terug  begin  verder
[p. 75]

3 De prehistorie van de Kaap volgens dominee Borcherds

Onderweg naar Indië wordt de Oost-Indische ambtenaar Teenstra in 1825 door reumatiek gedwongen om in Kaapstad aan land te gaan.1 Na zijn ontscheping dragen twee slaven hem van de landingssteiger naar een bagage-wagen die hem naar zijn logement brengt. Daar zweeft hij geruime tijd tussen leven en dood, waarbij zelfs krachtige medicijnen - vomatieven, laxatieven, bloedzuigers, verzoete kwik en 's avonds opium - zijn toestand niet kunnen verbeteren. Alleen een kuur in de warme baden van Caledon heeft hem kunnen redden. Hierdoor is hij na zijn terugkeer naar Kaapstad in staat om indrukken van het Kaapstadse leven van 1825 op te doen.

Kaapstad maakte op hem over het algemeen een zeer gunstige indruk. Men at er goed, kleedde zich keurig en er was ook vermaak. Wie vrouwenvlees wilde zien, moest naar de schouwburg. Dankzij het warme klimaat lieten de vrouwelijke bezoekers veel bloot. Een attractie van wereldformaat was de vrijmetselaarsloge ‘De Goede Hoop’. Het gebouw met het alziend oog op de gevel was groots en in de achtertuin van hun loge hadden de heren vrijmetselaars een sociëteit met biljartzalen laten optrekken, die door scheepskapiteins werd geprezen als de beste in zijn soort ter wereld. Over het algemeen maakte Kaapstad op Teenstra nog een sterk Nederlandse indruk:

Niettegenstaande de Kaap-kolonie of volkplanting nu reeds 19 jaren onder het Engelsche Gouvernement behoort, hebben de Hollanders hier toch boven de Engelschen in alles den voorrang; ook noemen zij Holland het Vaderland, en de slaven zeggen niet zelden, als zij Hollanders zien: ‘daar gaan Vaderlanders heen’. (p. 85)

In deze nog steeds sterk ‘Hollandse’ Kaapkolonie was naast een Engels circuit het begin van een Kaaps-Hollands cultureel circuit te vinden. Ook hieraan nam Teenstra deel. Men mag immers aannemen dat hij niet alleen naar de schouwburg ging om decolleté's te bewonderen. Behalve schouwburgbezoeker was Teenstra lezer van het Kaapse Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift (nzat). De lectuur van een ‘treffend verslag’ van grotten bij Kaap Agulhas, geschreven door de Stellenbossche predikant Meent Borcherds, bracht hem ertoe daarheen een uitstapje te maken tijdens zijn reis door de oostelijke delen van de Kaapkolonie.2

Veranderingen in het Kaapse culturele leven rond 1800

Tijdens het verblijf van Teenstra had de Kaap op cultureel gebied meer te bieden dan in de laatste jaren van het Compagniesbewind. In de zeventien-

[p. 76]

de en de achttiende eeuw werd er wel geschreven in Zuid-Afrika, maar weinig daarvan was volgens contemporaine opvattingen literair. Men schreef teksten, zoals reisjournalen, brieven en dagregisters, die meestal niet voor publicatie bestemd waren. Poëzie werd hoofdzakelijk en hoogstzelden geschreven door passanten die hun werk in Nederland publiceerden.3 Als er al poëzie voor lokaal gebruik werd geschreven, dan bleef de circulatie ervan beperkt tot de familiekring door het ontbreken van een drukpers.4

Een regionaal cultureel leven dat de familiekring te buiten ging, ontstond pas aan het begin van de negentiende eeuw. Dit hangt samen met twee belangrijke ontwikkelingen. Allereerst werden na 1800 instituties opgericht die deelname van een groter publiek aan het culturele leven mogelijk maakten. In 1801 werd de ‘Afrikaansche Schouwburg’ geopend en 5 maart 1803 werd daar door het toneelgezelschap ‘Tot leering en vermaak’ De Papegaay van Kotzebue gespeeld, het eerste (vertaalde) Nederlandse toneelstuk in de Kaapse schouwburg.5 Enkele decennia later, in 1829, is er ook sprake van Nederlandse toneelopvoeringen in Stellenbosch, vijftig kilometer buiten Kaapstad.6 In 1802 werd in Kaapstad een departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen gesticht, waarvan vooral de verdiensten op het gebied van onderwijs enige aandacht hebben gekregen in de historiografie.7

Mensen met een donkere huid werden aan het begin van de negentiende eeuw nog niet van dit culturele leven uitgesloten. Het Kaapse departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen was bijvoorbeeld gesticht door J.A. Vermaak, bijgenaamd ‘Zwart Vermaak’, een rijke koopman, die voor een kwart van niet-Europese afkomst was.8 Een andere prominente Kapenaar van gemengd bloed was de predikant M.C. Vos. In zijn autobiografie, het Merkwaardig verhaal aangaande het leven en lotgevallen van Michiel Christiaan Vos [...] door hem zelven in den Jare 1819 briefsgewijze aan eenen vriend medegedeeld, verbergt Vos niet dat hij is geboren uit ouders die van ‘Europeesche en Aziatische voorouders afkomstig waren’.9

Voor het literaire leven was een tweede ontwikkeling nog belangrijker dan het ontstaan van culturele instituties: de komst van een drukpers aan het einde van de achttiende eeuw.10 Voor het eerst werd het hierdoor mogelijk teksten lokaal te vervaardigen en te verspreiden. Aanvankelijk waren dit uitsluitend gebruiksteksten, zoals aankondigingen en almanakken. In 1801 werd het eerste literaire werk van iemand uit Zuid-Afrika voor de Zuid-Afrikaanse markt uitgegeven: een niet bewaard gebleven gedicht van de Stellenbossche dominee Meent Borcherds voor een landbouwkundig genootschap. Het tweede literaire product van de Kaapse pers, het leerdicht De Maan van Meent Borcherds, uit 1802-3, is wel bewaard.11

[p. 77]

Het Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift

Het belangrijkste Nederlandstalige product van de Kaapse pers was echter Het Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift (nzat), dat ook door Teenstra werd gelezen.12 Het tijdschrift verscheen tweemaandelijks van 1824 tot 1843. In samenwerking met het nzat waren in 1824 ook twee afleveringen van een Engels tijdschrift verschenen, het South African Journal. Voor beide tijdschriften verscheen een gezamenlijke prospectus met de doelstellingen van de uitgave: ‘This Work [...] will be more peculiarly devoted to the moral and intellectual improvement of South Africa, and to the providing of useful information and enlightened entertainment to its provincial inhabitants, whether English or Dutch.’13 In het ‘Programma’ dat staat afgedrukt in de eerste aflevering van het nzat heet het:

Redacteurs koesteren de aangename hoop, dat dit eerste Tydschrift in Zuid-Afrika, niet nutteloos bevonden moge worden in het verspreiden van gezonde kennis en zuivere denkbeelden, en dat hetzelve strekken moge ter bevordering van zedelyke verbetering en maatschappelyk geluk.14

Het nieuwe tijdschrift was ontworpen naar voorbeeld van bestaande Europese tijdschriften. Er moesten echter vooral onderwerpen in aan bod komen die met de ‘kolonie’ te maken hadden, ‘als haren Handel, hare Staatkunde, voortplanting van den Godsdienst’, haar geschiedenis, gecombineerd met ‘mengelschriften over letterkundige, wetenschappelyke, en vooral Godsdienstige onderwerpen’.15 Als gevolg van moeilijkheden met de censuur werd de Engelse editie echter al na minder dan een halfjaar gestaakt, in mei 1824.16 Van het Zuid-Afrikaansch Tydschrift bleef zodoende alleen de ‘Nederduytsch[e]’ reeks voortbestaan.

Via het nzat is het mogelijk een indruk te krijgen van de omvang en aard van het Nederlandse literaire leven in de Kaapkolonie.17 Blijkens de ‘Naamlyst der inteekenaren’ en de ‘Nadere Naamlyst der intekenaaren’ uit de tweede jaargang van 1825, had het nzat toen 228 abonnees, van wie sommige meer dan één abonnement hadden, onder wie Dr. Philip, de Schotse leider van de London Missionary Society in Zuid-Afrika. Hij had ingetekend op vier exemplaren, misschien met het oog op leden van zijn zendingsgenootschap in het verre binnenland. De lijst van abonnees laat zien dat er ook in Engelse kringen belangstelling was voor het nzat. Behalve Philip waren er nog meer Engelse abonnees, waaronder de ‘African Club’. In 1826 daalde het aantal abonnees tot 205.18 Dit hoeft niet te betekenen dat ook het aantal lezers is gedaald, want onder de abonnees bevonden zich nu twee bibliotheken en een leesgezelschap.19 Overigens kwam het nzat later regelmatig in de problemen wanneer het aantal abonnees een punt bereikte waarop voortgezette publicatie onrendabel werd. Na de nodige oproepen kon de uitgave echter steeds voortgezet worden tot 1843.20

[p. 78]

Een vast onderdeel van het nzat was ‘De Zuid-Afrikaansche Kronyk’ met nieuwsberichten. Verder was de inhoud gevarieerd maar bestond veelal uit een van de volgende onderdelen: poëzie, lokale geschiedschrijving en godsdienstige of moralistische traktaten.

