|
|
|
| | | | | |
Uit de onderbuik
Over het scabreuze kindervers
Peter van den
Hoven
Mijn belangstelling voor volkse (kinder)poëzie, waarin de anonieme,
orale oorsprong doorklinkt, bracht me een aantal jaren geleden op speurtocht in
een grote, goedgevulde New Yorkse bibliotheek. Daar zocht ik naar versjes en
rijmpjes, niet door volwassenen vóór kinderen geschreven, maar van kinderen
zelf, direct opgetekend uit hun mond, bij hun straat- en
pleinspelen, onderlinge wedstrijden of als commentaar bij of verzet tegen
allerlei volwassen ge- en verboden.
Who kissed me all the time
Aan enkele bibliotheekmedewerkers, die behulpzaam met een paar
bekende verzamelingen liedjes kwamen aandragen, zoals Rainbow in
the sky (L. Untermeyer, 1963), maakte ik duidelijk dat ik minder
geïnteresseerd was in de gangbare varianten, zoals bovenstaand voorbeeld, maar
dat mijn speciale belangstelling uitging naar het scabreuze en erotische vers.
Kortom: liedjes, nonsensicale versjes, klankspelen, aftelrijmpjes, spot- en
naamdichten, parodieën, raadsels, rijmdialogen, verhalende gedichten en
verbasterde gezegden met een schandaleuze, beledigende, erotische of
scatalogische inslag. Zoals de zelfgemaakte sexuele limericks, die vooral wat
oudere kinderen op een bepaalde leeftijd onweerstaanbaar vinden.
A girl who lived in Kentucky
said: ‘Yes, I've been awfully lucky.
But sometimes I feel awful fucky.
| | | |
Of liedjes waarin op een nietsontziende manier wordt afgerekend met
de autoriteit van de leerkracht, zoals in onderstaande gewelddadige versie.
Some people shot flowers,
To make sure she was dead,
Ja, ze begrepen wat ik bedoelde, maar helaas, daar konden ze me zo
een-twee-drie niet aan helpen. Toen ik na enig aandringen naar het kantoortje
van de directrice werd gebracht, hoopte ik even dat ze op een apart plankje in
het archief wellicht...
Maar op het moment dat ik binnenkwam en de blik zag waarmee ik werd
begroet, wist ik dat het fout zat. Nee, natuurlijk hadden ze dergelijke
bundelingen niet, en ze wilden ze, als ze al bestonden, ook niet in hun bestand
hebben. Ouders en leerkrachten zouden daar, dat moest ik toch begrijpen, nogal
wat bezwaren tegen hebben. Maar wat was eigenlijk mijn bedoeling? Waarom was ik
zo geïnteresseerd in dit soort, je mocht toch wel zeggen perverse teksten? En wat had dit alles te maken met kinderen en
kinderliteratuur? Jawel, deze teksten bestonden en werden
door bepaalde kinderen gemaakt en gezongen, maar poëzie was
toch...
Enfin, het werd een discussie die me nog eens duidelijk maakte dat
het in het openbaar blijkgeven van belangstelling voor het scabreuze kindervers
heel wat misverstanden en vooroordelen kan oproepen. Een beetje naïef
misschien, verweet ik me later, want had ik niet gelezen over soortgelijke
confrontaties waarbij de onderzoeker of | | | | verzamelaar door de
volwassen omgeving allerlei oneerbare motieven werden toegedicht?
| |
Ongekuiste trilogie
Zoals Ernest Borneman, cultureel-antropoloog en sexuoloog, die in
zijn driedelige Studiën zur Befreiung des Kindes (Borneman,
1973, 1974, 1976) een unieke en zeer uitgebreide verzameling anonieme
kinderversjes, gedichten en rijmen publiceerde, - resultaat van zo'n achttien
jaar (tussen 1960 en 1978) veldwerk waarbij hij, geassisteerd door vele
medewerkers, heeft geprobeerd een beeld te geven van de orale Duitstalige
straatcultuur. (Hulsens, 1982; Van den Hoven, 1986.)
Hast'n Ding wie ne Brezel!
Und wie de damit bumsen kannst,
Das ist und bleibt 'n Rätsel.
Zijn bundeling beslaat zo'n 5000 thematisch geordende versjes,
rijmpjes, spreuken, variaties op bekende religieuze, reclame- en operateksten,
liedjes, vraag-en-antwoord teksten, naam- en scheldgedichten en nog veel meer,
opgetekend op straathoeken en pleinen van vooral grote steden. De trilogie is
terecht wereldvermaard en dankzij het commentaar van Borneman, die overigens
vanuit psychoanalytische en sexuologische interesse rubriceert en niet zozeer
literair geïnteresseerd is, geven de boeken een indrukwekkende kijk op de
veelzijdige en springlevende orale kindercultuur.
Eins, zwei, drei, wer ist der Schuft,
Der meine Tochter hat gebufft?
Man nehme ihm das linke Ei,
Das rechte schneide man entzwei
| | | |
Als uit deze ongekuiste trilogie één ding duidelijk wordt, dan is
het wel de ongelofelijke creatieve veerkracht van de kindertaal, die tegen de
maatschappelijke en literaire druk van geaccepteerde normen en teksten in, een
eigen universum schept waarin volop geëxperimenteerd, uitgedaagd, bekritiseerd
en onderuit gehaald wordt.
Schisz mit viel Spektakel
Nachdem, er sich entledigt,
Na gesprekken met ouders, die hem niet vertrouwen als hij op straten
en speelplaatsen kinderen naar erotische rijmpjes vraagt en in toiletten op
zoek is naar scabreuze graffiti, moet hij op het politiebureau omstandig
uitleggen wat zijn bedoeling is.
Maar ook als de taal minder centraal staat kan dat gebeuren. De
ontwikkelingspsycholoog J. van Andel, die voor zijn proefschrift Woonomgeving en kinderen (1985) zo'n negentienduizend kinderen in
hun speelomgeving observeerde en velen van hen interviewde, lichtte vóór hij op
pad ging de politie in, om beschuldigingen als kinderlokker te voorkomen...
