Op het eerste gezicht ligt de sfeer van recht, wet en rechtspraak zeer ver van die van het spel verwijderd. Heilige ernst en het vitaal belang van den enkele en van zijn gemeenschap beheerschen immers alles wat recht en rechtspraak is. De etymologische grondslag voor de uitdrukking der begrippen recht, gerecht en wet ligt overwegend in het gebied van zetten, vaststellen, aanwijzen, houden, orde, aannemen, kiezen, verdeelen, verzamelen, gelijk-zijn, binden, gewoon zijn, vaststaan. Dit zijn alles voorstellingen, die vrijwel tegengesteld zijn aan de semantische sfeer, waarin de woorden voor spel opkomen. Wij hebben echter reeds voortdurend waargenomen, dat heiligheid en ernst van een handeling de qualiteit spel geenszins uitsluiten.
De mogelijkheid van verwantschap tusschen recht en spel wordt ons duidelijk, zoodra wij opmerken, dat aan de praktijk van het recht, m.a.w. aan het rechtsgeding, wat ook de ideëele grondslagen van het recht mogen zijn, het karakter van wedstrijd in hooge mate eigen is. Het verband tusschen wedstrijd en rechtsvorming werd reeds even aangeroerd bij de beschrijving van den potlatch, die immers door Davy geheel van de rechtshistorische zijde, als oorsprong van een primitief systeem van overeenkomst en verplichting, behandeld werd1. De gerechtelijke strijd van partijen geldt bij de Grieken als een ἀγών (agon), als een aan vaste regels gebonden kamp, in geheiligde vormen, waarbij de twee strijdende partijen de beslissing van een scheidsrechter inroepen. Deze opvatting van het proces als een wedkamp moet niet als een jongere ontwikkeling, een overdracht van begrippen, laat staan een ontaarding, beschouwd worden, gelijk Ehrenberg schijnt te doen2. Integendeel, van het agonale wezen van den rechtsstrijd gaat de geheele ontwikkeling uit, en dit wedkampkarakter blijft daarin tot den huldigen dag levend.
Wie wedstrijd zegt, zegt spel. Wij zagen vroeger, dat er geen voldoende grond is, aan welken wedstrijd ook het spelkarakter te ontzeggen. Zoowel de qualiteit spel als die van wedstrijd, beide opgeheven in die van de heiligheid, welke elke gemeenschap voor haar rechtspraak opeischt, ziet men nog heden in allerlei vormen van het
rechtsleven doorstralen. De rechtspraak vindt plaats in een ‘hof’. Dit hof is nog altijd, in den vollen zin des woords, die ἰερὸς κύκλος (hieros kuklos), heilige kring, waarin men de rechters gezeten zag, die op het schild van Achilles waren afgebeeld1. Elke rechtsplaats is een echte temenos, een gewijde plaats, die uit de gewone wereld is uitgesneden, afgebakend. Men spant aldus de vierschaar, en bant haar vervolgens. Het is een echte toovercirkel, een speelruimte, waarbinnen tijdelijk het gewone rangverschil tusschen de menschen is opgeheven. Men is er tijdelijk onschendbaar. Loki vergewiste zich, eer hij den schimpkamp waagde, dat de plek een ‘groote vredeplaats’ was2. Het Engelsche Hoogerhuis is in wezen nog altijd een gerechtshof, vandaar dat de woolsack, de zetel van den Lord Kanselier, die er eigenlijk niet te maken heeft, geldt als ‘technically outside the precincts of the House’.
