terug  begin  verderprepost
[p. 177]

IX Spelvormen der wijsbegeerte

Midden in den cirkel dien wij met het begrip spel zoeken te beschrijven staat de figuur van den Griekschen sophist. De sophist is de lichtelijk ontspoorde voortzetter van die centrale figuur uit het archaische cultuurleven, die wij beurtelings als profeet, sjamaan, ziener, wonderdoener, dichter zagen, en dien wij het best Vates blijven noemen. De zucht om een vertooning ten beste te geven, en die om een mededinger in openlijken kamp te verslaan, die twee groote motoren van sociaal spel, liggen in de functie van den sophist zichtbaar aan de oppervlakte. Laat ons niet vergeten, dat de benaming Sophist bij Aeschylus nog den wijzen heroën als Prometheus en Palamedes geldt. Beiden sommen vol trots al de kunsten op, die zij hebben uitgevonden, om den menschen nuttig te zijn. Juist met dat snoeven op hun kunde gelijken zij den lateren sophist zooals Hippias, veelweter, geheugenkunstenaar, duizendkunstenaar, die zich als een held der economische autarkie beroemt, alles wat hij aan heeft zelf gemaakt te hebben, en altijd van alle markten thuis naar Olympia komt, die aanbiedt over alle onderwerpen te spreken, die hij heeft voorbereid om ten beste te geven, en alle vragen te beantwoorden, die iemand hem stellen wil, en die nooit zijn meerdere beweert gevonden te hebben1. Dit is nog volkomen de stijl van Yājñavalkya, den raadsel-oplossenden priester uit de Brāhmana's.

Epideixis, vertooning, tentoonspreiding, uitvoering, heet het optreden van den sophist. Hij heeft, zooals reeds zooeven uitkwam, een repertoire voor zijn voorstellingen. Hij neemt er honorarium voor, er is zelfs sprake van stukken met vaste prijzen, zooals Prodicus' vijftig-drachmen-rede. Gorgias maakte zoo hooge honoraria, dat hij een massief gouden beeld van zich zelf aan den god van Delphi wijden kon. De rondreizende sophist, als Protagoras, boekt fabelachtige successen. Het is een evenement, wanneer er een bekend sophist in de stad verschijnt. Zij worden aangegaapt als wonderdoeners, vergeleken met worstelaars, om kort te gaan het bedrijf van de sophisten verloopt geheel in de sfeer van de sport. De toeschouwers juichen toe en lachen bij een geslaagden zet. Het is een zuiver spel, men vangt

[p. 178]

elkaar als in een net van de rede1, men geeft zijn tegenstander een knock-out2, men beroemt er zich op, niets dan strikvragen te stellen, waarop het antwoord altijd verkeerd uitvalt.

Wanneer Protagoras de sophistiek ‘een oude kunst’ - τέχνην παλαιάν (technēn palaian) - noemt3, dan treft hij daarmee het wezen van de zaak. Het is het oude spel van het vernuft, dat in archaïsche cultuur, ook reeds in de oorspronkelijkste perioden, ieder oogenblik afglijdt van het heilige naar louter vermaak, dat dan eens de opperste wijsheid raakt, dan weer enkel speelsche wedijver is. Werner Jaeger heeft de ‘neuere Mode, Pythagoras als eine Art von Medizinmann hinzustellen’, geen tegenspraak waardig geacht4. Hij vergeet, dat de medicijnman ten opzichte van philosophen en sophisten altegader toch inderdaad, wezenlijk historisch, hun aller oudere broeder is en blijft. En zij behouden allen nog trekken van die oude verwantschap.