1
Ik neem aan dat op dit moment, nu kinderontvoering,
kinderverkrachting en pedofilie actuele discussieonderwerpen zijn, die situatie
niet gewijzigd, alleen maar verscherpt is. De geïnteresseerde veldonderzoeker
mag zich meer dan tweemaal bedenken voor hij kinderen ‘in het wild’ observeert
dan wel ondervraagt, zeker als het gaat om ongeciseleerde taal. Waarmee ik maar
wil zeggen dat de vieze versjes, en zij die vanuit
antropologische, sexuologische of literaire invalshoek belangstelling tonen
voor deze vorm van ondergrondse volkslyriek, met de nodige argwaan werden en
worden be(voor)oordeeld. Daar is in de loop van de tijd weinig aan
veranderd.
| | | |
| |
Maatschappelijk en literair
Er zijn twee, nauw met elkaar samenhangende redenen waarom de
anonieme, scabreuze kinderpoëzie in het verborgene wordt gehouden, zozeer zelfs
dat velen het bestaan ervan eenvoudigweg niet vermoeden, negeren of zelfs
ontkennen.
De eerste wordt gevoed vanuit een moreel maatschappelijk, vaak ook
godsdienstig gekleurd standpunt: dergelijke produkten worden gediskwalificeerd,
omdat ze tegen de algemeen geaccepteerde fatsoensnormen indruisen, beledigend
en discriminerend zijn (blasfemisch, seksistisch), en bovendien
opvoedingsidealen belachelijk maken en gewenste sociale verhoudingen
ondermijnen.
De tweede reden volgt uit een bepaalde, met de eerste samenhangende,
genormeerde literaire opvatting: ongegeneerde taaluitingen uit de regionen van
de onderbuik, en zeker wanneer die te maken hebben met de kinderwereld, behoren
niet tot de officiële, gecanoniseerde taal- en letterkunde. Daarbij gaat het
niet zozeer om het feit dat ze anoniem zijn, want dat zou
betekenen dat bijvoorbeeld volkssprookjes en (heel veel) bakerrijmen
buitengesloten zouden worden, - maar dat ze op een bepaalde manier indruisen
tegen wat je zou kunnen noemen de literaire consensus. Dat het daarbij toch
vooral om heel of half verborgen morele argumenten gaat mag blijken uit het
feit dat het opvallend is dat een literaire beoordeling
meestal achterwege blijft. Er zijn geen valide argumenten aanwezig waarom
scabreuze kinderrijmen op het gebied van formele kenmerken (ritme, rijm,
metrum, klankspel, herhaling, ambiguïteit en dergelijke) niet precies dezelfde
kwaliteiten (of feilen) vertonen als ‘nette’ verzen. Want wat is nu eigenlijk
het literaire verschil tussen dit aftelrijmpje:
en dit versje:
| | | |
Of, anders gezegd, wat hebben, afgezien dus van verschillen in
letterlijke bewoordingen, deze twee rijmpjes op het gebied van de prosodie en
de metriek met elkaar gemeen? Nog een vergelijking.
En:
De klankkleur van de woorden, de motoriek stimulerende, sterk
ritmische, zwierige cadans en het rijm maken er in beide gevallen een
aanstekelijk zing-zeg-liedversje van, waarop naar hartelust, zowel wat inhoud
als wat klank en toon betreft, gevarieerd kan worden.
Het tweede voorbeeld zal echter eerder commentaar ontlokken. En dat
niet vanwege de openlijke aanprijzing van een bepaald merk electrische
heggeschaar. (Het versje moet zo halverwege de jaren tachtig ontstaan zijn op
het staccato ritme van een bekend tv-reclamedeuntje.)
| |
Brave bloemlezingen
De twee bovenstaande keurige rijmpjes heb ik gehaald uit een recente
bundeling met versjes en speelliedjes van kinderen:
Iene miene mutte (Judith Eiselin, 1996).
Allerlei oude en bijna uit het geheugen verdrongen spelletjes uit diverse
hoeken en gaten van Nederland worden in dit boek aan de vergetelheid ontrukt,
met daarnaast wat meer actueler voorbeelden, meestal voorzien van de
bijbehorende nonverbale rituelen en rijmen.
Een uitgelezen kans om ook aan het scabreuze vers aandacht te
besteden, want juist dit soort buitenactiviteiten, uit de buurt van luisterende
oren en verbiedende ingrepen van volwassenen, stimuleren de
grensoverschrijdende taalcreativiteit. Eigengemaakte varianten, die ingaan
tegen of variëren op via ouderen overgeleverde en dus goedge- | | | | keurde liedjes, provoceren de in taal- en spelafspraken vastgelegde
regels, en tasten zo grenzen af van de geordende en genormeerde wereld van de
volwassenen. Daarnaast wordt er geëxperimenteerd met machtsverhoudingen
2 in de sociale
groep (bijvoorbeeld tussen jongens en meisjes), met nieuwe, zelfgemaakte en
steeds veranderende spelstructuren en niet in de laatste plaats met allerlei
taalmogelijkheden, van klankassociaties tot het uitproberen van sexueel of
anderszins beladen woorden en termen.
Helaas moet geconstateerd worden dat de verzameling van Eiselin zich
wat de bijbehorende liedjes, versjes en rijmpjes betreft vooral beperkt tot de
(over)bekende, geaccepteerde versies. In de summiere inleiding wordt in het
geheel geen aandacht geschonken aan het bestaan, laat staan de functie van de
vele onderbuikse varianten. Slechts één keer, als in het eerste hoofdstuk de
aftelversjes ter sprake komen, worden twee scabreuze rijmpjes geciteerd, met
als enige toevoeging dat die ‘extra spannend’ zijn:
En met de opmerking - over versies van Witte zwanen,
zwarte zwanen - dat door sommige onderzoekers gewezen is, in verband met
woorden als sleutel en enge-land, op de
mogelijke sexuele connotatie hiervan, moeten we het doen.