Doel van het tijdschrift was ‘nut met aangenaamheid te paren’ (nzat 1824, p. 7), ‘zedelyke verbetering en maatschappelyk geluk’ te bevorderen (1825, p. vi) en ‘om ook by de Zuid-Afrikanen de fakkel van ware verlichting aan te steken’ (nzat 1825, p. vii). Zelfs in de ‘afgelegendste distrikten dezer wyduitgestrekte volkplanting’ was het nzat in staat, naar men meende, ‘de fakkel der verlichting te ontsteken, om overal de gezegende uitwerkselen der drukpers, die ryke bron van waar volksgeluk, onder de ingezetenen rond te spreiden en voor hun den eersten barrier te openen op den weg, welke regtstreeks naar onzen maatschappelyken welvaart henen leidt’ (nzat 1828, p. 464). De doelstellingen van het nzat, zoals ze hier aangehaald zijn, zijn geworteld in het nieuwe beschavingsideaal dat in Nederland in de tweede helft van de achttiende eeuw zijn intree deed. Volgens de Verlichtings-idealen moesten kennis, godsdienst en deugd bijdragen tot het maatschappelijke geluk van - in het Zuid-Afrikaanse geval - de gehele kolonisten-gemeenschap, zelfs van degenen, die aan de grenzen van de kolonie woonden.21 Hoe ver het geografische bereik van het tijdschrift in de praktijk was, laat de ‘Naamlyst der Inteekenaren’ van 1826 zien, die is ingedeeld naar de woonplaats van de abonnees:

In de Kaapstad 154
Te Stellenbosch 22
Aan de Paarl en Drakenstein 9
Te Swellendam en Caledon 7
Te Graaff-Reinet en Beaufort 4
Te Worcester en Tulbagh 5
Te Uitenhage 1
Te Somerset en Cradock 3

Het grootste aantal abonnees woonde in Kaapstad en de directe omgeving (Stellenbosch, Paarl, Drakenstein). Opvallend is verder dat de abonnees uit de buitengewesten (Graaff-Reinet, Beaufort, Uitenhage, Somerset en Cradock) hoofdzakelijk Britse predikanten in dienst van de Nederduits Gereformeerde Kerk waren.22

Volgens eigen opvattingen was het nzat de belangrijkste bron van kennis over Zuid-Afrikaanse geschiedenis, godsdienst, belangrijke landgenoten en de eigen letterkunde (nzat 1828, p. 467). De redactie van het nzat liet zich vooral voorstaan op de aandacht die werd gegeven aan Kaapse geschiedenis. Via de geschiedenis kreeg een ontluikend Zuid-Afrikaans nationaal gevoel vorm in het tijdschrift.23 Van een exclusief nationaal gevoel van de Hollands-sprekende bevolking, met uitsluiting van de anderen - een vroege vorm van Afrikaner nationalisme - is echter nog geen sprake.

[p. 79]

Centrale figuur in de verbeelding van het vaderlandse gevoel was ‘vader riebeek [cf. “pater Aeneas”], den Grondlegger van ons lieve Vaderland’ (nzat 1829, p. 379). Zijn ‘Dagverhaal’ werd vanaf de eerste jaargang in 1824 in afleveringen door het nzat gepubliceerd om zo ‘met er tyd alle de bouwstoffen tot eene volledige geschiedenis dezer Volkplanting’ bijeen te brengen (nzat 1825, p. xi). Conform het beschavingsideaal van het nzat laat Van Riebeeck zich in zijn ‘Dagverhaal’ kennen als ‘een braaf, godsdienstig en menschlievend man’.24 Naast belangstelling voor vaderlandse geschiedenis was er in het tijdschrift zelfs enige literatuurhistorische aandacht. In de eerste jaargang van het nzat werd er namelijk een fragment uit de ‘Eerkroon voor de Caab de Goede Hoop’ van Jan de Marre afgedrukt, maar zonder inleiding (nzat 1824, p. 42-3).

Dominee Borcherds

Een prominent scribent in het nzat was de al genoemde dominee Borcherds (Jengum in Oost-Friesland 1762 - Stellenbosch 1832), wiens natuurbeschrijving in het nzat van 1824 Teenstra had geïnspireerd tot een uitstapje. Behalve natuurschetsen publiceerde Borcherds, meestal onder het pseudoniem E.D.P., poëzie en geschiedverhalen in het nzat.25 Hoewel geen grootmeester, was Meent Borcherds de eerste publicerende schrijver van literair werk in Zuid-Afrika. Hij was de eerste wiens werk, dankzij de drukpers en het nzat, verspreid is in Zuid-Afrika; de eerste ook wiens werk in een uitsluitend Zuid-Afrikaans literair circuit gefunctioneerd heeft. De publicatie van het verloren gedicht voor het agrarisch genootschap in 1801 en het leerdicht De Maan, in twee afleveringen gepubliceerd in 1802 en 1803, zijn voor de Zuid-Afrikaanse literatuur een primeur geweest. Veel aftrek heeft het gedicht De Maan overigens niet gehad. De zoon van Meent Borcherds, Petrus, vermeldt in zijn autobiografie dat zijn vader zich erover beklaagde dat de verkoop van De Maan zo slecht ging, dat zelfs de papier-kosten er niet uit vergoed konden worden.26

Kenmerkend voor het meeste van Borcherds' werk is de didactische aard ervan. De dichtkunst is een middel om moraal en godsdienst uit te dragen, meestal in een hecht onderling verband, waarbij godsdienst een vorm van deugdbetrachting is en vice versa. Zo wordt de ‘religie’ in het ‘leerdigt’ De Maan ‘de grondslag [...] der maatschappy’ genoemd en ‘de nutte deugd / Der matigheid [...] eenen godsdienstpligt’ (p. 5). Deze combinatie van godsdienst en deugd was kenmerkend voor de Nederlandse Verlichting, evenzeer als de taak die de literatuur had om dit soort idealen uit te dragen.27

In De Maan stelt Borcherds algemene vraagstukken over de taak van de mens aan de orde naar aanleiding van het sterven van een deugdzame grijsaard. In zijn leerdicht ‘De levensreis’, dat in afleveringen in het nzat verscheen, onderwijst hij ‘[h]oe best de levensreis kan worden doorgebragt’.28 Van een betrokkenheid bij de Zuid-Afrikaanse situatie is in deze

[p. 80]

poëzie geen sprake: ze had, zo lijkt het, net zo goed in Nederland geschreven kunnen zijn.

Anders is het met Borcherds' geschiedwerk. Op één uitzondering na gaat dit over lokale, koloniale geschiedenis. Deze uitzondering betreft het ‘Gedicht over de volkplanting van de Kaap de Goede Hoop’, het gedicht dat in de volgende bladzijden centraal zal staan.

Van Borcherds' hand verschenen in het nzat geschiedenissen in afleveringen van de Kaapkolonie en Stellenbosch: de ‘Beschryving van Stellenbosch’ en de ‘Geschiedenis van de Kaap de Goede Hoop’. Geliefd waren Borcherds' kroniekachtige geschiedverhalen niet. Blijkens het redactiearchief van het nzat werd er tijdens redactievergaderingen regelmatig geklaagd over de saaie vormgeving van Borcherds' geschiedwerk.29 Dit leidde er uiteindelijk toe dat de redactie op 22 april 1829 aan hoofdredacteur Faure opdroeg om Borcherds voorzichtig aan zijn verstand te brengen, dat de publicatie van zijn volstrekt onleesbare kroniek in afleveringen over de geschiedenis van Stellenbosch gestaakt moest worden.

Niettemin was Borcherds in het Nederlandse culturele leven aan de Kaap een centrale figuur. Hij was een vaste medewerker van het nzat, vanaf het ontstaan van dit tijdschrift van en voor de kolonisten tot na zijn dood in 1832, met de postume publicatie van het ‘Gedicht over de volkplanting’. Daarnaast was Borcherds een niet onverdienstelijk componist en befaamd causeur, en natuurlijk dominee van Stellenbosch en omstreken.30 Als predikant was hij weliswaar voorstander van een redelijke godsdienst, maar in de praktijk ook een kerkrechtelijke legalist die steeds weer hindernissen opwierp voor zendingswerk onder slaven, omdat bediening van de sacramenten door zendelingen afbreuk deed aan zijn kerkelijk gezag als predikant. Zendingswerk in Stellenbosch geschiedde steeds onder tegenwerking van Borcherds.31

Zijn burgerlijke en ambtelijke activiteiten heeft Borcherds voor zichzelf aan het einde van zijn leven in statistische vorm overzichtelijk gemaakt. Ze zijn als volgt opgenomen in het na zijn sterven in het nzat gepubliceerde ‘levensberigt’ (nzat 1832, p. 148):

 

Op den 8 Juny 1830, met zyne gade, twee dochters en twee kleinkinderen, 's avonds aan zynen gullen haard zittende, berekenden de beide gryzen [Borcherds en zijn echtgenote] hun nog bestaande kroost, en deze bestonden uit:

Kinderen 10
Kleinkinderen 26
Klein kleinkinderen 5
Aangehuwden 6
  47
Met hun beiden, 2
  Een getal van 49 personen

[p. 81]


illustratie
Afb. 8 De kerk van Meent Borcherds in Stellenbosch (tekening van Charles d'Oyly uit 1832; ka, D'Oyly Verzameling).

Hy had, na eene calculative berekening, gedaan 2670 predikatien; - gehouden 2200 cathechesatien; - gedoopt 4559, - aangenomen 2125, - en getrouwd 1758 personen, - of 879 paren, (nzat 1832, p. 148)

 

Verder volgt nog een statistiek van de door de dominee tijdens zijn leven gedane uitgaven en verkregen inkomsten, die ik maar achterwege zal laten.

Het ‘Gedicht over de volkplanting van de Kaap de Goede Hoop’

In het literaire en historische werk van Meent Borcherds wordt een uitzonderlijke positie ingenomen door het ‘Gedicht over de volkplanting van de Kaap de Goede Hoop’, een gedicht van 528 regels met een historisch onderwerp. Het gedicht werd kort na de dood van Borcherds op 28 februari 1832 in twee afleveringen gepubliceerd in het nzat. Het is belangwekkend in het werk van Borcherds omdat hier, anders dan in de rest van zijn literaire werk, lokale stof onderwerp is van poëzie. Ook binnen het kader van het nzat is het gedicht, wat het onderwerp betreft, uitzonderlijk. Het gedicht beschrijft de toestand van de Hottentotten (Khoi) voor de komst van de Europese kolonisten, terwijl historische publicaties in het nzat, ook die van Borcherds, steeds handelen over de koloniale geschiedenis van de Kaap, de geschiedenis van de ‘volkplanting’.

