begin  prepost
[p. 97]

De biologische kern van taal *

Riny Huybregts

1. In de werkelijkheid van alledag zijn we zo vertrouwd geraakt met het verschijnsel taal dat we ons niet langer afvragen wat taal eigenlijk is, waarom het Nederlands is zoals het is en niet iets voorstelbaar anders, hoe het zich ontwikkelt in de taallerende peuter, wat haar functie is. En waarom zouden we ook? We vragen ons toch ook niet af wat baardgroei is, hoe het zich ontwikkelt bij jongens in hun puberteit, welke functie het heeft. Wel hebben we zo onze eigen gedachten hierover, gevoed door onze alledaagse ervaringswereld: taal heeft vooral een ‘communicatieve functie'; sommige talen zijn ‘primitiever’ dan andere of zijn juist geschikter om ‘diepe’ gedachten beter tot uitdrukking te brengen; het Japans zou ‘relatief moeilijk’ te leren zijn. De status van dergelijke uitspraken is uiterst dubieus en ongeveer te vergelijken met de observatie dat het zeewater ‘komt opzetten’ of ‘gaat afnemen’ of dat kinderen ‘naar hun vaartje aarden’. De wisseling van eb en vloed is een steeds terugkerend verschijnsel in onze ervaringswereld waar we zo bekend mee zijn dat we ons er evenmin nog over verwonderen. Ook het overerven van eigenschappen in volgende generaties is een dermate vertrouwd gegeven dat we het als een vanzelfsprekende zaak hebben geaccepteerd. We hebben natuurlijk wel alledaagse verklaringen voor de regelmatige wisseling van de getijden of voor het telkens weer opduiken van saillante karakteristieken in volgende generaties (we spreken van ‘opkomend water’ en ‘afnemend water’ of we zeggen dat kinderen ‘een aardje naar hun vaartje hebben’.), maar verder denken we over deze ‘voor de hand liggende’ zaken niet na, tenzij we misschien geconfronteerd worden met vreemdsoortige natuurverschijnselen als springvloeden of met het gegeven dat sommige erfelijke eigenschappen zoals vormen van dichromasie of hemofilie pas in de tweede generatie (en dan in de mannelijke lijn) opduiken en als het ware een geslacht ‘overslaan’.

De fysische realiteit is echter geheel anders dan de ons omringende alledaagse werkelijkheid en de genetische werkelijkheid is weer een totaal andere. Fysici en genetici maken zich wél druk om gewone dingen die we allemaal al lang ‘kennen’ en misschien daarom niet meer tot onze verbeelding spreken zoals de wetmatige wisseling van eb en vloed of het overerven van de bruine oogkleur. Daarom ook hebben zij geheel eigen verklaringen voor verschijnselen die in onze ervaringswereld beschreven worden als ‘hoog’ en ‘laag’ water of ‘het aarden naar zijn vaartje’ - verklaringen, die het en passant mogelijk maken bovengenoemde anomalieën als springvloeden of de generatiesprong bij kleurenblindheid af te leiden uit aannames als

[p. 98]

gravitatie (planeetbaan, rotatie, atmosferische druk, etc) of chromosomenpaar (reductiedeling, dominante vs. recessieve genen, geslachtsgebonden factoren, etc.).

Dit is een zeer vertrouwd beeld: wat de niet-onderzoeker interesseert is vaak complementair aan wat interessant is voor de onderzoeker. Dikwijls is dit in het belang van de vooruitgang van de wetenschap. Ook vormt dit mede de basis van allerlei complicaties bij de interpretatie van noties als ‘maatschappij-relevant’ onderzoek. Daarom is het enigszins verwonderlijk dat de traditionele taalkunde in z'n geheel en de moderne linguistiek voor het overgrote deel nauwelijks boven het fenomenologische vlak zijn uitgestegen. In ons normale bestaan is het vanzelfsprekend dat we vooral getroffen worden door de veelheid en diversiteit van talen en dialecten (men beweert dat er zo'n vier à vijfduizend zijn). Overal zien we onregelmatigheden en verschillen: we vinden talen ‘on-logisch’ van constitutie en ‘heterogeen’ als verzameling. Dit alles wordt versterkt door de schoolgrammatika of de traditionele grammatika die bijna alles wat regelmatig en taalinvariant is onbesproken laat, maar zich concentreert op uitzonderingen en onregelmatigheden. Deze grammatika's zijn encyclopedisch: het zijn verzamelingen curiosa. Beheersing van deze grillen heet dan ‘taalvaardigheid’ te bepalen in vreemde taal of moedertaal. Wat met name de niet-linguist frappeert (en wat in principe te vinden is in elke schoolgrammatika of traditionele standaard grammatika) is e.g. dat kleuters ten onrechte venten gebruiken als meervoud van vent of meis als de niet-diminutieve vorm van meisje (alternatief, dat vent geen meervoud kent of dat meisje geen stamwoord heeft waarvan het verkleinwoord is afgeleid).

De schoolgrammatika glorieert in het opsommen van dit soort abnormaliteiten. Hier vinden we dat het meervoud van pad (‘amfibie’) padden is maar dat van het fonetisch identieke pad (‘weg’) paden; dat het meervoud van kaars kaarsen is met een stemloze sisklank maar dat van het rijmende woord laars laarzen met een stemhebbende sisklank; dat meervoudig staven correspondeert met enkelvoudig staaf of staf (vgl. chef-staf) maar dat haven niet gerelateerd is aan zoiets als haaf of haf; dat we honden en katten hebben maar geen runden i.p.v. runderen; dat we geen maar niet neen gebruiken in er is geen vijver, terwijl we toch niets, niemand, nergens, nooit kennen die met iets, iemand, ergens, ooit corresponderen (vgl. het Engelse no, nothing, etc. en any, anything, etc.).

Naast deze morfologische taaleigenaardigheden van het Nederlands vindt men natuurlijk ook typisch syntaktische uitspraken dat de Nederlandse bijzin van de Engelse resp. Arabische verschilt in de plaats van de verbogen werkwoordsvorm: in het Nederlands zinsfinaal en in het Engels en het Arabisch op de tweede plaats resp. zinsinitieel. Het Nederlands lijkt in dit opzicht op het Japans, dat weer in andere opzichten veel van het Nederlands verschilt. Andere syntaktische curiosa zouden kunnen zijn dat de volgorde van woordjes als overal, alles, iedereen ten opzichte van niet precies het omgekeerde is van die van woordjes als ergens, iets, iemand in constructies van het type hij ziet niet alles (vgl. *hij ziet alles niet) en *hij ziet iets niet (vgl. hij ziet niet iets). De ‘betekenis’ van syntaktisch onwelgevormde uitdrukkingen als altijd niet en alles niet - die verschilt van die van syntaktisch welgevormde uitdrukkingen als niet altijd en niet alles - wordt dan in het Neder-

[p. 99]

lands uitgedrukt als nooit en niets.

Ook zouden we kunnen lezen dat het verleden deelwoord van kunnen en helpen (cf. hij heeft het gekund, hij heeft me geholpen) niet gebruikt wordt in gevallen als hij had kunnen komen (cf. hij had gekund komen) of hij heeft Karel zijn koffer helpen pakken (cf. hij heeft Karel zijn koffer geholpen pakken). Dat we weliswaar kunnen zeggen hij heeft Karel geholpen te vluchten naast hij heeft Karel helpen vluchen, maar dat in het eerste geval het steunwoordje te verplicht is terwijl dit in het laatste geval karakteristiek ontbreekt in tegenstelling tot het idiosyncratische proberen waar te altijd optreedt; hij heeft proberen *(te) slapen vs. hij heeft helpen (*te) afwassen.

Een andere eigenschap die kenmerkend voor het Nederlands is (weer volgens de schoolgrammatika) is dat er los van zijn voorzetsel kan voorkomen (vgl. hij legde er het boek op/ hij legde het boek erop). Dit in tegenstelling tot het Duitse da(r) (vgl. *er legte da(r) das Buch auf/er legte das Buch darauf). Een eigenaardigheid binnen het Nederlands is dan weer het exceptionele gedrag van rond vs. naar in gevallen als *zij zaten er nog steeds niet rond (cf. rond de tafel zitten) en zij keken er nog steeds niet naar (cf. naar iets kijken).

Tenslotte zou de schoolgrammatika kunnen wijzen op het ontbreken in het Nederlands van echte infinitiefconstructies met eigen lexikaal subject zoals het Engelse John believes Tom to be the winner (vgl. *Jan meent Tom de winnaar te zijn). Wel hebben we een causatiefconstructie die hier enigszins aan doet denken (en ook in het Engels voorkomt): hij laat de dokter wachten (he makes the doctor wait). Typisch is nu het gedrag van het ‘onpersoonlijk’ gebruikte onbepaald voornaamwoord men. Evenals het onpersoonlijke 't komt het voor als subject van de hoofdzin (cf. het regent, men doet niets) of de bijzin met persoonsvorm (cf. … dat het regent, … dat men niets doet), maar arbitrair is nu dat men níet, zoals 't wél, kan voorkomen als subject van causatief- inifinitieven als *hij liet men wachten (cf. hij liet 't regenen). Het ‘onbepaald’ gebruikte je kan echter weer wél in deze functie gebruikt worden (vgl. hij laat, je wel eens wachten) evenals het vergelijkbare Engelse you (vgl. he makes you wonder). In het Engels kan one tenslotte wél optreden waar het Nederlandse men problemen geeft: he makes one wonder. Etcetera, etcetera.

Hier is uitgebreid het soort ‘feiten’ en ‘regels’ gedemonstreerd dat men kan aantreffen in de traditionele grammatika of school-grammatika. Het is onnodig hieraan toe te voegen dat dit soort illustratie ad libitum of zo men wel ad infinitivum kan worden voortgezet. Het benadrukt het onregelmatige in taal, de diversiteit van taal en suggereert dat talen oneindig variëren. In deze kontekst zou men in de mate waarin men onder de indruk is van de diversiteit van taal en de bijna onuitputtelijke onregelmatigheden in taal geïmponeerd kunnen raken van de leerprestatie van de taallerende kleuter. Bij deze kijk naar binnen toe, naar de taal en het taalgebruik zoals die typisch geassocieerd worden met het menselijk ras, is heterogeniteit troef precies zoals we binnen de soort getroffen worden door de bonte verscheidenheid in bouw, gedrag en karakter van het individu. Waarom zijn er ‘Miss Universe’ of ‘Mister World’ verkiezingen als het gezelschap dames of heren zo treffend homogeen

[p. 100]

zou zijn? Ieder van ons vindt zichzelf heel bijzonder en totaal verschillend van de ander, misschien op dezelfde manier als waarop kakkerlakken, knorhaantjes, vale gieren en nijlpaarden menig soortgenoot een boeiend type zullen vinden dat zeer veel verschilt van de andere soortgenoten. Binnen de soort overheersen de verschillen in de ervaringswereld van het individu, terwijl naar buiten toe homogeniteit troef is. Voor ons zijn alle nijlpaarden eender en ongetwijfeld zal het nijlpaard meer getroffen worden door de overeenkomsten dan door de verschillen tussen zijn belagers van de menselijke soort. In ons normale bestaan lijkt dit alles even natuurlijk als vanzelfsprekend.

De biologische realiteit werkt echter anders. De bioloog heeft - en dit zeer tot zijn voordeel - geen boodschap aan dergelijke observaties. Hij bekijkt zijn wereld met een andere bril en ziet overeenkomsten en verwantschap waar de niet-bioloog misschien alleen maar verschillen en verscheidenheid ziet, en omgekeerd. Beiden hebben een andere optiek. De bioloog abstraheert van bepaalde verschillen onder specifieke idealizaties (die hier verder niet ter zake doen) om tot algemene uitspraken te komen over zijn object van onderzoek. Voor hem ‘lijken’ de handvleugelige vleermuis, de warmbloedige dolfijn, en het eierleggende vogelbekdier meer op elkaar dan op resp. de mus, de haai, en de eend. Voor de leek zijn het oog van de parelmoerslak (speldeprikcamera), het oog van de kreeft (samengesteld), het oog van de schelvis (panoramisch), en het oog van de kat (binoculair) misschien wel allemaal eender. De biologische onderzoeker benadrukt de overeenkomstige kenmerken binnen de soort, en verschillen worden gezien als variaties binnen een zeer nauwe marge die als het ware de parameters opvullen in de periferie van het genotypisch systeem. Voor hem ligt de betekenis van de soort in de erfelijke eigenschappen die verantwoordelijk zijn voor de inter-specifieke kritische afstand en de intraspecifieke variabiliteit. De bioloog minimalizeert de verschillen naar binnen toe en maximalizeert de verschillen naar buiten toe.

