[p. 36]
Daar was eens een oud mannetje
Daar was eens een oud mannetje
dat dacht: Ik ben een haan!
Hij kraaide 's morgens zo hard hij kon
en ging op het kippenhok staan.
Maar toen hij daar genoeg van had
toen dacht hij: Ik ben een konijn!
Hij maakte een hol en huppelde rond
en knabbelde koolblaadjes fijn.
Maar toen hij daar genoeg van had
toen dacht hij: Ik ben een bok!
Hij stootte de mensen met zijn hoofd
en mekkerde in een hok.
[p. 37]
Maar toen hij daar genoeg van had
toen dacht hij: Ik ben een hond!
Hij rolde zich op in zijn mandje en
zijn etensbak stond op de grond.
Maar toen hij zo krom in die hondemand lag
toen dacht het mannetje op een dag:
Ik weet het! Ik ben een oud mannetje!
Hij kookte wat soep in een pannetje,
hij at en hij dronk een geweldige boel,
hij deed zijn pantoffels aan, zat in zijn stoel,
hij stak een lekker vers pijpje aan
en keek om zich heen en lachte voldaan.
Zo zit hij nu voortaan van 's morgens vroeg,
en
hiervan
krijgt hij nu NOOIT genoeg!