De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn ons haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid moeten hebben omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.
Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte, tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element. Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te beschouwen, sterven ook dan nog niet af.
Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk. Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan blijft als algemeene indruk die van evenmaat, blijheid en vrijheid, van het serene en het sonore. Deze eigenschappen tezamen proeft men als Renaissance, en acht ze wellicht de signatuur van den nieuwen tijd. Inmiddels heeft men, met die onvermijdelijke eenzijdigheid, zonder welke geen historisch oordeel tot stand komt, vergeten, dat ook in het vijftiendeëeuwsch Italië de hechte grondslag van het cultuurleven nog altijd de echt-middeleeuwsche is gebleven, ja dat in de geesten der Renaissance zelf de middeleeuwsche trekken veel dieper staan gegroefd dan men zich gewoonlijk bewust is. In onze voorstelling domineert de Renaissance-toon.
Overziet men daarentegen met één blik de Fransch-Bourgondische
wereld der vijftiende eeuw, dan is de hoofdindruk: een sombere grondstemming, een barbaarsche pracht, bizarre en overladen vormen, versleten fantazie, alle de kenmerken van den geest der Middeleeuwen op zijn laatst. Ditmaal vergeet men, dat ook hier de Renaissance komende is op alle wegen; zij domineert nog niet, zij heeft nog niet de grondstemming omgezet.
Het opmerkelijke nu is, dat het nieuwe komt als uiterlijke vorm, eer het waarlijk nieuwe geest wordt.
Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de nieuwe, klassicistische vormen op. Voor de intrede van het Humanisme was niet anders noodig, dan dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigde op zuiver Latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks 1400 in Frankrijk; hij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijsel en koninklijk secretaris, Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre in niets onderdoen: in holle algemeenheid van gedachte, het gewild gewichtige, den gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook in het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk over de spelling van ‘orreolum’ en ‘scedula’, met of zonder h, over het gebruik van de k in Latijnsche woorden. ‘Als ge mij niet te hulp komt, waarde leermeester en broeder, - schrijft hij aan Clemanges -1, ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus “propior”, overhaast en slordig als de pen is, “proximior” heb gezet! Verbeter het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken.’2 - Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, en Ovidius boven Vergilius stelde3.
In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar
middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet alsof het de abt was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar niet specifiek humanistisch1. Herinneren wij ons, dat Jean de Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige vereerders van den Roman de la rose leerden kennen, en als leden van den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel den Groote te zien geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de Florentijnsche kanselier, die na het midden der veertiende eeuw de nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staatsacten had ingevoerd, wordt herhaaldelijk door hem genoemd2. Petrarca is evenwel, als men het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen geest. Hij was persoonlijk bevriend geweest met de leidende geesten eener vroegere generatie: den dichter Philippe de Vitri, den philosoof en staatkundige Nicolas Oresme, die den dauphin (Karel V) had opgevoed; ook Philippe de Mézières schijnt Petrarca gekend te hebben. Deze mannen nu zijn, al behelst Oresme's gedachte veel nieuws, in geen opzicht humanisten. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde3, Machaut's Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van Laura bezeten is geweest, dan levert Le Voir-Dit een opmerkelijk getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche schepping kon opleveren.