De rechters treden nog altijd uit het ‘gewone leven’, eer zij het recht spreken. Zij hullen zich in de toga, of wel zij zetten een pruik op. Is deze dracht van den Engelschen rechtsgeleerde op haar ethnologische beteekenis onderzocht? Het komt mij voor, dat de samenhang met de pruikenmode der 17e en 18e eeuw slechts secundair is. Eigenlijk is de wig een voortzetting van het oude kenteeken der rechtsgeleerden in Engeland, de coif, oorspronkelijk een nauwsluitende witte kap, die nog altijd door een wit randje onder aan de pruik gerepresenteerd wordt. De rechterlijke pruik is echter nog meer dan een relict van een oude ambtsdracht. In haar functie is zij nauw verwant te achten aan de primitieve dansmaskers der natuurvolken. Zij maakt den drager tot een ‘ander wezen’. De Britsche wereld houdt, met den eerbied voor traditie, die haar eigen is, nog andere zeer oude trekken in het recht op. Het element van sport en humor in het rechtsgeding, daar zoo sterk in zwang, behoort tot de grondtrekken van het rechtsleven in het algemeen. Trouwens, zelfs in het Nederlandsche volksbewustzijn ontbreekt die trek niet geheel. ‘Be a good sport,’ zei de Amerikaansche bootlegger in de dagen van het drankverbod tot den kommies, die hem bekeuren wou. Sportiviteit eischt van de justitie de Nederlander evengoed. Een Brabantsche smokkelaar staat terecht wegens een poging, opzettelijk een politieagent te hebben willen overrijden3, en zegt:
‘Om den agent te ontwijken, ben ik nog naar links uitgeweken.’
De politiebeambte ontkende dit.
Verdachte: ‘Nou mot ge eerlijk blijven en sportief...’
Een oud-rechter schreef mij: ‘Stijl en inhoud onzer processtukken verraden, met welk een sportleven wellust onze advokaten dikwijls elkaar met argumenten en tegen-argumenten (w.o. heel veel sophistische) bestoken, zóó, dat hun mentaliteit mij weleens deed denken aan die van woordvoerders in een adatproces, wanneer zij bij elk argument een stokje in den grond steken, om te trachten, door het grootste aantal stokjes de overwinning in den rechtsstrijd te behalen.’ Bijzonder levendig komt het spel-karakter van de rechtspraak uit in Goethe's beschrijving van de rechtszitting in het dogenpaleis te Venetië (Italienische Reise, 3 October).
Deze losse opmerkingen mogen dienen, om op den essentieelen samenhang van rechtspraak en spel voor te bereiden. Keeren wij dus tot archaïsche vormen van het rechtsgeding terug. In de procedure voor den rechter is het te allen tijde en onder alle omstandigheden zoo zeer, zoo hevig, ja zoo uitsluitend om het winnen te doen, dat het agonale moment er geen oogenblik kan worden uitgeschakeld. Daarbij plaatst het stelsel van beperkende regels, dat dien kamp steeds beheerscht, hem formeel geheel en al in het kader van een wel geordend antithetisch spel. Onder drie verschillende gezichtspunten laat zich de daadwerkelijke verbinding van recht en spel in archaïsche culturen rangschikken. Het proces is een kansspel, het is een wedloop, het is een kamp met het woord.
Het rechtsgeding is een strijd om recht of onrecht, om gelijk of ongelijk, om winnen of verliezen. Wanneer wij nu met onzen blik teruggaan van de praktijk van het recht in hoogontwikkelde beschavingsvormen op die van minder ver voortgeschreden cultuurstadiën, dan zien wij als 't ware de voorstelling winnen of verliezen, d.w.z. de zuiver agonale gedachte, die van recht of onrecht, dus de ethisch-juridische gedachte, in het bewustzijn der gemeenschap overschaduwen. Het element kans, en daarmee onmiddellijk ook dat van spel, komt meer en meer op den voorgrond, naarmate wij ons verplaatsen in een meer primitief rechtsbewustzijn. Er schijnt zich een sfeer van gedachten aan ons voor te doen, waarin de begrippen van beslissing door orakel, door godsoordeel, door het werpen van het lot, dus door een spel (want de onwraakbare beslissendheid berust enkel op een spelregel) en door rechtsuitspraak nog in één complex begrepen zijn.
Men ervaart den wil der goddelijke macht, dat is wat de naaste toekomst brengen zal, dat is het lot dat zich voltrekt, door haar een uitspraak te ontlokken. Het orakel wordt gekend door een onzekere kans te beproeven. Men trekt staafjes, of werpt steenen, of prikt tusschen de bladen van het heilige boek. Aldus het gebod van Exodus 28.30 om de urim en tummim, wat voor voorwerpen dit dan ook geweest mogen zijn, in de tasch des gerechts te doen, die op het hart van den hoogepriester gedragen werd, en waarmee in Numeri 27. 21 Eleazar, de priester, raad vraagt. Zoo beveelt Saul, het lot te werpen tusschen hem en zijn zoon Jonathan, 1 Samuel 14. 42. De samenhang tusschen orakel, kansspel en gerecht is hier reeds zoo duidelijk mogelijk gegeven. Zulk een lotsorakel kent ook het Oud-Arabische heidendom1. Doch wàt anders is de heilige weegschaal, waarop in de Ilias Zeus het doodslot afweegt, eer de strijd begint?