De Sohpisten zelf hebben het ludiek karakter van hun werkzaamheid wel degelijk beseft. Gorgias heeft zijn Lof van Helena zelf een spel - ἐμὸν δὲ παίγνιον - genoemd, en men heeft ook zijn geschrift Over de natuur als een rhetorisch spel verklaard5. Wie daartegen opkomt6, bedenke, dat in dit gansche domein van de sophistische redekunst de grenzen tusschen spel en ernst niet scherp getrokken kunnen worden, en dat de qualificatie spel feitelijk den oorspronkelijken aard van dit alles zeer wel treft. Wie het beeld, dat Plato van de sophisten geeft, caricatuur en parodie noemt7, vergeet, dat al de speelsche en onzuivere trekken van de cultuurfiguur, die door den sophist gerepresenteerd wordt, onafscheidelijk aan zijn archaïsch wezen verbonden zijn. De sophist hoort van nature min of meer aan den kant van het zwerversvolk. Hij is een weinig land- en klaplooper par droit de naissance.

Tegelijkertijd echter zijn het de sophisten, die het milieu hebben geschapen, waarin de Helleensche ideeën van opvoeding en beschaving vorm aannamen. Grieksche wijsheid en wetenschap zijn nu eenmaal niet in de school (in onzen zin) gegroeid. Zij werden niet verworven als een bijproduct van de opleiding tot nuttige of winstgevende beroepen. Zij waren voor den Helleen de vrucht van zijn vrijen tijd, σχολή (scholē), en voor den vrijen man was alle tijd, dien staatsambt, krijg of eeredienst niet van hem opeischten, vrije tijd8. Het woord school

[p. 179]

heeft een merkwaardige voorgeschiedenis. In dat milieu nu van den vrijen tijd van den vrijen man was als eerste vertegenwoordiger van een leven van nadenken en onderzoek de sophist van oudsher thuis.

Beschouwt men het typische product van den sophist, d.w.z. het sophisme, van de technische zijde, als vorm van uiting, dan verraadt het terstond al de verbindingen met het primitieve spel, die wij reeds bij zijn voorganger, den archaïschen vates, aantroffen. Het sophisme staat vlak bij het raadsel. Het is een vechtkunstje. In het woord problema zitten twee oorspronkelijke concrete beteekenissen: iets wat iemand voor zich houdt of stelt, om zich te verdedigen, een schild bijvoorbeeld, en iets wat men een ander voorwerpt, om op te nemen. In het overdrachtelijke gaan voor de kunst van den sophist deze beide beteekenissen geheel op1. Zijn vragen en argumenten zijn evenzoovele problemata in dien eigenlijksten zin. Vernuftspelen, het met strikvragen iemand erin laten loopen, namen een belangrijke plaats in in de Grieksche conversatie. Men systematiseerde de verschillende typen van strikvraag onder allerlei technische benamingen, sorites, apophaskon, outis, pseudomenos, antistrephon enz.. Een leerling van Aristoteles, Clearchus, schreef een theorie der raadsels, met name van het soort, dat griphos genoemd werd, een schertsend, om belooning of straf opgegeven vraagstuk. - Wat is hetzelfde overal en nergens? Antwoord: de tijd. - Wat ik ben, zijt gij niet. Ik ben een mensch. Dus gij zijt geen mensch. Waarop Diogenes zou geantwoord hebben: wilt ge, dat het waar is, begin dan met mij2. Chrysippus schreef een heele verhandeling over bepaalde sophismen. Al deze ‘Fangschlüsse’ berusten op de voorwaarde, dat het veld van logische gelding stilzwijgend beperkt is tot een speelruimte, waarbinnen de tegenstander geacht wordt zich te houden, zonder een ja maar op te werpen, dat het spel breekt, zooals Diogenes deed. Stylistisch kunnen deze proposities tot kunstvormen uitgebouwd worden, met rythme, herhaling, parallelisme enz..

Tusschen deze ‘Spielereien’, de gewichtige kunstredevoeringen van den sophist en het Socratische wijsgeerig twistgesprek, zijn de overgangen geleidelijk. Het sophisme staat vlak bij het gewone, als vermaak bedoelde raadsel, maar daarmee evengoed bij het heilige cosmogonische raadsel. Euthydemus speelt den eenen keer met een

[p. 180]

kinderlijke grammatische en logische drogreden1, den anderen keer ligt zijn vraag aan den rand van het wereld- en kennisraadsel2. De diepzinnigste uitspraken der vroege Grieksche wijsbegeerte, zooals de slotsom der Eleaten: er is geen veelheid, geen beweging, geen worden, zijn in den vorm van het vraag- en antwoordspel geboren. Een zoo abstracte conclusie als de onbestaanbaarheid van eenig generaliseerend oordeel werd men zich bewust in den uiterlijken vorm van de Sorites, de kettingvraag. Maakt, als er een mud graan wordt uitgestort, de eerste korrel het gedruisch? - Neen. - De tweede dan? enz..

