Blz. 7, middenin: ‘de aandoenlijkste processies, die ooit bij menschenheugenis gezien waren’; verderop: ‘in hevig weenen, in bittere tranen, in groote devotie.’
Blz. 7, onderaan: ‘en hij verteederde de harten zoodanig, dat iedereen smolt in tranen van medelijden, en men prees zijn einde het schoonste dat men ooit gezien had.’
Blz. 8, bovenaan: ‘er was een menigte volk, die bijna allen heete tranen schreiden.’
Blz. 9, bovenaan: ‘groot en klein weende zoo deerlijk en diep, alsof zij hun beste vrienden (= hun naaste verwanten) zagen begraven, en hij zelf ook.’
Blz. 9, middenin: ‘zeer luide zijn vertrek met schreien en zuchten beklagende.’
Blz. 10, onderaan: ‘maar naar het voorbeeld van de slak, die haar horens intrekt, als men dicht bij haar komt, en ze weer uitsteekt, als zij niets meer hoort, deden ook deze. Want vrij kort nadat gezegde prediker uit het land vertrokken was, begonnen zij weer als tevoren, en vergaten zijn leering, en hernamen van lieverlede haar oude staatsie, even groot of nog grooter dan zij die gewoon waren geweest te dragen.’
Blz. 11, middenin: ‘gekleed in bangen rouw, zeer droevig om te zien, en in de gansche stad weende en klaagde men zeer om de groote droefheid en verdriet, waarin men hen om den dood huns meesters zag.’
Blz. 11, onderaan: ‘en God weet welk een smartelijken en deerniswaardigen rouw zij dreven om hun voorgenoemden heer.’
Blz. 12, onderaan: ‘en dat de bedaardste er het geduld bij verliest.’
Blz. 13, onderaan: ‘toen hoorde men stemmen opgaan en geween uitbreken en een algemeen geroep weerklinken: Wij allen, wij allen, Heer, zullen met U leven en sterven.’ - ‘Wel, leeft en lijdt dan, en ik zal eerder voor u lijden, dan dat gij gebrek hebt.’ - ‘terwijl de een zeide: ik heb duizend, de ander: ik tienduizend, weer anderen: ik heb dit, ik heb dat om het voor u te besteden en uw toekomst af te wachten.’
Blz. 15, middenin: ‘Goeden dag, Heer, goeden dag, wat is dit? Speelt gij nu koning Artur of heer Lancelot?’
Blz. 18, middenin: ‘die half onwillig en met spijt haar een Schotschen groot uit zijn beurs haalde en leende.’
Blz. 18, middenin: ‘zeker klein tractaat over de fortuin, uitgaande van haar onstandvastigheid en bedriegelijken aard.’
Blz. 19, onderaan: ‘want vorsten zijn menschen, en hun belangen zijn hoog en hachelijk, en hun aard is onderhevig aan menigen hartstocht als haat en nijd, ja hun hart een ware woonplaats derzelve, wegens hun roemzucht in het heerschen.’
Blz. 20, middenin: ‘in alle pijnlijke en doodelijke hevigheid zou hij streven naar wraak om den doode, zoo ver als God het hem wilde veroorloven, en hij zou er lijf en ziel op zetten, vermogen en landen alles aan het lot wagen, het een heilzaam werk achtende en eêr aan God gevallig om er zich op toe te leggen dan om het te laten.’
Blz. 25, bovenaan: ‘waarover het volk meer verheugd was dan of er een nieuw heiligenlichaam was aan het licht gekomen.’
Blz. 27, bovenaan: ‘en men lachte er duchtig om, omdat het allen lieden van geringen stand waren.’
Blz. 31, middenin: ‘een zeer hoovaardig, hebzuchtig man, wereldscher dan zijn staat toeliet.’
Blz. 31, onderaan: ‘een man van zeer weinig medelijden met eenig ander, als hij geen geld of een gelijkwaardig geschenk kreeg, en men vertelde voor waar, dat hij wel vijftig processen voor het Parlement had, want van hem kreeg men niets zonder proces.’
Blz. 36, middenin:
Blz. 36, onderaan:
Blz. 37, bovenaan:
Blz. 37, middenin:
Blz. 37, middenin: ‘Ik droevig man, geboren in donker van verduistering, in dichte stortbuien van weeklagen.’