3
| | | |
Jammer, want nu missen we bijvoorbeeld een aftellied als Onder de brug, waar veel uitvoeringen van bestaan, zoals
deze:
Onder de brug daar lag een griet.
De jager schoot haar in haar tiet.
of deze:
Onder de brug van Janke-Panke
Hoeveel liter zou dat zijn?
Ook van dit uitdagende aftelversje zijn veel vormen bekend, die graag
hardop worden gescandeerd:
Ik ben geil en jij bent gek,
En wat te denken van het volgende meezinglied, gebruikt om, bij
kringspelen bijvoorbeeld, de andere sekse te provoceren:
We neukten dat 't verrekte,
het vet droop van de muur.
Maar later had ik er spijt van,
had ik 't maar niet gedaan.
Mijn lul die was versleten
en mijn ballen naar de maan.
| | | |
De meisjes hebben aan het eind natuurlijk een andere tekst in
petto:
Mijn kut die was versleten
en mijn tieten naar de maan.
Eiselin citeert de tekst van een bekend handenklapspelletje waarbij
ook allerlei gebaren een rol spelen (bij hoi wordt
bijvoorbeeld even gewuifd en bij roetsj worden lippen
getuit):
O, o, o, onder die bergen daar zat een boerin:
hoi,
stifte haar lippen met lippenstift in: roetsj.
Daarvan bestaan allerlei scabreuze varianten, zoals deze, waarbij het
duidelijk zal zijn dat ook de gebaren worden aangepast:
O, o, o, hoog in die bergen daar zat een oud wijf:
hoi,
die maakt voor een kwartje je piemeltje stijf:
roetsj.
Hierin wordt trouwens gecontamineerd met de tekst van een bekend
wandel- en marsliedje waarvan vele tientallen, zo niet honderden versies
bestaan:
en ook in het buitenland bekend is:
Het negeren van dit soort kinderteksten in verzamelingen is overigens
meer gewoonte dan uitzondering, en gaat ook op voor
Alles in de wind (C.J. Aarts en M.C. van
Etten, 1993). In dit boek gaat het behalve om in de volksmond bekend geworden
gedichten waarvan de | | | | auteur bekend is (zoals die van
Van Alphen,
Goeverneur,
Louwerse en
Heije), ook om anonieme liedjes en versjes:
vierhonderd teksten bijeengebracht uit allerlei (lied)bundels, schoolboeken en
tijdschriften. Gebundeld zijn de oudst bekende versies van de anonieme
kinderversjes, maar latere uitvoeringen, zo schrijven de samenstellers in hun
inleiding, die ‘een nieuwe betekenis kregen, een fraaie vondst
opleverden, of echt veel bekender zijn geworden’ zijn ook opgenomen. Het
opmerkelijke daarbij is echter dat de meer obscene versies geen enkele plaats
is gegund. Sterker nog: in inleiding noch verantwoording wordt gewag gemaakt
van het bestaan hiervan, en het gevolg is dan ook dat een versje als
Daar was eens een koning,
Die smeerde zijn billen met honing;
Toen riep hij: Kindertjes, lik, lik!
Ziet wat een zoete koning ben ik!
de meest onbehoorlijke tekst is die in het boek kan worden
aangetroffen, als we het bekende stinkende poepje van Adam en Eva op het
stoepje buiten beschouwing laten.
En dat terwijl toch algemeen bekend is dat veel gezongen
(school)liedjes, zoals Drie schuin-tamboers, Hop, Marjanneke, Ik
heb mijn wagen volgeladen, Vader Jacob, Altijd is Kortjakje ziek of
Daar was laatst een meisje loos - om maar een kleine selectie
te noemen - dankbaar materiaal vormden voor vele scabreuze ingrepen:
Daar was laatste een meisje loos,
Daar was laatst een meisje loos,
Die wou gaan neuken een jong matroos.
die misschien niet in de klas, maar wel op het schoolplein ten gehore
worden gebracht.
Er zijn ook belangrijke omissies, zoals het bekende Tararaboemdiee, nog zo'n klassieker, waarin de vaderlandse
historie haar sporen heeft achtergelaten. Waarschijnlijk heeft het versje als
achtergrond een publiek schandaal uit 1894, toen in Harlingen de hervormde
predikant Johan Barger zijn huisnaaister, met wie hij een relatie onderhield,
doodschoot: | | | |
Die schoot met kruid en lood
zijn arme naaister dood.
4
Op dezelfde melodie (van een bekend revue-liedje) werd door
Amsterdamse straatjongens gezongen:
Ik ga met geen smeris mee
Maar met een knap soldaat,
Die straks naar Lombok gaat.
toen Nederland, ook in 1894, troepen naar Lombok stuurde. Maar het
lied heeft ook een uitgebreid scabreus verleden, zoals deze tekst aantoont:
die zei eens tot zijn vrouw,
mijn dochter trouwt niet gauw,
zij heeft een dikke kont,
en daarom trouwt ze niet.
5
Hetzelfde verhaal gaat op voor een andere bundel:
Liedjes met een hoepeltje erom (Joke
Linders en Toin Duijx, 1994), eveneens een succesvolle uitgave, bedoeld voor
wat jongere kinderen (en hun ouders). Ook in dit boek wordt in het Woord vooraf geen aandacht besteed aan door kinderen zelf
gemaakte varianten. Toch is het algemeen bekend dat bijvoorbeeld de
Sinterklaasliedjes veelvuldig gebruikt worden om het gezag van de volwassenen
uit te dagen en bangmakerij onderuit te halen: | | | |
O, wat stinkt ie heerlijk,
of:
Sinterklaas ging vissies vangen,
bleef met zijn kont aan de hengel hangen.