In de linguistische realiteit tenslotte ligt de zaak precies zoals in verband met de natuurwetenschappen gesuggereerd is voor de fysica, genetica en biologie. De ‘talige’ werkelijkheid om ons heen die ons bewust maakt van de diversiteit van taal en de grillige onregelmatigheden binnen taal is complementair aan de werkelijkheid van de linguist. Hier ligt de nadruk op overeenkomsten tussen talen, algemene kenmerken die universele geldingskracht hebben, en taal-invariante wetmatigheden die onder specifieke idealizaties en abstracties menselijke taal op wezenlijke punten karakterizeren. Verschillen tussen talen worden gezien als variaties binnen zeer restrictieve grenzen, natuurlijk zullen de idealizaties waaronder linguisten werken en de abstracties die zij maken hun waarde moeten bewijzen in termen van het inzicht dat zij mogelijk maken in de aard van het object van onderzoek maar dit is een karakteristieke eigenschap van elke empirische wetenschap zoals met name de natuurwetenschappen. De wetenschappelijke grammatika verschilt dan ook zeer van de schoolgrammatika en de standaard grammatika van het Nederlands. De linguist prioriteert de ‘feiten’ en de ‘regels’ van de schoolgrammatika betrekkelijk laag. Geheel in de traditie van de natuurwetenschappen staat de gedachte centraal dat taal een soortbepaald gegeven is en dat taalverwerving het spontaan afdraaien is

[p. 101]

van een genetisch programma onder de stimulerende en deels vormende werking van het milieu. De kleuter en (middelbare) scholier krijgt maar een fractie van zijn kennis onderwezen: zijn kennis gaat ver uit boven wat hem onderwezen is of wat anderszins tot zijn ervaringswereld heeft ‘behoord. We zeggen dat zijn kennis zwaar ondergedetermineerd is door de feiten: die is namelijk (oneindig van aard als zij is) slechts zeer indirect gerelateerd aan de noodzakelijk eindige talige ervaring via een genotypisch bepaald taalvermogen dat, naar we aannemen, invariant is voor de soort. Een kind ‘leert’ zijn moedertaal net zoals het ‘leert’ baardharen te ontwikkelen. Daarom spreken taalkundigen van taalverwervingsproces i.p.v. taalleerproces.

Taal (of eigenlijk de grammatika) ontwikkelt zich in het opgroeiend kind onder invloed van de omgeving die deze ‘groei’ in werking stelt en houdt (in de zin dat voeding de celgroei stimuleert) en die gedeeltelijk vorm geeft aan het eindprodukt van dit genetisch bepaalde rijpingsproces (in de zin dat traplopen vorm geeft aan de kuitspierontwikkeling maar niet aan de oogfunctie). Per slot van rekening is er zonder sociale interactie geen taalontwikkeling mogelijk en verschilt het Nederlands van het Chinees! Maar de rol van het milieu voor het taalverwervingsproces is in deze visie relatief onbelangrijk. Wat van primair belang is zijn (i) de universele kenmerken van natuurlijke taal die we als factoren in een genetisch programma op een of andere manier fysisch gerepresenteerd moeten denken in de embryologische en post-natale ontwikkeling van het kind, en (ii) de taalspecifieke grammatika die als eindprodukt in het brein van de volwassene fysisch (naar we hopen) ligt opgeslagen. De universele grammatika maakt in deze zin deel uit van het genotype en de grammatika als resultaat van het inspelen van de universele grammatika op de omgeving is een verworvenheid van het fenotype.

Nu wordt ook duidelijk waarom de schoolgrammatika of standaard grammatika zich concentreert op verschillen tussen taal, uitzonderingen en alles wat taalspecifiek is, en volstaat met het opsommen van rariteiten en het geven van vaak complexe en betrekkelijk arbitraire vuistregels. Deze grammatika's gaan impliciet uit van het bestaan van een universele grammatika. Voor het doel waarvoor zij zich gesteld zien heeft het geen zin om aandacht te schenken aan wat taaluniverseel is en als zodanig deel uitmaakt van een genetische code die tot een onbewuste kennis van de (moeder) taal geleid heeft. Het zou zoiets zijn als een open deur intrappen: vertellen wat niemand a priori zou betwijfelen (e.g. ‘vraagwoorden verschijnen steeds zinsinitieel’, vgl. ‘stenen vallen steeds omlaag’). De Grammatikaleer probeert evenals de Natuurkundeleer algemene wetmatigheden te karakterizeren (e.g. ‘waarom komen vraagwoorden nooit zinsfinaal voor en gaat het antecedent van een reflexief pronomen steeds eraan vooraf?’ Antwoord: Principe B(inding) vgl. ‘waarom vallen stenen nooit omhoog en is er een regelmatige wisseling van eb en vloed?’ Antwoord: Principe G(ravitatie)).

De wetenschappelijke grammatika tracht anders dan de schoolgrammatika juist taalspecifieke eigenaardigheden af te zetten tegen algemene kenmerken van natuurlijke taal. Het universalia onderzoek staat hier centraal en saillante voor het oog complexe en disparate verzamelingen taalfeiten probeert men hier af te leiden uit een betrekkelijk eenvoudig en principieel samenspel van algemene condities

[p. 102]

op de vorm van natuurlijke taal enerzijds en taalidiomatische details die de parameters in de universele principes invullen, anderzijds. De wetenschappelijke grammatika streeft een theoretisch doel na (‘waarom is het zó dat …’); de schoolgrammatika een praktisch doel (‘in het Frans is het zó dat …’).

 

2. We hebben hier niet geprobeerd natuurlijke taal te karakterizeren in de zin waarin we formele talen vaak in een karakteristieke formule kunnen uitdrukken zoals e.g. de contextgevoelige taal anbmanbm of de context-vrije taal anbman of de reguliere taal {a,b}* Menselijke taal is een derivaat: het complexe resultaat van vele modulen die op elkaar inwerken. De grammatika - een regelsysteem dat verantwoordelijk is voor de vormkant en het expressieve vermogen van taal en dat genotypisch vastligt voor de menselijke soort - is er slechts één van. Als vorm-component staat de grammatika echter wel centraal. Andere modulen zijn allerlei conceptuele systemen (die mogelijk gedeeltelijk los van taal voorkomen en misschien gedeeltelijk wel door niet-menselijke primaten geleerd kunnen worden) zoals kennis van ruimtelijke en temporele verhoudingen en kennis van objecten in de werkelijkheid. Al deze componenten werken samen en leveren uiteindelijk een intermodulair produkt, de menselijke taal, op.

Natuurlijk staat het een niet los van het ander. De expressieve kant van taal kan met name gebruikt worden om de conceptuele systemen (beter) te laten functioneren. Toch is het mogelijk en gewenst om beide systemen los van elkaar te bestuderen. Zo hebben de volgende reeksen van onwelgevormde uitingen een verschillende status.

 

(A)

i. mijn neefje baarde een dochter
ii. we zagen een slang naast zichzelf
iii. de agent stond op alle hoeken van de straat
iv. hij duwde de tafel naar zich toe
v. hij trok de stoel van zich af

 

(B)

i. mijn neefje beschuldigde van moord
ii. hij keek naar zich
iii. de agent lette op niet alles
iv. hij duwde ons van zichzelf af
v. hij trok ons naar zichzelf toe

 

De uitingen in (A) duiden op storingen in kennis van de wereld (de rol van de sexen, de uniciteit en gebondenheid aan plaats/tijd van organismen, thematische relaties, etc.). De spreker van deze ‘onzin’ heeft wellicht een gestoord wereldbeeld en is daarom misschien gebaat met sexuele voorlichting, een cursus ruimtelijke ordening, of opname in een psychiatrische kliniek. Hij is pragmatisch gestoord. Zijn grammatika kan vlekkeloos zijn.

De uitingen in (B) duiden op storingen in de taalbeheersing. De spreker van deze ‘onzin’ is grammatikaal gestoord en is waarschijnlijk niet gebaat met psychiatrische hulp. Hier is een taalcompensatieprogramma of opname in een afasie kliniek misschien meer opportuun. Het wereldbeeld van de spreker en zijn kennis van ruimtelijke en temporele verhoudingen kunnen zeer adekwaat zijn.

[p. 103]

Het is belangrijk in te zien dat dit onderscheid empirisch van aard is en niet a priori logisch noodzakelijk. Het is heel goed voorstelbaar dat kennis van taal samenvalt met andere kennis. Zoals we later zullen betogen schijnt juist dit de claim te zijn van psychologen en anderen die beweren dat ook neef aap kan spreken. Voorlopig stellen we ons op het standpunt dat taal een soort-bepaald gegeven is. In deze visie is de taalkundige niet geïnteresseerd in taal per se maar interesseert hij zich primair voor de genetische component van taal (de Universele Grammatika) en het eindresultaat van de genetisch vastgelegde ontwikkeling van taal (de taalspecifieke grammatika). Anders gezegd, in de linguistische realiteit gaat de aandacht vooral uit naar die kenmerken van taal die afspiegelingen zijn van de biologisch noodzakelijke eigenschappen van het regelsysteem in het brein van de volwassene.

Wanneer we spreken van de genetica van taal bedoelen we niet dat de taalkundige de taalontwikkeling bestudeert op het nivo van het menselijk gen, chromosoom of zelfs orgaan. Voor zover bekend zijn er geen gelokalizeerde taalgenen, taalchromosomen of zelfs taalorganen. De taalkundige bestudeert de genetica van taal op het nivo van het organisme, precies zoals de bioloog die de soort-bepaalde eigenschappen van het gehoor van vleermuizen bestudeert, de genetica van het gehoor op het nivo van het organisme onderzoekt. De claim in beide gevallen is dat uiteindelijk de biologisch noodzakelijke kenmerken, i.e. de soort-bepaalde eigenschappen, van menselijke taal resp. vleermuisgehoor een fysische basis vinden in de DNA reeksen van de organismen.

Thans zullen we aan een drietal probleemgebieden demonstreren in welke zin algemene condities op de vorm van menselijke taal biologisch (en niet logisch) noodzakelijk zijn. Deze gebieden zijn karakteristiek voor het object van taalkundig onderzoek, en zijn typisch onberoerd gebleven in de gewone schoolgrammatika.

 

3.1. Vraagzinnen zijn een bekend verschijnsel in taal. Data (1)-(3) illustreren het feit dat het vraagwoord wie zinsinitieel kan voorkomen in hoofd- en bijzin. We hebben zowel directe (vgl. (3)) als indirecte (vgl. (1)-(2)) vraagzinnen.

 

(1) hij zei dat de BVD ontdekt had wie er naast ons komt wonen.
(2) hij zei wie de BVD ontdekt had dat er naast ons komt wonen.
(3) wie zei hij dat de BVD ontdekt had dat er naast ons komt wonen?

 

Tevens laten (1)-(3) zien dat het vraagwoord wie (dat we als subject van wonen interpreteren) successievelijk verder ‘verwijderd’ geraakt van de minimale zin waar het als subject op betrokken moet worden. Maar ook de subjecten van ontdekt had en zei kunnen bevraagd worden. Vgl. (4)-(5) resp. (6):

 

(4) hij zei wie ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen.
(5) wie zei hij dat ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen?
(6) wie zei dat de BVD ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen?
[p. 104]

Daarom zouden we ons niet hoeven te verbazen over ‘dubbele’ vragen als (7)-(11):

 

(7) hij zei wie ontdekt had wie er naast ons komt wonen.
(8) wie zei hij dat ontdekt had wie er naast ons komt wonen?
(9) wie zei dat de BVD ontdekt had wie er naast ons komt wonen?
(10) wie zei wie de BVD ontdekt had dat er naast ons komt wonen?
(11) wie zei wie ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen?

