terug  begin  verderprepost
[p. 403]

Vertaling der voornaamste aanhalingen

Blz. 7, middenin: ‘de aandoenlijkste processies, die ooit bij menschenheugenis gezien waren’; verderop: ‘in hevig weenen, in bittere tranen, in groote devotie.’

Blz. 7, onderaan: ‘en hij verteederde de harten zoodanig, dat iedereen smolt in tranen van medelijden, en men prees zijn einde het schoonste dat men ooit gezien had.’

Blz. 8, bovenaan: ‘er was een menigte volk, die bijna allen heete tranen schreiden.’

Blz. 9, bovenaan: ‘groot en klein weende zoo deerlijk en diep, alsof zij hun beste vrienden (= hun naaste verwanten) zagen begraven, en hij zelf ook.’

Blz. 9, middenin: ‘zeer luide zijn vertrek met schreien en zuchten beklagende.’

Blz. 10, onderaan: ‘maar naar het voorbeeld van de slak, die haar horens intrekt, als men dicht bij haar komt, en ze weer uitsteekt, als zij niets meer hoort, deden ook deze. Want vrij kort nadat gezegde prediker uit het land vertrokken was, begonnen zij weer als tevoren, en vergaten zijn leering, en hernamen van lieverlede haar oude staatsie, even groot of nog grooter dan zij die gewoon waren geweest te dragen.’

Blz. 11, middenin: ‘gekleed in bangen rouw, zeer droevig om te zien, en in de gansche stad weende en klaagde men zeer om de groote droefheid en verdriet, waarin men hen om den dood huns meesters zag.’

Blz. 11, onderaan: ‘en God weet welk een smartelijken en deerniswaardigen rouw zij dreven om hun voorgenoemden heer.’

Blz. 12, onderaan: ‘en dat de bedaardste er het geduld bij verliest.’

Blz. 13, onderaan: ‘toen hoorde men stemmen opgaan en geween uitbreken en een algemeen geroep weerklinken: Wij allen, wij allen, Heer, zullen met U leven en sterven.’ - ‘Wel, leeft en lijdt dan, en ik zal eerder voor u lijden, dan dat gij gebrek hebt.’ - ‘terwijl de een zeide: ik heb duizend, de ander: ik tienduizend, weer anderen: ik heb dit, ik heb dat om het voor u te besteden en uw toekomst af te wachten.’

Blz. 15, middenin: ‘Goeden dag, Heer, goeden dag, wat is dit? Speelt gij nu koning Artur of heer Lancelot?’

Blz. 18, middenin: ‘die half onwillig en met spijt haar een Schotschen groot uit zijn beurs haalde en leende.’

Blz. 18, middenin: ‘zeker klein tractaat over de fortuin, uitgaande van haar onstandvastigheid en bedriegelijken aard.’

Blz. 19, onderaan: ‘want vorsten zijn menschen, en hun belangen zijn hoog en hachelijk, en hun aard is onderhevig aan menigen hartstocht als haat en nijd, ja hun hart een ware woonplaats derzelve, wegens hun roemzucht in het heerschen.’

Blz. 20, middenin: ‘in alle pijnlijke en doodelijke hevigheid zou hij streven naar wraak om den doode, zoo ver als God het hem wilde veroorloven, en hij zou er lijf en ziel op zetten, vermogen en landen alles aan het lot wagen, het een heilzaam werk achtende en eêr aan God gevallig om er zich op toe te leggen dan om het te laten.’

Blz. 25, bovenaan: ‘waarover het volk meer verheugd was dan of er een nieuw heiligenlichaam was aan het licht gekomen.’

Blz. 27, bovenaan: ‘en men lachte er duchtig om, omdat het allen lieden van geringen stand waren.’

Blz. 31, middenin: ‘een zeer hoovaardig, hebzuchtig man, wereldscher dan zijn staat toeliet.’

Blz. 31, onderaan: ‘een man van zeer weinig medelijden met eenig ander, als hij geen geld of een gelijkwaardig geschenk kreeg, en men vertelde voor waar, dat hij wel vijftig processen voor het Parlement had, want van hem kreeg men niets zonder proces.’

Blz. 36, middenin:

 
‘Tijd van smart en verzoeking,
 
tijd van weenen, nijd en plagen,
 
tijd van kwijnen en verderf,
[p. 404]
 
eeuw die naar het einde leidt,
 
Tijd vol gruwel, die alles verkeerd doet,
 
eeuw van leugen, vol hoovaardij en nijd,
 
tijd zonder eer en zonder juist oordeel,
 
eeuw in droefheid, die het leven verkort.’

Blz. 36, onderaan:

 
‘Alle blijdschap laat af,
 
alle harten zijn stormenderhand genomen
 
door droefheid en zwaarmoedigheid.’

Blz. 37, bovenaan:

 
‘O ellendig en zeer treurig leven!...
 
wij hebben oorlog, sterfte, hongersnood;
 
kou, hitte ondermijnt ons dag en nacht:
 
vlooien, huidwormen en ander ongedierte
 
bevechten ons. In 't kort, ellende beheerscht
 
ons nietig lichaam, welks leven zeer kort is.’

Blz. 37, middenin:

 
‘En ik, de arme schrijver,
 
met het treurige, zwakke, ijdele hart,...
 
Als ik ieders leed aanzie,
 
houdt mij Zorg in haar hand;
 
altijd tranen in het oog...
 
niets wil ik dan sterven.’

Blz. 37, middenin: ‘Ik droevig man, geboren in donker van verduistering, in dichte stortbuien van weeklagen.’

Blz. 38, bovenaan: ‘toen hij een poos had gemelancholiseerd (= gepeinsd), bedacht hij, dat hij zou terugschrijven aan de commissarissen van den koning van Frankrijk.’

Blz. 38, onderaan:

 
‘Nu is hij laf, misselijk en slap,
 
oud, hebzuchtig en kwaadsprekend:
 
ik zie slechts zotten en zottinnen...
 
het einde nadert, waarlijk...
 
alles gaat slecht...’

Blz. 47, middenin: ‘Hij richtte een gedeelte van den dag al zijn doen en laten op ernst, en, met spel en lach daartusschen gemengd, verlustigde hij zich in fraai spreken en in het vermanen van zijn edelen tot deugd, als een redenaar. En met die bedoeling vond men hem meermalen gezeten in een staatsiezetel met hooge rugleuning, zijn edelen voor hem, terwijl hij hun allerlei vertoogen hield naar tijd en aangelegenheden. En altijd was hij, als vorst en hoofd over allen, rijk en prachtig gekleed boven alle anderen;’ verderop: ‘hooge prachtlievendheid van hart om gezien en aanschouwd te worden in bijzondere dingen.’

Blz. 51, middenin: ‘wie zich vernedert voor zijn meerdere, verhoogt en vermenigvuldigt zijn eigen eer, en het goede van die daad straalt op zijn gelaat terug.’

Blz. 52, onderaan:

 
‘Gaat u voor. - Neen toch. - Toe nu!
 
Zeker zult u, nicht.
 
- Neen, ik doe het niet. - Roept buurvrouw,
 
want zij moet nog liever eerst offeren.
 
- Ge moest het niet dulden,
 
zegt buurvrouw: het komt mij niet toe:
 
offert toch, want het ligt maar aan u
 
dat de priester niet voortgaat.’

