1 D 12 Eneas en Dido

d. Cornelis van Ghistele.
 
Ms. K.B. Brussel no.II 369. Papier, 20,8 × 15,6 cm. 42 bladen genummerd 1-42. Band en schutbladen (2 voor, 2 achter) van jonger datum.
 
paralleltekst: 3 S 1.


fol. 1r. Van Eneas en Dido twee amoröse || spelen ghemaeckt ende ghespeeldt tAnt- || werpen, anno 1551. ende sijn lanck || in dichte mit die prolooghen || 2180 reghelen.
fol. 1v. De tijtel vanden speele || Imperium sine fine dedi || Personagens (naast lijst).
fol. 2r. Prologhe (volgt tekst).
fol. 4v. lanck in dichte 176 reghelen.
fol. 5r. (begin van de tekst van het spel).
fol. 22v. finis || lanck in dich(t) 1058 reghelen || laet wrŭeten den mol fecit.
fol. 23r. Dat tweede spel van || Eneas en Dido.
fol. 23v. De tijtele vanden speele || Improbe amor quid non mortalia pectora cogis? || personagens (naast lijst) || De prolooghe staet achtere.
fol. 24r. (begin van de tekst van het spel).
fol. 38v. ffinis.
fol. 39r. Prologhe (volgt tekst).
fol. 41v. ffinis || laet wrŭeten den mol composuit || anno domini 1552 || ende is tAntwerpen ghespeeldt in maijo int selfde jaer || Ende sijn beijde lanck mit die prolooghen 2180 || Reyer Ghörtz scripsit anno 1553 || R (arabesk) G.
fol. 42r. (latijnse tekst waarin iets verteld wordt over de voorgeschiedenis van Dido. In de laatste regel wordt voor de rest verwezen naar het eerste boek van Vergilius' Aeneis; 9 regels proza).
fol. 42v. (blanco).
  personen: Rhetorijckelijck Gheest p1; Poeetelijck Sin p1; Venus; Jupiter; Jonstich Herte; Faeme van Eeren; Achates; Aeneas; Metselaer; Graevere; Dido; Sergestus; Gias; Cloanthes; Cupido; Ascanius; Anna; Wachter; Ongheleerdt Begrijpen p2; Onweetendt Schimpen p2; Een Statelijck Man p2; Hijarbas; Mercurius.
  editie: 1 Iwema blz. 153-243.
  inhoud: 1 Snellaert blz. 170 e.v.; 9 Kalff III blz. 101 e.v.; 1 Worp I blz. 139; 11 Van Eeghem blz. 129 e.v.