Blz. 38, bovenaan: ‘toen hij een poos had gemelancholiseerd (= gepeinsd), bedacht hij, dat hij zou terugschrijven aan de commissarissen van den koning van Frankrijk.’
Blz. 38, onderaan:
Blz. 47, middenin: ‘Hij richtte een gedeelte van den dag al zijn doen en laten op ernst, en, met spel en lach daartusschen gemengd, verlustigde hij zich in fraai spreken en in het vermanen van zijn edelen tot deugd, als een redenaar. En met die bedoeling vond men hem meermalen gezeten in een staatsiezetel met hooge rugleuning, zijn edelen voor hem, terwijl hij hun allerlei vertoogen hield naar tijd en aangelegenheden. En altijd was hij, als vorst en hoofd over allen, rijk en prachtig gekleed boven alle anderen;’ verderop: ‘hooge prachtlievendheid van hart om gezien en aanschouwd te worden in bijzondere dingen.’
Blz. 51, middenin: ‘wie zich vernedert voor zijn meerdere, verhoogt en vermenigvuldigt zijn eigen eer, en het goede van die daad straalt op zijn gelaat terug.’
Blz. 52, onderaan:
Blz. 53, middenin:
Blz. 54, middenin: ‘zoodat velen zich verbaasden over zijn groote vrijgevigheid.’
Blz. 57, bovenaan: ‘zonder hem een woord te zeggen, kwamen zij op hem toe; Lhuillier geeft hem met den elleboog een stoot in de maag, de anderen braken zijn priesterhoed en de koorden daarvan’; ‘allerlei scheldwoorden zeggende en hem den vinger in het gezicht zettend, en hem zoo bij den arm grijpend dat hij hem het koorhemd scheurde; en als hij er niet zijn hand voor gehouden had, zou hij hem in het gezicht hebben geslagen.’
Blz. 59, middenin: ‘en hij hield regel noch maat, en dat zoodanig dat hij iedereen in verwondering bracht over zijn matelooze smart.’ - ‘was het aandoenlijk om allerlei slag van lieden te hooren schreien en weenen en hun verschillende klachten en treurnis slaken.’
Blz. 60, bovenaan: ‘Vechy merveilles!’ zooveel als: ‘flauwe praatjes.’
Blz. 69, middenin: ‘Om te komen tot het derde lid, dat het rijk vol maakt, dit is de stand der goede steden, der kooplieden en der landarbeiders, van wie het niet past zulk een lange uiteenzetting te geven als van de andere standen, omdat hij uit zich zelf nauwelijks vatbaar is hem hooge doeleinden toe te kennen, daar hij verkeert in een graad van dienstbaarheid.’
Blz. 70, onderaan: ‘zoo moeten de onschuldigen van honger omkomen, waaraan de groote wolven zich ieder dag den buik vullen, die bij duizenden en honderden de onrechtmatige schatten opkoopen; het is het graan, het koren - het bloed, de beenderen die het land geploegd hebben - van de arme lieden, vanwaar hun geest om wraak schreeuwt tot God, en wee de heerschappij...’
Blz. 71, middenin: ‘De arme man zal geen brood om te eten hebben, of misschien een weinig rogge of gerst; zijn vrouw zal in de kraam liggen, en zij zullen vier of zes kleine kinderen bij den haard hebben, of op den oven, die misschien warm zal zijn; die zullen om brood vragen, zullen schreeuwen van razenden honger. De arme moeder zal hun niets in den mond te stoppen hebben dan een beetje brood met zout erin. Nu, die ellende moest genoeg zijn: - komen de schooiers die alles oppakken... alles zal weggenomen en opgehapt worden, en zoek maar wie 't betaalt.’
Blz. 72, bovenaan:
Blz. 73, bovenaan:
Blz. 73, middenin:
Blz. 78, onderaan: ‘De glorie der vorsten ligt in hoogmoed en in het ondernemen van hoogst gevaarlijke dingen, alle vorstelijke machtsuitingen loopen uit op één klein punt, dat hoogmoed heet.’
Blz. 80, bovenaan:
Blz. 81, middenin: ‘Hij begeerde grooten roem, wat hem meer dan iets anders tot zijn oorlogen bracht; en hij had gaarne willen gelijken op die oude vorsten, van wie zooveel gesproken is na hun dood;’ verderop: ‘En toen bemerkte ik, dat hem het hart stond naar zeer bijzondere voornemens voor de toekomst, en om roem en faam te verwerven in buitengewoon bedrijf.’
