[p. 44]
De hoed van meester Mellen
Zal ik nu eens wat vertellen
van de hoed van meester Mellen
met de rand van vijftien ellen
en het rijtje rinkelbellen?
Onder die hoed - wat nauw, maar 't ging -
zaten de kinderen in een kring,
leerden ze zingen, leerden ze tellen
met het rijtje rinkelbellen,
dooreemiefaasóldooree,
één en één geeft altijd twee,
leerden ze taal en gymnastiek,
aardrijkskunde en muziek.
Was het droog of was het nat,
niemand die er last van had
onder de hoed van vijftien ellen
met het rijtje rinkelbellen.
Maar eens op een nacht in mei
zag een mot de hoed, en zei:
‘Kijk me dáár es! Sjeeminee,
wat een rijkeluisdinee!’
En toen at dat gulzig dier
heel alleen, in drie kwartier,
meesters hoed van vijftien ellen
mét het rijtje rinkelbellen.
's Morgens vroeg riep meester angstig:
‘Help! Mijn hoed is er niet meer!’
Iedereen ging druk aan 't zoeken,
maar ze vonden hem niet weer.
En de kinderen, allemaal
zitten nu in een lokaal.
[p. 45]