De Grieken zelf zijn zich wel bewust gebleven, hoezeer zij met dit alles in de sfeer van het spel verkeerden. In den Euthydemus verwerpt Socrates de sophistische strikvragen als het spelletje der leeringen. Met deze dingen, zegt hij, leert men niets omtrent het wezen der dingen zelf, maar enkel om de menschen voor den mal te houden met woordspitsvondigheden; het is een beentje-lichten of den stoel onder iemand wegtrekken. - Als ge zegt, dezen jongeling wijs te willen maken, - wordt verderop gezegd, - speelt ge dan, of zijt ge in ernst?3 In Plato's Sophist moet Theaetetus den vreemdeling uit Elea toegeven, dat de sophist tot het slag van de kermisgasten hoort, letterlijk, tot hen die zich met spel ophouden, τῶν τῆς παιδιᾶς μετεχόντων, (tōn tēs paidiās metechnotōn)4. Parmenides, gedrongen, om over het vraagstuk van het bestaan zich uit te spreken, noemt die taak het spelen van een moeilijk spel - πραγματειώδη παιδιὰν παίζειν5, (pragmateiōdē paidian paizein), en begeeft zich daarop in de diepste grondvragen van het zijn. Doch dit alles geschiedt inderdaad in den vorm van een vraag- en antwoordspel. Het eene kan geen deelen hebben, het is onbegrensd, dus vormloos, het is nergens, het is bewegingloos, tijdloos, onkenbaar. Dan wordt de redeneering omgekeerd, en later nogmaals, en nogmaals6. Het argument gaat als een weefspoel heen en weer, en de wijsheid neemt vorm aan in de beweging van een edel spel. Het zijn niet enkel de sophisten, die dit spelen, maar ook Socrates en Plato zelf7.

Zeno van Elea zou volgens Aristoteles het eerst dialogen geschreven hebben, in dien vragenden vorm, die den wijsgeeren van Megara en den Sophisten eigen is. Het was een techniek om den tegenstander te vangen. Plato zou dan voor zijn dialogen in het bijzonder den

[p. 181]

kluchtschrijver Sophron hebben gevolgd, en Aristoteles noemt dan ook den dialoog een vorm van den mimus1, de klucht, die zelf weer een vorm van de comedie is. De inlijving bij het genus der kunstenmakers, jongleurs, wonderdoeners, die den sophisten gold, bleef Socrates en Plato zelf niet bespaard2. Indien dit alles niet voldoende is, om het spel-element der wijsbegeerte te verraden, kan men het in de Platonische dialogen zelf vinden. De dialoog is een kunstvorm. Het is een fictie. Al mag de werkelijke conversatie bij de Grieken nog zoo hoog hebben gestaan, zij kan toch nooit geheel hebben beantwoord aan den letterkundigen vorm van den dialoog. De dialoog blijft bij Plato een luchtige, speelsche kunstvorm. Neem den novellistischen opzet van den Parmenides, het begin van den Cratylus, den luchtigen, vroolijken toon van deze beide en van zoovele andere dialogen. Een zekere gelijkenis met den mimus, de schertsrede, is inderdaad niet te miskennen. Schertsend worden in den Sophist de verschillende grondbeginselen van de oudere wijsgeeren aangeroerd3. Geheel in humoristischen toon wordt in den Protagoras de mythe van Epimetheus en Prometheus verteld4. ‘Er is van de gedaante en van den naam dezer goden, - zegt Socrates in den Cratylus -, een ernstige en een luimige verklaring, want ook de goden houden van kortswijl’ (φιλοπαίσμονες γὰρ καὶ οἱ θεοί). Elders in denzelfden dialoog laat Plato hem zeggen: ‘als ik de vijftig-drachmen voordracht van Prodicus gevolgd had, zoudt ge het terstond weten, maar ik heb enkel de één-drachme voordracht gehoord’5. Opnieuw in denzelfden toon, in het blijkbaar opzettelijk onzinnige en satirisch bedoelde spel met etymologieën: ‘nu let op den truc dien ik invoer bij alles, wat ik niet oplossen kan’6. Tenslotte zelfs: ‘Ik heb al lang verbaasd gestaan over mijn eigen wijsheid, en geloof er niet aan’, Wat te zeggen, wanneer de Protagoras eindigt met een omkeering der standpunten, of wanneer men twisten kan, of de grafrede in Menexenus ernstig bedoeld is of niet?