Blz. 87, middenin: ‘Het is een blijde zaak, de oorlog. Men houdt zoo van elkaar in den oorlog. Wanneer men weet dat zijn zaak goed is, en men ziet zijn bloed (landslieden) goed vechten, krijgt men tranen in de oogen. Er komt in 't hart een zoet gevoel van trouw en van deernis, zijn vriend te zien, die zich dapper blootstelt om het gebod van onzen schepper te volbrengen. En dan bereidt men zich om met hem te sterven of te leven, en voor geen ding ter wereld hem in den steek te laten. Daarin komt over u zulk een verrukking, dat geen mensch die het niet ondervonden heeft, zou kunnen zeggen, welk een genot dat is. Meent ge, dat iemand die dat doet den dood vreest? Neen, want hij is zoo gesterkt, zoo in vervoering, dat hij niet weet waar hij is. Waarlijk hij is bang voor niets.’
Blz. 93, onderaan:
Blz. 94, bovenaan: ‘Helaas, waar zijn de dames om ons te amuseeren, om ons aan te sporen tot inspanning, of ons te beladen met kenteekens, deviezen, sluiers of halsdoeken!’
Blz. 100, onderaan:
Blz. 102, bovenaan:
Blz. 105, middenin: ‘Zoo vermoed ik sterk, dat die Galois en Galoises, die in dien staat en die minnarijen stierven, martelaars der liefde waren.’
Blz. 106, bovenaan:
Blz. 106, bovenaan:
verderop:
Blz. 107, middenin: ‘Ledigheid begeerend te ontgaan, meenend er goeden naam aan te winnen en de genade van de schoone wier dienaar wij zijn.’
Blz. 109, middenin: ‘Het behaagt mijnen zeer geduchten heer niet, dat heer Philippe Pot in zijn gezelschap op den heiligen tocht ga met onbeschermden arm, maar hij vindt het goed, dat hij met hem ga goed en voldoende geharnast, zooals het behoort.’
Blz. 115, onderaan: ‘Om te vermijden storting van christenbloed en verderf des volks, waarmee ik in mijn hart mededoogen heb... dat door mij persoonlijk alleen deze twist ten einde worde gebracht, zonder er den weg van oorlog toe in te slaan, waardoor vele edellieden en anderen, zoo van uw leger als het mijne, hun dagen jammerlijk zouden moeten eindigen.’
Blz. 116, bovenaan: ‘zoowel door onthouding van spijs en drank als door het nemen van lichaamsoefening om hem in goeden adem te brengen.’
Blz. 119, onderaan: ‘Als wij andere wegen zoeken dan den rechten, zullen wij niet toonen, dat wij rechte krijgslieden zijn.’
Blz. 120, middenin: ‘Sommigen beschouwden het als een heldenstuk, anderen als een ongeoorloofde zaak en een groote verwatenheid.’
Blz. 122, onderaan: ‘Dus werd voortaan deze strijd het treffen van Mons en Vimeu genoemd. En het werd verklaard, geen slag te zijn, omdat de partijen elkaar bij toeval ontmoetten, en er zoo goed als geen banieren ontplooid waren’; ‘omdat alle slagen den naam moeten dragen van de naaste versterkte plaats, waarbij zij geleverd zijn.’; verderop: ‘Daar vocht de koning een heelen tijd tegen heer Eustache en deze tegen hem, zoodat het zeer aardig was hen te zien.’
Blz. 123, onderaan: ‘Toen men hem een poos bekeken had, bracht men hem weg, en hing hem op aan een boom. Ziedaar het uiteinde van dien Philips van Artevelde.’
Blz. 124, middenin: ‘Want er is gevaar en verlies van leven, en God weet welk een ellende als er storm is, en dan is er de zeeziekte, die veel lieden slecht verdragen. Voorts, het harde leven, dat men er heeft, dat niet wel strookt met den adel.’
Blz. 125, middenin: ‘Zeer waakzaam en op groote sommen geld gesteld, hetzij in pensiën, renten, gouverneurschappen of opbrengsten.’
Blz. 126, onderaan: ‘Willem; aangezien gij wenscht op krijgstocht te gaan naar Hongarije en Turkije, om wapenfeiten te zoeken tegen lieden en landen, die ons nooit iets misdaan hebben, en gij hebt geen anderen redelijken grond er heen te trekken, dan om den ijdelen roem dezer wereld, - laat toch Jan van Bourgondië en onze neven van Frankrijk hun “emprises” vervullen, en vervul gij uw eigene, en ga in Friesland ons erfdeel veroveren.’
