0 A 9 Vanden Winter ende vanden Somer
| fol. 235v. |
Een abel spel vanden Winter || ende vanden Somer. Ende ene || sotternie na volghende || (volgt het nummer van de tekst in het hs. - CCXI - en de tekst). |
| fol. 239v. |
(einde van de tekst van het spel) || Nota .vic.xxv. verse. |
| |
personen: Die Somer; Die Winter; Loiaert; Moiaert; Clappaert; Bollaert; Die cockijn; Venus. |
| |
editie (o.a.): 1 Van Kammen, blz. 213 e.v.; 1 Stellinga, blz. 39 e.v.; 1 Antonissen, blz. 45 e.v.; 2 Leendertz, blz. 135 e.v. |
| |
inhoud (o.a.): 9 Kalff II, blz. 18 e.v.; 1 Worp I, blz. 91 e.v.; 1 Te Winkel II, blz. 143 e.v.; 1 Antonissen, blz. 8 e.v.; 1 Stellinga, blz. 91 e.v.; 1 Van Kammen, blz. 14. |
|