Plato's sprekers zelf tellen hun philosophische bezigheid als een bevallig tijdverdrijf. Tegenover de disputeerzucht der jeugd staat de zucht om geëerd te zijn bij den oudere7. ‘Zoo staat het met het ware ervan,’ zegt Callicles in den Gorgias8, ‘en ge zult het begrijpen, als ge nu philosophie laat rusten voor de grootere dingen. Want philosophie is een liefelijk ding, als men er in zijn jongere jaren met mate

[p. 182]

aan doet, maar het is verderf voor een mensch, als hij er langer dan behoorlijk zich in verliest.’

Als een spel der jeugd derhalve hadden zij zelf het gezien, die voor de latere wereld de onvergankelijke grondslagen legden voor wijsheid en wijsbegeerte. Om de grondfout der Sophisten, hun logisch en hun ethisch tekort, voor altijd aan te toonen, had Plato dien luchtigen trant van den lossen dialoog niet versmaad. Want ook voor hem bleef met al haar verdieping, de wijsbegeerte een edel spel. En indien niet alleen Plato, maar ook nog Aristoteles de drogredenen en de woordspelingen der Sophisten zoo ernstige bestrijding waardig hebben gekeurd, dan was het, omdat ook hun eigen wijsgeerig denken zich nog niet uit de sfeer van het spel had losgemaakt. Doet het dit ooit?

 

De opeenvolging van de stadiën der philosophie kan in grove trekken aldus worden gezien. Zij gaat in verren voortijd uit van heilig raadselspel en redetwist, die niettemin tegelijk de functie van feestvermaak vervullen. Naar den gewijden kant ontspruit hieruit de diepe theo- en philosophie der Upanishad's en der praesocratische denkers, naar den ludieken kant het bedrijf der sophisten. Volstrekt gescheiden zijn de beide sferen niet. Plato voert de wijsbegeerte als edelste streven naar waarheid tot de hoogten, die enkel hij bereiken kon, maar altijd in dien luchtigen vorm, die haar element was. Tegelijk echter zet zij zich ook voort in haar lageren vorm, als drogreden, vernuftspel, sophistiek en rhetoriek. Nu was in de Helleensche wereld de agonale factor zoo sterk, dat de rhetoriek zich ten koste van de zuiverder wijsbegeerte breed kon maken, en als cultuur van de wijdere groepen deze in de schaduw stelde, ja dreigde te verstikken. Gorgias, die zich afkeerde van de verdiepte wijsheid, om de macht van het schitterende woord te verheerlijken en te misbruiken, bleef het type van deze ontaarding der beschaving. Ten top gedreven wedijver en verschoolsing van het philosophisch bedrijf gingen hand in hand. Het is niet de eenige maal geweest, dat een tijdperk dat den zin der dingen zocht door een is gevolgd, dat aan het woord en de formule genoeg had.

