terug  begin  verderprepost
[p. 152]

X Het idyllische levensbeeld

De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst zwak geworden, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt schoot het ideaal te kort: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst naar veiligen eenvoud en rust.

Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y van Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van den wreeden, gevaarlijken krijg.

De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het

[p. 153]

is niet identisch met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een negatieve uiting van hetzelfde sentiment. In de pastorale verbeeldt zich de positieve tegenstelling van het hoofsche leven; de negatieve uiting is de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het aristocratische levensideaal, hoe en waar men het dan ook ontvlieden wil: in studie, in eenzame rust, in arbeid. Doch de beide motieven vloeien voortdurend ineen. Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten De nugis curialium geschreven. In het veertiende-eeuwsche Frankrijk had het zijn klassieke uitdrukking gekregen in een gedicht van Philippe de Vitri, bisschop van Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: Le Dit de Franc Gontier1. De versmelting met de pastorale is hier volkomen.

 
‘Soubz feuille vert, sur herbe delitable
 
Lez ru bruiant et prez clere fontaine
 
Trouvay fichee une horde portable,
 
Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne
 
Fromage frais, laict, burre fromaigee,
 
Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,
 
Aulx et oignons, escaillongne froyee
 
Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire.’

Na den maaltijd kussen zij elkander ‘et bouche et nez, polie et bien barbue’; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl dame Helayne aan het wasschen gaat.

 
‘J'oy Gontier en abatant son arbre
 
Dieu mercier de sa vie seüre:
 
“Ne sçay - dit-il - que sont pilliers de marbre,
 
Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;
 
Je n'ay paour de traïson tissue
 
Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye
 
En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue
 
Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.
 
Verge d'ussier jamais ne me deboute,
 
Car jusques la ne m'esprent convoitise,
 
Ambicion, ne lescherie gloute.
 
Labour me paist en joieuse franchise;
 
Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,
[p. 154]
 
Et c'est assez. De tombel n'avons cure.”
 
Lors je dy: “Las! serf de court ne vault maille,
 
Mais Franc Gontier vault en or jame pure”.’

Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid, met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke, onverwikkelde liefde in het huwelijk.

Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe nabootsing van Franc Gontier:

 
‘En retournant d'une court souveraine
 
Où j'avoie longuement sejourné,
 
En un bosquet, dessus une fontaine
 
Trouvay Robin le franc, enchapelé,
 
Chapeauls de flours avoit cilz afublé
 
Dessus son chief, et Marion sa drue...’1

Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht zijn het wezen van den krijg.

 
...‘Je vueil mener d'or en avant
 
Estat moien, c'est mon oppinion,
 
Guerre laissier et vivre en labourant:
 
Guerre mener n'est que dampnacion.’2

Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt, uitdrukkelijk verbieden3. Doch meestal is het het thema der aurea mediocritas op zich zelf.

 
...‘Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint
 
En ce monde lui servir et loer,
 
Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,
 
Aucun cheval pour mon labour porter,
 
Et que je puisse mon estat gouverner
[p. 155]
 
Moiennement, en grace, sanz envie,
 
Sanz trop avoir et sanz pain demander,
 
Car au jour d'ui est la plus seure vie.’1

Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:

 
...‘Un ouvrier et uns povres chartons
 
Va mauvestuz, deschirez et deschaulx,
 
Mais en ouvrent prant en gré ses travaulx
 
Et liement fait son euvre fenir.
 
Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx
 
Voit quatre roys et leur regne fenir.’2

De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht3.

De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de gedichten van deze strekking4, veelal onder de beste die Deschamps maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het hofleven zou hebben begrepen5. Een inkeer zou het dus zijn. Zou het niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, midden in zijn leven van jagende hartstocht en overdaad, heeft, stel ik mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te bevredigen.

De kring, waar men dat thema der misprijzing van het hofleven cultiveerde, is die van het vroegste Fransche humanisme omstreeks 1400, nauw verbonden aan de reformpartij der groote conciliën. Pierre d'Ailly zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht als pendant bij Franc Gontier het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen6. Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges7, zoo zijn correspondent Jean de Montreuil8. Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius de Miliis, secretaris van den hertog van Or-

[p. 156]

leans, die aan Gontier Col een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend waarschuwt voor de intrede in den hofdienst1. Deze brief, zelf in vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling onder den titel Le Curial op naam van Alain Chartier, den befaamden hofdichter2. Le Curial werd weer in het Latijn overgebracht door den humanist Robert Gaguin3.