‘Toen spande de Vader de beide gouden schalen, en legde daarin twee loten van bitteren dood, van de paardenbedwingende Troërs en van de koperbekleede Achaeërs.’2
Dit afwegen is Zeus' recht doen, δικάζειν (dikazein). De voorstellingen godswil, noodlot en uitslag van de kans zijn hier geheel vermengd. De weegschaal der Gerechtigheid - want van dit Homerische beeld neemt de figuur toch zeker haar oorsprong - is de waagschaal der hachelijke kans. Van een zege der zedelijke waarheid, een voorstelling, dat het recht zwaarder weegt dan het onrecht, is hier nog geen sprake.
Onder de figuren op het schild van Achilles, zooals het in het 18e boek der Ilias beschreven wordt, is die van een rechtsgeding, binnen een heiligen kring waarin de rechters gezeten zijn. In het midden liggen δύω χρυσοῖο τάλαντα (duō chrusoio talanta) om te geven aan den gene die het oordeel δίκην (dikēn) het rechtst zal spreken3. Twee gouden talenten, dat zou dus de geldsom zijn, waarom de partijen dingen. Doch eigenlijk lijkt het toch meer op een inzet of prijs dan op het voorwerp van een rechtsgeding. Talanta nu beteekent oorspronkelijk de weegschaal zelf. Zou het niet mogelijk zijn, dat de dichter hier gewerkt heeft naar een afbeelding, waarop naar oude zede het recht inderdaad gewogen werd, d.i. door het lotsorakel beslist, en dat hij, deze overoude voorstelling niet meer begrijpende, talanta als geldswaarde heeft verstaan?
Het Grieksche δίκη (dikē) recht, heeft een schaal van beteekenis, die zich tusschen het zuiver abstracte en het meer concrete uitstrekt. Het kan naast recht als abstract begrip ook zooveel als toekomend deel, schadevergoeding, beteekenen: de partijen geven en nemen dikē, de rechter wijst dikē toe. Het beduidt eveneens het proces zelf, het vonnis en de straf. Volgens Werner Jaeger zou in dit geval, bij uitzondering mag men wel zeggen, de concrete beteekenis als afgeleid uit de abstracte te beschouwen zijn1. Hiermee schijnt niet te strooken, dat juist de abstracties δίκαιος (dikaios) - rechtvaardig, en δικαιοσύνη (dikaiosunē) - rechtvaardigheid, eerst in lateren tijd van dikē gevormd zijn. Het hierboven uiteengezette verband tusschen rechtspraak en lotbeproeven zou ons geneigd maken, aan de door Jaeger verworpen etymologie, die δίκη van δικεῖν = werpen afleidt, toch de voorkeur te geven, al kan de samenhang van dikē met δείκνυμι nauwelijks betwijfeld worden. Een verband tusschen ‘recht’ en ‘werpen’ schijnt ook in het Hebreeuwsch te bestaan, waar het woord voor wet en recht, thorah, en een stam, die het lot werpen, schieten, een orakeluitspraak loten beteekent, onmiskenbaar verwant zijn2.
Van bijzonder gewicht schijnt het feit, dat de figuur van Dikē op munten met die van Tychē - het onzekere lot - ineenloopt. Ook deze laatste godin houdt de weegschaal. ‘It is not - zegt Miss Harrison - that there is a late “syncretism” of these divine figures; they start from one conception and differentiate.’3
Men kan den primitieven samenhang van recht, lot en kansspel ook in de overlevering der Germaansche volken op velerlei wijze waarnemen. Tot den huidigen dag beteekent in het Nederlandsch het woord lot tegelijk het in de toekomst bestemde, dat wat iemand ten deel valt, wat hem ‘beschikt’ is (Schicksal) en het teeken van zijn gelukskans, dat wil zeggen het kortste of langste lucifertje, of wel het loterijbriefje4. Men kan nauwelijks uitmaken, welke van beide beteekenissen oorspronkelijker is: in het archaïsche denken vloeien de beide begrippen zelf ineen. Zeus houdt de weegschaal van het goddelijk gerecht, de Asen werpen 's wereld lot met dobbelsteenen5. De godspraak spreekt uit den uitslag van een krachtproef of van een strijd met de wapenen op gelijken voet als uit het vallen der speel-
symbolen. Niet zonder diepe gronden in het verleden en in de menschelijke ziel beide wichelt men nog altijd uit de ligging der speelkaarten. De strijd met de wapenen gaat somtijds met een dobbelspel gepaard. Terwijl de Herulers met de Langobarden strijden, zit hun koning aan het speelbord. Evenzoo wordt er gedobbeld in koning Theoderik's tent bij Quierzy1.