Blz. 53, middenin:

 
‘De jonge vrouw moet antwoorden:
 
- Neemt, ik zal 't niet nemen, mevrouw.
 
- Ja wel, neemt het, lieve vriendin.
 
- Bepaald, ik zal het niet nemen;
 
men zou mij voor mal houden.
 
- Geeft het aan juffer Marote.
 
- Neen, ik niet, Christus bewaar me!
[p. 405]
 
Geeft het over aan mevrouw Ermgard.
 
- Mevrouw, neem het. - Heilige Maria,
 
geeft de paes aan de baljuwsche.
 
- Neen, aan de gouverneursvrouw.’

Blz. 54, middenin: ‘zoodat velen zich verbaasden over zijn groote vrijgevigheid.’

Blz. 57, bovenaan: ‘zonder hem een woord te zeggen, kwamen zij op hem toe; Lhuillier geeft hem met den elleboog een stoot in de maag, de anderen braken zijn priesterhoed en de koorden daarvan’; ‘allerlei scheldwoorden zeggende en hem den vinger in het gezicht zettend, en hem zoo bij den arm grijpend dat hij hem het koorhemd scheurde; en als hij er niet zijn hand voor gehouden had, zou hij hem in het gezicht hebben geslagen.’

Blz. 59, middenin: ‘en hij hield regel noch maat, en dat zoodanig dat hij iedereen in verwondering bracht over zijn matelooze smart.’ - ‘was het aandoenlijk om allerlei slag van lieden te hooren schreien en weenen en hun verschillende klachten en treurnis slaken.’

Blz. 60, bovenaan: ‘Vechy merveilles!’ zooveel als: ‘flauwe praatjes.’

Blz. 69, middenin: ‘Om te komen tot het derde lid, dat het rijk vol maakt, dit is de stand der goede steden, der kooplieden en der landarbeiders, van wie het niet past zulk een lange uiteenzetting te geven als van de andere standen, omdat hij uit zich zelf nauwelijks vatbaar is hem hooge doeleinden toe te kennen, daar hij verkeert in een graad van dienstbaarheid.’

Blz. 70, onderaan: ‘zoo moeten de onschuldigen van honger omkomen, waaraan de groote wolven zich ieder dag den buik vullen, die bij duizenden en honderden de onrechtmatige schatten opkoopen; het is het graan, het koren - het bloed, de beenderen die het land geploegd hebben - van de arme lieden, vanwaar hun geest om wraak schreeuwt tot God, en wee de heerschappij...’

Blz. 71, middenin: ‘De arme man zal geen brood om te eten hebben, of misschien een weinig rogge of gerst; zijn vrouw zal in de kraam liggen, en zij zullen vier of zes kleine kinderen bij den haard hebben, of op den oven, die misschien warm zal zijn; die zullen om brood vragen, zullen schreeuwen van razenden honger. De arme moeder zal hun niets in den mond te stoppen hebben dan een beetje brood met zout erin. Nu, die ellende moest genoeg zijn: - komen de schooiers die alles oppakken... alles zal weggenomen en opgehapt worden, en zoek maar wie 't betaalt.’

Blz. 72, bovenaan:

 
‘O God, zie de nooddruft van 't gemeen,
 
voorzie er in, haastiglijk:
 
Helaas, het beeft van honger, koude, vrees en ellende.
 
Indien het tegen u gezondigd heeft of nalatigheid beging,
 
vraagt het toegevendheid.
 
Is het niet jammer, hoe men het zijn goed ontsteelt?
 
Het heeft geen koren meer om naar den molen te brengen,
 
men neemt het wollen en linnen lakens af,
 
om te drinken blijft hun water en niets meer.’

Blz. 73, bovenaan:

 
‘Vanwaar komt voor allen hoogverheven adeldom?
 
Van het adellijk hart, met edele zeden versierd.
 
...Niemand is dorper, als 't hem niet uit het harte komt.’

Blz. 73, middenin:

 
‘Kinderen, kinderen, aan mij, Adam, ontsproten,
 
die na God de eerste vader ben,
 
door hem geschapen, gij allen stamt
 
natuurlijkerwijs uit mijn rib en uit Eva;
 
zij was uw moeder. Hoe is van u, broeders, de één een dorper,
 
en de ander neemt den naam van adeldom?
[p. 406]
 
Vanwaar komt zulke adel?
 
Ik weet het niet, of het moet van de deugden zijn,
 
en dorperschap van alle ondeugd, die schendt:
 
gij zijt allen met één huid bekleed.
 
 
 
Toen God mij maakte uit het slijk waarin ik was,
 
sterfelijk mensch, zwak, zwaar en ijl,
 
en Eva uit mij, schiep hij ons geheel naakt,
 
maar den eeuwigen geest blies hij ons in ten volle,
 
vervolgens gewerd ons dorst en honger,
 
arbeid, smart en kinderen in droefenis;
 
om onze zonden baren in nood
 
alle vrouwen; op gemeene wijs wordt gij ontvangen.
 
Vanwaar komt die naam dorper, die de harten kwetst?
 
gij zijt allen met één huid bekleed.
 
 
 
De machtige koningen, de graven en hertogen,
 
de heerschers van het volk en oppersten,
 
als zij geboren worden, waarmee zijn zij bekleed?
 
Met een vuil vel.
 
...Vorst, bedenk, zonder de arme lieden
 
te minachten, dat de dood den teugel houdt.’

Blz. 78, onderaan: ‘De glorie der vorsten ligt in hoogmoed en in het ondernemen van hoogst gevaarlijke dingen, alle vorstelijke machtsuitingen loopen uit op één klein punt, dat hoogmoed heet.’

Blz. 80, bovenaan:

 
‘Eere vermaant elke edele natuur
 
om alles lief te hebben wat edel is in zijn wezen.
 
Adeldom ook voegt daar zijn rechten zin aan toe.’

Blz. 81, middenin: ‘Hij begeerde grooten roem, wat hem meer dan iets anders tot zijn oorlogen bracht; en hij had gaarne willen gelijken op die oude vorsten, van wie zooveel gesproken is na hun dood;’ verderop: ‘En toen bemerkte ik, dat hem het hart stond naar zeer bijzondere voornemens voor de toekomst, en om roem en faam te verwerven in buitengewoon bedrijf.’

Blz. 87, middenin: ‘Het is een blijde zaak, de oorlog. Men houdt zoo van elkaar in den oorlog. Wanneer men weet dat zijn zaak goed is, en men ziet zijn bloed (landslieden) goed vechten, krijgt men tranen in de oogen. Er komt in 't hart een zoet gevoel van trouw en van deernis, zijn vriend te zien, die zich dapper blootstelt om het gebod van onzen schepper te volbrengen. En dan bereidt men zich om met hem te sterven of te leven, en voor geen ding ter wereld hem in den steek te laten. Daarin komt over u zulk een verrukking, dat geen mensch die het niet ondervonden heeft, zou kunnen zeggen, welk een genot dat is. Meent ge, dat iemand die dat doet den dood vreest? Neen, want hij is zoo gesterkt, zoo in vervoering, dat hij niet weet waar hij is. Waarlijk hij is bang voor niets.’