Het ludieke gehalte dezer verschijnselen is niet door scherpe lijnen te omschrijven. De grens tusschen kinderachtige ‘Spielerei’ en het valsch vernuft, dat bij wijlen aan de diepste waarheid rakelings voorbijgaat, is zelden zuiver te trekken. De befaamde verhandeling van Gorgias ‘Over het niet-zijnde’, die alle ernstige kennis volstrekt verloochende ten gunste van een radicaal nihilisme, is evenzeer een spel

[p. 183]

te noemen als de declamatie over Helena, waaraan hij zelf dien naam gaf. Het ontbreken van klaar bewuste grenzen tusschen spel en wijsheid spreekt ook uit het feit, dat de Stoïci de zinlooze, op een grammatischen valstrik gebouwde sophismen in één adem behandelen met de ernstige redeneeringen der school van Megara1.

Redetwist en declamatie vierden hoogtij. Ook deze laatste was steeds een voorwerp van openbaren wedstrijd. Het spreken was vertooning, paradeeren, pralen met het woord. De woordenkamp was voor den Helleen de aangewezen letterkundige vorm om een hachelijke kwestie weer te geven en te beoordeelen. Zoo voert Thucydides de vraag van oorlog of vrede ten toneele in de redevoeringen van Archidamus en Stheneladas, weer andere vragen in die van Nicias en Alcibiades, van Cleon en Diodotus. Zoo behandelt hij het conflict tusschen macht en recht in den geheel als sophistisch vraag- en antwoordspel geformuleerden redetwist over de schending der neutraliteit van het eiland Melos. Aristophanes parodieert in de Wolken den lust aan paradedisputen in het rhetorisch duel van den rechtvaardigen en den onrechtvaardigen logos.

De beteekenis van de bij de sophisten geliefde antilogie of dubbele rede ligt overigens niet louter in de ludieke waarde van dien vorm. Hij heeft tevens de strekking, de eeuwige ambiguïteit van het menschelijk oordeel op praegnante wijze uit te drukken: men kan het zóó zeggen, en ook zus. Het is het spelkarakter der rede, wat de kunst om met woorden te winnen tot zekere hoogte zuiver houdt. Het woord van den sophist wordt eerst valsch, wanneer hij met zijn woorden- en begrippenkunst een ernstigen immoreelen toeleg heeft, zooals Callicles, die zijn ‘Herrenmoral’ voordraagt2. In zekeren zin is reeds de agonale toeleg op zich zelf, inzooverre hij zich botviert ten koste van den waarheidszin, valsch. Voor alles wat sophist of rhetor heet, is niet de zucht naar waarheid, maar het persoonlijke individueele gelijk-hebben richtsnoer en doel. Het is de archaïsche houding van den wedkamp, die hen bezielt. Indien inderdaad, zooals sommigen willen3, Nietzsche het agonistische standpunt van den wijsgeer geacht moet worden te hervatten, heeft hij daarmee de philosophie teruggevoerd in haar overoude sfeer van oorsprong in primitieve cultuur.

[p. 184]

Wij willen ons hier niet begeven in de diep reikende vraag, in hoeverre de middelen van onze rede in den grond het karakter van spelregels dragen, d.w.z. slechts gelding hebben binnen een zeker geestelijk kader, waarin men ze als bindend aanvaardt. Is er bij de logica in het algemeen, en bij het syllogisme in het bijzonder, altijd een stilzwijgende afspraak in het spel, dat men de geldigheid der termen en der begrippen als van de stukken en velden op een schaakbord zal in acht nemen? Anderen mogen het uitmaken. Hier is het er slechts om te doen, de feitelijke spelqualiteiten in het bedrijf van disputatie en declamatie in latere perioden dan die der Grieksche beschaving nog vluchtig aan te wijzen. Groote uitvoerigheid is daarbij niet vereischt, aangezien het verschijnsel zich steeds weer in sterk gelijksoortige vormen voordoet, en ook omdat het in zijn ontwikkeling in de Westersche beschaving van het Grieksche voorbeeld in de hoogste mate afhankelijk blijft.