Trouwens, zijn wij niet in den regel geneigd, Petrarca en Boccaccio te uitsluitend van den modernen kant te bezien? Wij beschouwen hen als de eersten der vernieuwers, en terecht. Doch ten onrechte zouden wij meenen, dat zij, eerste humanisten, daarmede eigenlijk in de veertiende eeuw niet recht meer thuis waren. Met hun geheele werk, welk een adem van vernieuwing daarin ook gaat, staan zij midden in de beschaving van hun tijd. Bovendien waren Petrarca en Boccaccio beiden buiten Italië in de laatste Middeleeuwen niet in de eerste plaats beroemd om hunne geschriften in de volkstaal, die hun de onsterfelijkheid zouden verzekeren, maar om hunne Latijnsche werken. Petrarca was voor zijn tijdgenooten bovenal een Erasmus avant la lettre geweest, de veelzijdige en smaakvolle schrijver van tractaten over moraal en leven, de groote briefschrijver, de romanticus der oudheid met zijn De viris illustribus en Rerum memorandarum libri. De thema's, die hij behandelde, sloten nog volkomen aan bij de middeleeuwsche gedachte: De contemptu mundi, De otio religiosorum, De vita solitaria. Zijn verheerlijking van antiek heldendom staat veel nader bij de vereering der negen Preux1 dan men denken zou. Het is volstrekt zoo vreemd niet, als er betrekkingen hebben bestaan tusschen Petrarca en Geert Groote. Of wanneer Jean de Varennes, de geestdrijver van Saint Lié2, Petrarca's gezag inroept, om zich voor de verdenking van ketterij te vrijwaren3, en aan Petrarca den tekst ontleent voor een nieuw gebed: Tota caeca christianitas. Wat Petrarca voor zijn eeuw is geweest, drukt Jean de Monstreuil uit met de woorden ‘devotissimus, catholicus ac celeberrimus philosophus moralis’4. Zelfs een klacht over het verlies van het heilige graf, die echt middeleeuwsche gedachte, kon Dionysius de Kartuizer nog aan Petrarca ontleenen; ‘maar omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever den zin dan den vorm van zijn woorden aanhalen’5.
Aan de klassieke letteroefeningen van de bovenvermelde eerste Fransche humanisten had Petrarca nog een bijzonderen stoot gegeven door zijn schimp, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te zoeken waren. Dat lieten de schoone geesten in Frankrijk niet op zich zitten. Nicolas de Clemanges en Jean de Monstreuil komen ijverig tegen zulk een uitspraak in verzet6.
Boccaccio had op een beperkter terrein een soortgelijken invloed als Petrarca. Niet als den schrijver van den Decamerone eerde men hem, maar als ‘le docteur de patience en adversité’, den schrijver van De casibus virorum illustrium en De claris mulieribus. Boccaccio had zich met die zonderlinge verzamelwerken over de onbestendigheid van het menschelijk lot opgeworpen als een soort impresario der Fortuin. En zoo is het, dat Chastellain messire Jehan Bocace begrijpt en navolgt1. Le Temple de Bocace betitelt hij een zeer bizar tractaat over allerlei tragisch lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den ‘noble historien’ wordt aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van Engeland. Men kan volstrekt niet zeggen, dat Boccaccio door die nog zoo middeleeuwsche Bourgondiërs der vijftiende eeuw gebrekkig of verkeerd is begrepen. Zij begrepen in hem den sterken middeleeuwschen kant, dien wij gevaar loopen te vergeten.
Wat het opkomend Humanisme in Frankrijk van dat in Italië scheidt, is niet zoozeer een verschil van streven of stemming, als wel van smaak en eruditie. De navolging der Oudheid gaat dien Franschen nu eenmaal niet zoo gemakkelijk af als hun, die onder den hemel van Toscane of in de schaduw van het Colosseum geboren waren. Wel beheerschen de geleerde auteurs reeds vroeg den klassiek Latijnschen briefstijl met volkomen vaardigheid. Doch de wereldlijke auteurs zijn nog onbedreven in de finesses der mythologie en historie. Machaut, ondanks zijn geestelijke waardigheid geen geleerde en als wereldsch dichter te beschouwen, verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier. Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en Pirithous. De dichter van Le Pastoralet spreekt van ‘le bon roy Scypion d'Afrique’, de schrijvers van Le Jouvencel leiden ‘politique’ af van πολύϛ en een gewaand Grieksch ‘icos, gardien, qui est à dire gardien de pluralité’2.
Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen herdersspel Le Pastoralet geeft in een beschrijving van den god Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen
van zijn oude pad1. Evenals Jan van Eyck soms klassicistische architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering, antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed2. Hoe onbeholpener de verwerking der klassieke vormen uitvalt, hoe meer wij er uit leeren kunnen omtrent den overgang van Middeleeuwen tot Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden, gemarkeerden stijl der Romeinen. Met korte zinswendingen, met levendige aanschouwelijkheid, heeft hij het blijkbaar op een Liviaansch effekt toegelegd; doch wat er van terecht komt, is een volmaakte caricatuur van antiek proza, even opgeschroefd als naïef, geteekend als de figuurtjes van een kalenderblad uit een getijboek, maar als stijl mislukt3. Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad ‘à l'antique’, dat wil zeggen, hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een der negen ‘preux’ voorstelt, en zijn eigen zegepraal viert. Zoo vermomd bidt hij een kwartier lang4.
Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt door de begrippen ‘rhétorique, orateur, poésie’. Zij zien de benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze latiniseerende termen, en vinden zich ‘rhétoricien’. Christine de Pisan onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk als ‘balade pouétique’5. Wanneer Eustache Deschamps aan zijn kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in de meest ongenietbare quasiklassieke poespas.
Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke latiniseering van het edele Fransch, welke Villon en Rabelais met hun spot zouden geeselen3. Het is steeds weer in de dichterlijke correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt Chastellain van ‘vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la ville de Gand’, ‘la viscérale intime douleur et tribulation’, La Marche van ‘nostre francigène locution et langue vernacule’, Molinet van ‘abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine caballine’, ‘ce vertueux duc scipionique’, ‘gens de mulièbre courage’4.
Deze idealen van verfijnde ‘rhétorique’ zijn geen idealen van zuivere litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is, evenzeer als de poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm van conversatie, een streven naar een hoogeren
levensvorm. Zelfs de geleerdencorrespondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de natuurlijke ontplooiïng van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigt den geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen ouderwetschen vorm: de rederijkerskamer. Als genootschappen zijn zij enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest, die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele vernieuwd. Eerst het Bijbelsch humanisme van Erasmus inaugureert er de moderne beschaving.
Frankrijk kent, buiten zijn noordelijkste streken, niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, maar zijn, meer persoonlijke, ‘nobles rhétoriciens’ gelijken ook niet op Italiaansche humanisten. Zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en vormen.
Wie zijn in de Fransche letterkunde der vijftiende eeuw de dragers van het nieuwe? Niet de pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet. Nu, let wel, juist dezen huldigen met de allegorie ook de oratorie en met den edelen stijl ook het latinisme. Eerst waar zij zich losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en enkel dichten of schrijven wat hun ter harte gaat, worden zij leesbaar, en doen zij tegelijk moderner aan. De belofte der toekomst lag niet in het klassicisme, maar in de onbevangenheid. Het latiniseerende en klassicistische streven is remmend, niet bevorderend geweest. De modernen dat waren de eenvoudigen van geest en vorm, ook al volgden juist zij nog de middeleeuwsche schema's. Het zijn Villon, Coquillart, Henri Baude, Charles d'Orléans, en de dichter van L'amant rendu cordelier.
De bewondering voor den pompeuzen Bourgondischen stijl beperkte zich volstrekt niet tot het gebied der hertogen zelf. Jean
Robertet (1420-1490), die secretaris was van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging, vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude recept. ‘Les Douze Dames de Rhétorique’ waren hem verschenen, genaamd Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz.. Voor die verlokking bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren zich nu de brieven van het drietal1; het duurde overigens niet lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling af.
Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. ‘J'ay esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la brumale froidure’, aldus een verkoudheid2. Even dwaas zijn de hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:
En in proza voortgaande: ‘Où est l'oeil capable de tel objet visible, l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?’ Wat zegt Montferrant, ‘amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis Ulixien, plein de melliflue faconde’ er wel van? ‘N'est-ce resplendeur équale au curre Phoebus?’ Is het niet meer dan Orpheus' lier, ‘la tube d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus’? enz. enz..1
Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle ‘orateurs’ om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Commines hoopt, dat de aartsbisschop van Vienne, voor wien hij zijn werk schrijft, het misschien zal kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift2.