 

Zinnen (7), (8), (9), (10), en (11) zijn gewoon de ‘som’ van resp. (1) en (4), (1) en (5), (1) en (6), (2) en (6), en (4) en (6). Maar waarom is dan (12) plotseling onwelgevormd?

 

(12) *wie zei hij wie ontdekt had dat er naast ons komt wonen?

 

Er is geen logische reden waarom (12) niet een correcte vraag zou zijn die met (13) of (14) beantwoord zou kunnen worden. In het eerste geval zou (12) de ‘combinatie’ zijn van (2) en (5), in het laatste geval zou (12) de ‘som’ zijn van (3) en (4).

 

(13) hij zei wie de BVD ontdekt had dat er naast ons komt wonen.

(14) hij zei wie ontdekt had dat er een Marxist naast ons komt wonen.

 

Geval (12) staat niet geïsoleerd. (De andere combinaties (2) en (4), (3) en (5), (3) en (6), en (5) en (6) komen om minder interessante reden niet voor zoals we verderop zullen zien.) In zijn meest eenvoudige vorm komen we hetzelfde verschijnsel tegen in (15) en (16), die ongrammatikaal zijn, terwijl (17) en (18) toch aantonen dat het subject wie en object wat van de bijzin ieder afzonderlijk in combinatie met een ander vraagwoord niet steeds tot ongrammatikaliteit aanleiding geven.

 

(15) *wie vroeg je wat gelezen had?
(16) *wat vroeg je wie gelezen had?
(17) wie vroeg wie dat gelezen had?
(18) wie vroeg wat je gelezen had?
(19) hij vroeg wie wat gelezen had.

 

Tenslotte laat (19) zien dat wie en wat samen kunnen voorkomen in welgevormde zinnen.

Deze feiten schreeuwen om verklaring. De schoolgrammatika kent deze feiten niet en heeft er ook geen verklaring voor. Hoewel zinnen (12), (15), en (16) ‘analoog’ zijn aan (7)-(11) en (17)-(18), wijst iedere native speaker ze af. Kinderen maken veel fouten maar nooit een fout als (15). Maar waarom niet? Ze hebben immers nooit ‘geleerd’ dat (15) onwelgevormd is. Niemand heeft hen dit onderwezen. Volgens een a priori eenvoudsprincipe zou de taal eenvoudiger geweest zijn als (15) wél grammatikaal was geweest. Wat is dan de reden dat het kind niet de inductieve generalizatie maakt dat (15) welgevormd is? De reden kan niet zijn dat hij (15) niet eerder is tegengekomen, want dat geldt ook voor het merendeel van de andere vraagzinnen (misschien wel voor allemaal). Wat is er dan zo opvallend aan deze ‘negatieve data’?

[p. 105]

We suggereren dat er een algemene conditie, een ‘bouwvoorschrift, moet zijn op de vorm en het functioneren van de grammatika die verhindert dat ‘negatieve data’ als (15) ooit aan de oppervlakte komen. We nemen als hypothese aan dat dit bouwvoorschrift aangeboren is en dus niet ‘geleerd’ hoeft te worden. Er is m.a.w. geen logische maar een biologische reden dat (15) onwelgevormd ie. Het algemene principe P dat deel uitmaakt van het genotype verhindert het ‘taallerende’ kind de voor de hand liggende ‘generalizatie’ te maken. Natuurlijk moeten we P wel vinden en dat is dan het object van linguistisch onderzoek. Stel nu dat we P ontdekt hebben en dat het werkelijk een verklarend principe is van universele aard, dan verwachten we (onder aanname dat het genotype invariant is voor deze factor) dat dit principe in samenspel met andere conventies en regels een verrassend inzicht zal geven in soortgelijke verschijnselen in andere talen. Of nog interessanter, dat het een wezenlijke factor zal moeten zijn in de verklaring van reeksen van disparate verschijnselen in een groot aantal verschillende talen, ongeveer zoals in de biochemie de werking van het testosteron hormoon een belangrijke factor is in de verklaring van zulke ‘verschillende’ dingen als de ontwikkeling van de veertooi van de haan, de rugkam van de mannelijke salamander, of de secondaire geslachtsverschillen bij zoogdieren.

Het specifieke principe P ter verklaring van de (on)welgevormd-heidsoordelen van (1)-(19) is bekend: Subjacency. Daarover later meer. Het interessante is nu dat Subjacency een belangrijke rol speelt bij de verklaring van een hele serie van disparate onregelmatigheden in een veelheid van talen. Zo is het een wezenlijke factor bij de verklaring van zulke ‘ongelijksoortige’ puzzels als de onwelgevormdheid van (20) in het Engels, de ongrammatikaliteit van (21) in het Frans, en de onwelluidendheid van (22) in het Nederlands.

 

(20) *What will John be easy to aim at?
(21) *A qui a-t-elle confié qu'est venu Jean?
(22) Kárel ik geloof niet dat ziek is.

 

Elk van deze zinnen vormt een niet-triviaal probleem voor de ‘leerbaarheid’ van talen.

Als het taalleerproces gewoon een inductieve generalizatie zou zijn over de zinnen van een taal die het kind tijdens een kritische fase krijgt aangeboden (zijn talige ervaring dus), dan zouden we analoog aan (23) verwachten dat (20) een welgevormde vraag zou zijn.

 

(23) What will John be eager to aim at?

 

En net zoals (24) een correct antwoord is op vraag (25), zou (26) een welgevormde vraag moeten zijn met (27) als mogelijke respons.

 

(24) John is eager to aim at his mother-in-law.
(25) Who is John eager to aim at?
(26) *Who is this pistol easy to aim at?
(27) This pistol is easy to aim at one's mother-in-law.
[p. 106]

Maar niets is minder waar. Merk op dat (24) en (27) beide welgevormd zijn en oppervlakkig qua structuur niet van elkaar verschillen. Daarom is (26) vs. (25) alsook (20) vs. (23) een probleem voor de leerbaarheid van talen.

Zo zou de taallerende Franse kleuter op basis van (28) hebben moeten ‘generalizeren’ over (28) en (29). Maar deze ‘generalizatie’ wordt nooit gemaakt en (29b), i.e. (21), is in feite incorrect Frans.

 

(28)

a. à qui a-t-elle pensé que Jean a parlé?
b. à qui a-t-elle pensé qu'a parlé Jean?

 

(29)

a. à qui a-t-elle confié que Jean est venu?
b. *à, qui a-t-elle confié qu'est venu Jean?

 

Het verschil tussen (28) en (29) kan niet aan être vs. avoir geweten worden. Vgl. (30):

 

(30) quand dira-t-il qu'est venu Jean?

 

Zin (30) laat zien dat stylistische inversie van subject en werkwoord wel kan optreden met een être regerend venir, tenminste in de betekenis waarin (30) een vraag is naar het tijdstip van aankomst (i.e. het antwoord hier is mogelijkj; demain is hier een onmogelijke respons, maar is wel een mogelijk antwoord op de variant van (30) zonder stylistische inversie!).

Is het Frans nu ‘moeilijk’ te leren voor de kleuter? Niet wezenlijk ‘moeilijker’ dan bv. het Nederlands dat met (22) eveneens problematisch is, omdat het niet evident is wat precies het kind van zijn inductieve generalizatie afhoudt dat (22) welgevormd is. Immers, (31) laat zien dat het subject zeer goed aan het werkwoord vooraf kan gaan bij aanwezigheid van een ‘getopicaliseerd’ zelfstandig naamwoord.

 

(31) Kárel ik geloof niet dat ie ziek is.
(32) Kárel geloof ik niet dat ziek is.

 

En zoals (32) aantoont, kan de bijzin zijn subject ‘missen’. Waarom maakt het Nederlandse kind dan nooit de fout een zin als (22) te produceren? Waarom zegt het evenmin ooit zoiets als (33)?

 

(33) Kárel geloof ik niet dat ie ziek is.

 

Toch heeft niemand hem geleerd dat (22) of (33) foutief Nederlands is. Het kind ‘weet’ kennelijk dat inversie steeds samengaat met afwezigheid van het bijzinssubject. Deze kennis is niet triviaal: de beide kenmerken kunnen zich arbitrair ver van elkaar manifesteren. Vgl. (34):

 

(34)

Kárel geloof ik niet dat ze zullen zeggen dat naast ons komt wonen.
Kárel ik geloof niet dat ze zullen zeggen dat ie naast ons komt wonen.
*Kárel geloof ik niet dat ze zullen zeggen dat ie naast ons komt wonen.
*Kárel ik geloof niet dat ze zullen zeggen dat naast ons komt wonen.
[p. 107]

Voor al deze probleemdata geldt dat ze nooit behoord hebben tot de ervaringswereld van de kleuter, hun afwijkende aard is nooit een voorwerp van instructie geweest en ook anderszins zijn deze feiten nooit geleerd. In zekere zin zouden de verschillende talen ‘eenvoudiger’ geweest zijn als deze zinnen wel grammatikaal waren geweest. Er is m.a.w. geen logische noodzaak voor hun onwelgevormdheid. Toch hebben native speakers haarscherpe intuïties over deze ‘negatieve data’.

De Engelse kleuter zal nooit de ‘generalisatie’ kunnen maken dat (20) of (26) welgevormd is, evenmin als de Franse en Nederlandse kleuter dat zou kunnen doen voor (21) resp. (22), (33). De onwelgevormdheid van al deze zinnen schijnt een biologisch noodzakelijk gegeven te zijn, afleidbaar uit het aangeboren taalvermogen als deel van het genotype. Subjacency, een principe van de universele grammatika, stuurt de kleuter om zich op basis van een beperkte hoeveelheid aangeboden taalmateriaal (vaak incompleet en gebrekkig) een regelsysteem van zijn taal te construeren dat ‘negatieve evidentie’ principieel blokkeert. Subjacency is derhalve een belangrijk object in de linguistische (d.w.z. biologische) realiteit. Het is een cruciale factor in de ‘leerbaarheid’ van menselijke taal, waar we met ‘leerbaarheid’ bedoelen de door het genotype gestuurde taalontwikkeling in het fenotype.

 

3.2. Een tweede voorbeeld is de contractie van het negatie element niet met onbepaalde voornaamwoorden zoals in (35)-(37) geïllustreerd wordt.

 

(35)

a. omdat hij iets (iemand) niet kent.
b. *..... hij niet iets (iemand) kent.
c. ..... hij niets (niemand) kent.

 

(36)

a. omdat hij ergens niet aan denkt.
b. *..... hij niet ergens aan denkt.
c. ..... hij nergens aan denkt.

 

(37)

a. omdat hij ooit niet gerookt heeft.
b. *..... hij niet ooit gerookt heeft.
c. ..... hij nooit gerookt heeft.

 

Contractie is een verschijnsel dat we in tal van talen zien optreden. Het Engelse paradigma is volmaakt (cf. either / neither; or / nor; ever / never; something / nothing; someone / noone; somewhere / nowhere; some / none), maar we komen het verschijnsel ook tegen in het Duits (cf. irgends / nirgends; jemals / niemals), het Spaans (cf. alguno / ninguno), of het Italiaans (cf. alcun / nessun; qualcuno / nessuno). In het Frans hebben we aparte idiomen voor ‘niemand’ en ‘niets’ maar niet voor ‘niet alles’, vgl. il ne voyait rien (personne) vs. il ne voyait pas tout.

Toch hebben we nooit ‘geleerd’ om niet te zeggen we hebben nalles gezien wanneer we bedoelen ‘we hebben niet alles gezien’. Maar waarom zeggen we nooit nalles wanneer we ‘niet alles’ bedoelen? Is het soms zo dat nalles niet ‘bestaat’ zoals ook venten (meervoud van vent) niet ‘bestaat’? Het niet voorkomen van nalles mag niet op één lijn gezet worden met het niet voorkomen van venten: dit laatste is puur willekeurig en is een geïsoleerd feit in het Nederlands

[p. 108]

taalidioom. Het nalles voorbeeld staat echter niet alleen: nalles is systematisch afwezig. Vgl. (38)-(40):

 

(38)

a. *omdat hij alles (iedereen) niet kent.
b. ..... hij niet alles (iedereen) kent.
c. *..... hij nalles (niedereen) kent.

