[p. 43]
Liep er een meisje over het land
Liep er een meisje over het land
met een mandje in haar hand,
riep de koe: ‘Haboe! Haboe!
meisje waar ga je toch naartoe?’
‘Naar mijn tante Stokkebeen
met een hoepeltje om haar teen.’
Zei de koe: ‘Haboo, haboo,
en wat eet je daar alzo?’
‘Appelemoes met uitjes,
karnemelk met kluitjes.’
Zei de koe: ‘Habaa, habaa,
en wat doe je dan daarna?’
‘Dansen met de poppedijn
tot onze voeten versleten zijn.’
Zei de koe: ‘Habie, haboord,
ongelooflijk, ongehoord.’
't Meisje ging het hekje door,
riep: ‘'t Zijn allemaal jokkens, hoor!
Koebeest, waar ik heen wil gaan
dat gaat jou geen sikkepit aan!’