Het gedicht opent met een motto uit de Aeneïs van Vergilius, dat voor de Hottentotten weinig goeds voorspelt: ‘Quod genus hoc hominum?

[p. 82]

Quaeve hunc tam barbara morem permittit patria’ (Wat is dit voor soort mensen? Welk zo barbaars vaderland staat deze gewoonte toe?).32 De Hottentotten worden dan in het gedicht gepresenteerd als een volk dat ‘wild en woest van aard’ is en ‘geweld en listen paart’ (p. 298). Verder zijn ze:

 
Onzindlyk in hun aard; zelfs dingen, die verrotten
 
En doorgaans walglyk zyn, voor ieder menschelyk oog,
 
Schat dit onzuiver volk, tot elks verbazing, hoog.
 
Verwilderd zwerft het, met zyn vee, steeds heen en weder,
 
Dan op der heuvlen top, dan in de dalen neder,
 
[...]
 
(p. 298)

De walgelijke eetgewoonten - het eten van darmen van dieren en het eten van stinkend voedsel - waren voor de Nederlandse vestiging aan de Kaap in 1652 al een vast onderdeel van de negatieve stereotypering van de Hottentotten uit de kuststreken.33

In wat volgt geeft Borcherds op basis van Peter Kolbe's Naauwkeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop een voorstelling van de activiteiten van de Hottentotten voor de vestiging van de Nederlanders in 1652.34 De zojuist geciteerde passage opent de voorstelling en schept daarmee een negatieve achtergrond voor de gegevens die in het vervolg zonder veel commentaar worden aangeboden. Achtereenvolgens komen jacht, visvangst, oorlogvoering en, als uitvloeisel van de oorlogvoering, het tweegevecht aan de orde.

Bij de laatste onderdelen wordt het optreden van de Hottentotten vergeleken met het weer op zee (oorlog, p. 352) of het vuur (tweegevecht, p. 354). Hun activiteiten worden hiermee in een cultuurloze en historieloze ruimte gesitueerd. Zoals de woeste golven door de ‘Natuurwet’ weer rustig worden, zo gebeurt hetzelfde met de oorlogvoerende Hottentotten als hun driften tot bedaren komen (p. 352).35

Op het punt van het tweegevecht oogsten de Hottentotten ook een complimentje. Als de oorlog eindigt met een duel tussen de aanvoerders waarin een van de twee sterft, wordt de overwinnaar verjaagd door zijn stam. Anders dan in Europa keuren de Hottentotten het duelleren dus niet goed: ‘'t Natuurlicht, leert dat volk, den man des bloeds te haten’ (p. 355). Voor een moment verandert de walgelijke Hottentot daarmee in een voorbeeldige ‘edele wilde’.

Over het algemeen overheersen echter de reeds genoemde negatieve eigenschappen, waarbij nog de ongetemde wellust komt. Als de Hottentotten feest vieren ter ere van de maan, ‘met uitgelaten vreugd’, kunnen ze gemakkelijk ‘in de strikken van de woeste min verward’ raken. ‘Een dierelyk genot’ is dan het onvermijdelijke gevolg (p. 299).

Nu laten zich naar aanleiding van het ‘Gedicht over de volkplanting’ een aantal vragen stellen. Allereerst: waarom geeft Borcherds zo'n negatief

[p. 83]

beeld van de Hottentotten; welke doelen dient hij daarmee? De vraag is van belang omdat zendelingen in Zuid-Afrika in deze tijd een pleidooi gaan voeren voor de verbetering van het lot van de Hottentotten. Het sprak niet langer vanzelf hen als weerzinwekkende wilden voor te stellen. Ten tweede: Borcherds publiceerde al een aantal jaren in het nzat over historische onderwerpen. Nooit bracht hij echter de geschiedenis van de oorspronkelijke bewoners van voor 1652 ter sprake. Al zijn werk had betrekking op de koloniale geschiedenis van Zuid-Afrika van na 1652. Waarom schrijft hij in 1830 ineens over de prehistorie van de Kaap? Zoals zal blijken, staan deze vragen met elkaar in verband. Op de tweede vraag zal ik het eerst ingaan.

John Philip

Ik denk dat Borcherds' gedicht in een nauw verband staat met een boek dat in Zuid-Afrika veel stof heeft doen opwaaien: Researches in South Africa van de Schotse zendeling John Philip uit 1828. Dit omvangrijke pamflet is een aanklacht tegen de wijze waarop de Hottentotten door de kolonisten mishandeld werden. Hoewel de Hottentotten nominaal vrij waren, bevonden ze zich feitelijk in een toestand van slavernij. Oorzaak hiervan was volgens Philip een tekortschietende wetgeving die de Europese kolonisten in de gelegenheid stelde om de Hottentotten uit te buiten. In naam waren de van oorsprong nomadische Hottentotten vrij, maar door wetgeving tegen landloperij werden ze gedwongen zich onder slechte voorwaarden als landarbeiders te verhuren aan Europese boeren. De Hottentotten waren volgens Philip in feite slaven: ‘The landdrosts, and the clerks, and the farmers, have all the same view respecting the Hottentots and other Aborigines; they consider them as the absolute property of the colonists.’36

Philips aanklacht tegen het koloniale systeem wordt ingeleid met een historisch overzicht in het eerste hoofdstuk van de Researches, waarin Philip wil aantonen dat de Hottentotten de slechte eigenschappen, die hun in de negentiende eeuw werden aangewreven, overgenomen hadden van de kolonisten. In hun oorspronkelijke toestand waren de Hottentotten er beter aan toe, toont Philip aan met behulp van citaten uit het werk van achttiende-eeuwse reizigers die de Hottentotten welgezind waren:

Thus it appears, from the concurrent testimony of the best authors, and from facts to be gleaned even at the present day, that the Aborigines of Southern Africa were, when first visited by Europeans, in a state of independence, possessing in abundance the means of subsistence, not destitute of comforts, and living together in great harmony; that their dispositions were mild and inoffensive, their morals comparatively pure, and their conduct towards strangers, as well as towards each other, conciliating and exemplary. (p. 14)

Het doel van deze voorstelling, die naast achttiende-eeuwse reisverslagen ook steunt op de idealisering van het eenvoudige leven, het primitivisme

[p. 84]

- de Hottentotten zijn immers in hun gastvrijheid ‘exemplary’ - is een schril contrast te scheppen met de ellendige toestand van de contemporaine Hottentotten als een horig lompenproletariaat.37 Vroeger leefden de Hottentotten gelukkig, terwijl ze nu haveloos rondzwerven door de schuld van de kolonisten die hun de middelen van bestaan hebben afgenomen. Om het onrecht te keren, was er wetgeving nodig die de Hottentotten moest beschermen tegen uitbuiting.38

Vanuit de Kaapse kolonisten-gemeenschap werd er buitengewoon geïrriteerd gereageerd op de Researches.39 Philip kreeg een proces wegens smaad jegens de Engelse landdrost van Somerset-Oost, Mackay, die er door Philip van beschuldigd was dat hij zijn positie misbruikt had om een Hottentot in zijn dienst voor het stelen van drank tot gevangenisstraf te veroordelen en hem na vrijlating tezamen met zijn gezin te verhuren. Volgens Philip had Mackay twee andere Hottentot-gezinnen gedwongen tegen minimale beloning bij hem in dienst te treden.40 Philip verloor dit proces en moest een aanzienlijke schadevergoeding betalen.41

Nog voordat het proces beëindigd was, had een anonieme correspondent van het nzat al een recensie van de Researches opgestuurd waarvan de publicatie echter werd uitgesteld in afwachting van de uitslag van de zaak Mackay (‘Aan Correspondenten’, nzat 1830). In de september/oktober aflevering van 1830 verscheen het eerste deel van wat een veeldelige ‘Boekbeschouwing’ had moeten worden van alle 39 hoofdstukken van Philips Researches, maar waarvan alleen de recensies van de ‘Preface’ en ‘Chapter i’ verschenen.42 De recensie maakt als weerlegging van Philips werk een scherpzinnige indruk. De scherpzinnigheid van de recensent is bijvoorbeeld zichtbaar in de manier waarop hij de middelen analyseert waarmee Philip zijn voorstelling van zaken geloofwaardig probeert te maken. De recensent stelt daarbij vast dat ‘elke opgaaf [van Philip] eene dubbele waarschynlykheid en geloofwaardigheid verkrygt’, allereerst vanwege Philips status als vertegenwoordiger van de kerk en vervolgens omdat hij ten onrechte de indruk zou wekken dat al zijn beweringen steunen op betrouwbare bronnen.

Wat betreft ‘Chapter i’, de verhandeling over de geschiedenis van de Hottentotten, is het verwijt van de recensent vooral dat Philip een wanvoorstelling geeft van de Hottentotten teneinde ‘des lezers medelyden tot den uitersten graad te wekken’.43 Volgens de recensent waren het niet zulke lieverdjes (p. 373-383). Ze waren met name diefachtig, iets wat hij aantoont met citaten uit het dagregister van Jan van Riebeeck (p. 377-383).44 Bovendien belastert Philip de kolonisten (‘Afrikanen’) door te beweren dat de Hottentotten onder hun invloed slechter geworden zijn (p. 222), terwijl ze dat toch uit zichzelf al waren (p. 223). Vervolgens door te zeggen dat de kolonisten hun Hottentot-personeel slecht zouden betalen en door te beweren dat er voor de komst van de zendingsorganisatie waartoe Philip behoorde, de London Missionary Society, niets gedaan werd in Zuid-Afrika om de Hottentotten tot het christendom te bekeren (p. 227).