Sinterklaas riep: auw auw auw,
en zijn kont zag bont en blauw.
Voor jonge kinderen is het bedenken van nieuwe varianten een bron van
creativiteit, waarbij angst en afhankelijk zijn om de voorrang strijden met
durf en eigen initiatief. En wie wil trouwens beweren dat hij of zij vroeger
géén plezier heeft gehad in het verzinnen van weer een nieuwe couplet van
'k Zag twee beren broodjes smeren? Beren zonder kleren,
beuken die neuken, mezen die kezen, vissen die pissen en ga zo maar door: ze
zijn helaas verdrongen door apen die wortels schrapen, slangen die de was
ophangen en vlooien die mutsen plooien. Keurige dieren allemaal. Een beet in je
bil van een krokodil, daar blijft het bij.
| |
Postpuberale amnesie
Ontzeg ik hiermee aan bovengenoemde bundelingen, en nog heel wat
andere, het bestaansrecht?
Nee, het zijn alle drie heel bruikbare bloemlezingen die het oude
kinderlied levend houden en waarin het goed bladeren is op zoek naar bijna
vergeten voorbeelden. Ik meen wél dat het opvallend is dat het niet
gecanoniseerde, scabreuze vers genegeerd wordt en daarmee aan een levendige
orale praktijk van vroeger en nu onrecht wordt gedaan. En er zit blijkbaar
systeem in de negatie daarvan.
Vraag is wat de oorzaak daarvan kan zijn. Op de eerste plaats
natuurlijk de al genoemde (maatschappelijke en) literaire normering. Alles wat
buiten een bepaalde geschreven en moreel geaccepteerde canon
valt, en vooral het produkt is van orale ingrepen, behoort
niet tot het literaire verleden. Anonieme teksten - met uitzondering van
bepaalde verzamelingen volkssprookjes en door volwassenen bedachte | | | | bakerrijmen - zoals de moderne broodje-aap-vertellingen en zelfgemaakte kinderrijmen, vallen
buiten de officiële literatuur. Voor wat betreft de kinderlyriek ligt hieraan
een overtrokken tegenstelling tussen ‘banale’ volksrijmen en ‘hogere’
dichtkunst ten grondslag.
Een andere, zogezegd meer prozaïsche reden, is de commercieel
gemotiveerde beduchtheid voor de mening van het grote publiek dat nu eenmaal
behoudend is en snel gechoqueerd kan worden. Een verzameling waarin naast
geaccepteerde rijmpjes en versjes ook obscene varianten zijn opgenomen, zal
zeker de nodige discussie oproepen en het is de vraag of potentiële kopers
(ouders, leerkrachten, bibliotheekmedewerkers) hiermee ingenomen zullen zijn.
Op de achtergrond spelen, relatief los van de zakelijke overwegingen,
sociaal-maatschappelijke en pedagogische normeringen een doorslaggevende rol
(beschadiging van de ‘tere’ kinderziel, opvattingen over sexualiteit en gezag,
enzovoorts).
Een derde reden, tenslotte, kan gelegen zijn in wat Ernest Borneman in
de introductie van zijn eerder genoemd driedelig standaardwerk met een
psycho-analytische term de postpuberale amnesie noemt. Hij
bedoelt daarmee dat veel mensen de neiging vertonen na de puberteitsfase veel
van hun sexuele ervaringen, die ze in hun kindertijd hebben opgedaan, te
vergeten en verdringen. Dat zou ook de reden zijn, aldus Borneman, dat veel
volwassenen vasthoudend en met klem blijven beweren dat zij in hun jeugd
dergelijke obscene liedjes en versjes nooit hebben gekend, en al helemaal geen
ervaring hebben met sexuele spelletjes. De vaak felle ontkenningen zijn voor
Borneman aanleiding om achter dergelijke reacties juist díe emotionele krachten
te vermoeden, die herinneringen aan een prepuberaal sexueel leven doen vervagen
en verdringen.
Wat hier ook van zij, in het verlengde van bovenstaande ligt een
begrip als zelfcensuur en dat lijkt me in veel gevallen acceptabel als reden
voor het ontbreken van ongekuiste kinderrijmen. Dat deze zelfcensuur veelal
onbewust te werk gaat, is een evidentie. Het inschakelen van (volwassen) derden
bij het verzamelen, waarbij zij zich baseren op eigen herinneringen, dan wel
kinderen naar hun ervaringen ondervragen, kan zelfcensurerend werken. Zo hebben
Iona en Peter Opie, voor hun becommentarieerde anthologie The lore
and language of schoolchildren (1959), de hulp ingeschakeld van allerlei
onderwijzend personeel om hun veldwerk te ondersteunen. Het zou best eens
kunnen zijn, zo is de mening van critici (zoals Borneman), dat | | | |
het nagenoeg ontbreken van het obscene vers - op enkele underwear- en bottom-voorbeelden na - mede
daaraan te wijten is. Ook Eiselin heeft zich laten ondersteunen door, zoals de
achterflap meldt, ‘tientallen Nederlanders van alle leeftijden uit
het hele land’. Ik vraag me af waar de selectie precies heeft
plaatsgevonden; bij de medewerkers of bij de schrijfster?
Overigens gaat het bij zelfcensuur niet alleen om volwassenen. Het is
bekend dat ook kinderen, ondervraagd door ouderen, zich vaak in eerste
instantie conformeren aan wat zij denken dat de ander verwacht. Pas na
aandringen, als zij overtuigd zijn van de eerlijke bedoelingen van de
onderzoeker, doorbreken zij blokkades van fatsoensnormen en wordt de volwassene
een kijkje gegund in hun ongekuiste straattaalcultuur.
| |
Achterbankgeneratie
Wordt die grens doorbroken dan blijkt steeds opnieuw dat kinderen en
jongeren in hun eigen, niet door volwassenen gecontroleerde en genormeerde
wereld, beschikken over een flinke dosis taalcreatieve spontaniteit en
veerkracht, waarmee ze hun eigen wereld en die van de volwassenen
vrolijk-ondermijnend te lijf gaan.