 

(39)

a. *omdat hij overal niet aan denkt.
b. ..... hij niet overal aan denkt.
c. *..... hij noveral aan denkt.

 

(40)

a. *omdat hij altijd niet gerookt heeft.
b. ..... hij niet altijd gerookt heeft.
c. *..... hij naltijd gerookt heeft.

 

De combinatie van niet en onbepaalde voornaamwoorden in (35)-(40) laten een merkwaardige complementaire distributie zien. Waar de zinnen van (35)-(37) welgevormd zijn, zijn die van (38)-(40) onwelgevormd en omgekeerd. (In die gevallen van taalgebruik waar met een speciaal intonatieverloop de volgorde niet iets of alles niet een grammatikale zin geeft, komt de betekenis van niet iets en alles niet overeen met die van iets niet resp. niet alles. Deze bijzondere gevallen vallen derhalve buiten ons betoog.) De contractie van niet beperkt zich tot onbepaalde voornaamwoorden met een ‘existentiële’ betekenis (‘er is een x zodanig …’) en is kennelijk principieel uitgesloten bij onbepaalde voornaamwoorden met een ‘universele’ betekenis (‘voor alle x geldt dat …’). De distributie van deze ‘logische’ woordjes met gecontraheerd niet zoals in de C-zinnen van (35)-(40) geïllustreerd is, is van algemene aard. Er zijn geen talen bekend die negatie van universele kwantorwoorden toestaan (vgl. every / *nevery; all; / *nall; always / *nalways; both / noth; and / *nand vs. noone; nothing; never; neither; nor).

Daarentegen is het complementaire karakter van de (on) grammatikaliteit van de a en b-zinnen van (35)-(37) met die van (38)-(40) taalspecifiek, althans ten dele zoals hierboven reeds is gesteld (vgl. par. 1.). Zeer opvallend is in elk geval dat kinderen nooit zulke ‘taalfouten’ maken als ‘naltijd’ maar wel degelijk onwelgevormde zinnen produceren als jij zegt altijd niets tegen mij of jullie denken overal niet aan, om uitdrukking te geven aan hun klacht dat ‘er nooit iets tegen ze gezegd wordt’ of dat ‘er nergens aan gedacht wordt’.

De morfologisering van existentiële kwantorwoordjes onder negatie is kennelijk een optie van de Universele Grammatika waar individuele talen gebruik van kunnen maken. De Nederlandse grammatika stelt dit gebruik verplicht (vgl. (35b)-(37b)). Het niet voorkomen van alles niet (≠ ‘niet alles’) blijft echter voorlopig een raadsel: het bestaan van gelexikaliseerde vormen als niemand sluit kennelijk het bestaan van het concurrerende en logisch equivalente iedereen niet uit. Over het verschil tussen nalles vs. venten kunnen we ons positiever uitlaten: het ontbreken van nalles is te wijten aan een genetische factor, het niet voorkomen van venten is een milieu factor. Het eerste hoeft niet ‘geleerd’ te worden, het laatste wél.

Merk op dat er een interessante verhouding is tussen existentiele en universele kwantorwoordjes (weer te geven met resp. ‘∃’ en

[p. 109]

‘∀’): zo betekent (41) hetzelfde als (42):

 

(41) Alles is hol.
(42) Er is niets dat niet hol is.

 

Maar als ‘alles’ equivalent is aan ‘niet-iets-niet’, dan is het duidelijk dat ‘alles’ onder negatie, ‘niet-alles’, logisch equivalent is aan ‘iets-niet’. Eveneens volgt hieruit dat ‘niet-iets’ logisch equivalent is aan ‘alles-niet’.

 

(43)

~ ∀∃ ~
∀ ~~ ∃

Nu kunnen we een poging wagen het raadsel van het Nederlands, *alles niet, gedeeltelijk te ontsluieren door het te relateren aan het principe dat nalles uitsluit. De welgevormdheid van iets niet gaat samen met die van het logisch equivalente niet alles en, omgekeerd, de onwelgevormdheid van niet iets gaat samen met die van het logisch equivalente alles niet. De ‘verplichte’ lexikalisatie van niet iets tot niets redt als het ware de mogelijkheid om vormelijk uitdrukking te geven aan de betekenis ‘niet iets’ of ‘alles niet’. We kunnen deze correlatie als een dubbele implicatie (44) uitdrukken en we nemen als hypothese aan dat het morfologisch principe dat aan (44) ten grondslag ligt - laten we dit het Morfologi-seringsprincipe noemen - taaluniverseel is.

 

(44)

Morfologiseringsprincipe (MP)
Lexikalisering van ‘niet-Q’ is mogelijk d.e.s.d.a. lexikalisering van ‘Q-niet’ onmogelijk is (Q staat voor ‘iets’, ‘alles’, etc.).

 

Zoals in (44) reeds is aangeduid, zullen we voor het gemak van het betoog de dubbele implicatie met het taaluniversele principe MP identificeren. Laten we vervolgens het ‘verplichte’ karakter van contractie aan een algemene conventie toeschrijven die het principe van MP optimaliseert:

 

(45)

Optimaliseringsprincipe (OP)
Als morfologisering van ‘niet-Q’ kan worden toegepast dan moet het worden toegepast.

 

We nemen aan dat (45) een speciaal geval is van een meer omvattend universeel maximalisatie principe.

Aangezien we het morfologie principe (44) hebben toegeschreven aan het aangeboren taalvermogen, hebben we tevens een verklaring waarom het kind zonder dat het de relevante ervaring van (35)-(40) heeft opgedaan, of zonder dat hem deze ‘feiten’ onderwezen zijn, nooit nalles zal zeggen wanneer het van het bestaan van niets afweet. De nalles feiten zijn typisch non-existent in de zintuiglijke wereld: ze staan nergens vermeld en worden nooit geproduceerd, onderwezen of geleerd. Deze feiten zijn strikt genomen onleerbaar! Deze fantastische puzzel voor het ‘taalleerprobleem’ wordt nu eenvoudig gereduceerd tot MP (44), een kenmerk van de Universele Gram-

[p. 110]

matika. De taallerende kleuter die het universele principe dat aan (44) ten grondslag ligt tot zijn beschikking heeft, weet dat nalles onwelgevormd is omdat niets dat niet is. De redenering is simpel en is illustratief voor de deductieve diepgang van de Universele Grammatika met MP als algemeen principe dat lexikalisering van universele logische woordjes onder negatie uitsluit: Als niets voorkomt in zijn taal als morfologisering van ‘niet iets, dan ‘weet’ het kind op basis van (44) dat iets niet niet gemorfologiseerd kan worden, evenmin als niet alles dat volgens (43) logisch equivalent is aan iets niet. Hieruit volgt dat nalles principieel geblokkeerd wordt. (De kennis van het kind is natuurlijk onbewust, zoals ook zijn kennis om baardharen te ontwikkelen onbewust is: in beide gevallen hebben we te maken met een genetisch vastgelegd proces.)

Maar het kind weet nog meer. Eveneens weet het (gegeven niets) dat ‘niet iets’ gelexikaliseerd moet worden op grond van de algemene conventie OP (45): i.e. niet iets komt niet voor. Aangezien ‘alles niet’ logisch equivalent is aan ‘niet iets’, zal ook ‘alles niet’ gelexikaliseerd moeten worden tot niets. Q.E.D.

Er resteert dus eigenlijk geen leerbaarheidsprobleem meer. Het universele karakter van de logische equivalentie relaties (43), van de lexikalisering van existentiële elementen onder negatie (en hun logische equivalenten!), en van het optimaliseringsprincipe OP levert automatisch de distributie van (35)-(40) op. Dit resultaat wordt bereikt enkel en alleen vanwege het voorkomen van het woordje niets. Aangezien niets waarschijnlijk wél behoort tot de ervaringswereld van de taallerende kleuter (cf. ik zie niets), zal niets noodzakelijkerwijze de universele principes in werking stellen. Niets haalt de handel over van een automaat die niet anders kan dan tot de output van (35)-(40) concluderen. De distributie van (35)-(40) is biologisch noodzakelijk in deze, visie.

Hierboven is gezegd dat *alles niet vs. iets niet, en niet alles vs. *niet iets tot het Nederlands taaleigen behoort. Dit kan nu gecorrigeerd worden: principe (45) sluit zoals we gezien hebben niet iets (en dus ook alles niet) uit, maar zegt niets over iets niet en niet alles; principe (44) zegt enkel dat iets niet (en dus ook niet alles) niet gemorfologiseerd kan worden, omdat niet iets dat wél moet. We kunnen daarom eenvoudigweg stellen dat het een taalspecifieke trek van het Nederlands is dat de volgorde van woordjes als iets, ergens, iemand, alles, overal, iedereen, etc. ten opzichte van niet volkomen vrij is (cf. ik heb Jan niet gezien en ik heb niet Jan gezien maar Piet).

Ook de onwelgevormdheid van overal niet en niet ergens volgt nu gewoon uit de Universele Grammatika (nl.(45)) en hoeft derhalve niet te worden beregeld in de grammatika van het Nederlands. We hebben hier te maken met afspiegelingen van algemene condities in de Nederlandse grammatika (die de volgorde van niet relatief vrij laat t.o.v. andere woorden). De Universele Grammatika filtert de verkeerde combinaties uit (vgl. *altijd niets / nooit iets; *altijd nergens aan denken / nooit ergens aan denken; *overal niets / nergens iets; *iedereen niets geven / niemand iets geven, etc.).

 

In schema kan het voorafgaande argument als volgt worden weergege-

[p. 111]

ven:



illustratie

De deductieve diepte van MP kan verder geïllustreerd worden. Indien juist, zou principe (44) in samenhang met principe (45) specifieke voorspellingen doen voor een taal die zeer rigide volgorde beperkingen kent. Zo'n taal is het Engels, waar het woordje not nooit onmiddellijk vooraf kan gaan aan het object, maar steeds deel uitmaakt van een verbaal complex. Vgl. (46):

 

(46)

a. John has not seen Peter
b. *John has seen not Peter

 

Bekijken we (47), waar Peter vervangen is door een ‘logisch’ woordje:

 

(47)

a. John has not seen everything (~∀)
b. John has seen nothing (~∃)
c. John has not seen something (∃~)
d. John has not seen anything (∀~)

 

In (47b) hebben we te maken met de negatie van het existentiële something. Gegeven nothing (uit not something), weten we op grond van (44) dat (47a) niet gelexikaliseerd kan worden (cf. *neverything). Maar nu hebben we meteen twee problemen: (47c) en (47d)!

Als (47c) correct Engels is (en het is correct Engels), kan het niet de betekenis van (47b) hebben. Dit vanwege OP (45), dat lexikalisering verplicht stelt. Maar (47c) betekent ook iets anders, nl. ‘er is iets waarvoor geldt dat John het niet gezien heeft’. Principe MP (44) blokkeert terecht morfologisering in dit geval, zoals het dit ook blokkeert in (47a), dat aan (47c) equivalent is.

Het tweede probleem laat zich ook oplossen door de tandem (44)-(45): Indien correct Engels, kan (47d) niet de betekenis hebben van (47a), ondanks het feit dat anything een universeel kwantorwoordje is net als everything. Principe (44) zou anders de ‘morfologische verandering’ van everything in anything geblokkeerd hebben. Nu is (47d) wel degelijk correct Engels. Bovendien is anything zeer beslist een universeel kwantorwoord. Vgl. (48):

 

(48) John can do anything (≠ John can do something)

 

(48) betekent dat ‘John kan doen wat ie maar wil’ en niet dat ‘John iets kan doen’. Maar nu zien we dat ook dit probleem verdwijnt, want (47d) heeft niet de betekenis van (47a): (47d) betekent dat ‘voor alles geldt dat John het niet gezien heeft’. Het heeft met andere woorden de betekenis van (47b). En dus eist principe (45) dat er een morfologische verandering optreedt precies zoals in het geval van (47b).

