[p. 39]
De bezem en de boender
De bezem en de boender
die liepen een blokje om,
de bezem zong van hoepfalderee
de boender sloeg op de trom.
En iedereen zei: och och och,
wat práchtig zingt die bezem toch,
en iedereen zei: o, o, o,
hoe kán die boender dat toch zo.
Maar burgemeester keek heel bars,
hij sprak één woord -
dat woord was:
MARS!
De bezem en de boender
die sprongen gauw over de gracht,
je hoort hen nu soms wel eens 's nachts in hun hok:
heel, héél zacht.