Blz. 130, middenin: ‘Voor hen en voor allen van hun gevolg, en wel baden voorzien van al wat tot Venus' ambacht hoort, om naar keur en keus te nemen wat men begeerde, en alles op kosten van den hertog.’
Blz. 133:
Blz. 140, onderaan: ‘Door middel van de vederen en vleugelen van verscheiden gedachten, van een plaats naar een andere, tot in het heilig hof van Christenheid.’ - ‘Schaamte, Vrees en Gevaar, de brave deurwachter, die niet zou durven of willen toestaan zelfs geen oneerzame kus, of wulpschen blik of lokkenden lach of lichtzinnig woord.’
Blz. 141, bovenaan: ‘Hij werpt overal vuur brandender en stinkender dan grieksch vuur of van zwavel’; ‘hoe alle jonge meisjes hun lichaam vroegtijdig en duur moeten verkoopen zonder vrees of schaamte, en geen rekening houden met bedrog of meineed.’
Blz. 142, middenin: ‘Om een deel van den tijd bevalliger door te brengen en ontluiking van nieuwe vreugde te vinden.’
Blz. 145, middenin:
Blz. 145, onderaan:
Blz. 146, bovenaan: ‘Partures’ = strijdvragen, die men elkander opgaf.
Blz. 146, middenin: ‘Vrouwe, ik zou liever willen, dat ik goed van haar hoorde spreken, en kwaad bij haar bevond.’
Blz. 147, onderaan: ‘Ik zal, tot uw roem en prijs, iets maken dat in goede gedachtenis zal blijven.’ ‘En, mijn lief hart, gij zijt bedroefd dat wij zoo laat begonnen zijn? bij God, ik ben het ook, maar ziehier het geneesmiddel: laat ons zoo goed leven, als wij kunnen, in plaats en tijd, dat wij den tijd goedmaken, dien wij verloren hebben, en dat men van onze liefde spreekt tot honderd jaar hier na, gansch ten goede en gansch in eere, want als er kwaad in stak, zoudt ge 't voor God verbergen, als ge kondt.’
Blz. 149, bovenaan:
Blz. 150, middenin: ‘Valsche lange, peinzende blikken en kleine zuchten en wonderlijke, aangedane gezichten, en die meer woorden bij de hand hebben dan andere lieden.’
Blz. 150, onderaan: ‘Mejuffrouw, het zou beter zijn, in uw gevangenschap te vallen dan in die van menig ander, en ik denk dat uw gevangenis niet zoo hard zou zijn als die van de Engelschen.’ ‘Zij antwoordde mij, dat zij heel kort geleden iemand had gezien, dien zij wel tot gevangene wenschte. En toen ik haar vroeg, of zij hem een kwade gevangenis zou bereiden, zei zij: neen, en dat zij hem even lief zou hebben als zich zelf; en ik zei, dat die persoon wel gelukkig was, om een zoo zoet en nobel prisoen te hebben. Wat zal ik u zeggen? Zij was welbespraakt genoeg, en scheen naar haar woorden genoeg te weten, en zij had een heel levendigen en lichten oogopslag,’ - ‘En toen wij vertrokken waren, zei mijn heer vader tegen mij: Wat dunkt u van haar, die ge gezien hebt. Zeg me er uw meening over.’ - ‘Mijnheer, zij lijkt mij goed en wel, maar ik zal haar nooit nader zijn, dan ik ben, als 't u belieft.’
Blz. 151, middenin: ‘Want ik heb velen hooren zeggen, die in haar jeugd verliefd geweest waren, dat als zij in de kerk waren, haar denken en verbeelding haar vaker hield bij de innige gedachten en geneuchten van haar liefde dan bij den dienst van God, en de kunst der liefde is van dien aard, dat als men op 't hoogst van den dienst is, dat is als de priester Onzen Heer boven het altaar houdt, dan kwamen haar de meeste kleine gedachten.’
Blz. 153:
verderop: ‘en mond en neus, de gladde en de baardige.’
