noem ik hem, die, ook waar een weg tot beter nauwelijks zichtbaar is, toch de hoop niet laat varen.
Velen hebben mij gezegd: gij biedt een diagnose van het euvel, maar laat noch een prognose noch een therapie volgen. - Dat ik geen prognose vermocht te geven, had ik zelf verklaard (6e druk p. 200). Zich aan een therapie te wagen, waar het kwaad zoo diep is ingevreten, zou nog vermeteler zijn geweest. Mogelijkheden van genezing aanduiden, dat was het stoutste, waartoe ik mij verheffen dorst. Iets nader ben ik hierop ingegaan in mijn opstel Der Mensch und die Kultur, Schriftenreihe ‘Ausblicke’, Stockholm, Bermann-Fischer Verlag, 1938.
Laat ieder voor zich uitmaken, of hij de kansen op herstel gestegen acht. Het zij ja of neen, op het behoud van moed en vertrouwen en het vervullen van den eigen plicht komt het aan.
Leiden, 11 December 1938