[p. 85]

Wie was nu deze anonieme recensent? Helaas geeft het redactie-archief van het nzat hierover geen uitsluitsel, omdat er een leemte in het archief is voor het tijdvak tussen 19 september 1829 en 4 juni 1833.45 Maar ik denk dat we wel over goede circumstantial evidence beschikken om aan te nemen dat de recensie uit de pen van Borcherds afkomstig is. We beschikken over de volgende aanwijzingen:

1
Borcherds was een vaste medewerker van het nzat en de recensie is afkomstig van een ‘correspondent’.
2
Borcherds was de specialist van het nzat op het gebied van Kaapse geschiedenis.
3
Na 1830 verschenen de aangekondigde recensies niet meer en evenmin verscheen er ander werk van Borcherds, met uitzondering van het postuum gepubliceerde ‘Gedicht over de volkplanting’. In 1830 was hij volgens een ‘levensberigt’ ziek geworden en begin 1832 stierf hij.46
4
Borcherds had, zoals al bleek uit de korte bespreking van het ‘Gedicht over de volkplanting’, heel andere opvattingen over de Hottentotten in hun oorspronkelijke staat dan Philip.

Het verband tussen het ‘Gedicht over de volkplanting’ en de eerste hoofdstukken van de Researches is dan ook heel nauw. Toen Borcherds in 1830 een voorstelling wilde geven van het voorkoloniale verleden van de Kaap, kwam hij hoe dan ook, zeker ook voor de contemporaine lezers, in een concurrerende positie ten opzichte van Philip te staan. Borcherds moest aantonen dat zijn representatie superieur was aan die van Philip.47 Borcherds deed dit allereerst door te verwijzen naar de bron die zelfs nu nog gezaghebbend is voor informatie over het leven van de Hottentotten, de al genoemde Naauwkeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop van Peter Kolbe.48

Kolbe

Op het eerste gezicht is het gebruik van Kolbe door Borcherds vreemd. Kolbe is immers een schrijver die over het algemeen sympathiek staat tegenover de Hottentotten. In de ‘Voorrede van den Schryver’ verkondigt Kolbe dat het voornaamste doel van zijn omvangrijke boek is om ‘menigte van valsche, vercierde, verkeerde dingen, by vele Schryvers meest van horen zeggen [...] van de Hottentotten en dit land te boek geslagen’ te bestrijden. Met een beroep op eigen waarneming wil Kolbe zijn lezers ervan overtuigen dat ze niet de anderen maar hem moeten geloven en dat hij gezien heeft dat de Hottentotten niet zo dom en vies zijn als altijd van ze beweerd wordt. In de vergelijkende etnografie die Kolbe beoefent, is er zelfs

[p. 86]

een voortdurend streven om overeenkomsten tussen de Hottentotten en de oud-testamentische Joden aan te tonen. De lezer van de Naauwkeurige en uitvoerige beschryving wordt hierop geattendeerd in het ‘Nodig Bericht’, dat in de Nederlandse vertaling na de ‘Voorrede’ is toegevoegd: ‘Niets is zoo nieuw, zeldzaam, en onverwacht, als de gelykvormigheid en wonderlyke overeenkomst, die men hier vind tusschen verscheide plegtigheden van de zoo genoemde Hottentotten, natuurlyke bewoners van de Kaap, en die der Joden.’ In concreto gaat het hierbij vooral om allerlei overeenkomsten in rituelen, vooral bij het offeren, dat de Hottentotten ‘Anders maakum zoo’ (cursief in de tekst) noemen.49 Kolbe houdt er de theorie op na dat de Hottentotten een van de stammen van Israël zijn. Ze zijn verdwaald geraakt in Afrika na hun ballingschap in Egypte of anders na de ‘Romeinsche overvalling’ en hoewel hun gewoonten een beetje zijn veranderd, is het Joodse grondpatroon nog herkenbaar.50

Het retorisch effect van het gebruik door Borcherds van een bron die sympathiek staat tegenover de Hottentotten, moet wel zijn dat wat Borcherds aan negatiefs te melden heeft, waar moet zijn. Zelfs Kolbe zegt dat immers, zo suggereren de voetnoten.51

Er zijn echter nogal wat discrepanties tussen wat Kolbe zegt en wat Borcherds te melden heeft, discrepanties die niet alleen te herleiden zijn tot de problemen van pre-koloniale geschiedschrijving.

De historiografische problematiek

De historiografische problemen van Borcherds' project waren niet gering. Borcherds stond voor het probleem dat hij een geschiedverhaal wilde vertellen over een tijdvak waarvoor geen schriftelijke bronnen bestaan. Voor het ontstaan van de moderne archeologie viel er dan maar weinig te beginnen voor een geschiedschrijver:

 
Maar wie - wie geeft hier licht? daar 's lands geschiedenissen
 
Zich voordoen als een nacht, van dikke duisternissen,
 
Stikdonker, zwart en diep - een nare donkerheid!
 
Waar niets een enkle straal van licht, voor ons verspreidt.
 
Geen overleevring zelfs, hoe zwak z'ook voor mogt lichten,
 
Kan hier den minsten dienst, aan 't zoekend oog verrigten,
 
Het staart zich blind, als 't op dien nacht, teruggeziet!
 
Maar, 't zoo gewenste licht? Helaas! men vindt het niet.
 
(p. 297)

De enige mondelinge overlevering waarover Borcherds kon beschikken, handelt over de herkomst van de Hottentotten. Er doet onder hen het verhaal de ronde dat ze geland zijn met een ‘huis van overtogt’ (p. 297, cursief in de tekst), een schip, licht Borcherds toe in een voetnoot.52 Borcherds acht dit verhaal over de herkomst van de Hottentotten echter onwaarschijn-

[p. 87]

lijk: ‘Niets zekers heeft men ooit, van dit geval vernomen’ (p. 297). Zelfs al zijn er dan andere, door Borcherds niet nader gespecificeerde ‘losse volksgeruchten’ (p. 300, zie citaat hieronder), de mondelinge overlevering kon volgens de historiografische theorie sinds de zeventiende eeuw moeilijk serieus genomen worden.53 Ook volgens Borcherds zijn het ‘op zijn best [...] losse volksgeruchten’.

Voor deze historiografische problematiek vindt Borcherds een literaire oplossing.54 De scheppende dichtkunst en de verbeelding moeten hem helpen om de kloof tussen het koloniale tijdvak en de prehistorie van de Kaap te overbruggen. De verbeelding is in deze taak een ‘geleigeest’ die voor de ‘Dichkunst’ het ‘landschap’ van het verleden onthult en orde brengt in de duistere chaos.

 
Doch laat ons, eer wy van dit oude tydperk scheiden.
 
o Dichkunst, uwe hand nog eens terugge leiden:
 
o Eedle wetenschap! al meldt geen schrift of boek,
 
Al 't geen er, destyds is gebeurd, aan dezen hoek,
 
Schep dan door eigen kracht, den verdren loop der dingen.
 
Zie uw geleigeest zweeft u voor, en, onder 't zingen,
 
Ontdekt zich, als van zelf, elk voorwerp aan uw oog.
 
De nevel klaart reeds op, die eerst 't gezigt omtoog,
 
En, 't gansche Landschap, waar die woeste volken wonen,
 
Begint zich meer en meer, al klaarder te vertoonen.
 
Wat Kolbe, Valentyn, of eenig Schryver meldt,
 
Mag lezenswaardig zyn; doch, wat men ook vertelt
 
Van dezen ouden tyd, en, hoe 't in die gehuchten
 
Eens toeging; op zyn best, zyn 't losse volksgeruchten.
 
Schift, schik dan op 't gelei van uw verbeeldingskracht,
 
Dien duistren Chaos, tot g' uw Dichtwerk hebt volbragt.
 
(p. 300)

Een beroep op de verbeelding had aan het begin van de negentiende eeuw het nodige gezag. Volgens de standaardopvattingen hierover had de verbeelding twee kanten: een productieve en een reproductieve kant. De reproductieve kant van de verbeelding stelt iemand in staat een eerder waargenomen werkelijkheid voor de geest te halen.55 Tot die waargenomen werkelijkheid behoren ook teksten die iemand gelezen heeft, zoals de verhandeling van Kolbe in Borcherds' geval. Anderzijds kan de verbeelding ook productief zijn, dit wil zeggen dat op basis van waarnemingen of gelezen teksten door samenvoeging en afscheiding nieuwe beelden kunnen ontstaan van dingen die men nooit eerder gezien of gelezen heeft.56 Borcherds gebruikt zowel de reproductieve als de productieve verbeelding om zijn representatie van het leven van de Hottentotten tot stand te brengen, waarbij de productieve verbeelding zelfs helemaal zonder hulp (‘door eigen kracht’, p. 300) beelden kan vormen. De rol van de verbeelding komt

[p. 88]

nog eens aan de orde in de onderstaande passage aan het slot van het ‘Gedicht’, waarin Borcherds terugblikt op het vertelproces:

 
Zie daar dan, Lezer! hoe de levenswijze was
 
Van dat oorspronkelyk en zeldzaam menschenras,
 
Hetwelk Van Riebeek vond aan d' Afrikaansche stranden,
 
Toen hy bezitting nam van deze woeste landen;
 
En wat myn Zang-godin, deels door haar eigen kracht,
 
Deels ook door vreemde hulp, en 't licht, haar toegebragt
 
Van vroeger schryvers zich heeft kunnen onderwinden,
 
Om, voor 't verlangde beeld, de trekken uit te vinden,
 
Van die bevolking, die deez' Uithoek eens bezat;
 
Eer eenig Christenvolk, zich hier gevestigd had.
 
(p. 355)

Met de hulp van zijn (scheppende) dichtkunst (‘myn Zang-godin’), gesteund door de productieve verbeelding (‘deels door haar eigen kracht’) en de reproductieve verbeelding (‘Deels ook door vreemde hulp en 't licht haar toegebragt / Van vroeger schryvers’) heeft Borcherds of althans zijn ‘Zang-godin’ de prehistorie van de Kaap te voorschijn gebracht. Als dichtende geschiedschrijver had hij Philip overtroffen.