Het is niet gemakkelijk, de opvatting van het godsoordeel in den geest der volken, die het toepasten, nauwkeurig te bepalen. Op het eerste gezicht schijnt zij aldus te omschrijven: de goden toonen door den uitslag van de proef of van den worp, aan welken kant de waarheid ligt, of in welke richting hun beschikking strekt. Maar is dit niet reeds een interpretatie uit een jonger stadium? Is niet in den grond de wedkamp zelf, het spel om wie het winnen zal, het uitgangspunt? De uitslag van het kansspel is op zich zelf heilige beslissing. Hij is het nog, waar een reglement luidt: bij staking van stemmen beslist het lot. Eerst in een voortgeschreden phase van religieuze expressie ontstaat de formuleering: waarheid en gerechtigheid worden openbaar, doordat een godheid den val der steenen of de zege in den strijd leidt. Wanneer Ehrenberg zegt: ‘Aus dem Gottesurteil erwächst das weltliche Gericht’2, schijnt mij daarin een volgorde van denkbeelden verondersteld, die niet de historische is. Veeleer moet het aldus luiden. Rechtspraak en godsoordeel wortelen samen in een praktijk van agonale beslissing op zich zelf, hetzij door lot of krachtbeproeving. De kamp om winnen of verliezen is in zich zelf heilig. Wordt hij bezield door geformuleerde begrippen van recht en onrecht, dan verheft hij zich in de rechtssfeer, wordt hij gezien in het licht van positieve voorstellingen van goddelijke macht, dan verheft hij zich in de sfeer van het geloof. Primair echter is aan dit alles de spelvorm.
De rechtsstrijd is een wedstrijd, dikwijls in den vorm van een wedloop of van een weddenschap. Steeds weer dringt de speelterm wedde in onze beschouwingen naar voren. De potlatch schept een primitief systeem van juridische betrekkingen. De uitdaging brengt een overeenkomst teweeg3. Onafhankelijk van den potlatch en van het erkende godsoordeel kan men in allerlei archaïsche rechtsgewoonten den wedkamp om het recht, d.w.z. om de beslissing en
erkenning van een stabiele verhouding ten opzichte van een bepaald geval, terugvinden. Veel van hetgeen indertijd door Otto Gierke zonder nadere verklaring onder de benaming ‘Humor im Recht’ werd samengevat, en als een vrije speling van den volksgeest werd beschouwd, vindt in het kader van de agonale oorsprongen der rechtsbepaling zijn juiste verklaring. Speling van den volksgeest inderdaad, maar in een dieperen zin dan Gierke aannam, en vol van ernstige beteekenis. Zoo wordt bijvoorbeeld in de Oud-Germaansche rechtsgewoonten soms de grens van een marke of van een grondeigendom bepaald door een wedloop, of door een worp met een bijl. Of wel een gerechtigde wordt aangewezen doordat men een voorwerp of een persoon laat aanraken door een geblinddoekte of doordat men een ei laat draaien of rollen. Al deze gevallen hooren thuis onder het hoofd rechtsbeslissing door krachtproef of kansspel. In het Arabisch is het woord voor pand qara' gevormd van een wortel, die loten of winnen bij het lot of bij het doelschieten beteekent.
