Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke ridderorden uit den kruistochtentijd. Naarmate de werkelijkheid steeds opnieuw het ideaal logenstrafte, week het meer en meer naar de sferen der verbeelding, om daar de trekken van edele ascese te bewaren, die te midden der maatschappelijke realiteiten zelden zichtbaar waren. De dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen, zegt William James, beheerscht nog ‘sentimentally if not practically, the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as the man absolutely unencumbered. Owning nothing but his bare life, and willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is the representative of unhampered freedom in ideal directions’1.
De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.
De diepe trek van ascese, van moedige zelfopoffering, die het ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische verwerking van onbevredigd verlangen. Het is volstrekt niet alleen in litteratuur en beeldende kunst, dat het liefdeverlangen zijn vormgeving, zijn styleering vindt. De behoefte om aan de liefde edelen stijl en vorm te geven vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen zelf: in hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven volgt daarin de litteratuur

Toegeschreven aan Hubert van Eyck, ‘De geboorte van Johannes den Dooper’ (boven) en ‘De doop van Christus’ (beneden) uit de ‘Heures de Milan’ (Milaan, Principe Trivulzio)
na, maar deze leert tenslotte toch alles van het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven.
De ridder en de geliefde, de held om liefde, - het is het meest primaire, onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening. Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en te bloeden, de aspiratie die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd.
Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch, om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk eronder. Hoe naïef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje juist door de kuischheid der voorstelling de sensueele inspiratie zoo onmiddellijk verraadt.
De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien, terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks
door ieder kan worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het ongetwijfeld altijd even sterk.
Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der liefde zich openbaart. Is de lijder om liefde het beeld, dat de man zelf van zich wil zien, of is het de wil der vrouw, dat hij zich zoo vertoone? Waarschijnlijk veel meer het eerste. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische. Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is.
De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt, is in de eerste plaats de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding uitgegaan romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke hoogmoed samen.
De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd. Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen, en behoudt met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij zijn geneigd, de veertiende eeuw reeds ontgroeid te wanen aan die kinderlijke fantazieën, en Froissart's Méliador of de Perceforest, nabloeiers der rid-
derlijke avontuurverhalen, anachronismen te noemen. Zij zijn het evenmin als de sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een ‘esprit de vertige’ teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeëquilibreerde geslacht van 1400!
De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te worden. Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud, is het middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en romantisch element zóó opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van het drama zelf regelrecht vervult.
De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot. Al de ridderlijke begrippen van eer en trouw en edele min worden vol-
komen ernstig behandeld, doch af en toe ontspant de strakke plooi zich even in een lach. Het moest Italië zijn, waar de stemming het eerst omslaat tot bewuste parodie: in Pulci's Morgante en Boiardo's Orlando innamorato. En zelfs dan en daar wint het ridderlijk-romantisch sentiment het opnieuw, want bij Ariosto heeft de onverholen bespotting plaats gemaakt voor die wonderlijke verhevenheid boven scherts of ernst, waarin de ridderlijke verbeelding haar klassiekste uitdrukking vond.
Hoe zou dan aan den ernst van het ridderideaal in de Fransche samenleving van omstreeks 1400 getwijfeld kunnen worden? In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge harten de begeerte naar het edele, ridderlijke strijdbejag doet groeien. Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: ‘toutes servoit, toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux, courtois et craintif devant sa dame’1.
Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder betaamt: Le livre des Cent ballades2. Goed, waarom niet? Maar zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen graaf van Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid gewijd, getuige zijn stichting van de
orde ‘de l'escu verd à la dame blanche’, ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen opwond.
De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer enkelen, de echte dichters. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen. Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle kennis en levendige voorstelling der historische détails, zonder het zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?
Thans kan enkel een toevallig glimplicht ons even de gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen weer duidelijk doen zien. In het gedicht Le voeu du héron spreekt Jan van Beaumont, tot het afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord:
‘Hélas - schrijft Philippe de Croy uit Karel den Stoute's kamp voor Neuss -, où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!’1
In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk. In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na den anderen weg: als het spel is afgeloopen zitten zij blootshoofds, zonder mouwen2. Het is tot een prikkelend motief uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw: Van de drie ridders en het hemd3. Een dame, wier echtgenoot niet tot den strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de vergelding. Hij zendt haar het bloedige hemd terug, om het zóó als het is over haar kleederen te dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de beide minnenden deed het meest voor den ander?
De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had, verklaart ook de beslistheid, waarmee de Kerk sedert lang het gebruik bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins4. Het kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken on-
duldbaar geworden1. De koningen volgden met verbodsbepalingen. De moralisten misprezen ze2. Petrarca vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden hebben? En de burger haalde de schouders op: ‘prindrent par ne sçay quelle folle entreprinse champ de bataille’ zegt de burger van Parijs3 van een befaamd tournooi.
De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf wordt geëvenaard. Het was een zeer oud gebruik, om op de plaats waar een beroemd tweegevecht gestreden was, een gedenksteen op te richten. Adam van Bremen kent er een op de grens van Holstein en Wagrië, waar eenmaal een Duitsch krijger den kampioen der Wenden gedood had4. De vijftiende eeuw stichtte nog dergelijke gedenkteekens ter herinnering aan befaamde ridderlijke tweekampen. Bij Saint Omer herinnerde ‘la Croix Pélerine’ aan den kamp van Hautbourdin, bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den vermaarden Pas d'armes de la Pélerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard vóór een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken.5 De décors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen6.
De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk reeds aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel geringer natuurlijkheid. Tot verhooging van de spanning van den kamp heeft zij den prikkel van aristocratische trots en eer, dien van het romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur. De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed
en valsch; er was in de hof- en militaire carrière luttel plaats voor de sentimenten van moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed is voorzeker in het ridderlijke tournooi van niet geringer waarde dan in het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte bloedige hevigheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan de wedstrijden van het oud-Indische epos; ook in het Mahâbhârata is de strijd om de vrouw de centrale gedachte.
De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche liefde.
Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandécor met een treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron wordt opzettelijk gebouwd1. Gedurende een geheel jaar zal een ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt, welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de uitvoerige ‘chapitres’, die tegelijk oproepingsbrief en reglement van den wedstrijd zijn2. Het aanraken der schilden moet te paard geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen vinden.
Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee lansen breekt, of zij moet pand geven3. Inderdaad is het kinderlijke pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd- en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs: wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd
op een reus, dien een dwerg gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een ‘dame de l'isle celée’, of op een ‘noble chevalier esclave et serviteur à la belle géande à la blonde perruque, la plus grande du monde’1. De onbekendheid van den ridder is een vaste fictie; hij heet ‘le blanc chevalier’, ‘le chevalier mesconnu’, ‘le chevalier à la pélerine’, of wel hij treedt op als een held uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot, Tristan of Palamedes2.
Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie gespreid: la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze aan uit medelijden met de ‘Dame de pleurs’. Bij de Emprise du dragon komt koning René in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met zilveren tranen. Ook bij den Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart en violet met gouden en zwarte tranen3. Niet altijd echter is het in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke schoonheidsvriend koning René de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen viert hij feest in het houten kasteel ‘de la joyeuse garde’ met zijn gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergère is alles gestoffeerd in herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver4.