In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet is in Italië geweest, ‘en Ytalie, sur qui les respections du ciel influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires pour là fondre harmonie’3. Maar van die harmonie van het quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het ‘aorné parler’, in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen stijl.
Het eenige wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde ontboezemingen soms toch onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames de Rhétorique tot Montferrant4, - ‘il est exemple de Tullian art, es forme de subtilité Térencienne... qui succié a de nos seins notre plus intéroire substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection nouvelle [d.i. Italië], là où enfans parlent en aubes à leurs mères, frians d'escole en doctrine sur permisson de eage’. Chastellain zegt de correspondentie op, omdat het hem te
machtig wordt: de poort heeft lang genoeg wijd opengestaan voor ‘Dame Vanité’; hij gaat haar grendelen. ‘Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se congréent comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?’ Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal Georges' genegenheid hem niet begeven.
Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist, komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het Latijn bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk (1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst gedrukt zag1. Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als Petrarca2, een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's, zooals de diatribe tegen het huwelijk3 of de misprijzing van het hofleven, door Alain Chartier's Curial in het Latijn terug te vertalen. Of wel hij behandelt, ditmaal in een Fransch gedicht, de maatschappelijke waarde der standen, in den veelgebruikten vorm van een twistgesprek, le Debat du Laboureur, du Prestre et du Gendarme. In zijn Fransche gedichten nu doet juist Gaguin, die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabberd. Bij den Franschen geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.
Men is veelal gewend om als een doorslaand criterium van de intrede der Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken. Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. Wanneer de humanisten God ‘princeps superum’ en Maria ‘genitrix tonantis’ noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:
Wanneer Deschamps van ‘Jupiter venu de Paradis’ spreekt1, bedoelt hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve Vrouw te bidden, haar ‘haulte Déesse’ noemt2.
Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon men argeloos goden laten optreden. In Le Pastoralet heet het Celestijnenklooster te Parijs ‘temple au hault bois pour les dieux prier’3. Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. En ten overvloede verklaart de dichter: ‘Se pour estrangier ma Muse je parle des dieux des païens, sy sont les pastours crestiens et moy’4. Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op ‘Raison et Entendement’, die hem zeiden: ‘Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations’5.
Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van waardeering van het heidensch geloof áls zoodanig, met name van het heidensche offer, aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain deed.
Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe de Ternant zonder naar de gewoonte een ‘bannerole de devocion’ te dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. ‘Laquelle chose je ne prise point’, zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener is het devies, dat Ternant draagt: ‘Je souhaite que avoir puisse de mes desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse’2. Het kon de lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten libertijn der zestiende eeuw.
Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen schat, uit den Roman de la rose. In de erotische cultuurvormen, daar lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria, maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij hem volkomen als demiurg optreedt; het berouwt Nature, dat zij de menschen gemaakt heeft, omdat deze haar gebod der voortteling veronachtzamen:
Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd in de geesten heeft laten voortwoekeren.
De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad, zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en moderne geest zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid heeft voor de vernieuwing der schoone litteratuur nauwelijks meer beteekenis gehad dan de pijlen van Philoktetes. Niet alzoo voor de beeldende kunst, en niet voor het wetenschappelijk denken: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking, de antieke veelomvattendheid van belangstelling, de antieke beheersching van het leven en inzicht in den mensch veel meer geweest dan een staf om op te steunen. In de beeldende kunst is het overwinnen van het overdadige, van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante krul, alles het werk der Oudheid geweest. En in het domein van het denken is zij nog veel onmisbaarder en bevruchtender geweest. Maar in het litteraire is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het klassicisme.
De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de levenstoon verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.