Het is zeker geen toeval, dat de wedstrijd in het bijzonder een belangrijke plaats inneemt bij het kiezen van de bruid, of van den bruidegom. Achter het Engelsche woord wedding voor de huwelijkssluiting zit een even ver verschiet van rechts- en cultuurgeschiedenis als achter het Nederlandsche woord bruiloft. Het eerste spreekt van de wedde, het symbolische pand, waarmee men zich tot een aangegane verbintenis verplicht1. Bruiloft getuigt van den loop, d.i. wedloop om de bruid, die de proef of een der proeven kon uitmaken, waarvan het ingaan van de verbintenis afhankelijk was2. De Danaïden werden door een wedloop gewonnen, welk voorbeeld nog in historischen tijd navolging vond. Ook ten aanzien van Penelope is van zulk een wedloop sprake3. Het komt er niet in de eerste plaats op aan, of zulk een handeling enkel in sage of mythe is overgeleverd, dan wel ook in het werkelijk gebruik kan worden aangetoond. Hoofdzaak is, dat de voorstelling aanwezig is van een wedkamp om de bruid. Het huwelijk is een ‘contrat à épreuves’, ‘a potlatch custom’, zegt de ethnoloog. Het Mahābhārata beschrijft de krachtproeven, die de vrijers naar Draupadī hebben te volbrengen, het Rāmāy̱aṇa evenzoo ten opzichte van Sītā, het Nibelungenlied de krachtproeven om Brunhild.
Het behoeven echter niet louter proeven op kracht of dapperheid te zijn, die de vrijer heeft af te leggen om de bruid te verwerven. Somtijds wordt hij op zijn kennis beproefd door moeilijke vragen. In Nguyen Van Huyen's beschrijving van de feestelijke spelen der jongelingen en meisjes in Annam neemt de wedstrijd in kennis en gevatheid een groote plaats in. Het zijn bijwijlen volledige examens, die het meisje den jonkman afneemt. In de Eddische overlevering ziet men, al is het in eenigszins verschoven vorm, de kennisproef om de bruid in het lied van Alviss, waar Thor den alwijzen dwerg zijn dochter belooft, als hij hem op zijn vragen de geheime namen der dingen weet te zeggen1.
Van den wedkamp gaan wij thans over tot de weddenschap, die weer in nauw verband staat tot de gelofte. Het element wedden komt in de rechterlijke procedure op tweeërlei wijze tot uiting. De eerste is deze. De hoofdpersoon in het geding wedt zijn recht, d.w.z. hij daagt door het stellen van een wedde, gage, vadium, den tegenstander uit, zijn recht te bestrijden. Het Engelsche recht heeft nog tot in de negentiende eeuw twee vormen van procedure in civiele zaken gekend, die den naam van wager, letterlijk: weddenschap, droegen, den wager of battle, waarbij iemand den gerechtelijken tweekamp aanbood, en den wager of law, waarbij men zich verplichtte, op een bepaalden dag den onschuldseed af te leggen. Hoewel reeds lang in onbruik geraakt, werden deze vormen eerst in 1819 en 1833 afgeschaft2. Draagt reeds het pleit zelf het karakter van een weddenschap, daarnaast staat het gebruik, dat de toeschouwers op den uitslag van het geding wedden in den zin, dien wij gewoonlijk aan dat woord hechten. Weddenschappen op den uitslag van een rechtszaak zijn, naar ik meen, in Engeland nog aan de orde van den dag. Toen Anne Boleyn en haar medebeschuldigden te recht stonden, werd er, onder den indruk van de kloeke verdediging van haar broeder Rochford, in Tower hall tien tegen een gewed op zijn vrijspraak. In Abessinië was het wedden op de uitspraak een vast bedrijf in het verloop van een rechtszitting, tusschen de verdediging en het getuigenverhoor3.
Wij onderscheidden drie spelvormen van het rechtsgeding: kansspel, wedkamp of weddenschap, en kamp met het woord. Dit laatste
blijft het rechtsgeding, uit den aard der zaak, ook nadat het, bij voortschrijdende beschaving, zijn spelqualiteit geheel of gedeeltelijk, schijnbaar of werkelijk, verloren heeft. Voor ons onderwerp hebben wij echter alleen te maken met de archaïsche phase van dezen woordkamp, waar niet het juridisch nauwst afgewogen argument den doorslag geeft, maar de scherpste en treffendste smaad. De agon bestaat hier bijna geheel in het streven, elkaar in uitgezochte smaadredenen te overtreffen en de baas te blijven. Van den smaadwedstrijd op zich zelf, als sociale prestatie, terwille van de eer en het prestige, was reeds vroeger sprake, toen wij het hadden over psogos, iambos, mofākhara, mannjafnaðr enz.. De overgangen tusschen de joute de jactance op zich zelf en den smaadwedstrijd als rechtsgeding zijn niet scherp omlijnd. Dit zal duidelijk worden, wanneer wij thans een der merkwaardigste gegevens voor den samenhang van spel en cultuur iets uitvoeriger behandelen, namelijk de trommelwedstrijden of liederenkampen der Groenlandsche Eskimo's. Hier toch hebben wij in levend of althans nog recent gebruik een geval, waarin zich de cultuurfunctie, die wij rechtspraak noemen, nog in het geheel niet uit de sfeer en uit den aard van het spel heeft losgemaakt.1.