Blz. 93, onderaan:

 
‘Wanneer wij in de herberg zijn, sterke wijnen drinkend,
 
de dames naast ons, die ons aanzien,
 
met haar gladde halzen, haar nauwsluitende colliers,
 
die schitterende oogen van glimlachende schoonheid,
 
dan vermaant ons natuur, een driest hart te hebben.
 
...Dan overwinnen wij Yaumont en Agouland,
 
en anderen overwinnen Olivier en Roland.
 
Maar, als wij te velde zijn op onze dravende rossen,
 
het schild aan den hals en de lansen geveld,
 
en als de bittere koude ons geheel doet bevriezen,
[p. 407]
 
de leden ons begeven, voor en achter,
 
en onze vijanden ons naderen,
 
dan zouden wij willen zijn in een kelder zoo groot,
 
dat wij nooit gezien werden, in het geheel niet.’

Blz. 94, bovenaan: ‘Helaas, waar zijn de dames om ons te amuseeren, om ons aan te sporen tot inspanning, of ons te beladen met kenteekens, deviezen, sluiers of halsdoeken!’

Blz. 100, onderaan:

 
‘Geenszins tot spel en vermaak
 
maar opdat lof worde gebracht
 
aan God in de allereerste plaats
 
en aan den goeden roem en hooge faam.’

Blz. 102, bovenaan:

 
‘Aan God en de menschen verachtelijk
 
is leugen en verraad,
 
daarom wordt in de reeks der dapperen
 
niet het beeld van Jason opgenomen,
 
die om het vlies van Colchis mee te kunnen nemen
 
een meineed deed.
 
Diefstal laat zich niet verbergen.’

Blz. 105, middenin: ‘Zoo vermoed ik sterk, dat die Galois en Galoises, die in dien staat en die minnarijen stierven, martelaars der liefde waren.’

Blz. 106, bovenaan:

 
‘Nu kome wat komen moet, want het is niet anders.
 
- Toen nam het meisje, schoon van leden, haar vinger weg,
 
en het oog bleef gesloten, zoodat de aanwezigen het zagen.’

Blz. 106, bovenaan:

 
‘Welaan, sprak de koningin, ik weet dat ik sedert eenigen tijd
 
zwanger van kinde ben, want mijn lichaam heeft het gevoeld.
 
Nog zooeven heeft het zich in mijn lichaam gekeerd.
 
En ik gelove en belove aan God die mij schiep...
 
dat mijn vrucht uit mijn lichaam niet zal uitgaan,
 
eer gij mij hebt gebracht naar het land derwaarts over,
 
om te vervullen de gelofte die gij geloofd hebt;
 
en als het uit wil gaan, als het nog niet de tijd ervoor is,
 
zal ik mij met een groot stalen mes dooden;
 
mijn ziel zal verloren zijn, en de vrucht zal verderven.’

verderop:

 
‘En toen de koning het hoorde, dacht hij er sterk over na,
 
en sprak: voorzeker, meer zal niemand geloven.’

Blz. 107, middenin: ‘Ledigheid begeerend te ontgaan, meenend er goeden naam aan te winnen en de genade van de schoone wier dienaar wij zijn.’

Blz. 109, middenin: ‘Het behaagt mijnen zeer geduchten heer niet, dat heer Philippe Pot in zijn gezelschap op den heiligen tocht ga met onbeschermden arm, maar hij vindt het goed, dat hij met hem ga goed en voldoende geharnast, zooals het behoort.’

Blz. 115, onderaan: ‘Om te vermijden storting van christenbloed en verderf des volks, waarmee ik in mijn hart mededoogen heb... dat door mij persoonlijk alleen deze twist ten einde worde gebracht, zonder er den weg van oorlog toe in te slaan, waardoor vele edellieden en anderen, zoo van uw leger als het mijne, hun dagen jammerlijk zouden moeten eindigen.’

Blz. 116, bovenaan: ‘zoowel door onthouding van spijs en drank als door het nemen van lichaamsoefening om hem in goeden adem te brengen.’

Blz. 119, onderaan: ‘Als wij andere wegen zoeken dan den rechten, zullen wij niet toonen, dat wij rechte krijgslieden zijn.’

Blz. 120, middenin: ‘Sommigen beschouwden het als een heldenstuk, anderen als een ongeoorloofde zaak en een groote verwatenheid.’

[p. 408]

Blz. 122, onderaan: ‘Dus werd voortaan deze strijd het treffen van Mons en Vimeu genoemd. En het werd verklaard, geen slag te zijn, omdat de partijen elkaar bij toeval ontmoetten, en er zoo goed als geen banieren ontplooid waren’; ‘omdat alle slagen den naam moeten dragen van de naaste versterkte plaats, waarbij zij geleverd zijn.’; verderop: ‘Daar vocht de koning een heelen tijd tegen heer Eustache en deze tegen hem, zoodat het zeer aardig was hen te zien.’

Blz. 123, onderaan: ‘Toen men hem een poos bekeken had, bracht men hem weg, en hing hem op aan een boom. Ziedaar het uiteinde van dien Philips van Artevelde.’

Blz. 124, middenin: ‘Want er is gevaar en verlies van leven, en God weet welk een ellende als er storm is, en dan is er de zeeziekte, die veel lieden slecht verdragen. Voorts, het harde leven, dat men er heeft, dat niet wel strookt met den adel.’

Blz. 125, middenin: ‘Zeer waakzaam en op groote sommen geld gesteld, hetzij in pensiën, renten, gouverneurschappen of opbrengsten.’

Blz. 126, onderaan: ‘Willem; aangezien gij wenscht op krijgstocht te gaan naar Hongarije en Turkije, om wapenfeiten te zoeken tegen lieden en landen, die ons nooit iets misdaan hebben, en gij hebt geen anderen redelijken grond er heen te trekken, dan om den ijdelen roem dezer wereld, - laat toch Jan van Bourgondië en onze neven van Frankrijk hun “emprises” vervullen, en vervul gij uw eigene, en ga in Friesland ons erfdeel veroveren.’

Blz. 130, middenin: ‘Voor hen en voor allen van hun gevolg, en wel baden voorzien van al wat tot Venus' ambacht hoort, om naar keur en keus te nemen wat men begeerde, en alles op kosten van den hertog.’

Blz. 133:

 
‘Dit hier zijn de tien geboden,
 
ware God der liefde...’
 
 
 
‘Toen riep hij mij, en liet mij de handen leggen
 
op een boek, terwijl hij mij liet beloven,
 
dat ik getrouwelijk mijn plicht zou doen
 
op de punten der liefde.’
 
 
 
En ik heb hoop, dat hij spoedig in het paradijs
 
der minnenden zeer hoog zal zijn gezeten,
 
als martelaar en hooggeëerde heilige.’
 
‘Ik heb den lijkdienst van mijn dame verricht
 
in de kerk der min,
 
en de mis voor haar ziel
 
heeft Droeve gedachte gezongen.
 
Veel kaarsen van jammerlijke zuchten
 
waren er voor haar tot “luminaire” (verlichting),
 
ook heb ik haar tombe doen maken
 
van klachten...’