Quintilianus bracht de leer van rhetoriek en declamatie over in de Latijnsche letteren. Niet enkel in de school had in den Romeinschen keizertijd het bedrijf van redetwist en woordparade zijn plaats. De rhetor Dio Chrysostomus verhaalt ons van de straatphilosophen, die als een soort gedeclasseerde sophisten slaven en zeelui het hoofd op hol brachten met een mengelmoes van grollen, praatjes en platte snedige gezegden. Daar liep blijkbaar ook opstandige propaganda onder door, getuige het decreet, waarbij Vespasianus alle philosophen uit Rome verbande. Steeds weer moesten de ernstige geesten waarschuwen tegen de overschatting van de strekking van het sophisme, waarvan de staande voorbeelden blijvend koers hielden. Augustinus spreekt van die schadelijke twistzucht en dat kinderachtig vertoon, om zijn tegenstander erin te laten loopen1. Aardigheden van het slag van: gij hebt horens, immers gij hebt horens niet verloren - dus ge hebt ze nog2, doen door de geheele school-litteratuur altijd weer opgeld. Het was blijkbaar niet gemakkelijk, zich de logische fout, die ze tot louter scherts maakt, duidelijk voor oogen te houden.

De overgang der West-Goten van het Arianisme op het katholiek geloof werd ingeleid door een formeel theologisch tournooi van de hooge geestelijken aan beide zijden te Toledo in 589. Een zeer treffend voorbeeld van het sportief karakter der wijsbegeerte in de eerdere Middeleeuwen levert het verhaal omtrent Gerbert, den lateren paus

[p. 185]

Silvester II, en zijn tegenstander Ortrik van Maagdenburg, aan het hof van Keizer Otto II te Ravenna in het jaar 9801. De domscholaster Ortrik was naijverig op Gerbert's roem, en zond iemand naar Reims om diens onderwijs heimelijk te beluisteren, ten einde hem op een onjuiste meening te betrappen. De verspieder verstaat Gerbert verkeerd, en brengt aan het hof aan, wat hij meent gehoord te hebben. In het volgende jaar weet de keizer de beide geleerden te Ravenna bijeen te brengen, en laat hen in aanwezigheid van een aanzienlijk gehoor redetwisten, totdat de dag ten einde is en de toehoorders vermoeid zijn. Het principale punt is dit: Ortrik verwijt zijn tegenstander, de mathematiek een onderdeel der physica genoemd te hebben2. In werkelijkheid had Gerbert haar met deze gelijk en gelijktijdig genoemd.

Het zou de moeite waard zijn eens na te gaan, of in de zoogenaamde Karolingische renaissance het statig bedrijf van geleerdheid, poëzie en vroomheid, waarbij de deelnemers zich met klassieke en bijbelsche namen tooien, Alcuin heet Horatius, Angilbert Homerus, Karel zelf David, de spelqualiteit niet eigenlijk het essentieele is. Hofcultuur is op zich zelf bijzonder vatbaar voor den spelvorm. De kring is van zelve klein en gesloten. Reeds de eerbied voor de majesteit dwingt tot het ophouden van allerlei regels en ficties. In Karel's Academia Palatina, die een Athenae novae als uitgesproken ideaal voor oogen had, was de stemming ondanks de vrome bedoelingen die van een edel vermaak. Men wedijverde in verskunsten en in wederzijdschen spot. Het streven naar klassieke elegantie sluit daarbij een primitieven trek niet uit. ‘Wat is het schrift?’ vraagt de jonge Pippijn, Karel's zoon, en Alcuin antwoordt: ‘De bewaarster der wetenschap’. - ‘Wat is het woord? - Het verraad der gedachte. - Wie teelde het woord? - De tong. - Wat is de tong? - Een geesel der lucht. - Wat is de lucht? - De bewaarster des levens. - Wat is het leven? - De vreugde der gelukkigen, de smart der ongelukkigen, de verwachting des doods. - Wat is de mensch? - De slaaf des doods, de gast van één plek, een reiziger, die voorbijgaat.’

Dit zijn ons niet onbekende klanken. Ziehier immers opnieuw het vraag- en antwoordspel, den raadselwedstrijd, het antwoorden in een kenning, kortom al die trekken van het spel der wijsheid, die wij vroeger bij de Vedische Indiërs, bij de Arabieren, bij de Skandinaviërs aanwezen.