Wanneer een Eskimo een klacht heeft tegen een ander, daagt hij hem uit tot een trommelwedstrijd of liederenkamp (Trommesang, drum-match, drum-dance, song-contest). De stam of clan verzamelt zich in feestelijke bijeenkomst, op zijn best uitgedost en in vroolijke stemming. De beide tegenstanders zingen elkander beurtelings smaadliederen toe, door de trom begeleid, waarin zij elkaar hun misdrijven verwijten. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tusschen gegronde beschuldiging, lachwekkende satire en vuigen laster. Een zanger somde al de menschen op, die tijdens een hongersnood door de vrouw en de schoonmoeder van zijn wederpartij waren opgegeten, wat het gezelschap zich zoo aantrok, dat het in tranen uitbarstte. Het toezingen gaat gepaard met lichamelijke terging en mishandeling: vlak in het gezicht snuiven en ademen, bonzen met het voorhoofd, des anders kaken opensperren, hem vastbinden aan den tentpaal, al hetwelk de ‘beschuldigde’ uiterst gelaten en zelfs met spottend gelach heeft te verdragen. De toeschouwers zingen de refreinen van de liederen
mee, zij applaudisseeren en hitsen de partijen aan. Anderen zitten erbij te slapen. Gedurende de pauzen behandelen de partijen elkaar als goede vrienden. De zittingen van zulk een kamp kunnen zich over jaren uitstrekken; de partijen bedenken telkens nieuwe liederen, en brengen nieuwe misdrijven aan. Tenslotte beslissen de toeschouwers, wie als winnaar moet worden beschouwd. Daarna is in sommige gevallen de vriendschap weer hersteld, maar het komt ook voor, dat een familie wegens de schande van de nederlaag uitwijkt. Iemand kan verscheiden trommelwedstrijden terzelfder tijd hebben loopen. Vrouwen doen er ook aan.
Van gewicht is hier nu in de eerste plaats het feit, dat deze kampen bij de stammen die de gewoonte kennen de plaats innemen van rechterlijke beslissingen. Een vorm van rechtspraak naast de trommelkampen kennen die stammen niet. Zij zijn de eenige wijze om een geschil uit te maken. Een andere weg om een publieke opinie te vormen is er niet1. Zelfs moorden worden in dezen vorm aan het licht gebracht. Na de overwinning in den liederenkamp volgt er geen andere officieele uitspraak meer. De aanleiding tot de kampen ligt in overwegenden getale in vrouwenkwesties. Er valt onderscheid te maken tusschen stammen, die het gebruik als rechtsmiddel kennen, en andere, bij wie het enkel als feestvermaak voorkomt. De geoorloofde gewelddadigheden zijn verschillend bepaald: slaan, of enkel vastbinden enz.. - Naast den zingkamp dienen ter beslechting van geschillen somtijds het vuistgevecht of de worstelstrijd.
Men heeft hier dus te doen met een cultuurpraktijk, die de functie van rechtspraak vervult, in volstrekt agonalen vorm, en die tegelijk in den meest eigenlijken zin spel is. Alles verloopt onder gelach en pleizier. Het is er om te doen, de hoorders te vermaken. ‘Voor den volgenden keer, zegt Igsiavik2, wil ik een nieuw gezang maken, dat bijzonder vermakelijk zal zijn, en waarbij ik mijn tegenstander aan den paal zal binden.’ De tromkampen vormen het hoofdamusement van het gemeenschapsleven. Bij gebrek aan een geschil gaat men ze ook voor de aardigheid aan. Als een bijzondere kunst zingt men soms in raadsels.
