terug  begin  verderprepost
[p. 76]

IV De ridder-idee

De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee getrokken: het wapenfeit van den aartsengel Michael was ‘la première milicie et prouesse chevaleureuse qui oncques fut mis en exploict’; van hem neemt de ridderschap haar oorsprong; als ‘milicie terrienne et chevalerie humaine’ is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods troon1. De innige verbinding van de ridderwijding met godsdienstige gedachten spreekt bijzonder duidelijk uit de geschiedenis van Rienzo's ridderbad2. De Spaansche dichter Juan Manuel noemt haar een soort sacrament, dat hij met doop en huwelijk vergelijkt3.

Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar den universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide plannenmaker Philippe de Mézières, die droomde van een ridderorde, welke al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn Songe du vieil pelerin een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van Frankrijk, - het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd -, zal gemakkelijk vrede kunnen sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden strijd als hij. Zij moeten persoonlijk over dien vrede met elkander spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken, rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van Frankrijk maar wat grenssteden en

[p. 77]

kasteelen afstaan. Terstond na den vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der landen zal hervormd worden; een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken, om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om Tataren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren1. Niet onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in het vriendschappelijk verkeer van Mézières met den jongen Lodewijk van Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde, zij het met meer bijmenging van practische en baatzuchtige politiek, in die droomen van vrede en kruistocht2.

Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen, dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke wapenfeiten3. Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen aflegger der ridderepiek: Méliador, met zijn geest zwelgt in ideale ‘prouesse’ en ‘grans apertises d'armes’, schrijft zijn journalistenpen voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet.

Het is alsof de geest van deze schrijvers, - een ondiepe geest, moet men zeggen -, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm, waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos, schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een

[p. 78]

chronisch proces van geïsoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht door zeer algemeene traditioneele ideeën en voor een deel door een onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet in staat om in dit alles een reëele maatschappelijke ontwikkeling te erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met het inzicht van een geschiedschrijver als Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt. De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving1. De statuten van het Gulden. Vlies geboden het opteekenen van ridderlijke wapenfeiten; Lefèvre de Saint Remy, genaamd Toison d'or, of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning-geschiedschrijver genoemd worden.

 

Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal, opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het ridderwezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij zegt: ‘La gloire des princes pend en orguel et en haut péril emprendre; toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se dit orgueil’2. Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke ver-

[p. 79]

houdingen - zegt Taine1 - de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij de aristocratie de hoogmoed: ‘or, parmi les sentiments profonds de l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre à se transformer en probité, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son propre respect, et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter’. Taine heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien. De werkelijke geschiedenis der aristocratieën geeft overal een beeld, waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang. Des ondanks blijft - als omschrijving van het aristocratisch levensideaal - Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van het Renaissance-eergevoel. ‘Es ist die rätselhafte Mischung aus Gewissen und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch übrig bleibt, auch wenn er durch oder ohne seine Schuld alles übrige, Glauben, Liebe und Hoffnung eingebüsst hat. Dieses Ehrgefühl verträgt sich met vielem Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Täuschungen fähig; aber auch alles Edle, das in einer Persönlichkeit übrig geblieben, kann sich daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kräfte schöpfen.’2

De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende eigenschappen van den Renaissance-mensch3. Hij stelt tegenover de standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche samenleving buiten Italië nog bezielden, een gevoel van algemeen-menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italië te groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst, de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest van het quattrocento. Froissart laat de afspraak voor het Combat des trente (27 Maart 1351) tusschen

[p. 80]

messires Robert de Beaumanoir en den Engelschen kapitein Robert Bamborough door den laatste besluiten met de woorden: ‘en zoo zullen wij maken, dat men ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, op pleinen en andere plaatsen over de wereld’1. Chastellain, in zijn waardeering van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin reeds volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:

 
‘Honneur semont toute noble nature
 
D'aimer tout ce qui noble est en son estre.
 
Noblesse aussi y adjoint sa droiture.’2

Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van hemelsch loon3.

Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige godsdienstige of zedelijke motiveering, louter om roem en eer, en - enfant terrible als hij is - om carrière4.

Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil. Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen in de ideeënsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning René ziet in een gedicht in bonte mengeling de grafteekens van Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troïlus dooreen, alle versierd met hun blazoenen5. Het ridderwezen zelf gold voor Romeinsch. ‘Et bien entretenoit - heet het van Hendrik V van Engeland - la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les Rommains.’6 Het toenemende klassicisme brengt eenige zuivering in het historische beeld der Oudheid. De Portugeesche edelman Vasco de Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart, gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had ge-

[p. 81]

daan, hem daarin te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee al de gangbare historiën diens geschiedenis ontsierden1. Doch des te sterker geldt zijn bedoeling, den vorst daarmee een voorbeeld ter navolging te bieden, en bij weinig vorsten was de zucht, om door groote en schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewijn en Lancelot laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er geregeld een paar uur gelezen in ‘les haultes histoires de Romme’2. Zijn voorliefde gold met name Caesar, Hannibal en Alexander, ‘lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire’3. Alle tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van zijn daden groot gewicht gehecht. ‘Il désiroit grand gloire, - zegt Commines - qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle autre chose; et eust bien voulu ressembler à ces anciens princes dont il a esté tant parlé après leur mort.’4 Chastellain zag hem dien hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver zijn bedoeling verborgen had: ‘Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat hem opstaan’.

‘Et me parçus de lors - zegt Chastellain - que le coeur luy estoit en haut singulier propos pour le temps à venir, et pour acquérir gloire et renommée en singulière oeuvre.’5

Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen-zien, hoe de geest der Renaissance, de zucht naar het schoone leven naar het beeld der oudheid, direct wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak. Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog flamboyant-gothiek.

Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissanceelement vertoont de cultus der negen dapperen, ‘les neuf preux’.

[p. 82]

Die groep van negen helden: drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de sfeer van het ridder-ideaal; zij wordt het eerst aangetroffen in de Voeux du paon van Jacques de Longuyon omstreeks 13121. De keus der helden verraadt den nauwen samenhang met den roman: Hector, Caesar, Alexander - Jozua, David, Judas Maccabaeus - Artur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van gedichten aan2. Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk eigen is, voldeed, door aan de negen preux negen preuses toe te voegen. Hij zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris, Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het denkbeeld niet, opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses bij de lateren, zooals in Le Jouvencel, terug. Zij staan afgebeeld op tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop3.

Hoe levend de voorstelling gedurende de vijftiende eeuw en nog daarna gebleven is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn luim aan een negental ‘preux de gourmandise’4. Nog Frans I kleedde zich af en toe ‘à l'antique’ om een der preux voor te stellen5.

Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die vereering voor oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer van het opkomende Fransche militaire patriotisme, door aan de negen een tijd- en landgenoot als tienden preux toe te

[p. 83]

voegen: Bertrand du Guesclin1. Ook dat denkbeeld had succes: Lodewijk van Orleans liet in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connétable als tiende der preux opnemen2. Het was met reden, dat Orleans de gedachtenis van Du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was door den connétable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een zwaard in de hand gegeven. Als tiende in de rij der vrouwen verwacht men Jeanne d'Arc. Inderdaad heeft men haar in de vijftiende eeuw dien rang toegedacht. Louis de Laval, stiefkleinzoon van Du Guesclin, en broeder van Jeanne d'Arc's strijdmakkers, gaf zijn kapelaan Sébastien Mamerot opdracht, een geschiedenis der negen helden en negen heldinnen te schrijven, met Du Guesclin en Jeanne d'Arc als tienden. Doch in het in handschrift bewaarde werk van Mamerot ontbreken beide namen3, en men vindt geen teeken, dat het denkbeeld, wat Jeanne d'Arc betreft, opgang heeft gemaakt. De nationaal-militaire heldenvereering, die in Frankrijk in de vijftiende eeuw opkomt, hecht zich in de eerste plaats aan de figuur van den dapperen en berekenenden Bretonschen krijgsman. Allerlei veldoversten, die naast of tegen Jeanne hadden gestreden, nemen in de verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig opzij wist te zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een ‘mystère’ op den dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die in 's konings dienst de Engelschen bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen, die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire zijn er bij, en tal van minder bekenden4. Het doet even aan als een reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.