Blz. 153, onderaan:
Blz. 154, middenin:
Blz. 154, verderop:
Blz. 154, onderaan:
Blz. 155, bovenaan:
Blz. 156, middenin:
Blz. 158, middenin:
Blz. 159, middenin:
Blz. 160, middenin:
Blz. 164, middenin:
Blz. 164, onderaan:
Blz. 168, bovenaan:
Blz. 168, onderaan:
Blz. 169, bovenaan:
verderop:
Blz. 175, middenin:
Blz. 175, onderaan:
Blz. 176, middenin:
Blz. 176, onderaan:
Blz. 178, bovenaan:
Blz. 185, middenin: ‘Het stoffelijk zaad derhalve waaruit het lichaam moest worden gebouwd, was noch te hard noch al te vloeibaar.’
Blz. 188, onderaan:
Blz. 190, bovenaan: ‘Oneerbare lichaamsdeelen en onreine en schandelijke zonden.’
Blz. 191, middenin:
Blz. 193, bovenaan:
Blz. 194, bovenaan: ‘En daarom heeft men hier een goed voorbeeld, dat men niet op beevaart moet gaan om eenig dwaas vermaak.’
Blz. 195, bovenaan:
Blz. 197, middenin: ‘Waarde heeren, ik heb op mijn zaak gelet, en ik houd het ervoor in mijn geweten, God grootelijks te hebben vertoornd, want reeds sedert lang heb ik gedwaald tegen het geloof, en ik kan niet gelooven, dat er iets aan is van de Drieëenheid, noch dat de Zoon Gods zich verwaardigde zich zoo te verlagen, dat hij uit den hemel kwam neerdalen in het menschelijk lichaam eener vrouw, en ik geloof en zeg, dat, als wij sterven, er niets van een ziel is... Ik heb deze meening gehouden sedert ik kennis der dingen had, en ik zal haar houden tot het einde.’
Blz. 199, onderaan:
Blz. 203, middenin:
Blz. 203, onderaan:
Blz. 204, onderaan: ‘God wilde dat zij den heiligen man Joseph huwde, die oud en rechtschapen was; want God wilde geboren worden onder schaduw van huwelijk, om te gehoorzamen aan de wet, die toen gold, om de opspraak der wereld te ontgaan.’
Blz. 205, bovenaan: ‘Als het u behaagt, zal ik trouwen en een menigte kinderen en familie hebben.’ ‘Ik ben zwart doch schoon.’ ‘Al is dit meisje zwart, toch is zij bevallig en wel geschapen van lijf en leden, en wel geschikt om een menigte kinderen te dragen.’ ‘Mijn lieve zoon heeft mij gezegd, dat zij zwart en donker is. Voorwaar ik wil dat zijn gade jong zij, hoofsch, liefelijk, bevallig en mooi, en schoon van leden.’
Blz. 206, bovenaan:
Blz. 206, verderop: ‘God die uw uitverkoren heiligen Georgius etc. met bijzondere voorrechten boven alle anderen hebt onderscheiden, zoodat allen, die in hun nood hún hulp inroepen, naar de belofte van uw genade het heilzaam gevolg hunner bede deelachtig worden.’
Blz. 208, bovenaan:
Blz. 208, middenin: ‘Sint Maurus zal maken dat ge niet hoeft te beven.’
Blz. 209, middenin:
Blz. 212, middenin:
Blz. 217, onderaan: ‘Geheel gelijk aan de bakken waarin men gewoonlijk drek en vuil draagt.’ ‘En ik hoorde vertellen, dat hij in alle steden, waar hij kwam, zulke intochten hield, uit nederigheid.’
Blz. 221, bovenaan: ‘Daar werd gedood, in goeden vorm, gezegde heer Karel van Blois, het gezicht naar zijn vijanden, en een bastaardzoon van hem, heer Jan van Blois geheeten, en verscheiden andere ridders en knapen van Bretagne.’
Blz. 222, middenin: ‘Zacht, heusch en goedaardig, maagdelijk van lichaam, een groot aalmoezengever. Het grootste deel van den dag en den nacht was hij in gebeden. In heel zijn leven was er niets dan nederigheid.’
Blz. 222, verderop: ‘Ik zie wel, dat men mij van den goeden weg tot den slechten wil brengen: goed, goed, als ik mij er op begeef, zal ik maken dat de heele wereld van mij zal spreken.’
Blz. 224, bovenaan: ‘Die de genade Gods en van de Maagd Maria kocht voor meer geld dan ooit een koning deed.’