Niet zoo heel ver van den trommelkamp verwijderd liggen de
satirisch-humoristische rechtszittingen ter bestraffing van allerlei vergrijpen, in het bijzonder sexueele, zooals men ze in tal van volksgebruiken der Germaansche landen (het bekendst is het z.g. ‘Haberfeldtreiben’) aantreft. Zij zijn geheel als klucht opgezet, maar somtijds niettemin in ernst geldig, gelijk het ‘Saugericht’ van de jongelingschap in Rapperswil, vanwaar beroep op den Kleinen Raad openstond1.
Het is duidelijk, dat men met de trommelkampen der Eskimo's in dezelfde sfeer verkeert als met den potlatch, met de Oud-Arabische snoef- en schimpwedstrijden, met de Chineesche wedkampen, met de Oudnoorsche mannjafnaðr en den níðsang, letterlijk ‘nijdzang’, een lied, waarmee men een vijand (níð beteekent vijandschap, niet afgunst) beoogde eerloos te maken. Het is eveneens klaarblijkelijk, dat deze sfeer niet, althans niet oorspronkelijk, die van het godsoordeel in den eigenlijken zin is. De notie van een uitspraak der goddelijke machten omtrent abstracte waarheid en gerechtigheid kan wellicht secundair aan zulke handelingen verbonden raken, maar primair is hier de agonale beslissing als zoodanig, d.w.z. de beslissing van ernstige dingen in en door een spel. In het bijzonder het Arabische nifār of monāfara, het voor een scheidsrechter kampen om roem en eer, komt aan de Eskimo-zede zeer nabij. Ook het Latijnsche woord iurgium, iurgo, moet onder dit gezichtspunt begrepen worden. Het is ontstaan uit een vorm ius-igium, van ius en agere, dus zooveel als rechtvoering, te vergelijken met litigium, letterlijk twist-voering. Iurgium nu beteekent zoowel het proces, het procedeeren, als smaadrede, woordenstrijd, uitschelden, en wijst op een phase, waarin de rechtsstrijd nog in hoofdzaak een smaadwedstrijd is. In het licht van de Eskimo'sche tromkampen wordt ook een figuur als Archilochus, wiens liederen tegen Lycambes eenigszins daarop gelijken, begrijpelijker. Zelfs de manende verwijten van Hesiodus tegen zijn broeder Perses kan men uit de verte onder dit gezichtspunt bezien. Jaeger wijst erop, dat de Grieksche publieke satire niet zoo maar zedepreek was, of persoonlijke rancune diende, maar oorspronkelijk een sociale functie moet hebben vervuld2. Die van den Eskimo'schen tromkamp, mogen wij veilig zeggen.
De phase, waarin de pleitrede en de smaadwedstrijd niet te scheiden zijn, was overigens in de klassieke beschaving nog niet geheel voorbij. De gerechtelijke oratorie stond bij de Atheners in den bloeitijd nog
geheel in het teeken van een rhetorischen behendigheidswedstrijd, waarin alle kunstgrepen en elk overredingsmiddel veroorloofd waren. De balie en de politieke tribune golden als de plaats, waar de kunst van het overreden thuishoorde. Deze kunst maakte tezamen met het geweld van krijg, roof of tirannie de ‘jacht op den mensch’ uit, waarvan de sprekenden in Plato's Sophist de definitie opstellen1. De Sophisten leerden voor geld, hoe men een zwakke zaak sterk kon maken. Een jong politicus placht zijn loopbaan te beginnen met een aanklacht in een schandaalproces.
Ook in Rome gold voor het gerecht nog lang elk middel om de tegenpartij ten val te brengen als geoorloofd. Men hulde zich in rouwkleeren, men zuchtte en klaagde, men beriep zich luide op het heil van den staat, men bracht tal van supporters mee om meer indruk te maken, kortom deed alles, wat men thans bij wijlen nog doet2. De Stoici trachtten aan de gerechtelijke eloquentie dit spelkarakter te ontnemen, en haar in overeenstemming te brengen met hun strenge normen van waarheid en waardigheid. Doch de eerste, die deze nieuwe gezindheid in praktijk wilde brengen, Rutilius Rufus, verloor zijn zaak, en moest in verbanning gaan.