In den vorm van een allegorisch gedicht, trant Roman de la rose, behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn L'abuzé en court kwam op naam van koning René4. Jean Meschinot dicht als al zijn voorgangers:

 
‘La cour est une mer, dont sourt
 
Vagues d'orgueil, d'envie orages...
 
Ire esmeut debats et outrages,
 
Qui les nefs jettent souvent bas;
 
Traison y fait son personnage.
 
Nage aultre part pour tes ebats.’5

Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren6.

Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal. Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde.

De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was. Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom. Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den

[p. 157]

bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper wordt op zijn beurt het ideaal.

De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo weerloos tegenover een schoonen waan, dat de geestdrift voor het natuurleven nog niet leiden kan tot een krachtig realisme, maar in haar toepassing beperkt blijft tot een gekunstelde versiering der hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den ernst van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren voor de boeren te leven, dan is het ideaal bittere ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan.

Er was één poëtische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen, eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring van het natuurlijke behield. Men zou er sommige schetsen van Guy de Maupassant mee kunnen vergelijken.

Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot, dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is het haar nog niet te doen om het be-

[p. 158]

schrijven van natuurschoonheid, maar om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komen eerst in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als bijproduct levert de herderlijke poëzie allerlei bevallig realisme. De schildering van het landleven in een gedicht als Le dit de la pastoure van Christine de Pisan opent een genre.

Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen, wordt de herderij een masker. Alles laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning René houdt zijn Pas d'armes de la bergère.

De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts gezien te hebben; Chastellain geeft koning René's herdersleven een plaats onder de Merveilles du monde:

 
‘J'ay un roi de Cécille
 
Vu devenir berger
 
Et sa femme gentille
 
De ce mesme mestier,
 
Portant la pannetière,
 
La houlette et chappeau,
 
Logeans sur la bruyère
 
Auprès de leur trouppeau.’1

Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke satire een dichterlijk kleed te verleenen. Geen zonderlinger gewrocht dan het lange herdersdicht Le Pastoralet2. Een partijganger der Bourgondiërs heeft in dit aanminnig gewaad den moord op Lodewijk van Orleans behandeld, om de misdaad van Jan zonder Vrees te verontschuldigen en den bourgondischen partijhaat te luchten. Léonet

[p. 159]

is Jan's herdersnaam, Tristifer die van Orleans; de fantazie van dans en bloementooi is wonderlijk volgehouden; zelfs de slag van Azincourt wordt in pastorale aankleeding beschreven1.

Bij de hoffeesten ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van den vorst als herder en het volk als zijn kudde was reeds van een andere zijde den geest binnengekomen: de kerkvaders hadden geleerd, dat de oorsprong van den staat lag in een herderschap. Als herders hadden de aartsvaders geleefd; het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden.

 
‘Seigneur, tu es de Dieu bergier;
 
Gardes ses bestes loyaument,
 
Mets les en champ ou en vergier,
 
Mais ne les perds aucunement,
 
Pour ta peine auras bon paiement
 
En bien le gardant, et se non,
 
A male heure reçus ce nom.’2

In deze verzen uit Jean Meschinot's Lunettes des princes is geen sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men zoo iets zichtbaar ging vertoonen, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het bruiloftsfeest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de ‘nobles bergieres qui par cy devant ont esté pastoures et gardes des brebis de pardeça’3. Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land herstelt van zijn verwoesting ‘le tout en bergerie’4. Wij kennen allen de politieke pastorale in de Leeuwendalers. De voorstelling van den vorst als herder klinkt ook in het Wilhelmus:

 
‘Oirlof mijn arme schapen
 
Die sijt in grooter noot,
 
Uw herder sal niet slapen,
 
Al sijt gij nu verstroyt.’
[p. 160]

Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten ‘le berger et la bergère’. Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met herdersstaf en broodkorfje1.

Bij de voorstelling der herders van Bethlehem in de mysteriespelen vloeiden haast vanzelf pastorale motieven in, alleen verbood hier de heiligheid van het onderwerp elk accent op de liefde, en hadden de herders hier op te treden zonder herderinnen2.

Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den Roman de la rose de stof leverde tot een eleganten litterairen twist, zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde overdadig bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den goudeneeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame Helayne, zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood, zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid:

 
‘Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste;
 
L'eaue est saine qu'à boire sui enclin,
 
Je ne doubte ne tirant ne venin.’3

Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof danst bij de cornemuse, ‘cet instrument des hommes bestiaulx’4. Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van François Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade Les contrediz Franc Gontier. Cynisch stelt Villon tegenover

[p. 161]

de zorgeloosheid van dien idealen buitenman met zijn maal van uien ‘qui causent fort alaine’ en zijn liefde onder de rozen het gemak van den vetten kanunnik, die de zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water van Franc Gontier? ‘Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine’ zouden Villon geen morgen bij zulk een kost kunnen houden1.

Evenals de schoone droom van riddermoed moesten ook de andere vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele, kuische riddertrouw, noch de wreedverfijnde wellust van den Roman de la rose, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den schitterenden kelk van den Roman de la rose ziet de moralist al den bitteren droesem. ‘Vanwaar, - roept Gerson uit - vanwaar de bastaarden, vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de vergiftiging van echtgenooten?’2

Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in geïdealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de vrouwen, die de boeken gemaakt hebben3.

Er zijn inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der Middeleeuwen veel sporen te ontdekken van echt medelijden met de vrouw, met haar zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal van de bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de Quinze joyes de mariage al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de verongelijking der vrouwen te beschrijven4, maar hij doet

[p. 162]

het niet. Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het Christine zelf vragen, zooals in haar versje dat begint:

 
‘Doulce chose est que mariage,
 
Je le puis bien par moy prouver...’1

Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van hoon, waarin de platte bandeloosheid instemde met de zedepreek. Want er is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaïsche zinnelijkheid, door de wijsheid van de bittertafel.

Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.

1A. Piaget, Romania, XXVII, 1898, p. 63.
1Deschamps, no. 315, III p. 1.
2Deschamps, I p. 161, no. 65, vgl. I p. 78, no. 7, p. 175, no. 75.
3Deschamps, no. 1287, 1288, 1289, VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313.
1Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl. no. 196, II p. 15.
2Deschamps, no. 184, I p. 320.
3Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de franchise.
4Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973, 1017, 1018, 1021, 1201, 1258.
5Deschamps, XI p. 94.
6Romania, XXVII, 1898, p. 64.
7N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18, p. 72, no. 104, p. 296.
8Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Ampl. Collectio, II c. 1398.
1Ib. c. 1459.
2Alain Chartier, OEuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.
3Zie Thuasne, I p. 37, II p. 202.
4OEuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II p. 204.
5Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des Chartes, LVI, 1895, p. 313.
6Vgl. Thuasne, l.c. p. 205.
1Recollection des merveilles, Chastellain, VII p. 200: vergelijk de beschrijving der Joutes de Saint Inglevert in een gedicht vermeld bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.
2Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573. In deze vermenging van pastoralen vorm en politieke bedoeling heeft de dichter van Le Pastoralet zijn parallel in niemand minder dan Ariosto, die zijn eenige pastorale compositie wijdt aan de verdediging van zijn beschermer, den kardinaal Ippolito d'Este, in verband met de samenzwering van Albertino Boschetti (1506). De zaak van den kardinaal was nauwelijks beter dan die van Jan zonder Vrees, en de houding van Ariosto nauwelijks sympathieker dan die van den onbekenden Bourguignon. Zie G. Bertoni, L'orlando furioso e la rinascenza a Ferrara, Modena 1919, p. 42, 247.
1p. 2151.
2Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l. c., p. 606.
3La Marche, III p. 135, 137; vgl. Molinet, Recollection des merveilles over de gevangenschap van Maximiliaan te Brugge: ‘Les moutons detenterent En son parc le bergier’, Faictz et dictz, f. 208 vso.
4Molinet, IV p. 389.
1Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p. 382.
2Zie Champion, Histoire poétique du XVe siècle, II p. 173.
3Deschamps, II p. 213, Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit de la Pastoure, Le Pastoralet, roi René, Regnault et Jehanneton, Martial d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc. etc.
4Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.
1Villon, ed. Longnon, p. 83.
2Gerson, Opera, III p. 302.
3L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.
4Quinze joyes de mariage, p. 222.
1OEuvres poétiques, I p. 237, no. 26.
prepostterug  begin  verder