Vol associatieve lenigheid, geestige terzijdes, cynische zelfspot,
uitdagende plaagstoten, gevoelvolle symboliek, sarcastische voltreffers,
erotische experimenten, zwarte humor, afgesleten clichés, morele kaakslagen,
ingenieuze woordgrappen, harde scheldkanonnades, prikkelende parodieën, platte
dubbelzinnigheden, klassieke vergelijkingen en verrassende ambiguïteiten barst
hun taal van een eeuwenoude volkslyriek, die van generatie op generatie wordt
beproefd, doorgegeven, aangepast en vernieuwd.
De verzamelingen van de Opies en Borneman, om de twee belangrijkste te
noemen, hebben laten zien dat de laatste halve eeuw het spontane, al of niet
scabreuze kindervers springlevend is. Beiden benadrukken dat dit soort poëzie
het rechtstreeks gevolg is van de intensieve en veelzijdige interactie, - niet
alleen van kinderen onderling, maar vooral ook van kinderen en hun naaste
omgeving. De leefwereld, de materiële en sociale umwelt, en
de belevingswereld, de mede daarop gebaseerde verbeeldingsrijke innenwelt, vormen in een voortdurende wisselwerking met elkaar de
voedselrijke humuslaag waarop het spontane kindervers kan bloeien.
| | | |
Maar wat als die interactie in de moderne tijd aan niet geringe
veranderingen onderhevig is? Als de ingrepen de laatste vijfentwintig jaar
enorm zijn, waardoor de directe leefomgeving van kinderen, zowel op het
platteland - maar daar in een iets langzamer tempo - als in de stad, rigoureus
van aanzien en impact verandert?
Te denken valt daarbij onder andere aan de toegenomen bebouwing en
asfaltering van stad en platteland, en de geprefabriceerde speelplaatsen,
zwembaden en pretparken, waardoor het buitenspel van kinderen steeds meer aan
van tevoren vastgestelde banden wordt gelegd. Sinds 1980 is het aantal verharde
wegen in Nederland met 15% toegenomen... In mobiliteitsscenario's is het op
straat spelende en experimenterende kind vrijwel altijd afwezig. De gevolgen
zijn significant: ‘In Engeland liep in 1972 80 procent van de
zeven- en achtjarigen zelf naar school. Twintig jaar later was dat nog maar 9
procent. Nederlands onderzoek bracht aan het licht dat kinderen tegenwoordig
gemiddeld met acht jaar zelf naar school lopen; twintig jaar geleden met zes
jaar. (...) In beveiligde wijken gaan kinderen vanaf zeseneenhalf jaar zelf
naar school, terwijl dat bijvoorbeeld in de Amsterdamse Kinkerbuurt pas bij
acht jaar is. In beveiligde wijken mogen kinderen met acht jaar zelf naar een
vriendje of club verder weg, in Amsterdam pas met tien jaar. In de Kinkerbuurt
speelt een op de drie kinderen nooit of bijna nooit buiten.’
6 Een recent Zwitsers onderzoek toont in dit verband aan, dat
kinderen die weinig buiten spelen wat betreft hun sociale en motorische
ontwikkeling een achterstand oplopen.
De onveilige situatie op straat, en het feit dat bijvoorbeeld
ontspanningsclubs en sportaccomodaties steeds vaker aan de rand van de stad
zijn gesitueerd, is er de oorzaak van dat we op dit moment te maken hebben met
een soort achterbankgeneratie: kinderen, vooral
stadskinderen, die door hun (chaufferende) ouders aan het handje worden
gehouden. ‘Pietje Bell zit voortaan binnen’
7, hangt voor de televisie en is alleen nog maar in begeleide
vorm buiten aan te treffen...
Overdreven pessimistisch?
Misschien. Maar dat de controle van volwassenen over het (buiten)leven
van kinderen de laatste decennia sterk vergroot is, staat | | | | buiten
kijf. En dat de televisie een steeds grotere greep op de jeugdige leef- en
belevingswereld krijgt eveneens. Maar of en in hoeverre dat een negatieve
weerslag heeft op de talige creativiteit van kinderen is een groot vraagteken.
Wie een oor te luisteren legt op plekken (schoolpleinen, straathoeken,
speelplaatsen) waar kinderen opgaan in hun spel, zal ongetwijfeld moeten
toegeven dat er op het eerste gezicht niets mis is met de elasticiteit van het
spontane rijm- en dichtvermogen en de behoefte om via scabreuze varianten de
(volwassen) wereld uit te dagen.
die kreeg een nieuwe fiets.
Zijn vader moest hem douwen,
want trappen kon hij niet.
is een bekende, al wat oudere variant van ons volkslied, waarin de
draak gestoken wordt met alles wat te maken heeft met vaderlandsliefde en
royalty. En zoals dat met bekende melodieën gaat, ze vormen een dankbaar
voertuig voor allerlei nieuwe aanwinsten, zoals:
die had een nieuwe griet.