[p. 112]

We hebben, nu een verklaring gevonden voor de karakteristieke eigenschap van de typisch Engelse woordjes anything, anywhere, anytime, etc., die steeds buiten de semantische maar binnen de syntaktische invloedssfeer vallen van ‘logische’ woordjes als niet, kunnen, alsdan, etc. We hebben anders gezegd verklaard waarom het Engels een gemarkeerd universeel kwantorwoord anything heeft in posities waar everything kan verschijnen, zonder dat het in betekenis hiermee overeenkomt, hoewel beide woordjes universeel geladen zijn. Tot zover dit verrassend resultaat van de Universele Grammatika. Schematisch kan het ‘any’ argument worden weergegeven als:



illustratie

Net zoals in het geval van Subjacency zal het morfologisch beginsel van de universele grammatika dat lexikalisering van ‘alles niet’ (of ‘niet iets’) toelaat, maar lexikalisering van ‘niet alles’ (of ‘iets niet’) uitsluit, in verband moeten kunnen worden gebracht met tal van andere problemen in verschillende andere talen. Het zal onafhankelijk gemotiveerd moeten kunnen worden. We hebben reeds gezien dat (44) in interactie met OP (45) een verklaring biedt voor het voorkomen van het Engelse any, maar wellicht werpt het ook een licht op het niet-voorkomen van doit-être, mustbe, of het moet zijn dat …. Waarom ‘bestaan’ deze combinaties niet in het Frans, Engels, of Nederlands, terwijl deze talen toch wel peut-être, maybe, of het kan zijn dat … kennen? Er zijn geen logische of semantische redenen aan te voeren waarom doit-être, mustbe, of het moet zijn dat … niet als morfologische afleidingen in ruime zin zouden kunnen verschijnen. Hun semantische inhoud kan wel degelijk ‘vertaald’ worden: nécessairement, necessarily, of het is noodzakelijk dat ….

Het markante gegeven doet zich nu voor dat verba als kunnen een interessante overeenkomst vertonen met existentiële woordjes, terwijl verba als moeten juist overeenkomst vertonen met universele woordjes. Vgl. (49)-(50):

 

(49) Hij moet gearriveerd zijn
(50) Het is niet mogelijk dat hij niet gearriveerd is

 

Zin (49) betekent hetzelfde als (50): ‘noodzakelijk dat …’ is logisch equivalent met ‘niet mogelijk dat niet …’. Maar dan is ook duidelijk dat niet noodzakelijk logisch equivalent is met mogelijk niet, zoals ook noodzakelijk niet logisch equivalent is met niet mogelijk. Schema (51) geeft deze equivalenties weer (N staat voor noodzaak, M voor mogelijkheid):

 

(51)

~ NM ~
N ~~ M

[p. 113]

We zien nu ook dat (51) sterk met (43) overeenkomt: we zouden dan ook over ‘beide kunnen generaliseren. Het uitblijven van nalles vs. de mogelijkheid van niets komt dan op één lijn te staan met het uitblijven van morfologische afleidingen die een ‘moeten’ uitdrukken vs. de mogelijkheid van morfologische afleidingen die een ‘kunnen’ uitdrukken. De onwelgevormdheid van doit-être, controleerplichtig (= ‘gecontroleerd moetende worden’), of readnecessy (= ‘must be read’) vs. peut-être, controleerbaar, of readable wordt met de onwelgevormdheid van nalles vs. niets teruggevoerd op een schending van een algemene conditie op de functie van morfologische regels (MP (44)). Zeer verrassend zal dit lexikaliseringsprincipe uiteindelijk in verband worden gebracht met de morfologie van mogelijk en noodzakelijk. Cf. (52):

 

(52)

mogelijk, onmogelijk
noodzakelijk, *onnoodzakelijk (maar vgl. onnodig!)

 

Als laatste voorbeeld van hoe dit universele morfologische principe (44) een verklarende kracht demonstreert in een reeks van disparate verschijnselen in verschillende talen, wijzen we op de volgende ‘anomalie’ in het Engels.

 

(53)

John can't come
(vgl. John can not come)

 

(54)

John mustn't come
(vgl. John must not come)

 

Deze zinnen laten een verschijnsel zien dat in de Engelse grammatika bekend staat als Neg-contractie. Inversie van subject en hulpwerkwoord demonstreert het clitisch aspect van contractie.

 

(55) Can't John come? (vgl. *Can John n't come?)
(56) Mustn't John come? (vgl. *Must John n't come?)
(57) Can John not come? (vgl. *Can not John come?)
(58) Must John not come? (vgl. *Must not John come?)

 

Het probleem is evident: hoe kunnen can en must beide contractie toelaten? Wordt dit niet verhinderd door principe (44)? Zouden we niet hebben gedacht dat (54) en (56) onwelgevormd zouden zijn?

Nee, het morfologische universale (44) verklaart juist dat zowel (53) als (54) grammatikaal zijn op een niet-triviale wijze. Het ‘anomale’ karakter van (53) en (54) bestaat hierin dat (53) niet betekent dat ‘het mogelijk is dat John niet komt’, maar juist dat ‘het niet mogelijk is dat John komt’. En dit terwijl (54) de betekenis heeft van ‘het is noodzakelijk dat John niet komt’ en niet die van ‘het is niet noodzakelijk dat John komt’. Kortom, (53) en (54) betekenen hetzelfde: het enige empirische gegeven dat consistent is met MP (44) en dat daarom daar sterke steun aan verleent. Schematisch weergegeven hebben we het volgende beeld:

 

(59)

can't=~Mi.e. ‘not can’
mustn't=N~i.e. ‘must not’

[p. 114]

Dit is een verrassende uitkomst, want aftrek van n't levert semantisch geheel verschillende zinnen op, evenals het uitblijven van contractie (zin (57) kan naast (55), i.e. ‘Is it impossible for John to come?’, ook betekenen ‘Is it possible for John not to come?’; contractie in (56) verandert de betekenis niet, i.e. (56) en (58) zijn equivalent en de betekenis ‘not necessary’ wordt hier als needn't uitgedrukt.). De ‘anomalie’ van het Engels blijkt dus helemaal geen ‘anomalie’ te zijn vanuit het perspectief van de Universele Grammatika. Die immers verklaart de mogelijkheid van contractie bij zowel can als must als volgt: Als ‘must-not’ contra-heert tot mustn't, dan is het op grond van (44) slechts, onmogelijk om ‘not-must’ (i.e. ~ N) of het logisch equivalente ‘can-not’ (i.e. M ~) te contraheren. Contractie van ‘not-can’ (i.e. ~ M) blijft tot de mogelijkheden behoren juist omdat mustn't bestaat! Principe (44) geeft ons een verklaring voor het markante feit dat (53) en (54) dezelfde betekenis hebben, maar van betekenis gaan verschillen na aftrek van n't. De structuur van dit argument kan worden weergegeven als:



illustratie

Het verschil tussen het oorspronkelijke Nederlandse probleem (niets vs. *alles niet, *niet iets) en dit contractieprobleem (can't, mustn't) is dat er geen tweede lexikaal element in het Nederlands voorhanden is naast niets: ‘alles niet’ moet gelexikaliseerd worden maar de richting van dit proces is van links naar rechts (niet ietsniets), en daarom moet ‘alles niet’ terugvallen op niets, de morfologische afspiegeling van ‘niet iets’. Daarentegen is het contractie proces in het Engels van rechts naar links (must notmustn't), zodat can not kan contraheren, mits het conform MP (44) van ‘betekenis’ verwisselt.

Merk op dat de syntaktische positie van not gefixeerd is: steeds na het modale werkwoord. Wanneer het Engelse not niet zo gefixeerd was, maar ten opzichte van de modale verba vrij zou kunnen voorkomen (zoals niet in het Nederlands vrij is vis-à-vis iets, alles, etc.), zouden we voorspellen op basis van (44) dat wanneer mustn't zou voorkomen, can't zou zijn uitgesloten. Evenzo voorspellen we dat wanneer het Nederlands een strikte volgorde zou kennen waarbij niet steeds voorafgaat aan iets, alles, etc., het bestaan van niets zou impliceren dat nalles slechts acceptabel zou kunnen zijn in de betekenis ‘alles niet’, i.e. (∀~).

Zinnen (53) en (54) illustreren geen geïsoleerd fenomeen: verba als dislike en disapprove lijken in zeker opzicht op can't, terwijl verba als disbelieve en disprove meer aan mustn't doen denken. Evenals can't de betekenis heeft ‘not possible’, betekent dislike ‘do not like’, en evenals musn't ‘necessary that not …’ betekent, heeft disbelieve de betekenis ‘believe that not …’. We verwachten daarom dat verder onderzoek zal leren dat het morfologisch principe dat aan correlatie (44) ten grondslag ligt, een verklaring zal geven voor deze suggestieve gegevens.

[p. 115]

Concluderend kunnen we stellen dat gestuurd door zijn aangeboren taalvermogen (deel van het genotype), het kind niet de minste moeite zal ondervinden om de uiterst complexe negatie verschijnselen te doorgronden zonder dat die ook maar enigszins tot de relevante ervaring hebben behoord waar het in de kritische ‘leerfase’ aan heeft blootgestaan. De grillige distributies van (35)-(40) in het Nederlands, de verscheidenheid van de logische woordjes van (47) in het Engels, het ‘anomale’ aspect van (53)-(54) eveneens in het Engels, het uitblijven in tal van talen van afleidingen die een ‘moeten’ uitdrukken, dit alles is biologisch afgedwongen door een algemeen kenmerk van de Universele Grammatika als deel van de biologische uitrusting van de mens.

 

3.3. Een laatste probleemgebied dat illustratief is voor de diepgang van het verklarend vermogen van de Universele Grammatika zal hier kort worden aangegeven. In het Nederlands komen constructies voor zoals van iets afzien, naar iets toeneigen, onder iets doorkruipen, tot iets doordringen, over iets heen kijken. Deze constructies zijn niet homogeen, zoals de volgende voorbeelden aantonen.

 

(60)

a. hij zag erg tegen de reis op
b. hij zag erg op tegen de reis

 

(61)

a. hij klom snel tegen de berg op
b. *hij klom snel op tegen de berg

 

De voorzetselvoorwerpgroep kan soms wel (vgl. (60)), soms niet (vgl. (61)) na het partikel op komen. In (60) en (61) is alleen het werkwoord variabel gehouden (cf. zien, klimmen). Maar hetzelfde heterogene gedrag kan gedemonstreerd worden wanneer alleen het voorzetsel (cf. (62)-(63)) of het partikel (cf. (64)-(65)) een variabele factor is.

 

(62)

a. hij ging voor een boeman door
b. hij ging door voor een boeman

 

(63)

a. hij ging onder het prikkeldraad door
b. *hij ging door onder het prikkeldraad

 

(64)

a. hij voer tegen de burokraat uit
b. hij voer uit tegen de burokraat

 

(65)

a. hij voer tegen de kade aan
b. *hij voer aan tegen de kade

 

We zien nu dat tegen .... op zich anders gedraagt bij zien dan bij klimmen, dat doorgaan geheel anders werkt bij onder dan bij voor, en dat tegen .... varen zich verschillend opstelt bij uit en aan. Wat is de verklaring voor de onwelgevormdheid van de b-zinnen van (61), (63), en (65)? Deze zinnen schijnen qua structuur niet te verschillen van de b-zinnen van (60), (62), en (64), die wel grammatikaal zijn. Vanwaar dit verschil?

De schoolgrammatika leert ons niets. Niemand heeft ons hier vroeger op gewezen. Evenmin hebben de onwelgevormde b-zinnen tot onze ervaringswereld behoord: het zijn ‘negatieve data’, ‘on-feiten’. Hoe hebben we ons deze kennis eigen gemaakt toen we onze

[p. 116]

moedertaal hebben ‘leren’ spreken, zonder dat we deze zinnen ooit hebben gehoord en zonder dat we hierover onderwezen zijn? Zouden we ooit tot deze kennis gekomen zijn als onze zintuiglijke ervaring het enige richtsnoer geweest zou zijn?

Bovenstaande voorbeelden zijn geen geïsoleerde gevallen. Hele groepen werkwoorden manifesteren een dergelijk asymmetrisch gedrag van hun voorzetselvoorwerp. Zo vinden we het contrast (60) vs. (61) terug bij naar iets toeleven vs. naar iets toelopen, naast (62) vs. (63) hebben we het minimale paar tegen iets afzetten vs. van iets af zetten, en analoog aan (64) vs. (65) is er het verschil van op iets uitlopen vs. op iets aflopen. Het systematische verschil in het gedrag van het voorzetselvoorwerp dat typerend is voor deze werkwoorden, manifesteert zich ook geheel anders: in de mogelijkheden tot relativisering.

 

(66)

a. de reis waar hij erg tegen op zag …
b. de reis waartegen hij erg op zag …

 

(67)

a. de berg waar hij snel tegen op klom …
b. *de berg waartegen hij snel op klom …

 

Zoals geïllustreerd in (66) en (67), mist (67) de variant die in de Nederlandse relatieve bijzin heel normaal is (en in bijna alle andere talen van de wereld de enige keus is). Het asymmetrisch gedrag van het voorzetselvoorwerp in (61) vis-à-vis (60) correleert met de asymmetrie van de relativiseringsmogelijkheden van (67) vis-à-vis (66). Deze correlatie heeft geen toevallig maar een systematisch karakter, zoals de volgende voorbeelden ons leren.

 

(68)

a. de boeman waar hij voor doorging …
b. de boeman waarvoor hij doorging …

 

(69)

a. het prikkeldraad waar hij onder doorging …
b. *het prikkeldraad waaronder hij doorging …

 

(70)

a. de burokraat waar hij tegen uitvoer …
b. de burokraat waartegen hij uitvoer …

 

(71)

a. de kade waar hij tegen aanvoer …
b. *de kade waartegen hij aanvoer …

 

Merk op dat tegen iets opzien en tegen iets opklimmen identiek reageren op de volgende distributies:

 

(72)

(i) a. *hij zal erg zien tegen de reis op
b. *de reis waartegenop hij erg zal zien …
(ii) a. *hij zal snel klimmen tegen de berg op
b. *de berg waartegenop hij snel zal klimmen …

 

Dit gedrag is uniform voor alle verba die eerder in deze paragraaf besproken zijn.

Een subtiel voorbeeld van de ‘onleerbare’ kennis van negatieve data van dit type zijn de mogelijke antwoorden op vragen als (73) vs. (74).

[p. 117]
(73) Waar gaat hij op af?
(74) Waarop gaat hij af?

 

Vraag (73) kan beantwoord worden met zowel ‘op zijn doel’ als ‘op zijn intuïtie’, maar het antwoord ‘op zijn doel’ is een onwelgevormde respons op vraag (74). Hier is enkel de tweede respons mogelijk. Toch is (74) een syntaktisch welgevormde vraag. Dit markant voorbeeld van ongeleerde (ja, zelfs onleerbare) kennis is illustratief voor de diepte en reikwijdte van de principes van de Universele Grammatika die bepalend zijn voor de leerbaarheid van menselijke taal. Als deze kennis werkelijk systematisch is, zouden we verwachten dat de ambiguïteit van (73) vs. de ondubbelzinnigheid van (74) gecorreleerd zou moeten worden aan het (a)symmetrische gedrag van het voorzetselvoorwerp in zinnen als (75) en (76).

 

(75)

a. hij gaat nooit op zijn intuïtie af
b. hij gaat nooit af op zijn intuïtie

 

(76)

a. hij gaat steeds recht op zijn doel af
b. *hij gaat steeds recht af op zijn doel

 

Maar dit is precies wat er gebeurt: het voorzetselvoorwerp kan niet rechts van het partikel voorkomen d.e.s.d.a. in de relatief- of vraagzin het voorzetselvoorwerp niet zinsinitieel kan voorkomen. Zo zijn e.g. (65b) en (71b) onwelgevormd en wel om dezelfde reden als waarom de b-zinnen van (64) en (70) welgevormd zijn. Toegespitst op (75) en (76), kunnen we stellen dat op iets afgaan ambigu is. Eén betekenis is die van ‘zich ergens door laten leiden’ en in deze betekenis werkt op iets afgaan analoog aan e.g. tegen iets uitvaren van (64) en (70). De andere betekenis is die van ‘naar iets toegaan’ en in deze betekenis werkt op iets afgaan analoog aan e.g. tegen iets aanvaren van (65) en (71). Om dezelfde reden waarom (77) een onwelgevormde conversatie is in tegenstelling tot (78):

 

(77)

Waartegen is hij aangevaren?
Tegen de wal.

 

(78)

Waartegen is hij uitgevaren?
Tegen de burgerlijke ongehoorzaamheid.

 

is ‘op zijn doel’ (cf. (76)) een onwelgevormde respons op (74), in tegenstelling tot ‘op zijn intuïtie’ (cf. (75)). Aangezien noch tegen iets uitvaren noch tegen iets aanvaren beperkingen opleggen aan het zinsinitieel voorkomen van waar (cf.(70) en (71)), zijn er ook geen beperkingen op het zinsinitieel verschijnen van waar in de vraagzinnen die met (75) en (76) beantwoordbaar zijn, nl. de zinnen die in (73) samenvallen. Dit verklaart de ambiguë status van vraag (73).

Tot nu toe hebben we nauwkeurig vastgesteld dat ‘onleerbare’ kennis ‘minutieus systematisch’ kan zijn, maar waarom (61b) in tegenstelling tot (60b) ongrammatikaal is, weten we nog steeds niet. Waarom correleert zinsinitieel optreden met zinsfinaal voorkomen van voorzetselvoorwerpen? Waarom is een vraag ‘goed’ onder een bepaalde interpretatie, maar ‘verkeerd’ onder een andere interpretatie, terwijl onder beide interpretaties de syntaktische vorm blijkbaar gelijk is? Het antwoord op al deze vragen schrijven we toe aan

[p. 118]

een principe van taal dat kennelijk diep in de grammatika van het Nederlands verankerd ligt. Zo diep dat we de systematische kennis van ‘negatieve data’ kunnen zien als de taalspecifieke vorm waarin een taaluniverseel principe van het genotype zich manifesteert. Wat is dan dit algemene kenmerk van de Universele Grammatika?

Fenotypisch komt het in de grammatika van het Nederlands misschien in zijn eenvoudigste vorm tot uitdrukking in (79) en (80):

 

(79)

a. ik moet alsmaar op de gevolgen wachten
b. ik moet alsmaar wachten op de gevolgen

 

(80)

a. ik moet er alsmaar op wachten
b. *ik moet er alsmaar wachten op

 

Laten we als aanzet tot een oplossing een principieel onderscheid maken tussen ‘primaire’ en ‘secondaire’ ligplaatsen van voorzetselvoorwerpen. De primaire ligplaats (de ‘thuishaven’) van het voorzetselvoorwerp is links van het werkwoord in de bijzin, en de secondaire ligplaats (de ‘uitwijkhaven’) is daar rechts van. In zin (79a) ligt het voorzetselvoorwerp in de thuishaven, maar in (79b) ligt het in de uitwijkhaven. Dit is weinig precies maar voor ons doel toereikend. Belangrijk is dat het onderscheid ‘primair’ vs. ‘secondair’ in de zin waarin deze begrippen hier gebruikt worden, empirische inhoud heeft. Een ander principieel onderscheid is dat tussen de noties ‘compleet’ en ‘incompleet’. Het voorzetselvoorwerp in (79) is compleet in de zin waarin het voorzetselvoorwerp in (80) incompleet is. De zinsdelen de gevolgen en er hebben dezelfde functie in de zin: beide worden betrokken op wachten op en fungeren als ‘object’ van het voorzetsel op. Het weglaten van er maakt (80a) onwelgevormd, maar het tegelijk weglaten van er en op tast de grammatikaliteit van (80a) niet aan. Anders gezegd, er dat los van zijn voorzetsel opduikt, gaat steeds samen met op en omgekeerd. Het pronomen er en het voorzetsel op vormen een discontinue voorzetselgroep. Een specifieke manier om tegen dit discontinue voorzetselvoorwerp aan te kijken is te zeggen dat dat voorzetselvoorwerp op ‘incompleet’ is: het ‘mist’ een aangrenzend er. Daarentegen is het voorzetselvoorwerp op de gevolgen ‘compleet’: op heeft z'n aangrenzend object (de gevolgen). We zeggen nu dat op in (80) een ‘incompleet zinsdeel’ is (of ‘een verlopen paspoort’ heeft), en daarom moeilijker te identificeren is dan e.g. de voorzetselgroep in (79). Is op een partikel (cf. let eens op) dan wel een voorzetsel? Deze vraag is gemakkelijker te beantwoorden in het geval (79) dan in (80). Dat is de perceptuele boodschap. Weer is de terminologie niet precies en onbelangrijk. Wezenlijk is dat er empirische inhoud gegeven kan worden aan de noties ‘primaire ligplaats’, ‘uitwijkhaven’, ‘compleet zinsdeel’, ‘verlopen paspoort’, e.d.

Eén manier waarop dit kan wordt geïllustreerd aan de functie van het principe van de Universele Grammatika dat verantwoordelijk is voor de ‘negatieve data’ in deze paragraaf. Dit principe zou informeel gekarakteriseerd kunnen worden als (81).

 

(81)

Douane Controle (DC): Geen enkel zinsdeel in een uitwijkhaven mag een verlopen paspoort hebben.
[p. 119]

Dit principe dat we hier het Principe van de Douane Controle zullen noemen (cf. ook par. 10), is een conditie van algemene aard en is niet geformuleerd in termen van noties die tot de Nederlandse grammatika beperkt zijn. Zinsdelen, uitwijkhavens en verlopen paspoorten zijn niet typisch Nederlands!

Het DC-Principe geeft een verklaring voor de ongrammatikaliteit van (80b). In (80b) heeft op een verlopen paspoort (is incompleet) én ligt het in een uitwijkhaven (ligt in secondaire ligplaats rechts van het werkwoord). Daarom schendt het hier het DC-Principe. De zinnen (79b) en (80a) daarentegen voldoen elk maar aan één voorwaarde van (81), i.e. ‘het voorzetselvoorwerp ligt in een uitwijkhaven’, resp. ‘het voorzetselvoorwerp heeft een verlopen paspoort’. Het DC-Principe wordt in deze gevallen niet geschonden. Het DC-Principe functioneert daarom enkel in (80b) en geeft het gewenste resultaat: uitsluiting van (80b).

Dit is een belangrijke toepassing van het taaluniversele DC-Principe maar geenszins de enige. Principe (81) geeft een interessante verklaring voor de ‘negatieve data’ in het complexe geheel van (60)-(72). Het geeft antwoord op de vraag waarom (61b) in tegenstelling tot (60b) ongrammatikaal is, waarom zinsinitieel voorkomen van voorzetselvoorwerpen correleert met het zinsfinaal voorkomen ervan, waarom (73) in tegenstelling tot (74) twee mogelijk antwoorden toelaat, etc.

De b-zinnen van (60) en (61) hebben hun voorzetselvoorwerp in een secondaire ligplaats, zoals duidelijk wordt aangetoond wanneer we (60) en (61) in bijzinsvolgorde omzetten.

 

(60') … dat hij erg opzag tegen de reis
(61') *… dat hij snel opklom tegen de berg

 

Tevens laten deze zinnen zien dat op bij tegen de berg en niet bij klimmen hoort, in tegenstelling tot op in (60') dat wél bij het werkwoord hoort en niet bij het voorzetselvoorwerp. Dit wordt ook nog eens bevestigd door

 

(82) *hij zag er tegenop, niet vanaf
(83) hij klom er tegenop, niet onderdoor

 

Zoals (83) aantoont, kunnen richtingsbepalingen ontkend worden, maar is het onmogelijk om niet-zinsdelen te ontkennen. Anders gezegd, richtingsbepalingen hebben een andere structuur dan niet-richtingsbepalingen: het partikel op heeft een primaire ligplaats in het voorzetselvoorwerp tegen de berg op, maar tegen de reis kent geen thuishaven voor op. Maar als het voorzetselvoorwerp in (61b) een secondaire ligplaats heeft én incompleet is (vgl. ook (61')), voldoet het aan beide voorwaarden om het DC-Principe van toepassing te laten zijn: het DC-Principe filtert (61b) uit. Daarentegen voldoet (60b) slechts aan één van de voorwaarden van DC (81): het voorzetselvoorwerp is weliswaar in een uitwijkhaven, maar heeft een geldig paspoort en dus treedt DC (81) niet in werking.

De ongrammatikaliteit van (67b) vs. de welgevormdheid van (66b) is eveneens tot DC (81) herleidbaar. Aangezien de positie van het relatief (voorzetsel) voorwerp secondair is, en het partikel dat

[p. 120]

zijn thuishaven in de voorzetselvoorwerpgroep heeft (zoals hierboven is aangetoond) zelf in secondaire positie is, voldoet (67b) aan beide voorwaarden van DC (81). Daarentegen is het voorzetselvoorwerp in relatief (dus secondaire) positie geheel compleet in (66b). Het Principe van Douane Controle blokkeert derhalve enkel (67b). Natuurlijk is het DC-Principe inoperatief in (66a) en (67a). Voor beide zinnen geldt (i) dat het relatief pronomen weliswaar geen primaire ligplaats maar wél een geldig paspoort heeft, en (ii) dat het voorzetselvoorwerp weliswaar incompleet is, maar in de thuishaven ligt.

Soortgelijke reducties zijn mogelijk voor alle andere gevallen die hier naar voren zijn gebracht. Ook de mogelijkheid van een tweevoudige respons op (73) en de onmogelijkheid daarvan in (74) wordt door het DC-Principe verklaard: (74) is structureel ambigu, maar één structuur is onwelgevormd! In de ‘zich laten leiden’ lezing is waarop in (74) compleet, maar in de ‘naar iets toegaan’ lezing is waarop in (74) incompleet. Alleen in deze laatste lezing bevat (74) een zinsdeel in een uitwijkhaven met een verlopen paspoort: het DC-Principe sluit deze structuur uit! Anders gezegd, DC (81) blokkeert op principiële wijze de respons ‘op zijn doel’ als antwoord op vraag (74). Zin (73) kent alleen een incompleet voorzetselvoorwerp (onder beide structuurinterpretaties!) en een relatief pronomen waar in een uitwijkhaven maar met geldig paspoort en valt derhalve buiten het bereik van het DC-Principe. Anders gezegd, DC (81) laat zowel ‘op zijn doel’ als ‘op zijn intuïtie’ toe als antwoord op (73).

Hier hebben we een treffend voorbeeld gezien van de interactie van een aangeboren principe van de Universele Grammatika en een Nederlandstalig milieu, waar zinnen als (60), (66), (83) maar niet (61b), (67b), (82) deel van uitmaken. Data zoals deze die het kind in een kritische ‘leerfase’ tot zijn beschikking heeft (naar we aannemen), bepalen de uiteindelijke vorm waarin het genotypische DC-Principe zich fenotypisch manifesteert in de grammatika van het Nederlands, die het eindprodukt is van de aanpassing van de Universele Grammatika aan de omgeving. De zwarte vlekken van de ‘onleerbare’ kennis worden door de Universele Grammaika middels DC (81) onderkend en gaan deel uitmaken van de kennis die de Nederlander van zijn grammatika heeft. Het leerbaarheidsprobleem is hiermee gereduceerd tot een factor in de genetische component van taal. De distributie van de welgevormdheidsoordelen in deze sectie is biologisch noodzakelijk in de zin dat ze afleidbaar zijn uit de grammatika van het Nederlands die zich in het brein volgens een genetische code heeft ontwikkeld in een Nederlandstalig milieu.

 

Maar als de omgeving de vorm bepaalt waarin het genotype zich uiteindelijk manifesteert, kunnen we allerlei andere verschijningsvormen van het DC-Principe verwachten in een veelvoud van verschillende talen. Tenminste als DC (81) werkelijk een taaluniversale is, en een belangrijke rol speelt in een grammatika-theorie met een interessante mate van abstractheid en voldoende deductieve diepte. Dat dit inderdaad het geval is, kunnen we illustreren aan drie voorbeelden (uit drie verschillende talen) die op het eerste gezicht totaal van elkaar verschillen. Driemaal totaal verschillende zwarte

[p. 121]

vlekken in evenzovele verschillende talen! Precies wat we hoopten dat het geval zou zijn.

Allereerst een leerbaarheidsprobleem in het Engels. De volgende voorbeelden zijn beide welgevormd.

 

(84) A new book will be forthcoming on W.W. II.

(85) A new argument will be based on old facts.

 

Wanneer nu W.W. II en old facts bevraagd worden, verwachten we welgevormde vraagzinnen waar (84) en (85) een mogelijk antwoord op zouden kunnen zijn. We komen bedrogen uit.

 

(86) *Which war will a new book be forthcoming on?
(87) Which facts will a new argument be based on?

 

Beide zinnen hebben oppervlakkig gezien een identieke structuur. Vanwaar dit verschil in grammatikaliteit? Hoewel in beide zinnen het voorzetselvoorwerp incompleet is, is alleen (86) onwelgevormd. Een tipje van de sluier wordt opgelicht als we ons realiseren dat het voorzetselvoorwerp in (84) een andere status heeft dan dat in (85). Vgl. (88)-(89):

 

(88) A new book on W.W. II will be forthcoming.
(89) *A new argument on old facts will be based.

 

In (85) ligt het voorzetselvoorwerp in de thuishaven, zo leert ons de onwelgevormdheid van (89). Dezelfde redenering leidt ons tot de conclusie dat in (84) het voorzetselvoorwerp in een uitwijkhaven ligt: immers, (88) is grammatikaal. Maar nu hebben we een verklaring voor de ongrammatikaliteit van (86). Het DC-Principe voorspelt dat alleen (86) onwelgevormd is, omdat alleen (86) een zinsdeel bevat dat én in een uitwijkhaven ligt, én een verlopen paspoort heeft. Dit is het eerste geval waarin een abstract principe van de Universele Grammatika zijn verklarende waarde demonstreert in een taal die van het Nederlands verschilt: een nieuwe fenotypische manifestatie van het genotypische DC-kenmerk.

 

Een tweede interessant geval is het Italiaans. Deze taal kent zoals vele andere talen klemtoonloze voornaamwoordjes die zich aan een voorafgaand of volgend werkwoord onder bepaalde voorwaarden vasthechten.

 

(90)

a. Piero vuole darlo a Francesca.
b. Piero lo vuole dare a Francesca.
(Piero wil't aan Francesca geven)

 

Zoals (90) laat zien, komt het pronominale lo enclitisch vast te zitten aan de infinitiefvorm of hecht het zich proclitisch vast aan de verbogen werkwoordsvorm. De infinitiefgroep dare a Francesca in (90b) is incompleet: het pronominale lo is uitgeweken naar een proclitische ligplaats (lo is niet weglaatbaar). Nu kent het Italiaans de relatiefzin onder twee verschijningsvormen, zoals (91) en (92) laten zien.

[p. 122]

(91)

questi argomenti, dei quali proprio non voglio parlare a Francesca sono complicati.

(92)

questi argomenti, parlare a Francesca dei quali proprio non voglio sono complicati.
(deze onderwerpen waarover ik werkelijk niet met Francesca wil praten zijn moeilijk.)

 

In (92) ‘sleept’ het relatief pronomen quali de hele infinitiefgroep parlare a Francesca dei quali met zich mee naar voren. Het interessante geval doet zich nu voor dat er zich in de Italiaanse relatiefzin combinaties zouden moeten manifesteren van proclise of enclise enerzijds, en ‘meesleep’ effecten anderzijds.

 

(93) questi argomenti, parlarti dei quali proprio non voglio sono complicati.
(94) *questi argomenti, parlare dei quali proprio non ti voglio sono complicati.

 

Waarom is (94) nu plotsklaps onwelgevormd en (93) niet? Het ‘meesleep’ effect kan hier niet verantwoordelijk voor gesteld worden: (93) toont dit overduidelijk aan. Het gedrag van het woordje ti (i.e. ‘jou’) kan evenmin in zijn eentje dit verschil in grammatikaliteit verklaren: (93') en (94') zijn beide perfect Italiaans zonder ‘meesleep’ effect.

 

(93') questi argomenti, dei quali proprio non voglio parlarti sono complicati.
(94') questi argomenti, dei quali proprio non ti voglio parlare sono complicati.

 

We concluderen dat het de combinatie van het proclitisch gedrag van ti en het ‘meesleep’ effect van dei quali geweest moet zijn dat verantwoordelijk is voor het verschil in welgevormdheid tussen (93) en (94). Maar dit is precies de predictie die het DC-Principe maakt.

Het DC-Principe sluit alleen (94) uit, omdat dit de enige zin is met een incomplete infinitiefgroep die van zijn primaire ligplaats is uitgeweken naar zinsinitiële positie. Alle andere relatiefzinnen bevatten ofwel zinsdelen die enkel incompleet zijn (cf. (94')), ofwel zinsdelen die enkel een secondaire ligplaats hebben (cf. (93)), maar geen zinsdelen die beide kenmerken bezitten.

Deze verklaring voor de ongrammatikaliteit van (94) is niet-triviaal of vrijblijvend. Zij is niet-triviaal omdat DC (81) als verklarend principe slechts indirect op de data betrokken wordt. Het DC-Principe is geformuleerd in abstracte termen die zelf een afgeleide status hebben, zoals ‘zinsdeel’, ‘incompleet’, ‘secondaire ligplaats’, en niet rechtstreeks op observationele gegevens toegepast kunnen worden. De Universele Grammatika met DC (81) in combinatie met de taalspecifieke grammatika van het Italiaans (vgl. proclise, ‘meesleep’ effecten) ontwikkelt een deductieve structuur waaruit predicties zoals de onwelgevormdheid van (94) kunnen worden afgeleid. De verklaring is evenmin vrijblijvend omdat verwisseling van de welgevormdheidsoordelen van (93)en (94) een boomerang effect

[p. 123]

zou sorteren op alle tot nu toe gevonden verklaringen die zich op het DC-Principe beroepen. DC (81) claimt dat, hoewel de onwelgevormdheid van (93) vs. de grammatikaliteit van (94) een logische mogelijkheid zou zijn, deze situatie per se tot de empirische, in casu biologische, onmogelijkheden behoort. De gevonden verklaring voldoet derhalve aan alle a priori wenselijke criteria van succesvol empirisch onderzoek. Het DC-Principe is een veelbelovende kandidaat voor een positie in de Universele Grammatika. Zij dwingt (als onderdeel van de biologische uitrusting die de mens in zijn taalleerfase stuurt) het in een Italiaanstalig milieu verkerende kind tot de niet-onderwezen, niet-geleerde, ja zelfs ‘onleerbare’ kennis dat van de twee niet eerder gehoorde zinnen (93) en (94) alleen de laatste onmogelijk kan voorkomen als een welgevormde zin in het Italiaans. Deze ‘negatieve’ kennis kan onmogelijk verkregen zijn door leerprincipes als associatie, analogie, inductie, generalisering, etc. in de zin waarin deze termen normaal gebruikt worden. Deze kennis is alleen ‘leerbaar’ in de technische zin die wij hier aan geven: in de zin waarin baardgroei ‘leerbaar’ is. De genetische component, i.e. het DC-Principe, stellen we hiervoor verantwoordelijk. Deze genetisch bepaalde leertheorie is de natuurlijke en minst aanvechtbare positie en staat geheel in de traditie van de natuurwetenschappen.

 

Tenslotte een manifestatie van het DC-Principe in het Frans. Net zoals in het Nederlands, het Engels, en het Italiaans, belanden we ook hier in een leerbaarheidsprobleem. Het Frans kent evenals het Italiaans proclise.

 

(95)

a. Pierre a vu trois voyageurs
b. Pierre en a vu trois
c. *Pierre a vu trois

 

Zoals (95) laat zien treedt het proclitische en verplicht op in combinatie met trois: het wordt op het object betrokken en in ons metaforisch woordgebruik zeggen we dat de voorwerpsgroep trois incompleet is. Het object mist en dat een uitwijkhaven gevonden heeft (gedwongen in dit geval) vóór het hulpwerkwoord. Zoals we al eerder geconstateerd hebben, kent het Frans ook een stylistische inversie tussen het subject en het werkwoord onder bepaalde voorwaarden die later aan de orde komen. Vgl. (96):

 

(96)

a. quand croyez-vous que ces hommes sont arrivés?
b. quand croyez-vous que sont arrivés ces hommes?

 

De positie van het subject rechts van het werkwoord is gemarkeerd in het Frans. Normaal heeft het Frans zijn subject links van het werkwoord (vgl. (96a)). In onze terminologie ligt het subject ces hommes in (96b) in een uitwijkhaven. Proclise en stylistische inversie zijn normale verschijnselen in het Frans. Maar waarom is dan (97) plotseling onwelgevormd? Want (98) is immers grammatikaal!

 

(97) *quand croyez-vous qu'en sont arrivés trois?
(98) quand croyez-vous que sont arrivés trois voyageurs?
[p. 124]

Zin (95b) toont dat en in (97) structureel in een geoorloofde positie voorkomt. Er is dus geen structurele reden om (97) op dit punt uit te sluiten. Bovendien verandert het weglaten van en niets aan de welgevormdheidsstatus van (97). Vgl. (97'):

 

(97') *quand croyez-vous que sont arrivés trois?

 

Hier is (97') onwelgevormd juist omdat (95c) dat ook is: proclise is verplicht. Het probleem wordt nog verscherpt omdat ‘analoog’ aan (97) en (98) er een tweede serie vraagzinnen is die wél allemaal welgevormd zijn.

 

(99) quand croyez-vous qu'il en est arrivé trois?
(100) quand croyez-vous qu'il est arrivé trois voyageurs?

 

Waarom is (99) in tegenstelling tot (97) welgevormd?

Indien we (99) even buiten beschouwing laten (we komen hier later op terug), zien we dat alle welgevormde Franse voorbeeldzinnen òfwel enkel proclise, cf. (95b), òfwel enkel stylistische inversie, cf. (96b), (98), maar niet beide kenmerken in zich herbergen. Alleen (97) is een combinatie van proclise en stylistische inversie. Aangezien het proclitisch element en betrokken moet worden op trois dat zelf als subject op een gemarkeerde plaats rechts van het werkwoord verschijnt, hebben we te maken met een zinsdeel in een uitwijkhaven met een verlopen paspoort (het mist en). Maar dit is precies de configuratie waarvan DC (81) voorspelt dat zij onwelgevormd is. Ook dit niet-triviale leerbaarheidsprobleem in de Franse grammatika wordt verklaard door het DC-Principe van de Universele Grammatika.

De grammatikaliteit van (99) lijkt ditzelfde DC-Principe geweld aan te doen. Zinnen van dit type benadrukken het empirische karakter van de formulering die we in (81) hebben neergelegd. Het is evident dat we de notie ‘uitwijkhaven’ scherper moeten karakteriserene De enige relevante vraag hierbij is of dit op een interessante, d.w.z. niet-triviale, manier kan gebeuren die niet geheel vrijblijvende empirische konsekwenties impliceert.

Het DC-Principe verenigt zoals we gezien hebben een groot aantal generalisaties onder zich: complexe verzamelingen data uit een veelheid van talen en disparaat van aard zijn gereduceerd tot een principe met een deductieve structuur, dat in interactie met andere condities en taalspecifieke regels de negatieve kennis leerbaar maakt.

Hetzelfde kan gezegd worden van de andere hier besproken condities op de vorm van leerbare grammatika's. Subjacency en MP zijn evenals het DC-Principe abstracte condities. Ze zijn geen ‘generalisaties’ over geobserveerd feitenmateriaal. Hun relatie tot de ‘harde werkelijkheid’ is zeer indirect. Het is eenvoudigweg onmogelijk om deze algemene principes rechtstreeks toe te passen op de observeerbare gegevens. MP kan niet bloot op nalles betrokken worden, evenmin kan Subjacency direct iets zeggen over de grammatikaliteit van Kárel geloof ik niet dat ziek is vs. *Kárel ik geloof niet dat ziek is, en ook het DC-Principe is niet onmiddellijk evident voor het statusverschil tussen *snel opklimmen tegen iets vs. erg opzien tegen iets. Al deze principes van de Universele Gram-

[p. 125]

matika worden pas in interactie met andere, niet-triviale aannames over de structuur van het Nederlands in verband met de ‘harde feiten’ gebracht. Deze ‘harde feiten’ waren geen van alle zo evident dat ze rechtstreeks tot de formulering van de taaluniversele principes aanleiding gaven. Juist het omgekeerde was het geval: de discussie heeft duidelijk gemaakt dat data pas een zekere relevantie krijgen in de context van een interpreterende theorie. Er bestaan geen ‘harde feiten’ per se. Men realiseert zich in de niet-natuur-wetenschappelijke disciplines vaak al te weinig dat hoe ‘harder’ de theorie, des te ‘rekbaarder’ de feiten zijn. Hier hebben we gezien hoe reeksen ‘disparate’ feiten (want wat hebben ik zie op tegen de reis en ik klim op tegen de rots gemeen met quand sont arrivés trois voyageurs en quand en sont arrivés trois?) konden worden afgeleid uit een redelijk deductief systeem van universele condities en taalspecifieke regels. Dit regelsysteem is een mal die vorm geeft aan de ‘harde feiten’. Als zodanig hebben Subjacency, het DC-Principe en MP een grote verklarende waarde. Maar behalve dat ze hele reeksen van feitenmateriaal op een niet-triviale manier onder zich verenigen, zijn ze heel ‘natuurlijk’ in de zin dat ze ambiguiteit in een wel omschreven domein reduceren (vgl. MP), en het domein (vgl. Subjacency) of de functie (vgl. DC-Principe) van mentale computatie beperken of sterk vereenvoudigen. Als deel van het genotype dragen Subjacency, MP, en het DC-Principe bij tot de leerbaarheid en efficiëntie van menselijke taal. Filosofisch gezien sluit deze gedachte nauw aan op Plato's anámnēsis these (cf. de slaaf en zijn aangeboren, niet-geleerde wiskundige ‘kennis’ in Plato's Meno).

 

4. We hebben reeds vele malen beweerd dat menselijke taal soortbepaald is. Andere primaten, met name de hogere mensapen (chimpansees, gorilla's), bezitten geen taalbeheersing zoals die typerend is voor de mens. Sommigen hebben beweerd dat onder experimentele druk mensapen zich een taal (eigenlijk een non-verbaal symbool systeem) hebben eigengemaakt. Maar wat wordt hiermee bedoeld? Een nieuwe variant van ‘oom leert zijn neefje praten'? Dergelijke apetalen missen alle kenmerken die krachtens biologische noodzaak voor alle menselijke taal gelden en waarvan we er al enkele operatief hebben gezien (Subjacency, MP, en het DC-Principe). Lijkt het gebruik dat apen van taal maken pragmatisch op het gebruik dat de mens van taal maakt? Dat is niet evident, maar stel dat dit oppervlakkig gezien misschien wel zo is. Misschien benadert het gebruik dat de krab van zijn gezichtsvermogen maakt ook wel dat van de kat. Beide organismen zien en functioneren o.a. door hun gezichtsvermogen. Toch zijn er kwalitatieve verschillen. Het katteoog heeft een genetische component: het genotype ontwikkelt een binoculair oog dat met z'n instelbare lenzen verschilt van het samengestelde krabbeoog, dat een serie gefixeerde lenzen heeft (en overigens ook genetisch gedetermineerd is). Het meer gespecialiseerde, geavanceerde en efficiënte katteoog (grofweg, de krab ziet niets scherp en de kat ziet alles scherp) laat zich vertalen in de selectionele voordelen die de kat in zijn evolutionaire ontwikkeling gekend heeft.

Zo zijn er eveneens kwalitatieve verschillen tussen apetaal en menselijke taal. Menselijke taal kent een genetische component: condities op de vorm en functie van regelsystemen die direct ver-

[p. 126]

antwoordelijk zijn voor het expressieve vermogen en de leerbaarheid van taal, zoals e.g. het DC-Principe, Subjacency, recursief gebruik van structuurafhankelijke regels (cf. infra), etc. Deze structuurkenmerken zijn genotypisch bepaald en hebben - onder de redelijke aanname dat functie aan bouw gerelateerd is in evolutionaire zin - het genotype de belangrijke selectionele voordelen in zijn evolutionaire ontwikkeling geboden die inherent aan taalgebruik zijn.

Evenals het wegvallen van de genetische code die de ontwikkeling van de instelbare lens (vs. de gefixeerde lens) programmeert, de kat ernstig in zijn evolutionaire bestaan zou duperen, zo zou ook het wegvallen van de Universele Grammatika die de efficiëntie van het systeem verzorgt, de mens ernstig duperen in de selectionele voordelen die de taal hem gegeven heeft. Waarom zeggen we dan dat apen taal leren? We zeggen toch ook niet dat krabben katachtig kijken!

Het zou een grote verrassing zijn als zou blijken dat de selectionele voordelen van menselijke taal niet in de genetische component van taal zitten (i.e. grammatika) maar ‘ergens anders’ en dat dit ‘ergens anders’ kwalitatief, maar in verschillende dosering, gemeenschappelijk is aan primaten. Men zou bijvoorbeeld kunnen denken dat de selectionele voordelen van taal in de ‘pragmatische’ kant van taal liggen besloten: ‘kennis’ van de onwelgevormdheid van (i) zij trok ons van zich af zou in deze visie belangrijker zijn dan ‘kennis’ van de onwelgevormdheid van (ii) zij trok ons naar zichzelf toe voor de strijd om het bestaan. (Nu is het ‘toevallig’ zo dat de hogere mensapen wel interessante vorderingen maken met de niet-vormelijke, a-syntaktische, aspecten van taal, maar dat deze vooruitgang zich niet manifesteert in de vormkant, de structuur, van taal.) Men beweert dan eigenlijk dat de perifere kant van taal de vormkant is, en dat de centrale component van taal de pragmatische kant is (vgl. kennis van thematische rollen, objecten in de wereld, etc.). Hoewel een dergelijke ontkenning van een significante relatie tussen structuur en functie logisch niet onmogelijk is, is zij evolutionair een probleem. Waarom bezit de aap genotypisch een taalpotentie die er moeizaam en slechts onder experimentele druk in de vorm van een gebarentaal uitkomt? Deze situatie zou enigszins vergelijkbaar zijn met een pinguin-soort die onder invloed van de stimulerende en vormende werking van het dierentuin-milieu (e.g. zijn verzorger of de adelaar in de kooi ernaast) moeizaam leert fladderen. Er komt niets uit wat er niet al in zit. Dit geldt voor de pinguin en de aap. Beide leren ze wel iets, maar geen van beide ‘leren’ ze datgene wat de adelaar en de mens ‘van nature’ hebben meegekregen.

De meest conservatieve uitspraak is dan ook dat dergelijke symboolsystemen artificieel geleerd zijn en de selectionele voordelen van menselijke taal missen. Als apetaal menselijk is, dan is ook het krabbeoog katachtig. Het is duidelijk dat we niet geïnteresseerd zijn in terminologie (we maken ons als taalkundige ook niet druk om de taal der bijen, de taal der bloemen, de taal der liefde, etc.). Zonder onaardig te willen zijn tegen Koko de gorilla en zijn fantastische en aandoenlijke leerprestaties, moeten we ons toch serieus afvragen of de symboolsystemen die apen leren niet net zoveel met taal te maken hebben als apekool met kool. Hoogst interessant voor een vergelijk van de intelligentie van de aap met die van de

[p. 127]

mens, zijn deze systemen vanuit een ‘grammatikaal’ gezichtspunt betrekkelijk oninteressant.

Merk op dat het zinloos is tegen de gedachte dat er selectionele voordelen in de genetische kant van taal (de Universele Grammatika) besloten liggen, in te brengen dat de menselijke ‘intelligentie’ van dien aard is dat taal geen typerend kenmerk voor de mens zou zijn: de intelligente mens zou immers evengoed een ander medium ontwikkeld kunnen hebben. Deze redenering mist elke kracht. Analoog kunnen we ons afvragen of de ‘intelligentie’ van de kat niet gezorgd zou hebben voor de ontwikkeling van een ander zintuiglijk orgaan. Soort-bepaalde ‘organen’ als het katteoog en de menselijke taal moeten qua functie tegen een evolutionaire achtergrond bekeken worden. De evolutieleer neemt immers in principe de beantwoording voor haar rekening van vragen als waarom de boommens geen ‘echte taal’ kent, of waarom de pinguin geen ‘echte vleugel’ heeft. (In de praktijk laat de evolutieleer het hier afweten!) Dit zijn vra