Het beroep op de dichterlijke verbeelding gaf Borcherds ook de gelegenheid om vrij met zijn bronnen om te springen. Dat is bijvoorbeeld te zien als we de tekst van het ‘Gedicht over de volkplanting’ vergelijken met Kolbe's uiteenzetting, de belangrijkste bron van Borcherds.

Borcherds heeft het werk van Kolbe in hoge mate getransformeerd. Hij doet dat allereerst door de tekst van Kolbe te amplificeren. Dat is bijvoorbeeld het geval in de passage waar de verering van de maan wordt beschreven. Als de Hottentotten terugkeren van de jacht, laat Borcherds ze feest vieren ter ere van de maan, met muziek en dans. Waarom ze dat doen, wordt door Borcherds niet verteld. Kolbe interpreteert dit feest bij volle maan als teken van godsdienstigheid van de Hottentotten. Hij gebruikt het als een argument om het verwijt dat de Hottentotten geen godsdienst zouden hebben, te weerleggen.57 Het dansen bij volle maan, dat bij Kolbe een bewijs van deugdzaamheid is, wordt bij Borcherds echter een inleiding tot sexuele losbandigheid:

 
Der jongelingen schaar, der maagden blyde reyen,
 
Beginnen wyd en zyd, welhaast zich te verspreyen.
 
Nerinaas lonken, en Sosoäas smelt het hart,
 
Dat, in de strikken van een woeste min verward,
 
Een dierelyk genot verzwelgt met volle teugen.
 
Dit noemt dat wilde volk by 't maanlicht zich verheugen!
 
(p. 298)
[p. 89]

De passage over het ‘Maanfeest’ laat trouwens nog meer zien over de werking van Borcherds' verbeelding. De Nederlandse vertaling van Kolbe's oorspronkelijk in het Duits geschreven boek gaat vergezeld van prachtige illustraties van Hottentotten die eruit zien als Griekse atleten en die handelingen verrichten die soms perspectivische verkorting nodig maken. Het zijn oefeningen uit de tekenacademie. Ook de ‘Maanfeest’-passage gaat vergezeld van zo'n afbeelding (afb. 9). Als bij Borcherds gezegd wordt dat de maan ‘Van berg- of heuveltop’ neerschijnt, dan is dit geen verwijzing naar de tekst, maar naar de afbeelding. We hebben hier te maken met ekphrasis, de omzetting van een afbeelding in een beschrijving ervan.58 Dit is een algemeen verschijnsel in het ‘Gedicht over de volkplanting’. Borcherds heeft een sterke voorkeur voor die delen uit Kolbe die van illustraties vergezeld gaan en waarbij de informatie uit de afbeeldingen de tekst aanvult. In twee gevallen wordt in de voetnoten door Borcherds zelfs expliciet naar ‘fraaye afbeeldingen’ in Kolbe's Naauwkeurige en uitvoerige beschryving verwezen.59

Een ander verschijnsel is ten slotte dat Borcherds de delen die hij uit Kolbe's werk gebruikt, anders structureert. Kolbe's relaas is systematisch ingedeeld, op een wijze die verwantschap doet vermoeden met de ars apodemica, de wetenschap van het reizen, die adviseerde om reisbeschrijvingen op te zetten volgens bepaalde categorieën.60 Grofweg zijn Kolbe's hoofdcategorieën: landschap, flora, fauna, mensen. De mensen zijn weer onderverdeeld in Hottentotten en Europese kolonisten. Bij het deel over de Hottentotten worden in afzonderlijke hoofdstukken verschillende karakteristieken behandeld in een aan het tijdelijke, ontheven beschrijving daarvan. Alleen als Kolbe zijn lezers van de waarheid van zijn standpunt wil overtuigen, voert hij concrete en tijdgebonden ervaringen aan.61 De lezer moet dan beseffen dat wat Kolbe zegt, berust op waarneming. Dit is een oud middel om de geloofwaardigheid van beweringen over vreemde volken te versterken.62

Borcherds neemt enkele categorieën van Kolbe - jacht, visvangst, oorlogvoering - in zijn tekst over, maar maakt ze in veel gevallen verhalend door het gebruik van personages die soms eigennamen hebben en die betrokken zijn in een handelingsverloop. Borcherds spreekt bijvoorbeeld niet over oorlogvoering zonder meer, maar over hoe twee stammen met elkaar in conflict raken wegens een geschil. Deze stammen staan onder leiding van Hacqua en Gamman, namen die ontleend zijn aan een hoofdstuk van Kolbe waarin Hottentot-naamgeving aan de orde komt.63 Dit verhalend maken van de stof dient de levendigheid van de tekst (enargeia), wat ook de overtuigingskracht van de tekst vergroot.64

De sleutelrol van de verbeelding in het ‘Gedicht over de volkplanting’, als een middel dat het mogelijk maakt om het onkenbare mee te delen, verklaart ook waarom het gedicht niet als geschiedwerk, maar als dichtwerk wordt gepresenteerd. De vrije wijze waarop Borcherds zijn bron hanteerde zou niet toelaatbaar geweest zijn bij een regulier geschiedwerk aan het begin van de negentiende eeuw. Ook in de voorwetenschappelijke

[p. 90]



illustratie
Afb. 9 Hottentotten die ter ere van de maan dansen (uit: Peter Kolbe, Naauwkeurige en uitvoerige beschryving).

[p. 91]

fase van de geschiedschrijving was dit niet mogelijk, dit wil zeggen voordat de filologisch-kritische methode van Ranke verspreid zon raken.65 De achttiende-eeuwer Jan Wagenaar bijvoorbeeld, wiens werk aan Borcherds bekend was (nzat 1828, p. 266), wil in de ‘Voorrede’ van het eerste deel van zijn Vaderlandsche Geschiedenis uitdrukkelijk doen uitkomen dat hij steeds de beste bronnen zal volgen.66 Wie echter moet schrijven over de vroegste geschiedenis van Nederland, krijgt problemen. De historicus beschikt dan niet over documenten van de ingezetenen, omdat deze analfabeet waren (p. x-xi). Daarom moet je een beroep doen op goed geïnformeerde ‘uitlanders’ zoals Plinius en Tacitus (p. xiii). Waar het om gaat, is dat Wagenaar beweert niet meer te zeggen dan zijn bronnen toelaten. Vandaar dat hij bij de Batavieren begint, want over hen zijn er getuigenissen te vinden in Romeinse geschriften. Over de voorgeschiedenis zegt hij niet meer dan dat er weinig bekend is over de herkomst van de Germanen waartoe de Batavieren behoorden (p. 1-3).

De verwerping van het primitivisme en de voordelen van een koloniaal bewind

Laten we terugkeren tot de hoofdzaak. We zagen al dat het mogelijk is om een intertekstueel verband aannemelijk te maken tussen het ‘Gedicht’ en de Researches van Philip. Philip had willen aantonen dat de Hottentotten oorspronkelijk goed waren, maar dat ze bedorven zijn door de kolonisten. Borcherds laat met een beroep op de verbeelding en het gezag van Kolbe het tegenovergestelde zien. De Hottentotten waren een stel smerige, wellustige, wilde nomaden waaraan niet veel te bederven viel. Het is dan ook niet de schuld van de kolonisten als de Hottentotten in Borcherds' dagen er slecht aan toe waren. Integendeel, de kolonisten boden aan de Hottentotten juist de gelegenheid om de zegeningen van het christendom te smaken. Hun orgiën bij volle maan zijn nu voorgoed vervangen door vormen van christelijke eredienst:

 
En denk, gedankt zy God! die nachten zyn niet meer.
 
Datzelfde volk, looft nu, met Psalm- en Lofgezangen,
 
Wanneer 't de zilvren Maan ziet aan den Hemel hangen,
 
Den Maker van 't Heelal, en bidt dien Schepper aan,
 
Die 't flikrend starrenheer, doet op- en nedergaan.
 
(p. 300)

Daarmee is niet alles gezegd. Het gedicht heeft een wijdere strekking dan alleen de weerlegging van het geschiedbeeld van Philip. Borcherds argumenteert ook op een abstract theologisch-filosofisch niveau. Het ‘ware beeld’ van de Hottentotten in hun oorspronkelijke staat, gebruikt hij in een apostrofisch terzijde als een voorbeeld dat de onhoudbaarheid van het primitivisme moet demonstreren. De ‘Onchristen wysgeer’ heeft ongelijk

[p. 92]

als hij denkt dat de natuurstaat de ideale toestand is voor de mens. Borcherds verdedigt op die manier het anti-primitivistische standpunt, dat de natuurmens in ellende leeft:67

 
[...] Ach wat is het menschdom zonder deugd,
 
En Godsdienst, Ord en Wet!!! Helaas een soort van dieren,
 
Die ongeregeld aan hun drift den teugel vieren!
 
Onchristen wysgeer! zie, zie daar het ware beeld,
 
Van een natuurstaat, in uw heilloos brein geteeld,
 
Dat Paradys, waarheen, gy wenscht, door het verspreiden,
 
Van uwe dwaalleer, ons, in 't eind terug te leiden.
 
(p. 299-300)

De bekendste van deze wijsgeren die het primitivisme propageerden was, ook aan de Kaap, Rousseau.68 Behalve Rousseau was er in de achttiende eeuw overigens een hele horde ‘onchristen’ wijsgeren die er zo over dachten. De wilde is voor hen voorbeeldig in zijn vrijheid, het ontbreken van religiositeit en de afwezigheid van de begeerte naar bezit.69

Ook elders heeft Borcherds in zijn geschriften blijk gegeven van een anti-primitivistische opstelling. In het redactie-archief van het nzat bevindt zich een ongepubliceerd, door Borcherds vertaald gedicht van ‘Johan Nicolas Götz’ (Johann Nicolaus Götz), ‘De gouden eeuw’. Het gedicht neemt als uitgangspunt een verzameling motieven uit de pastorale en de voorstelling van de Gouden Eeuw: de mensen leefden eenvoudig van wat de natuur hun gaf, er was geen oorlog, men hield zich slechts bezig met de kunsten en zo voort. Vervolgens wordt in het gedicht beweerd dat deze voorstelling een product was van dichterlijke verbeelding, waarbij de verbeelding hier overigens een aanwijzing is voor de ongeloofwaardigheid van de voorstelling. Tegenover de - in dit geval - leugenachtige dichterlijke verbeelding wordt de waarheid van de bijbel gesteld die een ander verhaal vertelt.

 
Geen Gouden eeuw was er dan in der dichtren verbeelding,
 
Elk hunner zag niets dan stof slegts tot klagen
 
Over de Kortheid dier eeuw, en bejammert zyn noodlot,
 
Dat ook hij zelve, te laat is gebooren geworden!
 
Wat ons betreft Christenen! Wy leezen iets beters
 
In de boeken der waarheid: daar zien wy de reedenen
 
Waarom van deez aarde die goudene eeuwen verdweenen!
 
En andre ontstaan zyn van yzer! de Zonden der menschen,
 
Hebben die purpere dagen steeds van deezen aardkloot verdreeven!
 
Van, dat zy het bloed, had, des eersten Herders [Abel] gedronken,
 
Heerschten oorlog en Honger en doodlyke plaagen
 
Zo is dit alles slegts een fraij Milesisch vertelsel,70
 
En van ouds, wierd het Menschdom gestrafd, en was strafbaar!
[p. 93]

De reden voor de verwerpelijkheid van alle primitieven en daarmee eveneens van de Hottentotten, is voor Borcherds het ontbreken van ‘Godsdienst, Ord en Wet’, zoals hij twee maal in het ‘Gedicht’ opmerkt.71 Als deze gehoorzaamheid niet bestaat, worden de mensen ‘Helaas een soort van dieren, / Die ongeregeld aan hun drift de teugel vieren!’ (p. 299). In Borcherds' moraal-theologie is deze noodzaak van gehoorzaamheid aan (christelijke) wetten een centrale leerstelling. We treffen haar ook aan in twee andere teksten: de ‘Reedevoering over het Christendom’ en het al genoemde ‘leerdigt’ De Maan.

Het christendom is voor Borcherds in de ‘Reedevoering’ het middel dat het afglijden van de mensheid naar een dierlijke staat verhoedt, omdat het christendom zedelijke regels voorschrijft en een vergelding voor goed en kwaad handelen in het vooruitzicht stelt.72 Op dezelfde wijze schrijft hij hierover in zijn ‘leerdigt’ De Maan. Als de tot zedelijkheid aansporende religie wegvalt, vervalt de mens tot ‘[e]lk mooglik pligtverzuim, en ongebonden zeên’.73 In concreto kan dit dronkenschap, ‘geheime minnarye’, nijd en gierigheid betreffen (p. 6-7).

De Hottentotten in natuurstaat en de primitieven hebben een gemeenschappelijke noemer en dat brengt de twee kwesties, de abstracte kwestie van de mens die in een natuurstaat leeft en de specifieke, politiek geladen zaak van de Hottentot, bij elkaar. De Hottentot en de wilde zijn te veroordelen omdat ze geen gehoorzaamheid aan godsdienst en wet kennen. Deze beredenering van hun verwerpelijkheid is in het ‘Gedicht’ de basis voor een rudimentaire koloniale ideologie.74 Tegen de achtergrond van de kritiek op de kolonistengemeenschap in de Researches heeft deze ideologie een element van rechtvaardiging in zich, iets wat in koloniale ideologieën een voorname rol speelt.75

Het verband tussen de komst van de kolonisten en de verbreiding van het christendom in Zuid-Afrika was door Borcherds eerder gelegd in een tot God gericht voorwoord waarmee het eerste nummer van het nzat in 1824 begon:

Weinig jaren meer dan eene en eene halve eeuw geleden, was deze Volkplanting, deze zuidelykste punt der oude wereld, nog een stikdonker land, - een land der duisternis en der schaduwe des doods. Een wild en heidensch volk bewoont het, weinig in zyne denkbeelden en neigingen verheven boven het wreed en woest gedierte, hetwelk het omringde. Maar, Gy spraakt, ook daar zy licht! en het was alzoo. Een handvol menschen, belyders van den Christelyken Godsdienst, landde, zette zich neder aan dezen uithoek, bouwde eenen Tempel ter uwer eer en voerde een heilig woord hier in. (‘Overdenkingen van E.D.P.; A Jove principium’, nzat, 1824, p. 5-6)

In het citaat is het betoog van het ‘Gedicht’ in de kern al aanwezig. In het ‘Gedicht’ lijkt Borcherds zijn visie op het koloniale bestel alleen met gebruikmaking van Kolbe te hebben uitgewerkt. Nieuw, ten opzichte van de inleidende woorden in het nzat van 1824, is dat Borcherds' visie op het

[p. 94]

koloniale bestel na Philips kritiek van 1828 vooral als rechtvaardiging gaat klinken. De representatie van de Hottentotten in hun natuurstaat door Borcherds ‘bewijst’ het ongelijk van Philip en wijst op de heilzame invloed van de kolonistengemeenschap op de Hottentotten. Borcherds' stellingna-me in zijn ‘Gedicht over de volkplanting’ heeft ten opzichte van zijn voorwoord bij de eerste aflevering van het nzat in 1824 aan politieke relevantie gewonnen. Misschien kan men ook nu pas, in 1832, na het optreden van Philip, een ideologische functie aan Borcherds' redenering toekennen. Door de nieuwe omstandigheden waarbij de kolonisten-gemeenschap ideologisch onder druk kwam te staan, is het vermogen van deze redenering om de aanvallen van Philip te neutraliseren geactiveerd. De politieke relevantie in een als problematisch ervaren werkelijkheid maakt een representatie volgens Clifford Geertz tot een ideologie.76

De Hottentotten leefden zoals alle primitieve volkeren in wetteloosheid. Dat is de oorzaak van hun ellende, niet uitbuiting door de kolonisten, zoals Philip beweerde. De komst van de Europeanen gaf hun juist uitzicht op verbetering van hun lot, omdat de Europeanen het christendom met zijn wetten meebrachten. Door de komst van de kolonisten is aan de onhoudbare toestanden waarin ze leefden een einde gekomen. De Hottentotten vieren in 1830 geen orgiën meer bij volle maan, maar zingen dan psalmen. Aan het slot wordt nog eens opgemerkt dat het liederlijke leven van de Hottentotten bestond ‘Eer enig Christenvolk, zich hier gevestigd had’ (355). Bij implicatie is het de verdienste van de Europeanen dat zij het waren die de Hottentotten de gelegenheid hebben geboden om zich van hun binding aan hun driften te bevrijden. Een dergelijke argumentatie heeft als onderdeel van een meer omvattende koloniale ideologie tot ver in de twintigste eeuw dienst gedaan, in Zuid-Afrika minstens tot in de jaren vijftig.77 Zo werd er ter gelegenheid van de Van Riebeeck-herdenking in 1952 door de Pro Ecclesia Drukkery van de Nederduits Gereformeerde Kerk een pamflet van zeven bladzijden uitgebracht, Die koms van Jan van Riebeeck. Was dit ramp of redding?78 Het pamflet biedt een beschouwing over de betekenis van het begin van Europese kolonisatie voor de zwarte en kleurling-lidmaten van de Nederduits Gereformeerde Sendingkerke, aan wie het pamflet gericht was. Hun werd voorgehouden om de komst van Jan van Riebeeck als een redding te zien, onder andere omdat de kolonisten beschaving en christendom hadden meegebracht: ‘[...] met die witman [het] ook die blye boodskap van die Evangelie na hierdie eertydse land van heidendom, afgodery en geestelike duisternis gekom’ (p. 6). Borcherds had het kunnen zeggen.

1M.D. Teenstra, De vruchten mijner werkzaamheden, gedurende mijne reize, over de Kaap de Goede Hoop, naar Java, en terug over St. Helena, naar de Nederlanden. Eerste deel. (F.C.L. Bosman, ed.) Kaapstad 1943 (Groningen 1830).
2Teenstra, p. 156; ‘De merkwaardige grot’, in: nzat 1 (1824), p. 180-4, 260-265, 348-353.

3Zie hiervoor hoofdstuk 2.
4Een verzameling van religieuze gedichten in handschrift is Die verseboek van die Bosmans met gedichten van 1773 tot 1814 (Argief van die Drakensteinse Heemkring). Hierover: A.L. Vermaak, Die geskiedenis van Kuilsrivier, 1652-1905. Ongepubl. magister-verhandeling, Universiteit Stellenbosch, 1993, p. 223-229; 254-270.
5F.C.L. Bosman, Drama en toneel in Suid-Afrika. Deel I: 1652-1855. Kaapstad/ Pretoria 1929, p. 160, 56.
6F.C.L. Bosman, Drama en toneel in Suid-Afrika, p. 253.
7W.S. van der Westhuizen, ‘Onderwys onder die algemene skoolkommissie: die periode 1804-39’, in: Argief-jaarboek 16,2 (1953), p. 12-14.
8Toen Vermaak door het Bataafse bewind in 1803 werd voorgedragen als raadslid, kwamen er echter protesten. Men vond het onaanvaardbaar geregeerd te worden door iemand wiens moeder een slavin geweest was. Huidskleur werd niet als reden genoemd (H. Giliomee, Die Kaap tydens die eerste Britse bewind, Kaapstad 1976, p. 22).
9Kaapstad 1911, p. 1. Behalve Vermaak en Vos waren aan het begin van de negentiende eeuw nog meer prominente Kapenaren gedeeltelijk van niet-Europese afkomst (W.M. Freund, ‘Race in the social structure of South Africa, 1652-1836’, in: Race and class 18,1 (1976), p. 53-67).
10Het precieze tijdstip waarop een drukpers geïnstalleerd is, is niet bekend (zie: inleiding).
11De Maan, een leerdigt, ‘1ste’ en ‘2de stuk’, Caap Stad 1802; ‘3de’ en ‘4de stuk’, Caap Stad 1803 (Herdruk in: Early Cape printing / Vroeë Kaapse drukwerk 1796-1802, Kaapstad 1971).
12Volgens een scribent in het nzat (1828, p. 464) was het nzat het ‘eerste Zuid-Afrikaansch produkt van letterkunde’.
13In: G.M. Theal (ed.), Records of the Cape Colony, from May 1823 to January 1824, Deel 16, Londen 1902, p. 322-323. Een Nederlandse prospectus heb ik niet kunnen vinden.
14‘Programma van het Zuid-Afrikaansch Tydschrift’ (nzat 1824, nr. 1, ongep.).
15‘Programma van het Zuid-Afrikaansch Tydschrift’ (nzat 1824, nr. 1, ongep.).
16Aan de lotgevallen van het South African Journal wordt uitgebreid aandacht gegeven door A.M.L. Robinson, None daring to make us afraid. A study of English periodical literature in the Cape Colony from its beginnings in 1824 to 1834, Kaapstad 1962. Robinson geeft geen speciale aandacht aan het nzat.
17Het onderstaande zijn enkele opmerkingen, gebaseerd op de vroegste jaargangen van het nzat. Hoewel het nzat zeker meer aandacht verdient, valt dit buiten het bestek van deze studie.
18‘Naamlyst der inteekenaren voor het derde deel van het Nederduitsch Zuid Afrikaansch Tydschrift gedurenden het jaar 1826’ (nzat 3, 1826).
19Uit de alfabetische ‘Naamlijst der Inteekenaren’: ‘Bibliotheek, de Z[uid] A[frikaansche]’; ‘Boekery, Nederduitsche’; ‘Leesgezelschap, Het Javaasch’. Deze instituties waren volgens de ‘Naamlyst’ allemaal in Kaapstad gevestigd.
20Bijvoorbeeld in: ‘Toegift van dien schryver’, in: nzat 5 (1828), p. 463-468; ‘Naschrift’, in: nzat 12 (1835), p. 465-472.
21W.W. Mijnhardt geeft een korte uiteenzetting over het nieuwe beschavingsideaal in Tot Heil van 't Menschdom. Culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815, Amsterdam 1988, p. 265-272. Het oude beschavingsideaal, dat in Nederland in de zestiende eeuw was geïntroduceerd, zocht voor de wetenschappen en de persoonlijkheidsvorming inspiratie in de klassieken. Het bereik van dit beschavingsideaal was beperkt tot de elite (Mijnhardt, p. 267). Verder over dit nieuwe beschavingsideaal: Bernardus Kruithof, Zonde en deugd in domineesland. Nederlandse protestanten en problemen van opvoeding van de zeventiende tot de twintigste eeuw, diss. Amsterdam 1990, p. 60-95.
22Predikanten worden in de ‘Naamlyst’ van 1826 aangeduid als ‘De Wel Eerw.’ Het gaat om de volgende predikanten van Britse herkomst in dienst van de Nederduits Gereformeerde Kerk: C. Fraser (sabw ii, p. 243-4), A. Murray (sabw i, p. 598-600), G. Thom (sabw ii, p. 762-4), A. Smith (A. Dreyer, Boustowwe vir die geskiedenis van die Nederduits-gereformeerde kerke in Suid-Afrika. Deel III 1804-1836, Kaapstad 1936, p. 182), G. Morgan (Suid-Afrikaanse Biografiese Woordeboek. Naamlys van persone oorlede voor 31 Desember 1950 wat voorgestel word vir opname in die hoofreeks, Kaapstad 1968, p. 211), J. Taylor (sabw iii, p. 800-801).
23In Nederland was het vaderlands gevoel aan het einde van de achttiende eeuw ‘verdiept’ tot een ‘ware vaderlandcultus’ (N.C.F. van Sas, ‘Vaderlandsliefde, nationalisme en vaderlands gevoel in Nederland, 1770-1813’, in: Tijdschrift voor geschiedenis 102 (1989), p. 471-495, m.n. p. 473). Een gemeenschappelijk vaderlandgevoel is vóór die tijd wel al gepropageerd in de literatuur, hoewel er ‘niet één gemeenschappelijk vaderlandsconcept’ bestond en er reden is om je af te vragen ‘hoe “diep” vaderlandse gevoelens in werkelijkheid gereikt hebben’ (Marijke Meijer Drees, ‘Patriottisme in de Nederlandse literatuur (ca. 1650-ca. 1750)’, in: De nieuwe taalgids 88 (1995), p. 247-260). Overigens ligt het buiten mijn doelstellingen om de wording van het Nederlandse vaderlandgevoel hier te traceren. Het volstaat om te kunnen vaststellen dat een dergelijk gevoel aan het einde van de achttiende eeuw de omvang had van een cultus. Gezien de al eerder gesignaleerde verbindingen met de Nederlandse Verlichting op het punt van het genootschapswezen en de Verlichtings-idealen, bestaat er misschien ook een verband met de Nederlandse Verlichting op het punt van het ontstaan van een Zuid-Afrikaans vaderlandgevoel.
24‘Het portret van Riebeek’, in: nzat 6 (1829), 379-380.

25Over Borcherds' pseudoniem: ‘[D]eze en vele stukken, gedrukt onder de letters E.D.P. zyn kenmerken van zyn [Borcherds'] verstand en hart, en den yver welken hy bezat om het algemeen van nut te zyn’ (uit: ‘Een kort levensberigt van den wel-eerw. heer M. Borcherds, in zyn leven predikant te Stellenbosch, aldaar over leden den 28 february 1832’, in: nzat 9 (1832), 137-153, m.n. p. 143).
26Petrus Borchardus Borcherds, An autobiographical memoir, Kaapstad 1963 (1861), p. 9-10.
27Bernardus Kruithof, Zonde en deugd in domineesland, p. 60; P.J. Buijnsters, ‘“De kleine republiek”: het gezin in de Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw’, in: Documentatieblad 18e eeuw 24 (1992), p. 87-103, m.n. p. 89.
28nzat 1826, p. 337. ‘De Levensreis werd in vier afleveringen in het nzat gepubliceerd: 3 (1826), p. 337-341, 418-423; 4 (1827), p. 22-26, 112-118.
29Op 13 oktober 1826,16 februari 1827, 8 juni 1827, 22 juni 1827, 21 december 1827 worden er in de notulen van het nzat klachten aangetekend over het werk van Borcherds (Notulen Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift, ka, Misc. 96).
30Over zijn werk als componist: Meent Borcherds, Ses menuette uit 'n manuskripboek van Ds. Meent Borcherds versorg deur Jan Bouws, Kaapstad z.j. Over Borcherds als middelpunt van het sociale leven: P.B. Borcherds, An autobiographical memoir, p. 9.
31A.H. Huussen Jr. en S.B.I. Veltkamp-Visser(ed.), Dagboek en brieven van Mewes Jans Bakker (1764-1824). Een Friese zendeling aan de zuidpunt van Afrika, Amsterdam 1991, p. 37-44. S.B.I. Veltkamp, Meent Borcherds. Predikant in overgangstijd (Jengum 1762 - Stellenbosch 1832), ongepubl. diss., unisa 1977, p. 154-220. Het proefschrift van mevrouw Veltkamp biedt voornamelijk informatie over Borcherds als predikant. Verder nog over Borcherds: W.B. van der Vyver, ‘Die geskiedenis van die Stellenbosse gemeente (1800-1830)’, in: Argiefjaarboek 21,1 (1958), p. 215-341, m.n. 317-326.

32Aeneïs, boek 1, r. 543-544.
33Vgl. de Klare besgryving van Cabo de bona Esperanca, Amsterdam 1652 (fotomechanische herdruk van idem, Kaapstad 1952).
34Peter Kolbe, Naauwkeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop, 2 delen, Amsterdam 1727. (Vertaling van: Capvt Bonae Spei Hodiernum: Das ist des Africanischen Vorgebirges der Guten Hofnung [...], Nürnberg 1719.) Engelse en Franse vertalingen van Kolbe's boek verschenen in 1731 en 1742. Borcherds zegt in een voetnoot dat Kolbe (in Nederlandse vertaling) zijn belangrijkste bron was (p. 298). Kolbe verbleef van 1705 tot 1713 aan de Kaap, waar hij met aanbevelingen van onder andere Nicolaas Witsen was aangekomen. Aanvankelijk verrichtte hij allerlei natuurkundige studies. Van 1711 tot 1713 was hij secretaris van de voc in Stellenbosch en Drakenstein (O.F. Raum, ‘Kolb(e)(n), Peter’, in: sabw iii, p. 487-488).
35Dit is een van de topen in de voorstelling van de ‘primitieven’ tot in de twintigste eeuw (J. Nederveen Pieterse, Wit over zwart. Beelden van Afrika en zwarten in de westerse populaire cultuur, Amsterdam/Den Haag [1990], p. 34-35).

36John Philip, Researches in South Africa, 2 delen, Londen 1828, deel 1, p. xv.
37Zie voor de verheerlijking van de edele wilde in de Engelse literatuur: H.N. Fairchild, The noble savage. A study in romantic naturalism, New York 1928.
38De door Philip gewenste wetgeving, in de vorm van ‘Ordinance 50’ is er inderdaad mede onder invloed van Philip gekomen in 1828. De wet die de Hottentotten voor de wet gelijk stelde aan de blanke kolonisten veranderde echter niets aan de slechte economische positie van de Hottentotten (W.M. Macmillan, The Cape colour question, Kaapstad 1968, p. 220; R. Elphick en H. Giliomee, ‘The origins and entrenchment of European dominance at the Cape, 1652-c. 1840’, in: The Shaping of South African Society, 1652-1840, Kaapstad 1992, p. 521-566, m.n. p. 556).
39Voor algemene opmerkingen over de reactie op Philip: André du Toit en Hermann Giliomee, Afrikaner political thought. Analysis and documents. Volume one: 1780-1850, Kaapstad/Johannesburg 1983, p. 210-213; Robert Ross, Beyond the pale; Essays on the history of colonial South Africa, Hanover/Londen 1993, p. 192-212.
40John Philip, Researches I, p. 353-355.
41W.M. Macmillan, The Cape colour question, p. 225.
42nzat 1830, p. 218-228,373-383.
43nzat 1830, p. 373-383, m.n. p. 374.
44Het Dagregister was in afleveringen verschenen in het nzat.
45Notulen Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift, ka, Misc. 96.
46‘De ongesteldheid des Grysaards [Borcherds] begon zich reeds in het begin van 1830 merkbaar te vertoonen, door zwaarmoedigheid, en eene vrees dat hy plotseling zoude worden verplaatst’ (‘Een kort levensberigt van den Wel.-Eerw. Heer M. Borcherds, in zyn leven predikant te Stellenbosch, aldaar overleden den 28 February 1832’, in: nzat 9 (1832), p. 137-153, m.n. p. 138).
47Zie voor het probleem van de concurrentie tussen historische representaties: Ann Rigney, The rhetoric of historical representation. Three narratives of the French revolution, Cambridge 1990, p. 48.
48Kolbe wordt door Philip vreemd genoeg als een reclame-maker voor kolonisatie afgedaan (Researches I, p. 40). Kolbe wordt door historici nog steeds gezien als een van de belangrijkste bronnen over het leven van de Khoi, vertelde mij de Leidse historicus Robert Ross.

49Naauwkeurige beschryving I, p. 501. Zie ook: I, 517, 519, 521; II, 17, 58, 136, 149.
50Kolbe, in de Engelse literatuur steevast aangeduid als Kolb, heeft een goede pers in het politiek-correcte werk van Marie Louise Pratt, Imperial eyes. Travel writing and transculturation, Londen 1992, p. 41-49. Overigens vergelijkt Kolbe de Hottentotten ook regelmatig met de Troglodyten (‘grotbewoners’), een van de minder sensationele Plinische rassen. Hun luiheid en gewoonte om half-rauwe darmen te eten zouden de Hottentotten met dit volk gemeen hebben (Kolbe, II, 60-1, 64; verder: I, 511; II, 17-8, 59, 126-7). Over de Troglodyten zie: John Block Friedman, The monstrous races in medieval art and thought, Cambridge/Londen 1981, p. 19, 21.
51Dertien voetnoten van het ‘Gedicht’ verwijzen naar Kolbe. Vooral de voetnoot op p. 298 is van belang: ‘Alle deze en soortgelyke schetsen zyn uit Kolbe meest ontleend’. Dit schept de indruk dat Kolbe de basis is van de representatie in het ‘Gedicht’, zelfs wanneer dit feitelijk niet het geval is.

52Borcherds verwijst hier naar een voetnoot bij een inleidend artikel in het nzat over het ‘Dagverhaal’ van Van Riebeeck (nzat 1824,109).
53E.H. Waterbolk, ‘Zeventiende-eeuwers in de Republiek over de grondslagen van het geschiedverhaal. Mondelinge of schriftelijke overlevering?’, in: J.A.L. Lancée (red.), Mythe & Werkelijkheid, Utrecht 1979, p. 9-24.
54Als dat nodig geweest zou zijn, had Borcherds dit met Aristoteles' Poetica in de hand kunnen verantwoorden. Het verschil tussen geschiedschrijving en dichtkunst hangt volgens Aristoteles niet af van de vorm, maar van de vraag of de tekst handelt over wat gebeurd is (geschiedschrijving) of wat had kunnen gebeuren. Bij dit onderscheid is het niet van belang of er in verzen of proza geschreven wordt. Ook als Herodotus' werk wordt omgezet in verzen, blijft het nog behoren tot de geschiedschrijving (Aristoteles, Poetica, 51a30-51b13).
55G.J. Johannes, Geduchte verbeeldingskracht! Een onderzoek naar het literaire denken over de verbeelding - van Van Alphen tot Verwey, diss. Amsterdam 1992.
56Johannes, Geduchte verbeeldingskracht!, p. 60, 47-48.
57Zie Kolbe's hoofdstuk xxiv: ‘Van den Godsdienst der Hottentotten; en hoe zy dezelve verrigten, of den Schepper aller dingen eere bewyzen’ (Kolbe i, p. 488-504, m.n. 494). Het verwijt dat primitieve volkeren atheïstisch zijn, is in de moderne tijd vrij algemeen (H. Clastres, ‘Religion without gods: the sixteenth century chroniclers and the South American savages’, in: History and anthropology 3 (1987), p. 61-82).
58Ekphrasis moet onderscheiden worden van pictoralisme (schilderen met woorden) en iconiciteit (bijvoorbeeld: ‘Zeppelin’ van Paul van Ostayen, een woord in een gelijknamig gedicht in de vorm van een luchtschip): ‘What distinguishes those two things from ekphrasis is that each one aims primarily to represent natural objects and artifacts rather than works of representational art’, zoals wel het geval is bij ekphrasis (James A.W. Heffernan, ‘Ekphrasis and representation’, in: New literary history 22 (1991), p. 297-316, m.n. p. 299; in dezelfde geest: Grant F. Scott, ‘The rhetoric of dilation: ekphrasis and ideology’, in: Word & Image 7 (1991), p. 301-310).
59Voetnoten op p. 351 en 354.
60Zie hoofdstuk 1.
61Bijvoorbeeld: Kolbe, ii, p. 171.
62François Hartog, Le miroir d'Hérodote, Paris 1980, p. 259-262.
63‘Van der Hottentotten Plechtigheden en gebruiken, welke zy by de Kraamvrouwen in acht nemen; en in 't byzonder, hoe zy te werk gaan en wat zy doen, wanneer een vrouw Tweelingen ter waereld brengt’ (Kolbe ii, p. 1-11).
64Over ‘enargeia’: H. Lausberg, Handbuch der literarischen Rhetorik, München 1960, p. 400.
65S. Groenveld, Hooft als historieschrijver, Weesp 1981, p. 48-49.
66‘Voorrede’ in: [Jan Wagenaar], Vaderlandsche Historie, Eerste deel. Amsterdam etc. 1782, p. ix. Jan Wagenaar was de meest populaire Nederlandse geschiedschrijver aan het einde van de achttiende eeuw (vgl. A.Th. van Deursen, ‘Wijsgerige geschiedschrijving in Nederland’, in: Lancée, Mythe & Werkelijkheid, p. 103-120, m.n. p. 113).

67Anti-primitivisme, de afwijzing van het leven in natuurstaat als ideaal, is bijna zo oud als de verheerlijking van het primitieve leven. Vgl. Arthur O. Lovejoy en George Boas, Primitivism and related ideas in antiquity, New York 1965.
68nzat 1834, 281. Rousseau had aan de ‘edele wilde’ aandacht gegeven in zijn Discours sur l'origine de l'inégalité parmi les hommes, Parijs 1954 (1755).
69H. Clastres, ‘L'idéologie de la conquête: sauvages et civilisés au xviiie siècle’, in: F. Châtelet (éd.), Les idéologies, deel 3, Verviers 1981, p. 191-210. Ook: Urs Bitterli, ‘Der “Edle Wilde”’, in: Thomas Heye (Hrsg.), Wir und die Wilden. Einblicke in eine kannibalische Beziehung, Reinbek 1984, p. 270-289.
70Een Milesisch verhaal (‘sermo Milesius’) was eigenlijk een obsceen verhaal (Charlton T. Lewis en Charles Short, A Latin dictionary, Oxford 1973, p. 1143). Hier lijkt het echter meer zoiets te betekenen als een verhaal waarin men graag zou willen geloven, maar dat onwaar is.
71p. 299,353.
72Voor een samenvatting van de ‘Reedevoering over het Christendom’ zie: S.B.I. Veltkamp, Meent Borcherds, predikant in overgangstijd, p. 100. De tekst was onvindbaar in de Kaapse Argiefbewaarplek (oorspr. in: Privaat Argief M. Borcherds).
73‘1ste Stuk’, p. 7.
74Een rudimentaire ideologie, omdat we niet te maken hebben met wat Clifford Geertz een systeem van ‘interacting symbols’, ‘patterns of interworking meaning’, een ‘symbolic framework’ noemt (Clifford Geertz, ‘Ideology as a cultural system’, in: The interpretation of cultures, Londen 1973, p. 193-233). Geertz probeert een ideologie-theorie te ontwikkelen die cultuurtheoretisch gericht is en meer een analytisch model is dan een politiek argument, zoals bij andere ideologie-theorieën maar al te vaak het geval is.
75Voor het soort rechtvaardigingsargument dat Borcherds hanteert zie: Raymond Kennedy, ‘The colonial crisis and the future’, in: Ralph Linton (ed.), The science of man in the world crisis, New York 1950, p. 306-346; David Spurr, The rhetoric of empire. Colonial discourse in journalism, travel writing, and imperial administration, Durham/London 1993; Edward Said, Culture and imperialism, p. 69.
76Clifford Geertz zegt hierover het volgende: ‘Ideology is a response to strain. [...] It is a loss of orientation that most directly gives rise to ideological activity, an inability, for lack of usable models, to comprehend the universe of civic rights and responsibilities in which one finds oneself located. [...] Whatever else ideologies may be [...] they are, most distinctively, maps of problematic social reality and matrices for the creation of collective conscience’ (Clifford Geertz, ‘Ideology as a cultural system’, p. 219-220). Door het optreden van de zendelingen was dat ook het geval aan de Kaap.
77Het behoorde volgens Raymond Kennedy in de twintigste eeuw tot de vijf gangbare argumenten om kolonialisme te verdedigen (Raymond Kennedy, ‘The colonial crisis and the future’. Ook: David Spurr, The rhetoric of empire en J.M. du Preez, Africana Afrikaner. Master symbols in South African school text books, Alberton z.j.).
78Z.j. en z.p.
terug  begin  verder