Het was maar voor heel even,
want neuken kon hij niet.
een tekst die zonder de goedkeuring van de Rijksvoorlichtingsdienst
volop de ronde doet.
| |
Invloed van migranten
Een andere vraag is die naar de mogelijke invloed van de komst van
allerlei immigrantengroeperingen. Ze brengen hun eigen culturele achtergrond
mee in de vorm van opvoedingsgewoonten, verbale (zang)tradities (volksverhalen
en liedjes), eigen folklore, spelletjes en feesten en natuurlijk allerlei
versjes en rijmen, - zoals de vele Anansiliedjes, over de brutale streken van
de gehaaide en tot de verbeelding sprekende spin: | | | |
Anansi is een slimme spin
Of een Nigeriaans dialoog-versje dat gebaseerd is op een slaapliedje,
maar door kinderen, inclusief nonverbale expressie, is aangepast bij een
kringspel:
Eheh, Mka k' Ogoh mi ka E-e-e
Eheh, Mka k'iwu mi ka, E-e-e
Eheh, Mka k'eru mi ka, E-e-e,
Overigens, maar dit terzijde, heeft Frank Martinus Arion (1981)
aannemelijk gemaakt dat een bepaald soort door vrijwel iedereen als
oerhollandse gekenschetste nonsens-verzen (zoals Iene miene mutte), die louter uit zinloze klanken zouden bestaan,
wel degelijk een betekenisvolle achtergrond hebben, waarbij het koloniale
verleden een rol speelt. Zo laat hij zien dat een klankliedje als
| | | |
Wieze wies wies wies wies
en de talloze varianten die daarvan bestaan, via linguïstische
determinatie tot een West-afrikaans/Portugees-creools lied kan worden herleid
met de volgende betekenis:
Vandaag is het kind gelukkig
Dit kind, kinderen, kinderen, kinderen,
kinderen.
Arions opmerkelijke artikel is bij mijn weten niet gevolgd door
andere, onderzoekende bijdragen op dit gebied (ook niet door hemzelf). In het
algemeen is de invloed van migranten en hun verschillende culturen op de
straattaal van (stads)kinderen een nog onontgonnen terrein.
| |
Hardcore
Nog een vermeldenswaard verschijnsel van de laatste tijd is de
populaire muziekscene in relatie tot het taalgebruik van (wat oudere) kinderen
en jongeren.
De hiphop-cultuur van de jaren tachtig, met
breakdance, scratching, graffiti en nog het een en ander, heeft geleid tot een
soort rap-epidemie: het declameren, tussen zingen en zeggen in, van sterk
ritmische teksten die de zaal in gemitrailleerd worden, niet zelden met de mond
als human beatbox bij gebrek aan adequate geluidsapparatuur.
Tegenwoordig wordt zelfs gesproken over rap-poetry als ‘het nieuwe
straatgebed’ (Van Westerop, 1997): met teksten die strak ritmisch zijn,
vaak zeer metafoorrijk en boordevol alliteraties. Het Engels speelt daarbij een
toonaangevende rol, waarbij bijvoorbeeld begrippen als chilling (een goede tijd hebben), illing
(iemand irriteren) of dissing (disrespecteren) vernederlandst
zijn tot chillen, illen en dissen, zoals rough en
tough verbasterd worden tot rof en tof. Maar ook jongeren uit
Surinaamse, Turkse of Marokkaanse culturen laten hun (taal)invloed gelden. De
diversiteit is inmiddels, dat wordt snel duidelijk | | | | voor wie zich
ook maar enigszins in die wereld oriënteert, behoorlijk groot en de vermenging
van allerlei allochtone taalculturen neemt met de dag toe.
Bepaalde rappers schrikken niet terug voor hardcore-teksten, die de wereld van bepaalde straatbendes - de
posses - met een agressieve genadeloosheid blootleggen. Ze
produceren rapteksten die als woord-battles de voorbodes of
begeleiders zijn van de werkelijke confrontaties tussen bendes, of in het
algemeen de burgerlijke samenleving tot bloedens toe trachten te verwonden. En
dan gaat het daarbij niet alleen om sexuele of blasfemische provocaties, zoals
bij de meidengroep Rockbitch die sexuele handelingen niet
alleen bezingt maar ook daadwerkelijk op het podium uitvoert, - maar om
regelrecht racistische en antisemitische teksten.
Daar wordt vaak zeer geschokt op gereageerd en ze zíjn ook niet
misselijk, maar van de andere kant zijn dat soort teksten niet van vandaag
alleen. Racistische - van pinda-poepchinees tot kanker-teringturk - en antisemitische scheldteksten zijn er
altijd geweest en steken om de haverklap de kop op als bepaalde
sociaal-politieke omstandigheden daartoe aanleiding geven. In de verzameling
van de taalkundige
G.J. Boekenoogen, die eind vorige eeuw over
kinderrijmen schreef en een grote verzameling aanlegde, (Stigter, 1992) komt
het volgende rijm voor:
lust je een stukje varkensspek.
Louis Velleman
9 herinnert zich een, rond 1930, ‘algemeen verbreid
straatantisemitisme’. Straatvriendjes noemden nooit zijn voornaam, maar
gebruikten altijd termen als smaus, Moos of de
jood. En als ze hem in zijn kruis trapten, gingen ze om hem heen staan en
zongen:
| | | |
op de toen populaire melodie van: ‘Vier Worte will ich
dir nur sagen, vier Worte nur, Ich hab' dich lieb’.
Hoe ver dit kan gaan bewijzen sinds jaar en dag de zogenaamde
geweldsupporters bij voetbalwedstrijden, die er een eer in scheppen de
tegenpartij zo meedogenloos mogelijk woordelijk, en als het even kan ook met
lijfelijk geweld, onderuit te schoppen. Na een vechtpartij langs de snelweg,
waar twee rivaliserende groepen elkaar via de mobiele telefoon troffen voor een
afrekening die een dode opleverde, werd onlangs via Internet
de volgende tekst verspreid:
daar lag dat jodenlijk
10
Ondertussen, zo mag je verwachten, zullen deze rijmen ongetwijfeld
invloed hebben op jongere groeperingen, die ze meestal naadloos weten te
integreren en te variëren in hun straattaalcultuur. Want zo werkt het: kinderen
beschikken over een feilloos afgestelde antenne voor wat door de samenleving
(lees: de volwassenen) niet acceptabel wordt geacht. En juist dáar ligt de
uitdaging voor een weerwoord via talige guerilla-uitvallen, die soms behoorlijk
hard kunnen aankomen.
| |
Vrijplaats
In het negeren en/of verdonkeremanen van het scabreuze kindervers doet
de officiële kinder- en jeugdliteratuur niet onder voor de gecanoniseerde
letterkunde voor volwassenen, waaruit ook zorgvuldig vrijwel alle
onfatsoenlijke voorbeelden zijn gecensureerd.