Blz. 224, onderaan: ‘In dezen tijd liet de koning een groot aantal spelers op snaren- en houtinstrumenten komen, die hij onderbracht in Saint Cosme bij Tours, waar zij zich verzamelden tot een getal van 120, waaronder verscheiden herders uit het land van Poitou. Zij speelden dikwijls voor 's konings verblijf, maar zagen hem niet, opdat die instrumenten den koning vermaakten en verstrooiden, en om hem uit den slaap te houden. En anderdeels liet hij ook een groot aantal kwezelaars en kwezels komen en lieden van devotie, als kluizenaars en heilige schepsels, om zonder ophouden God te bidden, dat hij den koning niet liet sterven en nog liet leven.’
Blz. 237, onderaan: ‘En hij had grooten toeloop van volk, die hem kwamen zien uit alle landen om het zeer edele en eerbare, eenvoudige leven dat hij leidde.’
Blz. 238, middenin: Aus leus, ‘De wolven!’
Blz. 242, middenin: ‘Gij zult hem eten in het vuur gebraden, goed gebakken, niet aangebrand of verbrand. Want zoo werd het Paaschlam tusschen twee hout- of koolvuren behoorlijk gebakken en gebraden, zoo werd de zoete Jezus, op den goeden Vrijdag, aan het spit van het waardig kruis gestoken, bevestigd en gebonden; tusschen de twee vuren van bange dood en lijden, en van zeer brandende liefde die hij had voor onze zielen en ons heil, werd hij als gebraden en langzaam gebakken om ons te redden.’
Blz. 253, middenin: ‘Zonder bijmenging van eenig zaad van voortplanting.’
Blz. 254, middenin:
Blz. 256, middenin: ‘Toen verhief zich de godin Tweedracht, die in den toren van Slechten Raad woonde, en wekte Toorn, de uitzinnige, en Hebzucht en Razernij en Wraak, en zij grepen wapenen van allerlei aard, en stieten weg uit hun midden zeer smadelijk Rede, Gerechtigheid, Gedachtenis Gods, en Matiging.’ - ‘En in minder
tijd dan men honderd schreden gaan kon nadat zij dood waren, bleef hun niets dan hun onderbroek, en lagen zij op hoopen als varkens in het slijk...’
Blz. 257, middenin: ‘Fol cuidier’ - dwaze meening; ‘Folle bombance’ - dwaze pralerij.
Blz. 257, verderop: ‘bij wijze van maskerade en tot vermaak, om het feest vroolijker te maken.’
Blz. 258, middenin: ‘Escondit’ - weigering, afwijzing, verontschuldiging.
Blz. 267, bovenaan: ‘Gevormd uit zeer vuil zaad, ontvangen in een jeukte des vleesches.’
Blz. 268, middenin: ‘Vrome pelikaan, Heer Jezus, Reinig mij onreine met uw bloed, waarvan éen droppel redden kan de gansche wereld van alle zonde.’
Blz. 269, bovenaan: ‘Overwezenlijke Drieëenheid, overaanbiddelijke en overgoede... leid ons tot de overlichte schouwing van u zelve’... ‘overallerbarmhartigst, overallerwaardigst, overallerbeminnelijkst, overallerschitterendst, overalmachtig en overwijs, overallerheerlijkst.’
Blz. 278, slot: ‘Begeer niet gekend te worden.’
Blz. 281, middenin: ‘Zoo had de goede hertog Jan die daad herleid tot een moraliteit.’
Blz. 282, middenin: ‘Een zeer groote vrees bevangt mijn hart, ja zoo groot, dat mijn vernuft en geheugen vlieden, en dat weinigje verstand dat ik meende te hebben, mij reeds geheel heeft verlaten.’
Blz. 284, bovenaan: ‘Je vous avoue’ - Ik bevestig uw woorden.
Blz. 284, middenin: ‘De slecht gekleeden zet men met den rug in den wind.’ ‘Niemand is kuisch als het niet noodig is.’ ‘De mensch is goed zoo lang hij bang is voor zijn huid.’ ‘Desnoods behelpt men zich met den duivel.’
Blz. 285, onderaan: ‘Een goed gekamd hoofd draagt slecht een helm,’ ‘van andermans leer breede riemen’, ‘zooals de heer is, gedragen zich de dienaren’, ‘Zoo rechter zoo oordeel’, ‘Die 't algemeen dient, niemand betaalt hem ervoor’, ‘Wie een zeer hoofd heeft, moet zijn kaproen niet afnemen.’