Blz. 140, onderaan: ‘Door middel van de vederen en vleugelen van verscheiden gedachten, van een plaats naar een andere, tot in het heilig hof van Christenheid.’ - ‘Schaamte, Vrees en Gevaar, de brave deurwachter, die niet zou durven of willen toestaan zelfs geen oneerzame kus, of wulpschen blik of lokkenden lach of lichtzinnig woord.’

Blz. 141, bovenaan: ‘Hij werpt overal vuur brandender en stinkender dan grieksch vuur of van zwavel’; ‘hoe alle jonge meisjes hun lichaam vroegtijdig en duur moeten verkoopen zonder vrees of schaamte, en geen rekening houden met bedrog of meineed.’

Blz. 142, middenin: ‘Om een deel van den tijd bevalliger door te brengen en ontluiking van nieuwe vreugde te vinden.’

Blz. 145, middenin:

 
‘Ik verkoop u de stokroos.
 
- Schoone, ik durf u niet zeggen,
 
hoe mij Liefde tot u trekt,
[p. 409]
 
gij bemerkt het wel zonder zeggen.’

Blz. 145, onderaan:

 
‘Van 't kasteel der Liefde vraag ik u:
 
zeg mij den eersten grondslag!
 
- Trouw beminnen.
 
Noem mij nu de hoofdmuren,
 
die het fraai en sterk en hecht maken.
 
- Wijs verzwijgen.
 
Zeg mij, wat de tinnen zijn,
 
de vensters en de steenen!
 
- Lokkende blik.
 
Vriend, noem mij den portier!
 
- Kwaadsprekend gevaar.
 
Wat is de sleutel, die het ontsluiten kan?
 
- Hoofsche bede.’

Blz. 146, bovenaan: ‘Partures’ = strijdvragen, die men elkander opgaf.

Blz. 146, middenin: ‘Vrouwe, ik zou liever willen, dat ik goed van haar hoorde spreken, en kwaad bij haar bevond.’

Blz. 147, onderaan: ‘Ik zal, tot uw roem en prijs, iets maken dat in goede gedachtenis zal blijven.’ ‘En, mijn lief hart, gij zijt bedroefd dat wij zoo laat begonnen zijn? bij God, ik ben het ook, maar ziehier het geneesmiddel: laat ons zoo goed leven, als wij kunnen, in plaats en tijd, dat wij den tijd goedmaken, dien wij verloren hebben, en dat men van onze liefde spreekt tot honderd jaar hier na, gansch ten goede en gansch in eere, want als er kwaad in stak, zoudt ge 't voor God verbergen, als ge kondt.’

Blz. 149, bovenaan:

 
‘...Toen men het Agnus Dei sprak,
 
- bij mijn trouwe aan Sint Crepais, -
 
gaf zij mij zachtjes den vrede,
 
tusschen twee pijlers van de kerk.
 
En ik had er wel behoefte aan,
 
want mijn verliefd hart was
 
gestoord, dat zij zoo spoedig vertrok.’

Blz. 150, middenin: ‘Valsche lange, peinzende blikken en kleine zuchten en wonderlijke, aangedane gezichten, en die meer woorden bij de hand hebben dan andere lieden.’

Blz. 150, onderaan: ‘Mejuffrouw, het zou beter zijn, in uw gevangenschap te vallen dan in die van menig ander, en ik denk dat uw gevangenis niet zoo hard zou zijn als die van de Engelschen.’ ‘Zij antwoordde mij, dat zij heel kort geleden iemand had gezien, dien zij wel tot gevangene wenschte. En toen ik haar vroeg, of zij hem een kwade gevangenis zou bereiden, zei zij: neen, en dat zij hem even lief zou hebben als zich zelf; en ik zei, dat die persoon wel gelukkig was, om een zoo zoet en nobel prisoen te hebben. Wat zal ik u zeggen? Zij was welbespraakt genoeg, en scheen naar haar woorden genoeg te weten, en zij had een heel levendigen en lichten oogopslag,’ - ‘En toen wij vertrokken waren, zei mijn heer vader tegen mij: Wat dunkt u van haar, die ge gezien hebt. Zeg me er uw meening over.’ - ‘Mijnheer, zij lijkt mij goed en wel, maar ik zal haar nooit nader zijn, dan ik ben, als 't u belieft.’

Blz. 151, middenin: ‘Want ik heb velen hooren zeggen, die in haar jeugd verliefd geweest waren, dat als zij in de kerk waren, haar denken en verbeelding haar vaker hield bij de innige gedachten en geneuchten van haar liefde dan bij den dienst van God, en de kunst der liefde is van dien aard, dat als men op 't hoogst van den dienst is, dat is als de priester Onzen Heer boven het altaar houdt, dan kwamen haar de meeste kleine gedachten.’

Blz. 153:

 
‘Onder groen gebladerte, op heerlijk gras
 
bij een bruisende beek en klare bron
 
vond ik een draagbare hut opgesteld,
 
daar at Gontier met vrouw Helayne
[p. 410]
 
versche kaas, melk, gekaasde boter,
 
room, roomkaas, appel, noot, pruim, peer,
 
knoflook en uien, sjalotten op grijze korst
 
gestreken, met grof zout, om lekkerder te drinken.’

verderop: ‘en mond en neus, de gladde en de baardige.’

Blz. 153, onderaan:

 
‘Ik hoorde Gontier bij 't kappen van zijn boom
 
God danken voor zijn veilig leven:
 
‘Ik weet niet - sprak hij - wat marmeren pilaren zijn,
 
blinkende knoppen, muren met schilderwerk bekleed;
 
ik vrees niet voor verraad geweven
 
onder schoonen schijn, noch dat ik word vergiftigd
 
In gouden vaatwerk. Ik sta niet blootshoofds
 
voor een tiran, noch buigt mijn knie voor hem.
 
Geen deurwachter's staf drijft mij ooit naar buiten,
 
want zoover voert mijn hebzucht niet,
 
nog eerzucht of gulzige vraatzucht.
 
De arbeid voedt mij in blijde vrijheid;
 
ik min Helayne zeer, en zij mij zonder feil,
 
en dat is genoeg. Om het graf hebben wij geen zorg.’
 
Toen zei ik: ‘Helaas! de hofslaaf is geen duit waard,
 
maar vrije Gontier een zuiveren edelsteen in goud’.’

Blz. 154, middenin:

 
‘Terugkeerend van een vorstelijk hof,
 
waar ik langen tijd verwijld had,
 
vond ik in een boschje bij een bron,
 
Robin den vrije, wel bekranst,
 
een krans van bloemen had hij om zijn
 
hoofd gezet, en Marion zijn lief...’

Blz. 154, verderop:

 
...‘Ik wil voortaan bouden
 
den staat des middens, dat is mijn zin,
 
den oorlog laten en in arbeid leven:
 
oorlog voeren is slechts verderf.’

Blz. 154, onderaan:

 
‘Ik vraag aan God slechts dat hij mij geve
 
hem in deze wereld te dienen en te prijzen,
 
voor mij zelf te leven, met heelen rok of buis,
 
een paard om mijn arbeid te dragen,
 
en dat ik den middelmatigen staat mag houden,
 
in genade, zonder nijd,
 
zonder te veel te hebben en zonder om brood te vragen,
 
want het veiligste leven is dat van den dag.’

Blz. 155, bovenaan:

 
‘...Een werkman en een arme voerman
 
gaat slecht gekleed, in lompen en zonder schoenen,
 
maar al werkend doet hij zijn arbeid gaarne,
 
en doet zijn werken vroolijk eindigen.
 
's Nachts slaapt hij goed; daarom ziet zulk een trouw hart
 
vier koningen en hun regeering eindigen.’

Blz. 156, middenin:

 
‘Het hof is een zee, waaruit stijgen
 
golven van hoogmoed, storm van nijd...
 
Toorn verwekt twisten en krenkingen,
 
die dikwijls de schepen terneerwerpen;
 
verraad speelt er zijn rol.
 
Drijf elders tot uw vermaak.’

Blz. 158, middenin:

 
‘Ik heb een koning van Sicilië
 
herder zien worden
 
en zijn edele vrouwe
[p. 411]
 
van hetzelfde beroep,
 
zij droegen de broodtasch,
 
den staf en den hoed,
 
wonend op de heide
 
bij kun kudde.’

Blz. 159, middenin:

 
‘Heer, gij zijt een herder Gods;
 
hoed zijn beesten trouwelijk,
 
breng ze in het veld of in een hof,
 
maar laat ze niet verderven,
 
voor uw moeite zult gij goed loon hebben,
 
als gij ze goed bewaart, en zoo niet,
 
dan hebt gij te kwader ure dien naam herder gekregen.’

Blz. 160, middenin:

 
‘Mijn brood is goed, niemand behoeft mij te kleeden:
 
het water dat ik wil drinken is gezond,
 
ik vrees geen tiran noch vergif.’

Blz. 164, middenin:

 
‘Waar is thans uw glorie, Babylon, waar is
 
de vreeselijke Nebukadnezar, en de kracht van Darius en die Cyrus?
 
Als een wiel met geweld in beweging gezet zijn zij voorbijgegaan,
 
de faam blijft over, die wordt vast, zij zijn verrot.
 
Waar is nu de rechtshal en de staatsie van Caesar? Caesar, ge zijt heengegaan.
 
Gij zelf zijt geweest bloeddorstiger dan gij(?) en machtiger dan de wereld.
 
Waar is nu Marius, en Fabricius die het goud niet kende?
 
Waar is de eervolle dood en gedenkwaardige daad van Aemilius Paulus?
 
Waar is de goddelijke philippica en hemelsche stem van Cicero?
 
Waar is Cato's vrede voor de burgers en toorn voor de rebellen?
 
Waar is nu Regulus? of waar Romulus? of waar Remus?
 
De roos van gisteren bestaat als naam, bloote namen behouden wij.’

Blz. 164, onderaan:

 
‘Zeg, waar is Salomo, eertijds zoo edel
 
of Simson de onverwinlijke aanvoerder, waar is hij?
 
En de schoone Absalom, wonderbaarlijk van gezicht,
 
of de liefelijke Jonathan, zeer beminnelijk?
 
Waarheen is Caesar gegaan, hoog van oppermacht?
 
Waarheen de Rijke1, geheel in den maaltijd opgaand?
 
Zeg, waar is Cicero, beroemd om welsprekendheid
 
of Aristoteles, de opperste van vernuft?’

Blz. 168, bovenaan:

 
‘Eenmaal was ik boven alle vrouwen schoon,
 
maar door den dood ben ik zóó geworden.
 
Mijn vleesch was zeer schoon, frisch en teeder,
 
nu is het geheel in asch verteerd.
 
Mijn lichaam was zeer liefelijk en zeer fraai,
 
ik placht mij dikwijls in zijde te kleeden,
 
Nu moet ik naar recht gansch naakt zijn.
 
Ik ging in bont van “gris” en “menu vair”2,
 
ik woonde naar mijn wensch in een groot paleis,
 
nu woon ik in deze kleine doodkist.
 
Mijn kamer was versierd met schoone tapijten,
 
nu is mijn groeve van spinnen omringd.’

Blz. 168, onderaan:

 
‘Die zachte blikken, die oogen voor geneucht gemaakt,
 
denkt er wel aan, zij zullen hun helderheid verliezen,
[p. 412]
 
neus en wenkbrauwen, de welbespraakte mond,
 
zullen rotten...’

Blz. 169, bovenaan:

 
‘Als gij den rechten loop der natuur ten einde leeft,
 
waarvan zestig jaar een groot getal is,
 
zal uw schoonheid in leelijkheid veranderen,
 
uw gezondheid in duistere ziekte,
 
en ge zult in deze wereld slechts tot last zijn.
 
Als ge een dochter hebt, zult ge haar een schaduw zijn,
 
zij zal gezocht en gevraagd zijn,
 
en de moeder van iedereen verlaten.’

verderop:

 
‘Wat is dat gladde voorhoofd geworden,
 
die blonde haren, gewelfde wenkbrauwen,
 
de breede tusschenruimte der oogen, de aardige blik;
 
die mooie rechte neus, niet groot en niet klein,
 
die kleine aansluitende ooren,
 
de puntige kin, het helder, langwerpig gezicht,
 
en die schoone, roode lippen?
 
Het voorhoofd gerimpeld, de haren grijs,
 
de wenkbrauwen uitgevallen, de oogen gedoofd...’

Blz. 175, middenin:

 
‘Mijn vriend zie mijn gelaat,
 
zie wat de droeve dood doet,
 
en vergeet het nooit meer.
 
Dit is zij, die gij zoo hebt bemind,
 
en dit uw lichaam, leelijk en vuil,
 
zult gij voor altijd verliezen;
 
het zal een stinkend gerecht zijn
 
voor aarde en wormen:
 
de harde dood eindigt alle schoonheid.’

Blz. 175, onderaan:

 
‘Er is geen lid noch deel
 
dat niet zijn ontbinding voelt,
 
eer nog de geest gevloden is.
 
Het hart dat in het lichaam barsten wil
 
heft de borst omhoog.
 
Die zich aan de ruggegraat wil sluiten.
 
- Het gelaat is wankleurig en bleek.
 
En de oogen omfloerst in het hoofd.
 
De spraak heeft hem begeven,
 
want de tong kleeft aan het verhemelte.
 
De pols is onrustig, en hij hijgt.
 
. . . . . . . . . . . . . . . . .
 
De beenderen rekken zich aan alle kanten,
 
geen spier die zich niet tot brekens spant.’

Blz. 176, middenin:

 
‘De dood doet hem beven, verbleeken
 
den neus krommen, de aderen zich spannen,
 
den hals zwellen, het vleesch verslappen,
 
gewrichten en spieren rekken en strekken.’

Blz. 176, onderaan:

 
‘Vrouwenlichaam, dat zoo teer zijt,
 
zoo glad en zacht en kostbaar,
 
moet ge deze euvelen verwachten?
 
Ja, of levend ten hemel gaan.’

Blz. 178, bovenaan:

 
‘Daglooner die in zorg en moeite
 
al uwen tijd hebt geleefd,
 
gij moet sterven, het is zeker,
 
hier helpt wijken noch tegenweer.
[p. 413]
 
Gij moet tevreden zijn met den dood,
 
want hij bevrijdt u van groote zorg.’

Blz. 185, middenin: ‘Het stoffelijk zaad derhalve waaruit het lichaam moest worden gebouwd, was noch te hard noch al te vloeibaar.’

Blz. 188, onderaan:

 
‘Dan zal hij met bazuingeschal
 
zijn algemeene groote rekenkamer openen.’
 
verderop: ‘Hoort, hoort, eer en prijs
 
en den allergrootsten aflaat der wapenen.’

Blz. 190, bovenaan: ‘Oneerbare lichaamsdeelen en onreine en schandelijke zonden.’

Blz. 191, middenin:

 
‘Men placht in vroeger tijd
 
in de kerk vromelijk
 
op de knieën te liggen in nederigheid
 
dicht bij het altaar,
 
't hoofd met aandoening ontbloot,
 
maar tegenwoordig komt men als vee
 
dikwijls bij het altaar,
 
kaproen en hoed op het hoofd.’

Blz. 193, bovenaan:

 
‘Indien ik vaak ter kerke ga,
 
is 't alles om de schoone te zien
 
frisch als een nieuwe roos.’

Blz. 194, bovenaan: ‘En daarom heeft men hier een goed voorbeeld, dat men niet op beevaart moet gaan om eenig dwaas vermaak.’

Blz. 195, bovenaan:

 
‘Er is niet een zoo geringe of hij zegt:
 
ik verzaak God en zijn moeder.’

Blz. 197, middenin: ‘Waarde heeren, ik heb op mijn zaak gelet, en ik houd het ervoor in mijn geweten, God grootelijks te hebben vertoornd, want reeds sedert lang heb ik gedwaald tegen het geloof, en ik kan niet gelooven, dat er iets aan is van de Drieëenheid, noch dat de Zoon Gods zich verwaardigde zich zoo te verlagen, dat hij uit den hemel kwam neerdalen in het menschelijk lichaam eener vrouw, en ik geloof en zeg, dat, als wij sterven, er niets van een ziel is... Ik heb deze meening gehouden sedert ik kennis der dingen had, en ik zal haar houden tot het einde.’

Blz. 199, onderaan:

 
‘Ik ben een arme, oude vrouw
 
die niets weet; ik heb nooit een letter kunnen lezen,
 
ik zie in de kerk, waarvan ik parochiaan ben,
 
het paradijs geschilderd, waar harpen en luiten zijn,
 
en een hel waar de verdoemden gezoden worden:
 
het eene maakt mij bang, het ander vroolijk en blij.’

Blz. 203, middenin:

 
‘Gij die vrouw en kinderen dient,
 
hebt altijd Joseph in gedachten,
 
hij diende een vrouw, altijd treurig en droef
 
en zorgde voor Jezus Christus in zijn kindsheid,
 
hij draafde tevoet, zijn bundel aan zijn lans,
 
men ziet hem op allerlei plaatsen zoo afgebeeld,
 
bij een muilezel, om hun genoegen te doen,
 
en hij had nooit vertier in deze wereld.’

Blz. 203, onderaan:

 
‘Wat had Joseph voor armzaligheid,
 
voor hardheid
 
en ongeluk,
 
toen God geboren werd?
 
Hij heeft hem menigmaal gedragen
 
en laten rijden
 
uit goedheid
 
met zijn moeder erbij,
[p. 414]
 
op zijn muil nam hij hen mee;
 
ik heb hem gezien
 
zoo geschilderd;
 
naar Egypte is hij gegaan,
 
de sukkel wordt afgebeeld
 
heelemaal vermoeid
 
en gedost
 
in een rok en een “barry”(?)
 
een stok op schouder,
 
oud, versleten
 
en sluw.
 
Hij heeft in deze wereld geen vertier,
 
maar van hem
 
gaat de roep:
 
dat is malle Joseph.’

Blz. 204, onderaan: ‘God wilde dat zij den heiligen man Joseph huwde, die oud en rechtschapen was; want God wilde geboren worden onder schaduw van huwelijk, om te gehoorzamen aan de wet, die toen gold, om de opspraak der wereld te ontgaan.’

Blz. 205, bovenaan: ‘Als het u behaagt, zal ik trouwen en een menigte kinderen en familie hebben.’ ‘Ik ben zwart doch schoon.’ ‘Al is dit meisje zwart, toch is zij bevallig en wel geschapen van lijf en leden, en wel geschikt om een menigte kinderen te dragen.’ ‘Mijn lieve zoon heeft mij gezegd, dat zij zwart en donker is. Voorwaar ik wil dat zijn gade jong zij, hoofsch, liefelijk, bevallig en mooi, en schoon van leden.’

 
‘Neem haar, want zij is behagelijk
 
om haar zoeten minnaar wel te minnen,
 
neem nu ruimschoots van onze goederen,
 
en geef er haar overvloedig van.’

Blz. 206, bovenaan:

 
‘Er zijn vijf heiligen in den stamboom
 
en vijf vrouwelijke heiligen, aan wie God
 
vol goedheid toestond bij het eind huns levens,
 
dat wie van harte hen zal aanroepen
 
in alle gevaren, dat God verhooren zal
 
hun beden, voor welk ongeval ook.
 
Wijs dus hij die deze vijf zal dienen:
 
Joris, Dionys, Christoffel, Gilles, Blasius.’
 
. . . . . . . . . . . . . . .

Blz. 206, verderop: ‘God die uw uitverkoren heiligen Georgius etc. met bijzondere voorrechten boven alle anderen hebt onderscheiden, zoodat allen, die in hun nood hún hulp inroepen, naar de belofte van uw genade het heilzaam gevolg hunner bede deelachtig worden.’

Blz. 208, bovenaan:

 
‘Sint Teunis verbrande het bordeel,... het rijdier.’
 
‘Sint Teunis verkoopt mij zijn kwaal te duur,
 
hij stookt mij 't vuur in 't lijf.’

Blz. 208, middenin: ‘Sint Maurus zal maken dat ge niet hoeft te beven.’

Blz. 209, middenin:

 
‘Maakt geen goden van zilver,
 
van goud, van hout, van steen of brons,
 
die 't volk tot afgoderij brengen...
 
Want het kunstwerk is een fraaie vorm;
 
hun schilderwerk (het zij geklaagd)
 
de schoonheid van het blinkend goud
 
doen menig onzeker volk gelooven,
 
dat het stellig goden zijn.
 
En zij dienen met dwaze gedachten
 
zulke beelden die in 't rond staan
[p. 415]
 
in de kerken, waar wij er te veel van opstellen;
 
't is slecht gedaan: in korte woorden,
 
laat ons zulke beelden niet aanbidden.
 
Vorst, laat ons in éen God alleen gelooven,
 
en hem volkomenlijk aanbidden
 
in het veld, overal, want dat is redelijk,
 
niet valsche goden, ijzer noch zeilsteen,
 
geen steenen zonder besef:
 
laat ons zulke beelden niet aanbidden.’

Blz. 212, middenin:

 
‘Laat ons bidden dat de Jacobijnen
 
De Augustijnen mogen opeten,
 
en dat de Karmelieten worden gehangen
 
met de koorden der Minderbroeders.’

Blz. 217, onderaan: ‘Geheel gelijk aan de bakken waarin men gewoonlijk drek en vuil draagt.’ ‘En ik hoorde vertellen, dat hij in alle steden, waar hij kwam, zulke intochten hield, uit nederigheid.’

Blz. 221, bovenaan: ‘Daar werd gedood, in goeden vorm, gezegde heer Karel van Blois, het gezicht naar zijn vijanden, en een bastaardzoon van hem, heer Jan van Blois geheeten, en verscheiden andere ridders en knapen van Bretagne.’

Blz. 222, middenin: ‘Zacht, heusch en goedaardig, maagdelijk van lichaam, een groot aalmoezengever. Het grootste deel van den dag en den nacht was hij in gebeden. In heel zijn leven was er niets dan nederigheid.’

Blz. 222, verderop: ‘Ik zie wel, dat men mij van den goeden weg tot den slechten wil brengen: goed, goed, als ik mij er op begeef, zal ik maken dat de heele wereld van mij zal spreken.’

Blz. 224, bovenaan: ‘Die de genade Gods en van de Maagd Maria kocht voor meer geld dan ooit een koning deed.’

Blz. 224, onderaan: ‘In dezen tijd liet de koning een groot aantal spelers op snaren- en houtinstrumenten komen, die hij onderbracht in Saint Cosme bij Tours, waar zij zich verzamelden tot een getal van 120, waaronder verscheiden herders uit het land van Poitou. Zij speelden dikwijls voor 's konings verblijf, maar zagen hem niet, opdat die instrumenten den koning vermaakten en verstrooiden, en om hem uit den slaap te houden. En anderdeels liet hij ook een groot aantal kwezelaars en kwezels komen en lieden van devotie, als kluizenaars en heilige schepsels, om zonder ophouden God te bidden, dat hij den koning niet liet sterven en nog liet leven.’

Blz. 237, onderaan: ‘En hij had grooten toeloop van volk, die hem kwamen zien uit alle landen om het zeer edele en eerbare, eenvoudige leven dat hij leidde.’

Blz. 238, middenin: Aus leus, ‘De wolven!’

Blz. 242, middenin: ‘Gij zult hem eten in het vuur gebraden, goed gebakken, niet aangebrand of verbrand. Want zoo werd het Paaschlam tusschen twee hout- of koolvuren behoorlijk gebakken en gebraden, zoo werd de zoete Jezus, op den goeden Vrijdag, aan het spit van het waardig kruis gestoken, bevestigd en gebonden; tusschen de twee vuren van bange dood en lijden, en van zeer brandende liefde die hij had voor onze zielen en ons heil, werd hij als gebraden en langzaam gebakken om ons te redden.’

Blz. 253, middenin: ‘Zonder bijmenging van eenig zaad van voortplanting.’

Blz. 254, middenin:

 
‘Van de pantoffel komt ons enkel gezondheid
 
en alle profijt zonder ernstige ziekte,
 
om haar een titel van gezag te geven
 
geef ik haar den naam van nederigheid.’

Blz. 256, middenin: ‘Toen verhief zich de godin Tweedracht, die in den toren van Slechten Raad woonde, en wekte Toorn, de uitzinnige, en Hebzucht en Razernij en Wraak, en zij grepen wapenen van allerlei aard, en stieten weg uit hun midden zeer smadelijk Rede, Gerechtigheid, Gedachtenis Gods, en Matiging.’ - ‘En in minder

[p. 416]

tijd dan men honderd schreden gaan kon nadat zij dood waren, bleef hun niets dan hun onderbroek, en lagen zij op hoopen als varkens in het slijk...’

Blz. 257, middenin: ‘Fol cuidier’ - dwaze meening; ‘Folle bombance’ - dwaze pralerij.

Blz. 257, verderop: ‘bij wijze van maskerade en tot vermaak, om het feest vroolijker te maken.’

Blz. 258, middenin: ‘Escondit’ - weigering, afwijzing, verontschuldiging.

Blz. 267, bovenaan: ‘Gevormd uit zeer vuil zaad, ontvangen in een jeukte des vleesches.’

Blz. 268, middenin: ‘Vrome pelikaan, Heer Jezus, Reinig mij onreine met uw bloed, waarvan éen droppel redden kan de gansche wereld van alle zonde.’

Blz. 269, bovenaan: ‘Overwezenlijke Drieëenheid, overaanbiddelijke en overgoede... leid ons tot de overlichte schouwing van u zelve’... ‘overallerbarmhartigst, overallerwaardigst, overallerbeminnelijkst, overallerschitterendst, overalmachtig en overwijs, overallerheerlijkst.’

Blz. 278, slot: ‘Begeer niet gekend te worden.’

Blz. 281, middenin: ‘Zoo had de goede hertog Jan die daad herleid tot een moraliteit.’

Blz. 282, middenin: ‘Een zeer groote vrees bevangt mijn hart, ja zoo groot, dat mijn vernuft en geheugen vlieden, en dat weinigje verstand dat ik meende te hebben, mij reeds geheel heeft verlaten.’

Blz. 284, bovenaan: ‘Je vous avoue’ - Ik bevestig uw woorden.

Blz. 284, middenin: ‘De slecht gekleeden zet men met den rug in den wind.’ ‘Niemand is kuisch als het niet noodig is.’ ‘De mensch is goed zoo lang hij bang is voor zijn huid.’ ‘Desnoods behelpt men zich met den duivel.’

Blz. 285, onderaan: ‘Een goed gekamd hoofd draagt slecht een helm,’ ‘van andermans leer breede riemen’, ‘zooals de heer is, gedragen zich de dienaren’, ‘Zoo rechter zoo oordeel’, ‘Die 't algemeen dient, niemand betaalt hem ervoor’, ‘Wie een zeer hoofd heeft, moet zijn kaproen niet afnemen.’

Blz. 286, middenin: ‘dont on ne se tanne’ - ‘waarvan men niet genoeg krijgt.’

Blz. 291, middenin: ‘Goede lieden, zegt uw onzevaders voor de ziel van wijlen Laurent Guernier, bij leven wonende te Provins, dien men onlangs dood gevonden heeft onder een eik.’

Blz. 295, middenin:

 
‘Ik heb een ongekende zaak gezien:
 
een doode wederopstaan,
 
en op zijn terugkomst
 
voor duizenden koop sluiten.
 
De een zegt: hij is in leven,
 
de ander: 't is maar wind.
 
Alle goede harten zonder nijd
 
betreuren hem dikwijls.’

Blz. 297, onderaan: ‘Vrijwel overeenstemmende met de namen van dagelijksche kleeren, instrumenten of spelen van heden, als Pantoufle, Courtaulx en Mornifle.’

Blz. 298, onderaan: ‘Hij kon niet naar zijn wil de genoemde teekens en hun uitwerking tegen God goed uit zijn hart uitroeien.’

Blz. 299, middenin: ‘Heb ik niet voor mij de stukjes was, op duivelsche wijs gedoopt en vol afschuwelijke kunsten tegen mij en anderen?’

Blz. 299, onderaan: ‘Want in alle dingen betoonde hij zich iemand van trouw en gansch geloof jegens God, zonder te vorschen naar iets van zijn geheimen.’

Blz. 300, middenin: ‘En als men tegen hem redeneerde, 'tzij geestelijken of anderen, zei hij, dat men dezen moest gevangen nemen als verdacht, toovenaars te zijn.’

Blz. 300, onderaan: ‘Men had in de landen herwaarts over nooit zulke gevallen zien gebeuren.’ - verder: ‘een zaak door zekere slechte lieden verzonnen.’

Blz. 301, middenin:

 
‘Er is geen oud vrouwtje, hoe verdwaasd,
[p. 417]
 
dat van deze dingen het geringste had gedaan,
 
maar om haar te laten verbranden of hangen
 
leidt de vijand der menschelijke natuur,
 
die maar al te veel lagen weet te leggen,
 
haar zinnen valschelijk op een dwanlspoor.
 
Er is geen stok of staak
 
waarop iemand zou kunnen vliegen,
 
maar als de duivel haar het hoofd verwart,
 
meenen zij ergens heen te gaan
 
om zich te vermaken
 
en haar wil te doen.
 
Men zal ze van Rome hooren spreken,
 
en toch zullen zij er nooit geweest zijn.
 
De duivelen, zegt Vrij-Willen,
 
zijn allen in de hel, geketend,
 
en zij zullen tang noch vijl hebben,
 
waarmee zij ooit losgemaakt worden.
 
Hoe komen zij dan den christenen
 
zooveel parten spelen,
 
en zooveel ontuchtige gevallen brengen?
 
Ik kan uw gebazel niet begrijpen.’

Blz. 302, onderaan:

 
‘Ik zal niet gelooven, zoolang ik leef,
 
dat een vrouw lichamelijk
 
door de lucht kan gaan als een merel of lijster,
 
- zei de Kampioen terstond -.
 
Sint Augustijn zegt duidelijk:
 
het is inbeelding en spooksel;
 
en niet anders gelooven
 
Gregorius, Ambrosius noch Hieronymus.
 
Als het arme mensch te bed ligt,
 
om te slapen en te rusten,
 
komt de vijand die nooit ter ruste gaat
 
zich naast haar leggen.
 
Dan weet hij haar heel listig
 
zinsbegoochelingen te bereiden,
 
zoodat zij meent te doen of te zeggen
 
wat zij enkel droomt.
 
Misschien zal de oude droomen,
 
dat zij op een kat of op een hond
 
naar de vergadering gaat,
 
maar waarlijk, er zal niets van zijn:
 
ook is er geen stok of hout,
 
dat haar een stap kan wegdragen.’

Blz. 303, bovenaan: ‘Die vele dwaze lieden bewaarden in besloten plaatsen, en zij hadden zoo groot geloof in die vuiligheid, dat zij vast voor waar geloofden, dat zoolang zij dat hadden, mits het netjes in schoone zijden of linnen doeken gewikkeld was, zij dan nooit een dag van hun leven arm zouden zijn.’

Blz. 311, onderaan: ‘Men kon geen ding aanraden of bedenken om het te verfraaien, of de heer van Trimouille liet het maken aan zijn schepen. En dit alles betaalden de arme lieden in Frankrijk.’

Blz. 317, onderaan: ‘En voorzeker was dit een zeer schoon tusschenspel, want er zaten meer dan veertig personen in.’

Blz. 323, middenin: ‘Springend en huppelend zoodanig dat het schoon was om aan te zien.’

[p. 418]

Blz. 325, middenin: ‘Een nagemaakt boek, van een stuk wit hout, geschilderd als een boek, waar niets in is van bladen en niets geschreven staat.’

Blz. 326, onderaan: ‘Gekleed in goudlaken en koninklijken tooi als haar paste, en veinzende de meest wereldsche van allen te zijn, luisterend naar elk ijdel woord, zooals velen doen, en uiterlijk vertoonende gelijke zeden als de loszinnigen en ledigen, droeg zij dagelijks het haren kleed op het bloote vleesch, vastte op brood en water menigen dag, zonder het te doen blijken, en sliep, als haar man afwezig was, menigen nacht in het stroo van haar bed.’

Blz. 327, bovenaan: ‘Praal en ijdele overdaad,’ - ‘de ergerlijke overdaad en de groote kosten die ter oorzake van die banketten gemaakt zijn,’ - ‘streven naar deugd.’

Blz. 328, onderaan: ‘Van geringe afkomst.’

Blz. 329, bovenaan: ‘Hij placht alles te besturen geheel alleen en op zich zelf alles te behandelen en te leiden, hetzij van oorlog, van vrede, of op 't stuk der financiën.’

Blz. 329, middenin: ‘Genoemde kanselier werd een der wijze mannen van het koninkrijk geacht, om in 't wereldlijke te spreken, want met betrekking tot het geestelijke, daarover zwijg ik.’

Blz. 334, bovenaan: ‘Want tot schoonheid zijn drie dingen noodig. Ten eerste geheelheid of volkomenheid, want wat afgebroken is, is reeds daardoor. leelijk. Een passende verhouding of overeenstemming. En nogmaals klaarheid: vandaar dat hetgeen een heldere kleur heeft schoon genoemd wordt.’

Blz. 339, bovenaan:

 
‘De eene kleedt zich voor haar in 't groen,
 
een ander in 't blauw, een ander in 't wit,
 
een ander kleedt zich in 't bloedrood,
 
en hij die haar het meest begeert
 
kleedt zich uit grooten rouw in 't zwart.’

Blz. 339, middenin:

 
‘Gij zult u in 't groen moeten kleeden,
 
dat is de livrei der verliefden.’

Blz. 339, onderaan:

 
‘In het zich in 't blauw kleeden ligt het niet,
 
of men zijn dame bemint, noch in 't dragen van deviezen,
 
maar in het dienen haar alleen, van volmaakt trouwer harte,
 
en haar te vrijwaren voor smaad
 
...daarin ligt de liefde, niet in het blauw dragen;
 
wellicht dat velen de euveldaad
 
van valschheid meenen te bedekken onder een grafsteen,
 
door blauw te dragen...’

Blz. 340, bovenaan:

 
‘Dat hij die mij den blauwen rok heeft aangedaan,
 
en met den vinger heeft doen aanwijzen, gedood worde.’

Blz. 340, middenin:

 
‘Boven elke kleur min ik de bruine,
 
omdat ik haar min, heb ik er mij in gekleed,
 
en al de andere heb ik vergeten.
 
Helaas! mijn liefde is niet hier.’
 
. . . . . . . . . . . .
 
‘Grijs en bruin mag ik wel dragen,
 
want ik ben het hopen moe.’

Blz. 351, onderaan:

 
‘Om zwaarmoedigheid te vergeten
 
en mij op te vroolijken,
 
ging ik op een goeden morgen de velden in,
 
den eersten dag dat liefde de harten
 
hereent in het blijde jaargetij...’
 
- ‘Rondom fladderden vogels,
 
en zongen zoo liefelijk,
 
dat geen hart er zich niet in zou verheugen.
[p. 419]
 
En zingende stegen zij omhoog in de lucht,
 
en wedijverden om het hoogst te stijgen.
 
Het weder was niet betrokken,
 
de hemel was in 't blauw gekleed,
 
en de schoone zon schitterde klaar.’

Blz. 352, middenin:

 
‘Ik zag de boomen in bloei,
 
en hazen en konijnen loopen.
 
Alles verheugde zich in de lente.
 
Daar scheen liefde de heerschappij te voeren.
 
Niemand kan oud worden of sterven,
 
dunkt mij, zoolang hij daar verkeert.
 
Een zoete geur ging uit van 't gras,