Daarbij valt natuurlijk te denken aan allerlei volksvertellingen,
kluchten, balladen, liederen en sprookjes die, nadat ze op schrift werden
vastgelegd, van erotische, blasfemische, scatalogische, necrofiele en andere
wreed- en kwaadaardigheden werden gekuist, zeker | | | | wanneer daarmee
een jeugdig publiek beoogd werd.
11 Zo treft een bepaald soort literaire
amnesie bij wereldberoemde auteurs als Rabelais (Gargantua en
Pantagruel) en Boccacio (Decamerone) niet zelden hun
onverbloemde voorkeur voor exuberant godsliederlijk taalgebruik in de vorm van
maniakale stront-en-pis-uitspattingen en carnavaleske obsceniteiten, die nog
altijd ongeëvenaard zijn.
Ook in de vaderlandse literatuur kennen we (vergeten) voorbeelden van
grote auteurs, die er een onderbuikse schrijfpraktijk op nahielden, waarin ze
af en toe de officiële verhevenheid van de dichtkunst erotisch bijkleurden of
vileine scheldgedichten produceerden. (
Dautzenberg, 1984) Zo schreven
J.C. Bloem,
E. Du Perron,
G. Gossaert,
J. Presser,
A. Roland Holst en vele anderen
pornografische (scheld)poezie, waarbij de limerick, zoals dit voorbeeld van
laatstgenoemde auteur bewijst, een gewild genre is:
Toen de grote medicus Delprat
Hoogst voldaan uit een scharrelhotel trad,
Waar hij als een tempeest,
Heel de nacht had gekeesd,
Ging hij nog op een lul van een el prat.
De experimenteerlust van kinderen om via de dichterlijke taal, een
ontdekkingsmiddel bij uitstek, de geheimen van het (volwassen) leven te
verkennen en grenzen van het betamelijke af te tasten, is van alle tijden. Vies
is lekker en wat verboden is daagt extra uit; vandaar de voortdurende
populariteit van perverse verzen, alle volwassen
tegenwerpingen dat zoiets in zijn of haar omgeving niet voorkomt, ten
spijt.
Zo nu en dan spelen volwassen auteurs, maar altijd met mate, hierop
in. Dat gold voor het poep-en-pies-menuet van Hans Dorrestijn
uit de Stratemaker-op-zee-show, waarop in de beginjaren
zeventig door sommige ouders nog heftig werd gereageerd, - en voor meer recente
boeken als
Marietje Appelgat en haar vieze vrienden
(1994) van
Lydia Rood. Net zoals dat het geval was met de
aanstekelijke toneelvoorstelling Vies Liesje, een
co-productioneel muziek- en bewegingsspektakel van de jeugdtheatergroepen
Teneeter en Artemis uit 1994, -met als
tekst bekende en minder bekende varianten van voor veel | | | | kinderen
(en volwassenen) herkenbare meer of minder scabreuze versjes. En in het
poëziedebuut van
Hans Kuyper (
Ik word wel koningin, 1997) zijn plas en
poep heel gewoon:
Juffertje Plas! Mannetje Poep!
Geen drol en geen druppel,
Mannetje Poep, tussen mijn billen,
weet je wat ik wel zou willen?
en dat de wc-pot een kerkje was.
Waarmee tenslotte beweerd wil zijn dat, in de laatste dertig jaar, een
bescheiden soort viesheid als een moderne ik-ben-lekker-stout-variant tot de officiële jeugdliteratuur is
toegelaten.
De rest blijft ondergronds.
En misschien moet dat maar zo blijven. Want hoewel meer inzicht in de
functie en praktijk van het onbetamelijke kinderrijm, vanuit bijvoorbeeld
literair-sociologisch standpunt, welkom zou zijn, - er valt veel voor te zeggen
deze bescheiden vrijplaats waarop kinderen zelf nog heer en
meester zijn te vrijwaren van al te veel volwassen bemoeizucht.
| |
Literatuur
(Behalve in de tekst opgenomen bronnen wordt in onderstaande lijst een
overzicht gegeven van de belangrijkste literatuur die met hel onderwerp te
maken heeft.)
| C.J. Aarts en M.C. van Etten, | Alles in de wind, de
bekendste kinderversjes van vroeger. Amsterdam, 1993. |
| Afanasjev, | Verboden Russische verhalen. Rijswijk,
1981. |
| Frank Martinus Arion, | Vliegende negers. In:
De Groene Amsterdammer, 28-1-1981. |
| Asbjornsen, Moe, Nauthella, | De vunzige varkenshoeder en
andere erotische sprookjes uit Noorwegen. Rijswijk, 1979. |
| | | |
| G.J. Boekenoogen, | Onze Rijmen. Amsterdam, 1893. (Ook
opgenomen in Verspreide Geschriften. Leiden, 1949.) |
| Ernest Borneman, | Studiën zur Befreiung des Kindes;
Deel I Unsere Kinder im Spiegel ihrer Lieder, Reime, Verse und
Rätsel; Deel II Die Umwelt des Kindes im Spiegel seiner
‘verbotenen’ Lieder, Reime, Verse und Rätsel; Deel III Die
Welt der Erwachsenen in der ‘verbotenen’ Reimen deutschsprachigen
Stadtkinder. Olten, 1973, 1974 en 1976. |
| Ernest Borneman, | Wir machen keinen langen Mist..., 614
Kinderverse. Frankfurt, 1981. |
| R. Chamuleau, | Jantje zag een pruikje hangen, Nederlandse
priapeeën door de eeuwen heen. Amsterdam, 1991. |
| Peter Cuijpers, | Er was eens een boer in Timboektoe, De
Limerick als pleziervers. Houten, 1988. |
| J.A. Dautzenberg, | Het verborgen onderlijf van de
officiële dichtkunst. In: De Volkskrant, 8-6-1984. |
| Judith Eiselin, | Iene miene mutte, Over knikkeren,
bokspringen en andere straatspelletjes. Amsterdam, 1996. |
| H.M. Enzensberger, | Allerleirauh, Viele schöne
Kinderreime. Frankfurt, 1961. |
| Kurt Franz, | Kinderlyrik, struktur, Rezeption,
Didaktik. München, 1979. |
| Claude Gaignebet, | Le folklore obscene de l'enfant.
Parijs, 1980. |
| Gerard van de Garde, | Constant heeft een hobbelpaard, 350
ongecensureerde kinder- en volksversjes. Amsterdam, 1987. |
| Hans Heestermans, | Luilebol! Het Nederlands
Scheldwoordenboek. Amsterdam, 1989. |
| Peter van den Hoven, | Kinderrijm zonder copyright,
in: Bzzletin nr 134, maart 1986, blz 9-15. Zie ook:
Grensverkeer, Den Haag 1994, blz 151-161. |
| Eric Hulsens, | Ernest Borneman en het verboden
kindervers. In: Slaap kindje slaap je moeder is een
schaap. Leuven, 1982, blz 51-63. |
| P. Kearney, | Geschiedenis van de erotische
literatuur. Utrecht, 1984. |
| G. Legman (ed), | The Limerick. New York, 1964. |
| Joke Linders en Toin Duijx, | Liedjes met een hoepeltje
erom, De meest gezongen kinderliedjes van dit moment. Houten, 1994. |
| Staf Loots, | Uit de vuildoos, Vlaamse erotische
vertellingen. Antwerpen, 1985. |
| Ruth Lorbe, | Kinderlyrik, in: Gerhard Haas (Hrsg),
Kinder- und Jugendliteratur, Zur Typologie und Funktion einer
literarischen |
| | | |
| Gattung. Stuttgart 1974, blz
178-219. |
| Barbara Michels & Bettye White (ed), | Apples on a
stick, the folklore of black children. New York, 1983. |
| Alison Newall, | Schoolyard Songs in Montreal: Violence as
Pesponce. In: Children's Literature Association (herfst
1994), blz 109-112. |
| Lennart Nijgh, | Moord en doodslag, 12 beroemde Nederlandse
moordzaken. Schoorl, 1990. |
| Ode S. Ogede, | Oral Performance as Instruction: Aesthetic
Strategies in Children's Play Songs from a Nigerian Community. In:
Children's Literature Association (herfst 1994), blz
99-104. |
| Margriet Oostveen, | Kluizenaars van het kinderzitje.
In: NRC-Handelsblad, 3-2-1996. |
| Iona & Peter Opie, | The lore and language of
schoolchildren. Oxford, 1959. |
| Will van Peer, | Aftelrijmpjes. In: Lees
meer fruit. Houten, 1992, blz 53-63. |
| Jan van der Putten, | Schuttingtaal van alle tijden.
In: De Volkskrant, 30-12-1995. |
| Peter Rühmkorf, | Uber das Volksvermögen, Exkurse in den
literarischen Untergrund. Hamburg, 1969. |
| Bianca Stigter, | Molens worden kamelen, dozen vol
onbekende bakerrijmen. In: NRC-Handelsblad,
9-10-1992. |
| Hans van Straten, | Razernij der liefde, Ontuchtige poëzie
in de Nederlanden van Middeleeuwen tot Franse tijd. Amsterdam, 1992. |
| Brian Sutton-Smith, | The Folkstories of Children.
Philadelphia, 1981. |
| Stefaan Top, | 't Was nacht 't was nacht, de ware
poëzie van en door kinderen, geplukt van de speelplaats. In: Leesgoed, nr 2, 1995, blz 63-67. |
| Louis Untermeyer (ed), | Rainbow in the sky. Orlando,
1985. (Oorspronkelijke editie stamt uit 1935). |
| Martijn van Westerop, | Rap-poetry, het nieuwe
straatgebed. In: Onze Wereld, feb. 1997, blz 20-22. |
| Willem Wilmink, | Van Roodeschool tot Rijsel. Een
persoonlijke kijk op het Nederlandse lied. Amsterdam, 1988. |
|
1Hans Horsten, Spelend kind
vindt straat nog steeds belangrijk (Onderzoeker Van Andel uitgemaakt voor
kinderlokker bij observaties). In: De Volkskrant,
12-10-1985.
2Zie ook: Van Peer (1992).
3Welke onderzoekers dat zijn blijft onvermeld;
literatuurverwijzingen zijn niet opgenomen, zodat zelfs de namen van Ernest
Borneman en Iona en Peter Opie ontbreken.
4Zie over deze moord ook: Lennart Nijgh
(1990).
5Ewoud Sanders, Tararaboemdiee. In: NRC-Handelsblad,
2-12-1996.
6Maria Hendriks, Weinig buiten
spelen remt kinderen. In: De Volkskrant,
16-1-1996.
7Margriet Oostveen, Kluizenaars
van het kinderzitje. In: NRC-Handelsblad,
3-2-1996.
8De Engelse vertaling hiervan luidt:
Come, child, let's go to the stream / No I can't go to the stream
/ Come, child, let's go get firewood / No, I can't get firewood / Come, child,
let's work in the garden / No, I can't go work in the garden / Come, let's eat
some food / Theat's what I like / To open my mouth and eat / and to chew
fast. (Ode S. Ogede, 1994).
9Louis Velleman, Vluchtkoffer. In: In De Groene Amsterdammer,
7-4-1993.
10Afgedrukte Internetpagina in: NRC-Handelsblad, 14-4-1997.
11Al zijn er de laatste jaren gelukkig een
aantal ongekuiste bundelingen verschenen. (Asbjornsen, 1979; Afanasjev, 1981 en
Loots, 1985).
|
|