[p. 186]

Wanneer tegen het eind der elfde eeuw de groote zucht naar kennis omtrent het bestaan en al het bestaande opkomt, die eerlang de Universiteit als schaal en de Scholastiek als vrucht zal voortbrengen, in allerlei streken aanwast tot een levendige geestesbeweging, dan geschiedt dit in die bijna koortsachtige hevigheid, die aan groote cultuurvernieuwingen somtijds eigen pleegt te zijn. Het agonistische moment treedt daarbij onvermijdelijk sterk op den voorgrond. Het elkaar met de rede verslaan wordt een sport, die met den wapenhandel in menig opzicht op één lijn treedt. De opkomst van den oudsten, bloedigen vorm van het tournooi, hetzij van groepen, die verschillende landstreken vertegenwoordigden, of van enkele kampvechters, die rondzwierven om tegenstanders te vinden, valt in tijd merkwaardig samen met het euvel, waarover Petrus Damiani klaagt, van redetwisters, die rondtrokken (gelijk eenmaal de Grieksche sophisten) om met hun kunst te pralen en te zegevieren. In de scholen der twaalfde eeuw viert de hevigste wedijver, met schimp en laster, hoogtij. De kerkelijke auteurs schetsen ons een vluchtig beeld van het schoolbedrijf, waarin het spel van vitzucht en spitsvondigheid in de oogen springt. Men tracht elkaar door duizend kunstgrepen en listen te bedriegen, men spant elkaar valstrikken van woorden en vangnetten van lettergrepen. Men jaagt de groote meesters na, en beroemt zich, hen gezien en gevolgd te hebben1. Zij verdienen grof geld, alweer gelijk eertijds de Grieksche sophisten. Roscelinus teekent ons, in zijn verbitterd schimpschrift, een Abaelard, die 's avonds het geld telt, dat hem zijn valsche leeringen dagelijks opbrengen, om het in uitspattingen te verteren. Abaelard zelf getuigt, dat hij de studiën ondernam, om er geld mee te verdienen, en dat hij er veel mee verdiende. In een weddenschap gaat hij, door zijn kameraden getart, ertoe over, bij wijze van kunststuk zich aan de verklaring der Heilige Schrift te wagen, na tot dusver slechts de physica, d.w.z. de wijsbegeerte te hebben gedoceerd2. Reeds eerder had hij aan de wapenen der dialectiek de voorkeur gegeven boven die van den krijg, was rond gaan trekken door alle streken, waar die kunst der rede bloeide, totdat hij op den heuvel van Sint Genovefa ‘het legerkamp van zijn school opsloeg’, om den mededinger, die den stoel te Parijs bezet hield, ‘te belegeren’3. Al deze trekken van de vermenging van redekunst, krijg

[p. 187]

en spel vindt men in de schoolsche wedkampen van de Moslimsche theologen terug1.

In de gansche ontwikkeling van de Scholastiek en van de Universiteit is het agonale element zoo prominent mogelijk. De langdurige vogue van het probleem der Universalia als centraal thema van de wijsgeerige discussie, waarover men zich scheidde in Realisten en Nominalisten, hangt ongetwijfeld samen met de primaire behoefte aan partijvorming over een twistpunt, die aan elken geestelijken cultuurgroei onafscheidelijk verbonden is. Het geheele bedrijf van de middeleeuwsche Universiteit nam spelvormen aan. De voortdurende disputaties, die het mondeling verkeer van geleerden aard uitmaakten, het ceremonieel, dat aan de Universiteit zoo welig bloeide, de groepeering in nationes, de splitsing in richtingen van allerlei aard, al deze verschijnselen staan min of meer in de sfeer van wedstrijd en spelregels. Erasmus heeft dien samenhang nog duidelijk gevoeld, wanneer hij in een brief aan zijn hardnekkigen tegenstander Noël Bédier zich beklaagt over de bekrompenheid, waarmee men in de scholen enkel datgene behandelt, wat de voorgangers hebben overgeleverd, en bij den strijd der meeningen enkel uitgaat van de in de school aanvaarde grondstellingen. ‘Naar mijn oordeel is het volstrekt niet noodig, in de school te doen zooals men bij het belegerings-, kaart- of dobbelspel doet. Want daar geldt: als men het over de regels niet eens is, is het geen spel. Maar bij het geleerd vertoog behoorde er niets ongehoords of gewaagds in te zijn, als iemand eens iets nieuws te berde brengt...’2.