De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan ‘messire Bertran de Claiquin’ (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn kindsheid5. Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en

[p. 84]

het religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd door Paus Leo X1.

De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de Lalaing.

Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le maréchal Boucicaut, had zijn land gediend in groote rampen. Hij was met Jan van Nevers in 1396 bij Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd werd. Hij werd opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en is zes jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede inlichting en documenten2, doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis, maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in Le Livre des faicts maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn, spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten3. Boucicaut's vroomheid is van een puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op, en blijft wel drie uur in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart, op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich voorlezen uit het

[p. 85]

leven der heiligen, of uit de geschiedenissen ‘des vaillans trespassez, soit Romains ou autres’, of hij spreekt met anderen van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken afgeleerd1. Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde ‘de l'écu verd à la dame blanche’, ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof bezorgde van Christine de Pisan2. Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de buigingen van twee dames, die hij ontmoette. ‘Monseigneur,’ zei zijn schildknaap, ‘qui sont ces deux femmes à qui vous avez si grans reverences faictes?’ - ‘Huguenin, dit-il, je ne sçay.’ Lors luy dist: ‘Monseigneur, elles sont filles communes.’ - ‘Filles communes, dist-il, Huguenin, j'ayme trop mieulx faire reverence à dix filles communes que avoir failly à une femme de bien.’3 - Zijn devies luidt: ‘Ce que vous vouldrez’, opzettelijk geheimzinnig, zooals een devies behoorde te zijn. Bedoelt hij de overgave van zijn wil aan de dame, wie zijn trouw was gewijd, of moet men er een algemeene gelatenheid tegenover het leven in hooren, zooals men haar eerst in veel lateren tijd zou verwachten?

Met zulke kleuren van vroomheid en ingetogenheid, soberheid en trouw schilderde men het schoone beeld van den idealen ridder. Dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan heeft beantwoord, wie zou het anders verwachten? De gewelddadigheid en de geldzucht, in zijn stand zoo gewoon, zijn ook deze edele figuur niet vreemd geweest4.

De modelridder wordt evenwel ook in een geheel andere nuance gezien. De biografische roman over Jean de Bueil, Le Jouvencel genaamd, werd ongeveer een halve eeuw later geschreven dan het leven van Boucicaut, en voor een deel verklaart dit het verschil van opvatting. Jean de Bueil was een kapitein, die onder het vaandel van Jeanne d'Arc gestreden had, en later gemengd was in den opstand der Praguerie en den oorlog ‘du bien public’. Hij stierf in 1477. In ongenade bij den koning, heeft hij omstreeks 1465 aan drie van

[p. 86]

zijn dienaren een verhaal van zijn leven ingegeven, getiteld Le Jouvencel1. In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt Le Jouvencel bij een gefingeerden vorm een sterk reëel karakter, althans in het eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek. Men vindt er den gruwelijken tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch gebied in 1444, en den slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min.

In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van Le Jouvencel van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken overigens niet van Jeanne d'Arc, met wie hun meester toch in wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die ze verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste gedeelte van Le Jouvencel. Wat ons hier tegenkomt, is de armzaligheid van den oorlog, zijn ontberingen en vervelingen en de frissche moed om gebrek te lijden en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt maar vijftien paarden, magere beestjes; de meeste zijn onbeslagen. Hij zet op elk paard twee mannen, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de nachtlucht en de stilte u tegen2. In Le Jouvencel ziet men het riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het boek laat de arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van avontuur en vrijheid.

[p. 87]

Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur, veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld dan de zuiver Fransche, nog niet voortbrengen. Jacques de Lalaing is naast le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van dezen vereerden held der Bourgondiërs spreekt meer van romantische tournooien dan van den echten krijg1.

De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van Le Jouvencel:2 ‘C'est joyeuse chose que la guerre... On s' entr'ayme tant à la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien combatre, la larme en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de loyaulté et de pitié de veoir son amy, qui si vaillamment expose son corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne l'abandonner point. En cela vient une délectation telle que, qui ne l'a essaiié, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant reconforté, il est si ravi, qu'il ne scet où il est. Vraiement il n'a paour de rien.’

Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoïsme in de aandoening van het levensgevaar, de diepe verteedering over de dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis, waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia, een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van een reeks van eeuwen... en ook het masker, waarachter een wereld van baatzucht en geweld zich hullen kon.

1Molinet, I p. 16/17.
2Vgl. Konrad Burdach, Briefwechsel des Cola di Rienzo, passim.
3El libro del cavallero et del escudero, (begin XIVe eeuw), ed Gräfenberg, Romanische Forschungen, VII, 1893, p. 453.
1N. Jorga, Philippe de Mézières, p. 469.
2l. c. p. 506.
3Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy, I p. 1; Chastellain, prologue, II p. 116, VI p. 266; La Marche, I p. 187; Molinet, I p. 17, II p. 54.
1Lefèvre de S. Remy, II p. 249; Froissart, ed. Luce, I p. 1; vgl. Le débat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier et P. Meyer, (Soc. des anciens textes français) 1887, p. 1.
2Chastellain, V p. 443.
1Les origines de la France contemporaine. La Révolution, I p. 190.
2Die Kultur der Renaissance in Italien, 10II p. 155.
3l. c. I p. 152-165.
1Froissart, ed. Luce, IV p. 112, waar Bamborough, ook wel Bembro, Brembo genoemd, tot Brandebourch verhaspeld is.
2Le Dit de Vérité, Chastellain, VI p. 221.
3Le Livre de la paix, Chastellain, VII p. 362.
4Froissart, ed. Luce, I p. 3.
5Le cuer d'amours espris, OEuvres du roi René, ed. De Quatrebarbes. Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.
6Lefèvre de S. Remy, II p. 68.
1Doutrepont, p. 183.
2La Marche, II p. 216, 334.
3Ph. Wielant, Antiquités de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron. Flandriae IV) p. 56.
4Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.
5Chastellain, V p. 316-319.
1P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes français 1883, p. 45-55, over het gedicht thans ook Histoire littéraire de France XXXVI, 1927.
2Deschamps, nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652, I p. 86, 199, II p. 29, 69, X p. xxxv, lxxvi ss.
3Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de 9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de XVe eeuw; zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. Cervantes noemt hen als ‘todos los nueve de la fama’ Don Quijote, I c. 5. In Engeland blijven zij als ‘the nine worthies’ bekend tot in de XVIIe eeuw, vgl. John Coke, The debate between the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le débat des hérauts d'armes, p. 108 § 171, R. Burton, The Anatomy of Melancholy, III p. 173 (ed. Londen 1886). Thomas Heywood schreef ‘The exemplary lives and memorable acts of Nine the most worthy Women of the World’, koningin Elizabeth sluit de rij.
4Molinet, Faictz et dictz, f. 151 v.
5La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.
1Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay du tres bon connestable B. du Guesclin.
2S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231; Du Guesclin, dixième preux.
3M. Lecourt, Romania t. XXXVII, 1908, 529-539.
4La mort du roy Charles VII, Chastellain, VI p. 440.
5Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343, p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten in België, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek. Zwaarden van Tristan, van Ogier le Danois en van Wieland den Smid komen voor in Frankrijk, Engeland en Italië; zie H. Jenkinson, The jewels lost in the Wash, History, VIII, 1923, p. 161; J. Loth, L'épée de Tristan, Comptes rendus de l'Acad. des inscr. et Belles lettres 1923, p. 117; G. Rotondi, Archivio storico Lombardo XLIX, 1922.
1Burckhardt, Kultur der Ren. I10 p. 246.
2Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de mémoires 1e série, t. VI, VII.
3Le livre des faicts, VI p. 379.
1Le livre des faicts, VII p. 214, 185, 200/1.
2Chr. de Pisan, Le débat des deux amants, OEuvres poétiques, II p. 96.
3Antoine de la Salle, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521, f. 4 vso.
4Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens textes français), p. lv.
1Ed. C. Favre et Lecestre, Soc. de l'hist. de France 1887/9.
2Le Jouvencel, I p. 25.
1Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing, ed. Kervyn de Lettenhove, Chastellain, OEuvres VIII.
2II p. 20.
prepostterug  begin  verder