Blz. 286, middenin: ‘dont on ne se tanne’ - ‘waarvan men niet genoeg krijgt.’
Blz. 291, middenin: ‘Goede lieden, zegt uw onzevaders voor de ziel van wijlen Laurent Guernier, bij leven wonende te Provins, dien men onlangs dood gevonden heeft onder een eik.’
Blz. 295, middenin:
Blz. 297, onderaan: ‘Vrijwel overeenstemmende met de namen van dagelijksche kleeren, instrumenten of spelen van heden, als Pantoufle, Courtaulx en Mornifle.’
Blz. 298, onderaan: ‘Hij kon niet naar zijn wil de genoemde teekens en hun uitwerking tegen God goed uit zijn hart uitroeien.’
Blz. 299, middenin: ‘Heb ik niet voor mij de stukjes was, op duivelsche wijs gedoopt en vol afschuwelijke kunsten tegen mij en anderen?’
Blz. 299, onderaan: ‘Want in alle dingen betoonde hij zich iemand van trouw en gansch geloof jegens God, zonder te vorschen naar iets van zijn geheimen.’
Blz. 300, middenin: ‘En als men tegen hem redeneerde, 'tzij geestelijken of anderen, zei hij, dat men dezen moest gevangen nemen als verdacht, toovenaars te zijn.’
Blz. 300, onderaan: ‘Men had in de landen herwaarts over nooit zulke gevallen zien gebeuren.’ - verder: ‘een zaak door zekere slechte lieden verzonnen.’
Blz. 301, middenin:
Blz. 302, onderaan:
Blz. 303, bovenaan: ‘Die vele dwaze lieden bewaarden in besloten plaatsen, en zij hadden zoo groot geloof in die vuiligheid, dat zij vast voor waar geloofden, dat zoolang zij dat hadden, mits het netjes in schoone zijden of linnen doeken gewikkeld was, zij dan nooit een dag van hun leven arm zouden zijn.’
Blz. 311, onderaan: ‘Men kon geen ding aanraden of bedenken om het te verfraaien, of de heer van Trimouille liet het maken aan zijn schepen. En dit alles betaalden de arme lieden in Frankrijk.’
Blz. 317, onderaan: ‘En voorzeker was dit een zeer schoon tusschenspel, want er zaten meer dan veertig personen in.’
Blz. 323, middenin: ‘Springend en huppelend zoodanig dat het schoon was om aan te zien.’
Blz. 325, middenin: ‘Een nagemaakt boek, van een stuk wit hout, geschilderd als een boek, waar niets in is van bladen en niets geschreven staat.’
Blz. 326, onderaan: ‘Gekleed in goudlaken en koninklijken tooi als haar paste, en veinzende de meest wereldsche van allen te zijn, luisterend naar elk ijdel woord, zooals velen doen, en uiterlijk vertoonende gelijke zeden als de loszinnigen en ledigen, droeg zij dagelijks het haren kleed op het bloote vleesch, vastte op brood en water menigen dag, zonder het te doen blijken, en sliep, als haar man afwezig was, menigen nacht in het stroo van haar bed.’
Blz. 327, bovenaan: ‘Praal en ijdele overdaad,’ - ‘de ergerlijke overdaad en de groote kosten die ter oorzake van die banketten gemaakt zijn,’ - ‘streven naar deugd.’
Blz. 328, onderaan: ‘Van geringe afkomst.’
Blz. 329, bovenaan: ‘Hij placht alles te besturen geheel alleen en op zich zelf alles te behandelen en te leiden, hetzij van oorlog, van vrede, of op 't stuk der financiën.’
Blz. 329, middenin: ‘Genoemde kanselier werd een der wijze mannen van het koninkrijk geacht, om in 't wereldlijke te spreken, want met betrekking tot het geestelijke, daarover zwijg ik.’
Blz. 334, bovenaan: ‘Want tot schoonheid zijn drie dingen noodig. Ten eerste geheelheid of volkomenheid, want wat afgebroken is, is reeds daardoor. leelijk. Een passende verhouding of overeenstemming. En nogmaals klaarheid: vandaar dat hetgeen een heldere kleur heeft schoon genoemd wordt.’
Blz. 339, bovenaan:
Blz. 339, middenin:
Blz. 339, onderaan:
Blz. 340, bovenaan:
Blz. 340, middenin:
Blz. 351, onderaan:
Blz. 352, middenin: