Geschiedwetenschap / hedendaagsche cultuur


auteur: Johan Huizinga


bron: Johan Huizinga, Geschiedwetenschap / hedendaagsche cultuur. Verzameld werk VII. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 313]

In de schaduwen van morgen
Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd*

Habet mundus iste noctes suas et non paucas Bernard van Clairvaux
Aan mijn kinderen

Voorrede tot den eersten en tweeden druk

Dit boek behelst de uitwerking van een voordracht, die ik op 8 Maart 1935 te Brussel hield.

Het is mogelijk, dat velen mij op grond van deze bladzijden een pessimist zullen noemen. Ik heb slechts dit te antwoorden: ik ben een optimist.

Leiden, 30 Juli 1935

Voorrede tot den zevenden druk

Wanneer na ruim drie jaren dit boek nogmaals verschijnt in onveranderden herdruk, leide men daaruit niet af, dat de schrijver zich van alle kritiek, die tegen zijn meeningen is ingebracht, niets heeft aangetrokken. Hij is zich voor en na menige leemte, menige minder geslaagde uiteenzetting in zijn betoog bewust geworden. Evenwel een werk over vragen zoo brandend als de hier behandelde, een geschrift zoo zeer ontsproten aan het inzicht van één bepaald tijdstip, moet men, indien er na drie jaar nog vraag naar blijkt te bestaan, òf opnieuw en dan uit den aard der zaak anders schrijven, òf het laten, zooals het zijn weg heeft gevonden. Tot het eerste was mijn inzicht niet rijp: de tijden zijn verwarder dan ooit tevoren.

Van een paar punten slechts wil deze nieuwe voorrede bondig rekenschap geven. Velen hebben mij gevraagd: ge ziet onzen tijd en onze beschaving zóó zwart, en ge noemt u zelf niettemin een optimist? - Ik antwoord: ja, dat doe ik. Optimist noem ik niet hem, die bij de dreigendste teekenen van verval en bederf luchthartig uitroept: kom, het is zoo erg niet! het komt alles wel op zijn pootjes terecht! Optimist

[p. 314]

noem ik hem, die, ook waar een weg tot beter nauwelijks zichtbaar is, toch de hoop niet laat varen.

Velen hebben mij gezegd: gij biedt een diagnose van het euvel, maar laat noch een prognose noch een therapie volgen. - Dat ik geen prognose vermocht te geven, had ik zelf verklaard (6e druk p. 200). Zich aan een therapie te wagen, waar het kwaad zoo diep is ingevreten, zou nog vermeteler zijn geweest. Mogelijkheden van genezing aanduiden, dat was het stoutste, waartoe ik mij verheffen dorst. Iets nader ben ik hierop ingegaan in mijn opstel Der Mensch und die Kultur, Schriftenreihe ‘Ausblicke’, Stockholm, Bermann-Fischer Verlag, 1938.

Laat ieder voor zich uitmaken, of hij de kansen op herstel gestegen acht. Het zij ja of neen, op het behoud van moed en vertrouwen en het vervullen van den eigen plicht komt het aan.

 

Leiden, 11 December 1938