianten van voor veel
kinderen (en volwassenen) herkenbare meer of minder scabreuze versjes. En in het poëziedebuut van Hans Kuyper ( Ik word wel koningin, 1997) zijn plas en poep heel gewoon:
Waarmee tenslotte beweerd wil zijn dat, in de laatste dertig jaar, een bescheiden soort viesheid als een moderne ik-ben-lekker-stout-variant tot de officiële jeugdliteratuur is toegelaten.
De rest blijft ondergronds.
En misschien moet dat maar zo blijven. Want hoewel meer inzicht in de functie en praktijk van het onbetamelijke kinderrijm, vanuit bijvoorbeeld literair-sociologisch standpunt, welkom zou zijn, - er valt veel voor te zeggen deze bescheiden vrijplaats waarop kinderen zelf nog heer en meester zijn te vrijwaren van al te veel volwassen bemoeizucht.
(Behalve in de tekst opgenomen bronnen wordt in onderstaande lijst een overzicht gegeven van de belangrijkste literatuur die met hel onderwerp te maken heeft.)