De wetenschap, inclusief de wijsbegeerte, is uit haar aard polemisch, en het polemische is van het agonale niet te scheiden. In tijdperken, waarin groote nieuwe dingen opkomen, treedt de agonale factor doorgaans sterk op den voorgrond. Zoo is het bijvoorbeeld geweest, wanneer in de zeventiende eeuw de natuurwetenschap, in haar schitterenden opbloei, haar terrein verovert, en het gezag van de Oudheid en van het geloof beide wordt aangetast. Alles schaart zich telkens weer in kampen of partijen. Men is Cartesiaan of men is tegen het stelsel, men kiest partij voor de ‘Anciens’ of voor de ‘Modernes’, men is, tot ver buiten de geleerde kringen zelve, vóór of tegen Newton, vóór of tegen de afplatting der aarde, de inenting enz.. De achttiende eeuw, met haar levendig geestelijk verkeer, dat door de beperktheid der middelen nog voor chaotische overvloedigheid werd

[p. 188]

behoed, moest bij uitstek het tijdperk der pennestrijden worden. Zij vormden, met de muziek, met de pruik, met het frivole rationalisme, met de gratie van het Rococo en de charme der salons, een bestanddeel van dat bijzonder sterk sprekend algemeen ludiek karakter, dat wel niemand aan de achttiende eeuw zal willen ontzeggen, en waarom wij haar somtijds benijden.

1Kl. Hippias 368/9.
1Euthydemus 303a.
2πληγείς, Ibid. 303 b.e.
3Protag. 316d.
4Paideia p. 221.
5H. Gomperz, Sophisten und Rhetoren 1912, p. 17, 33.
6Gelijk Capelle, Die Vorsokratiker, p. 344.
7Gelijk Jaeger l.c. p. 398.
8Vgl. R.W. Livingstone, Greek Ideals and Modern Life, p. 64.
1Vgl. Sophistes 261 b. Prantl.
2Gesch. der Logik I p. 492.
1Euth. 293 C.
2Cratylus 386 d.
3Euthyd. 278b, 283b.
4Soph. 235a.
5Parm. 137b.
6142b, 115e, 165e.
7Zie Prantl I p. 9.
1Poet. 1447b.
2Reich, Der Mimus, p. 354.
3242 cd, vgl. Cratylus, 440.
4406c.
5384b.
6409d.
7Parmenides 128e.
8Gorgias 484c. Vgl. Menexenus (Budé p. 52).
1Prantl l.c. p. 494.
2Gorgias 483a-484d.
3Zie H.L. Miéville, Nietzsche et la Volonté de puissance, Lausanne 1934, Charles Andler, Nietzsche, sa vie et sa pensèe, t. I p. 141, III p. 162.
1De doctrina christiana II 31.
2Bij vertaling uit het Latijn gaat feitelijk de pointe verloren, daar in cornua non perdidisti het ‘uw horens’ ligt opgesloten.
1Richter, Hist. ll. IV, III c. 55-65.
2Beide termen te verstaan in de middeleeuwsche beteekenis.
1Hugo van Sint Victor, Didascalia, Migne t. 176, 773 d., 803, De vanitate mundi, ib. 709, Joh. van Salisbury, Metalogicus I c. 3, Policraticus, V c. 15.
2Abaelard, Opera I p. 7, 9, 19, II p. 3.
3L.c I p. 4.
1Mededeeling van wijlen Prof. C. Snouck Hurgronje.
2Allen, Opus epist. Erasmi, t. VI no. 1581621 sq., 15 Juni 1525.
prepostterug  begin  verder