|
|
|
| | | | | |
De biologische kern van taal
*
Riny Huybregts
1. In de werkelijkheid van alledag zijn we zo vertrouwd geraakt met
het verschijnsel taal dat we ons niet langer afvragen wat taal eigenlijk is,
waarom het Nederlands is zoals het is en niet iets voorstelbaar anders, hoe het
zich ontwikkelt in de taallerende peuter, wat haar functie is. En waarom zouden
we ook? We vragen ons toch ook niet af wat baardgroei is, hoe het zich
ontwikkelt bij jongens in hun puberteit, welke functie het heeft. Wel hebben we
zo onze eigen gedachten hierover, gevoed door onze alledaagse ervaringswereld:
taal heeft vooral een ‘communicatieve functie'; sommige talen zijn
‘primitiever’ dan andere of zijn juist geschikter om
‘diepe’ gedachten beter tot uitdrukking te brengen; het Japans zou
‘relatief moeilijk’ te leren zijn. De status van dergelijke
uitspraken is uiterst dubieus en ongeveer te vergelijken met de observatie dat
het zeewater ‘komt opzetten’ of ‘gaat afnemen’ of dat
kinderen ‘naar hun vaartje aarden’. De wisseling van eb en vloed is
een steeds terugkerend verschijnsel in onze ervaringswereld waar we zo bekend
mee zijn dat we ons er evenmin nog over verwonderen. Ook het overerven van
eigenschappen in volgende generaties is een dermate vertrouwd gegeven dat we
het als een vanzelfsprekende zaak hebben geaccepteerd. We hebben natuurlijk wel
alledaagse verklaringen voor de regelmatige wisseling van de getijden of voor
het telkens weer opduiken van saillante karakteristieken in volgende generaties
(we spreken van ‘opkomend water’ en ‘afnemend water’ of
we zeggen dat kinderen ‘een aardje naar hun vaartje hebben’.), maar
verder denken we over deze ‘voor de hand liggende’ zaken niet na,
tenzij we misschien geconfronteerd worden met vreemdsoortige
natuurverschijnselen als springvloeden of met het gegeven dat sommige erfelijke
eigenschappen zoals vormen van dichromasie of hemofilie pas in de tweede
generatie (en dan in de mannelijke lijn) opduiken en als het ware een geslacht
‘overslaan’.
De fysische realiteit is echter geheel anders dan de ons omringende
alledaagse werkelijkheid en de genetische werkelijkheid is weer een totaal
andere. Fysici en genetici maken zich wél druk om gewone dingen die we
allemaal al lang ‘kennen’ en misschien daarom niet meer tot onze
verbeelding spreken zoals de wetmatige wisseling van eb en vloed of het
overerven van de bruine oogkleur. Daarom ook hebben zij geheel eigen
verklaringen voor verschijnselen die in onze ervaringswereld beschreven worden
als ‘hoog’ en ‘laag’ water of ‘het aarden naar
zijn vaartje’ - verklaringen, die het en passant mogelijk maken
bovengenoemde anomalieën als springvloeden of de generatiesprong bij
kleurenblindheid af te leiden uit aannames als | | | | gravitatie
(planeetbaan, rotatie, atmosferische druk, etc) of chromosomenpaar
(reductiedeling, dominante vs. recessieve genen, geslachtsgebonden factoren,
etc.).
Dit is een zeer vertrouwd beeld: wat de niet-onderzoeker
interesseert is vaak complementair aan wat interessant is voor de onderzoeker.
Dikwijls is dit in het belang van de vooruitgang van de wetenschap. Ook vormt
dit mede de basis van allerlei complicaties bij de interpretatie van noties als
‘maatschappij-relevant’ onderzoek. Daarom is het enigszins
verwonderlijk dat de traditionele taalkunde in z'n geheel en de moderne
linguistiek voor het overgrote deel nauwelijks boven het fenomenologische vlak
zijn uitgestegen. In ons normale bestaan is het vanzelfsprekend dat we vooral
getroffen worden door de veelheid en diversiteit van talen en dialecten (men
beweert dat er zo'n vier à vijfduizend zijn). Overal zien we onregelmatigheden
en verschillen: we vinden talen ‘on-logisch’ van constitutie en
‘heterogeen’ als verzameling. Dit alles wordt versterkt door de
schoolgrammatika of de traditionele grammatika die bijna alles wat regelmatig
en taalinvariant is onbesproken laat, maar zich concentreert op uitzonderingen
en onregelmatigheden. Deze grammatika's zijn encyclopedisch: het zijn
verzamelingen curiosa. Beheersing van deze grillen heet dan
‘taalvaardigheid’ te bepalen in vreemde taal of moedertaal. Wat met
name de niet-linguist frappeert (en wat in principe te vinden is in elke
schoolgrammatika of traditionele standaard grammatika) is e.g. dat kleuters ten
onrechte venten gebruiken als meervoud van vent of meis
als de niet-diminutieve vorm van meisje (alternatief, dat vent
geen meervoud kent of dat meisje geen stamwoord heeft waarvan het
verkleinwoord is afgeleid).
De schoolgrammatika glorieert in het opsommen van dit soort
abnormaliteiten. Hier vinden we dat het meervoud van pad
(‘amfibie’) padden is maar dat van het fonetisch identieke
pad (‘weg’) paden; dat het meervoud van kaars
kaarsen is met een stemloze sisklank maar dat van het rijmende woord
laars laarzen met een stemhebbende sisklank; dat meervoudig
staven correspondeert met enkelvoudig staaf of staf (vgl.
chef-staf) maar dat haven niet gerelateerd is aan zoiets als
haaf of haf; dat we honden en katten hebben maar
geen runden i.p.v. runderen; dat we geen maar niet
neen gebruiken in er is geen vijver, terwijl we toch niets,
niemand, nergens, nooit kennen die met iets, iemand, ergens, ooit
corresponderen (vgl. het Engelse no, nothing, etc. en any,
anything, etc.).
Naast deze morfologische taaleigenaardigheden van het Nederlands
vindt men natuurlijk ook typisch syntaktische uitspraken dat de Nederlandse
bijzin van de Engelse resp. Arabische verschilt in de plaats van de verbogen
werkwoordsvorm: in het Nederlands zinsfinaal en in het Engels en het Arabisch
op de tweede plaats resp. zinsinitieel. Het Nederlands lijkt in dit opzicht op
het Japans, dat weer in andere opzichten veel van het Nederlands verschilt.
Andere syntaktische curiosa zouden kunnen zijn dat de volgorde van woordjes als
overal, alles, iedereen ten opzichte van niet precies het
omgekeerde is van die van woordjes als ergens, iets, iemand in
constructies van het type hij ziet niet alles (vgl. *hij ziet alles
niet) en *hij ziet iets niet (vgl. hij ziet niet iets). De
‘betekenis’ van syntaktisch onwelgevormde uitdrukkingen als
altijd niet en alles niet - die verschilt van die van syntaktisch
welgevormde uitdrukkingen als niet altijd en niet alles - wordt
dan in het Neder- | | | | lands uitgedrukt als nooit en
niets.
Ook zouden we kunnen lezen dat het verleden deelwoord van
kunnen en helpen (cf. hij heeft het gekund, hij heeft me
geholpen) niet gebruikt wordt in gevallen als hij had kunnen komen
(cf. hij had gekund komen) of hij heeft Karel zijn koffer helpen
pakken (cf. hij heeft Karel zijn koffer geholpen pakken). Dat we
weliswaar kunnen zeggen hij heeft Karel geholpen te vluchten naast
hij heeft Karel helpen vluchen, maar dat in het eerste geval het
steunwoordje te verplicht is terwijl dit in het laatste geval karakteristiek
ontbreekt in tegenstelling tot het idiosyncratische proberen waar te
altijd optreedt; hij heeft proberen *(te) slapen vs. hij heeft helpen
(*te) afwassen.
Een andere eigenschap die kenmerkend voor het Nederlands is (weer
volgens de schoolgrammatika) is dat er los van zijn voorzetsel kan voorkomen
(vgl. hij legde er het boek op/ hij legde het boek erop). Dit in
tegenstelling tot het Duitse da(r) (vgl. *er legte da(r) das Buch
auf/er legte das Buch darauf). Een eigenaardigheid binnen het Nederlands is
dan weer het exceptionele gedrag van rond vs. naar in gevallen als
*zij zaten er nog steeds niet rond (cf. rond de tafel zitten) en
zij keken er nog steeds niet naar (cf. naar iets kijken).
Tenslotte zou de schoolgrammatika kunnen wijzen op het ontbreken in
het Nederlands van echte infinitiefconstructies met eigen lexikaal subject
zoals het Engelse John believes Tom to be the winner (vgl. *Jan meent
Tom de winnaar te zijn). Wel hebben we een causatiefconstructie die hier
enigszins aan doet denken (en ook in het Engels voorkomt): hij laat de
dokter wachten (he makes the doctor wait). Typisch is nu het gedrag van
het ‘onpersoonlijk’ gebruikte onbepaald voornaamwoord men. Evenals het
onpersoonlijke 't komt het voor als subject van de hoofdzin (cf. het regent,
men doet niets) of de bijzin met persoonsvorm (cf. … dat het
regent, … dat men niets doet), maar arbitrair is nu dat men
níet, zoals 't wél, kan voorkomen als subject van causatief-
inifinitieven als *hij liet men wachten (cf. hij liet 't
regenen). Het ‘onbepaald’ gebruikte je kan echter weer
wél in deze functie gebruikt worden (vgl. hij laat, je wel eens
wachten) evenals het vergelijkbare Engelse you (vgl. he makes you
wonder). In het Engels kan one tenslotte wél optreden waar
het Nederlandse men problemen geeft: he makes one wonder. Etcetera,
etcetera.
Hier is uitgebreid het soort ‘feiten’ en
‘regels’ gedemonstreerd dat men kan aantreffen in de traditionele
grammatika of school-grammatika. Het is onnodig hieraan toe te voegen dat dit
soort illustratie ad libitum of zo men wel ad infinitivum kan worden
voortgezet. Het benadrukt het onregelmatige in taal, de diversiteit van taal en
suggereert dat talen oneindig variëren. In deze kontekst zou men in de
mate waarin men onder de indruk is van de diversiteit van taal en de bijna
onuitputtelijke onregelmatigheden in taal geïmponeerd kunnen raken van de
leerprestatie van de taallerende kleuter. Bij deze kijk naar binnen toe, naar
de taal en het taalgebruik zoals die typisch geassocieerd worden met het
menselijk ras, is heterogeniteit troef precies zoals we binnen de soort
getroffen worden door de bonte verscheidenheid in bouw, gedrag en karakter van
het individu. Waarom zijn er ‘Miss Universe’ of ‘Mister
World’ verkiezingen als het gezelschap dames of heren zo treffend
homogeen | | | | zou zijn? Ieder van ons vindt zichzelf heel bijzonder en
totaal verschillend van de ander, misschien op dezelfde manier als waarop
kakkerlakken, knorhaantjes, vale gieren en nijlpaarden menig soortgenoot een
boeiend type zullen vinden dat zeer veel verschilt van de andere soortgenoten.
Binnen de soort overheersen de verschillen in de ervaringswereld van het
individu, terwijl naar buiten toe homogeniteit troef is. Voor ons zijn alle
nijlpaarden eender en ongetwijfeld zal het nijlpaard meer getroffen worden door
de overeenkomsten dan door de verschillen tussen zijn belagers van de
menselijke soort. In ons normale bestaan lijkt dit alles even natuurlijk als
vanzelfsprekend.
De biologische realiteit werkt echter anders. De bioloog heeft - en
dit zeer tot zijn voordeel - geen boodschap aan dergelijke observaties. Hij
bekijkt zijn wereld met een andere bril en ziet overeenkomsten en verwantschap
waar de niet-bioloog misschien alleen maar verschillen en verscheidenheid ziet,
en omgekeerd. Beiden hebben een andere optiek. De bioloog abstraheert van
bepaalde verschillen onder specifieke idealizaties (die hier verder niet ter
zake doen) om tot algemene uitspraken te komen over zijn object van onderzoek.
Voor hem ‘lijken’ de handvleugelige vleermuis, de warmbloedige
dolfijn, en het eierleggende vogelbekdier meer op elkaar dan op resp. de mus,
de haai, en de eend. Voor de leek zijn het oog van de parelmoerslak
(speldeprikcamera), het oog van de kreeft (samengesteld), het oog van de
schelvis (panoramisch), en het oog van de kat (binoculair) misschien wel
allemaal eender. De biologische onderzoeker benadrukt de overeenkomstige
kenmerken binnen de soort, en verschillen worden gezien als variaties binnen
een zeer nauwe marge die als het ware de parameters opvullen in de periferie
van het genotypisch systeem. Voor hem ligt de betekenis van de soort in de
erfelijke eigenschappen die verantwoordelijk zijn voor de inter-specifieke
kritische afstand en de intraspecifieke variabiliteit. De bioloog minimalizeert
de verschillen naar binnen toe en maximalizeert de verschillen naar buiten
toe.
In de linguistische realiteit tenslotte ligt de zaak precies zoals
in verband met de natuurwetenschappen gesuggereerd is voor de fysica, genetica
en biologie. De ‘talige’ werkelijkheid om ons heen die ons bewust
maakt van de diversiteit van taal en de grillige onregelmatigheden binnen taal
is complementair aan de werkelijkheid van de linguist. Hier ligt de nadruk op
overeenkomsten tussen talen, algemene kenmerken die universele geldingskracht
hebben, en taal-invariante wetmatigheden die onder specifieke idealizaties en
abstracties menselijke taal op wezenlijke punten karakterizeren. Verschillen
tussen talen worden gezien als variaties binnen zeer restrictieve grenzen,
natuurlijk zullen de idealizaties waaronder linguisten werken en de abstracties
die zij maken hun waarde moeten bewijzen in termen van het inzicht dat zij
mogelijk maken in de aard van het object van onderzoek maar dit is een
karakteristieke eigenschap van elke empirische wetenschap zoals met name de
natuurwetenschappen. De wetenschappelijke grammatika verschilt dan ook zeer van
de schoolgrammatika en de standaard grammatika van het Nederlands. De linguist
prioriteert de ‘feiten’ en de ‘regels’ van de
schoolgrammatika betrekkelijk laag. Geheel in de traditie van de
natuurwetenschappen staat de gedachte centraal dat taal een soortbepaald
gegeven is en dat taalverwerving het spontaan afdraaien is | | | | van een
genetisch programma onder de stimulerende en deels vormende werking van het
milieu. De kleuter en (middelbare) scholier krijgt maar een fractie van zijn
kennis onderwezen: zijn kennis gaat ver uit boven wat hem onderwezen is of wat
anderszins tot zijn ervaringswereld heeft ‘behoord. We zeggen dat zijn
kennis zwaar ondergedetermineerd is door de feiten: die is namelijk (oneindig
van aard als zij is) slechts zeer indirect gerelateerd aan de noodzakelijk
eindige talige ervaring via een genotypisch bepaald taalvermogen dat, naar we
aannemen, invariant is voor de soort. Een kind ‘leert’ zijn
moedertaal net zoals het ‘leert’ baardharen te ontwikkelen. Daarom
spreken taalkundigen van taalverwervingsproces i.p.v. taalleerproces.
Taal (of eigenlijk de grammatika) ontwikkelt zich in het opgroeiend
kind onder invloed van de omgeving die deze ‘groei’ in werking
stelt en houdt (in de zin dat voeding de celgroei stimuleert) en die
gedeeltelijk vorm geeft aan het eindprodukt van dit genetisch bepaalde
rijpingsproces (in de zin dat traplopen vorm geeft aan de kuitspierontwikkeling
maar niet aan de oogfunctie). Per slot van rekening is er zonder sociale
interactie geen taalontwikkeling mogelijk en verschilt het Nederlands van het
Chinees! Maar de rol van het milieu voor het taalverwervingsproces is in deze
visie relatief onbelangrijk. Wat van primair belang is zijn (i) de universele
kenmerken van natuurlijke taal die we als factoren in een genetisch programma
op een of andere manier fysisch gerepresenteerd moeten denken in de
embryologische en post-natale ontwikkeling van het kind, en (ii) de
taalspecifieke grammatika die als eindprodukt in het brein van de volwassene
fysisch (naar we hopen) ligt opgeslagen. De universele grammatika maakt in deze
zin deel uit van het genotype en de grammatika als resultaat van het
inspelen van de universele grammatika op de omgeving is een verworvenheid van
het fenotype.
Nu wordt ook duidelijk waarom de schoolgrammatika of standaard
grammatika zich concentreert op verschillen tussen taal, uitzonderingen en
alles wat taalspecifiek is, en volstaat met het opsommen van rariteiten en het
geven van vaak complexe en betrekkelijk arbitraire vuistregels. Deze
grammatika's gaan impliciet uit van het bestaan van een universele grammatika.
Voor het doel waarvoor zij zich gesteld zien heeft het geen zin om aandacht te
schenken aan wat taaluniverseel is en als zodanig deel uitmaakt van een
genetische code die tot een onbewuste kennis van de (moeder) taal geleid heeft.
Het zou zoiets zijn als een open deur intrappen: vertellen wat niemand a priori
zou betwijfelen (e.g. ‘vraagwoorden verschijnen steeds
zinsinitieel’, vgl. ‘stenen vallen steeds omlaag’). De
Grammatikaleer probeert evenals de Natuurkundeleer algemene wetmatigheden te
karakterizeren (e.g. ‘waarom komen vraagwoorden nooit zinsfinaal voor en
gaat het antecedent van een reflexief pronomen steeds eraan vooraf?’
Antwoord: Principe B(inding) vgl. ‘waarom vallen stenen nooit omhoog en
is er een regelmatige wisseling van eb en vloed?’ Antwoord: Principe
G(ravitatie)).
De wetenschappelijke grammatika tracht anders dan de
schoolgrammatika juist taalspecifieke eigenaardigheden af te zetten tegen
algemene kenmerken van natuurlijke taal. Het universalia onderzoek staat hier
centraal en saillante voor het oog complexe en disparate verzamelingen
taalfeiten probeert men hier af te leiden uit een betrekkelijk eenvoudig en
principieel samenspel van algemene condities | | | | op de vorm van
natuurlijke taal enerzijds en taalidiomatische details die de parameters in de
universele principes invullen, anderzijds. De wetenschappelijke grammatika
streeft een theoretisch doel na (‘waarom is het zó dat
…’); de schoolgrammatika een praktisch doel (‘in het Frans
is het zó dat …’).
2. We hebben hier niet geprobeerd natuurlijke taal te karakterizeren
in de zin waarin we formele talen vaak in een karakteristieke formule kunnen
uitdrukken zoals e.g. de contextgevoelige taal
anbmanbm of de context-vrije
taal anbman of de reguliere taal
{a,b}* Menselijke taal is een derivaat: het complexe resultaat van vele
modulen die op elkaar inwerken. De grammatika - een regelsysteem dat
verantwoordelijk is voor de vormkant en het expressieve vermogen van taal en
dat genotypisch vastligt voor de menselijke soort - is er slechts
één van. Als vorm-component staat de grammatika echter wel
centraal. Andere modulen zijn allerlei conceptuele systemen (die mogelijk
gedeeltelijk los van taal voorkomen en misschien gedeeltelijk wel door
niet-menselijke primaten geleerd kunnen worden) zoals kennis van ruimtelijke en
temporele verhoudingen en kennis van objecten in de werkelijkheid. Al deze
componenten werken samen en leveren uiteindelijk een intermodulair produkt, de
menselijke taal, op.
Natuurlijk staat het een niet los van het ander. De expressieve kant
van taal kan met name gebruikt worden om de conceptuele systemen (beter) te
laten functioneren. Toch is het mogelijk en gewenst om beide systemen los van
elkaar te bestuderen. Zo hebben de volgende reeksen van onwelgevormde uitingen
een verschillende status.
(A)
| i. mijn neefje baarde een dochter |
| ii. we zagen een slang naast zichzelf |
| iii. de agent stond op alle hoeken van de straat |
| iv. hij duwde de tafel naar zich toe |
| v. hij trok de stoel van zich af |
(B)
| i. mijn neefje beschuldigde van moord |
| ii. hij keek naar zich |
| iii. de agent lette op niet alles |
| iv. hij duwde ons van zichzelf af |
| v. hij trok ons naar zichzelf toe |
De uitingen in (A) duiden op storingen in kennis van de wereld (de
rol van de sexen, de uniciteit en gebondenheid aan plaats/tijd van organismen,
thematische relaties, etc.). De spreker van deze ‘onzin’ heeft
wellicht een gestoord wereldbeeld en is daarom misschien gebaat met sexuele
voorlichting, een cursus ruimtelijke ordening, of opname in een psychiatrische
kliniek. Hij is pragmatisch gestoord. Zijn grammatika kan vlekkeloos
zijn.
De uitingen in (B) duiden op storingen in de taalbeheersing. De
spreker van deze ‘onzin’ is grammatikaal gestoord en is
waarschijnlijk niet gebaat met psychiatrische hulp. Hier is een
taalcompensatieprogramma of opname in een afasie kliniek misschien meer
opportuun. Het wereldbeeld van de spreker en zijn kennis van ruimtelijke en
temporele verhoudingen kunnen zeer adekwaat zijn. | | | |
Het is belangrijk in te zien dat dit onderscheid empirisch van aard
is en niet a priori logisch noodzakelijk. Het is heel goed voorstelbaar dat
kennis van taal samenvalt met andere kennis. Zoals we later zullen betogen
schijnt juist dit de claim te zijn van psychologen en anderen die beweren dat
ook neef aap kan spreken. Voorlopig stellen we ons op het standpunt dat taal
een soort-bepaald gegeven is. In deze visie is de taalkundige niet
geïnteresseerd in taal per se maar interesseert hij zich primair voor de
genetische component van taal (de Universele Grammatika) en het eindresultaat
van de genetisch vastgelegde ontwikkeling van taal (de taalspecifieke
grammatika). Anders gezegd, in de linguistische realiteit gaat de aandacht
vooral uit naar die kenmerken van taal die afspiegelingen zijn van de
biologisch noodzakelijke eigenschappen van het regelsysteem in het brein
van de volwassene.
Wanneer we spreken van de genetica van taal bedoelen we niet dat de
taalkundige de taalontwikkeling bestudeert op het nivo van het menselijk gen,
chromosoom of zelfs orgaan. Voor zover bekend zijn er geen gelokalizeerde
taalgenen, taalchromosomen of zelfs taalorganen. De taalkundige bestudeert de
genetica van taal op het nivo van het organisme, precies zoals de bioloog die
de soort-bepaalde eigenschappen van het gehoor van vleermuizen bestudeert, de
genetica van het gehoor op het nivo van het organisme onderzoekt. De claim in
beide gevallen is dat uiteindelijk de biologisch noodzakelijke kenmerken, i.e.
de soort-bepaalde eigenschappen, van menselijke taal resp. vleermuisgehoor een
fysische basis vinden in de DNA reeksen van de organismen.
Thans zullen we aan een drietal probleemgebieden demonstreren in
welke zin algemene condities op de vorm van menselijke taal biologisch (en niet
logisch) noodzakelijk zijn. Deze gebieden zijn karakteristiek voor het object
van taalkundig onderzoek, en zijn typisch onberoerd gebleven in de gewone
schoolgrammatika.
3.1. Vraagzinnen zijn een bekend verschijnsel in taal. Data (1)-(3)
illustreren het feit dat het vraagwoord wie zinsinitieel kan voorkomen
in hoofd- en bijzin. We hebben zowel directe (vgl. (3)) als indirecte (vgl.
(1)-(2)) vraagzinnen.
| (1) hij zei dat de BVD ontdekt had wie er naast ons komt wonen. |
| (2) hij zei wie de BVD ontdekt had dat er naast ons komt wonen. |
| (3) wie zei hij dat de BVD ontdekt had dat er naast ons komt wonen? |
Tevens laten (1)-(3) zien dat het vraagwoord wie (dat we als
subject van wonen interpreteren) successievelijk verder
‘verwijderd’ geraakt van de minimale zin waar het als subject op
betrokken moet worden. Maar ook de subjecten van ontdekt had en
zei kunnen bevraagd worden. Vgl. (4)-(5) resp. (6):
| (4) hij zei wie ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen. |
| (5) wie zei hij dat ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen? |
| (6) wie zei dat de BVD ontdekt had dat er iemand naast ons komt wonen? |
| | | |
Daarom zouden we ons niet hoeven te verbazen over
‘dubbele’ vragen als (7)-(11):
| (7) hij zei wie ontdekt had wie er naast ons komt
wonen. |
| (8) wie zei hij dat ontdekt had wie er naast ons komt
wonen? |
| (9) wie zei dat de BVD ontdekt had wie er naast ons
komt wonen? |
| (10) wie zei wie de BVD ontdekt had dat er naast ons
komt wonen? |
| (11) wie zei wie ontdekt had dat er iemand naast ons
komt wonen? |
Zinnen (7), (8), (9), (10), en (11) zijn gewoon de ‘som’
van resp. (1) en (4), (1) en (5), (1) en (6), (2) en (6), en (4) en (6). Maar
waarom is dan (12) plotseling onwelgevormd?
(12) *wie zei hij wie ontdekt had dat er naast ons komt wonen?
Er is geen logische reden waarom (12) niet een correcte vraag zou
zijn die met (13) of (14) beantwoord zou kunnen worden. In het eerste geval zou
(12) de ‘combinatie’ zijn van (2) en (5), in het laatste geval zou
(12) de ‘som’ zijn van (3) en (4).
(13) hij zei wie de BVD ontdekt had dat er naast ons komt
wonen.
(14) hij zei wie ontdekt had dat er een Marxist naast ons
komt wonen.
Geval (12) staat niet geïsoleerd. (De andere combinaties (2) en
(4), (3) en (5), (3) en (6), en (5) en (6) komen om minder interessante reden
niet voor zoals we verderop zullen zien.) In zijn meest eenvoudige vorm komen
we hetzelfde verschijnsel tegen in (15) en (16), die ongrammatikaal zijn,
terwijl (17) en (18) toch aantonen dat het subject wie en object
wat van de bijzin ieder afzonderlijk in combinatie met een ander
vraagwoord niet steeds tot ongrammatikaliteit aanleiding geven.
| (15) *wie vroeg je wat gelezen had? |
| (16) *wat vroeg je wie gelezen had? |
| (17) wie vroeg wie dat gelezen had? |
| (18) wie vroeg wat je gelezen had? |
| (19) hij vroeg wie wat gelezen had. |
Tenslotte laat (19) zien dat wie en wat samen kunnen
voorkomen in welgevormde zinnen.
Deze feiten schreeuwen om verklaring. De schoolgrammatika kent deze
feiten niet en heeft er ook geen verklaring voor. Hoewel zinnen (12), (15), en
(16) ‘analoog’ zijn aan (7)-(11) en (17)-(18), wijst iedere native
speaker ze af. Kinderen maken veel fouten maar nooit een fout als (15). Maar
waarom niet? Ze hebben immers nooit ‘geleerd’ dat (15) onwelgevormd
is. Niemand heeft hen dit onderwezen. Volgens een a priori eenvoudsprincipe zou
de taal eenvoudiger geweest zijn als (15) wél grammatikaal was geweest.
Wat is dan de reden dat het kind niet de inductieve generalizatie maakt dat
(15) welgevormd is? De reden kan niet zijn dat hij (15) niet eerder is
tegengekomen, want dat geldt ook voor het merendeel van de andere vraagzinnen
(misschien wel voor allemaal). Wat is er dan zo opvallend aan deze
‘negatieve data’? | | | |
We suggereren dat er een algemene conditie, een
‘bouwvoorschrift, moet zijn op de vorm en het functioneren van de
grammatika die verhindert dat ‘negatieve data’ als (15) ooit aan de
oppervlakte komen. We nemen als hypothese aan dat dit bouwvoorschrift
aangeboren is en dus niet ‘geleerd’ hoeft te worden. Er is m.a.w.
geen logische maar een biologische reden dat (15) onwelgevormd
ie. Het algemene principe P dat deel uitmaakt van het genotype verhindert het
‘taallerende’ kind de voor de hand liggende
‘generalizatie’ te maken. Natuurlijk moeten we P wel vinden en dat
is dan het object van linguistisch onderzoek. Stel nu dat we P ontdekt hebben
en dat het werkelijk een verklarend principe is van universele aard, dan
verwachten we (onder aanname dat het genotype invariant is voor deze factor)
dat dit principe in samenspel met andere conventies en regels een verrassend
inzicht zal geven in soortgelijke verschijnselen in andere talen. Of nog
interessanter, dat het een wezenlijke factor zal moeten zijn in de verklaring
van reeksen van disparate verschijnselen in een groot aantal verschillende
talen, ongeveer zoals in de biochemie de werking van het testosteron hormoon
een belangrijke factor is in de verklaring van zulke
‘verschillende’ dingen als de ontwikkeling van de veertooi van de
haan, de rugkam van de mannelijke salamander, of de secondaire
geslachtsverschillen bij zoogdieren.
Het specifieke principe P ter verklaring van de
(on)welgevormd-heidsoordelen van (1)-(19) is bekend: Subjacency.
Daarover later meer. Het interessante is nu dat Subjacency een belangrijke rol
speelt bij de verklaring van een hele serie van disparate onregelmatigheden in
een veelheid van talen. Zo is het een wezenlijke factor bij de verklaring van
zulke ‘ongelijksoortige’ puzzels als de onwelgevormdheid van (20)
in het Engels, de ongrammatikaliteit van (21) in het Frans, en de
onwelluidendheid van (22) in het Nederlands.
| (20) *What will John be easy to aim at? |
| (21) *A qui a-t-elle confié qu'est venu Jean? |
| (22) Kárel ik geloof niet dat ziek is. |
Elk van deze zinnen vormt een niet-triviaal probleem voor de
‘leerbaarheid’ van talen.
Als het taalleerproces gewoon een inductieve generalizatie zou zijn
over de zinnen van een taal die het kind tijdens een kritische fase krijgt
aangeboden (zijn talige ervaring dus), dan zouden we analoog aan (23)
verwachten dat (20) een welgevormde vraag zou zijn.
| (23) What will John be eager to aim at? |
En net zoals (24) een correct antwoord is op vraag (25), zou (26)
een welgevormde vraag moeten zijn met (27) als mogelijke respons.
| (24) John is eager to aim at his mother-in-law. |
| (25) Who is John eager to aim at? |
| (26) *Who is this pistol easy to aim at? |
| (27) This pistol is easy to aim at one's mother-in-law. |
| | | |
Maar niets is minder waar. Merk op dat (24) en (27) beide welgevormd
zijn en oppervlakkig qua structuur niet van elkaar verschillen. Daarom is (26)
vs. (25) alsook (20) vs. (23) een probleem voor de leerbaarheid van talen.
Zo zou de taallerende Franse kleuter op basis van (28) hebben moeten
‘generalizeren’ over (28) en (29). Maar deze
‘generalizatie’ wordt nooit gemaakt en (29b), i.e. (21), is in
feite incorrect Frans.
(28)
| a. à qui a-t-elle pensé que Jean a parlé? |
| b. à qui a-t-elle pensé qu'a parlé Jean? |
(29)
| a. à qui a-t-elle confié que Jean est venu? |
| b. *à, qui a-t-elle confié qu'est venu Jean? |
Het verschil tussen (28) en (29) kan niet aan être vs.
avoir geweten worden. Vgl. (30):
| (30) quand dira-t-il qu'est venu Jean? |
Zin (30) laat zien dat stylistische inversie van subject en
werkwoord wel kan optreden met een être regerend venir,
tenminste in de betekenis waarin (30) een vraag is naar het tijdstip van
aankomst (i.e. het antwoord hier is mogelijkj; demain is hier een
onmogelijke respons, maar is wel een mogelijk antwoord op de variant van (30)
zonder stylistische inversie!).
Is het Frans nu ‘moeilijk’ te leren voor de kleuter? Niet
wezenlijk ‘moeilijker’ dan bv. het Nederlands dat met (22) eveneens
problematisch is, omdat het niet evident is wat precies het kind van zijn
inductieve generalizatie afhoudt dat (22) welgevormd is. Immers, (31) laat zien
dat het subject zeer goed aan het werkwoord vooraf kan gaan bij aanwezigheid
van een ‘getopicaliseerd’ zelfstandig naamwoord.
| (31) Kárel ik geloof niet dat ie ziek is. |
| (32) Kárel geloof ik niet dat ziek is. |
En zoals (32) aantoont, kan de bijzin zijn subject
‘missen’. Waarom maakt het Nederlandse kind dan nooit de fout een
zin als (22) te produceren? Waarom zegt het evenmin ooit zoiets als (33)?
| (33) Kárel geloof ik niet dat ie ziek is. |
Toch heeft niemand hem geleerd dat (22) of (33) foutief Nederlands
is. Het kind ‘weet’ kennelijk dat inversie steeds samengaat met
afwezigheid van het bijzinssubject. Deze kennis is niet triviaal: de beide
kenmerken kunnen zich arbitrair ver van elkaar manifesteren. Vgl. (34):
(34)
| Kárel geloof ik niet dat ze zullen zeggen dat naast
ons komt wonen. |
| Kárel ik geloof niet dat ze zullen zeggen dat
ie naast ons komt wonen. |
| *Kárel geloof ik niet dat ze zullen zeggen dat
ie naast ons komt wonen. |
| *Kárel ik geloof niet dat ze zullen zeggen dat naast
ons komt wonen. |
| | | |
Voor al deze probleemdata geldt dat ze nooit behoord hebben tot de
ervaringswereld van de kleuter, hun afwijkende aard is nooit een voorwerp van
instructie geweest en ook anderszins zijn deze feiten nooit geleerd. In zekere
zin zouden de verschillende talen ‘eenvoudiger’ geweest zijn als
deze zinnen wel grammatikaal waren geweest. Er is m.a.w. geen logische noodzaak
voor hun onwelgevormdheid. Toch hebben native speakers haarscherpe
intuïties over deze ‘negatieve data’.
De Engelse kleuter zal nooit de ‘generalisatie’
kunnen maken dat (20) of (26) welgevormd is, evenmin als de Franse en
Nederlandse kleuter dat zou kunnen doen voor (21) resp. (22), (33). De
onwelgevormdheid van al deze zinnen schijnt een biologisch noodzakelijk gegeven
te zijn, afleidbaar uit het aangeboren taalvermogen als deel van het genotype.
Subjacency, een principe van de universele grammatika, stuurt de kleuter
om zich op basis van een beperkte hoeveelheid aangeboden taalmateriaal (vaak
incompleet en gebrekkig) een regelsysteem van zijn taal te construeren dat
‘negatieve evidentie’ principieel blokkeert. Subjacency is
derhalve een belangrijk object in de linguistische (d.w.z. biologische)
realiteit. Het is een cruciale factor in de ‘leerbaarheid’ van
menselijke taal, waar we met ‘leerbaarheid’ bedoelen de door het
genotype gestuurde taalontwikkeling in het fenotype.
3.2. Een tweede voorbeeld is de contractie van het negatie element
niet met onbepaalde voornaamwoorden zoals in (35)-(37)
geïllustreerd wordt.
(35)
| a. omdat hij iets (iemand) niet kent. |
| b. *..... hij niet iets (iemand) kent. |
| c. ..... hij niets (niemand) kent. |
(36)
| a. omdat hij ergens niet aan denkt. |
| b. *..... hij niet ergens aan denkt. |
| c. ..... hij nergens aan denkt. |
(37)
| a. omdat hij ooit niet gerookt heeft. |
| b. *..... hij niet ooit gerookt heeft. |
| c. ..... hij nooit gerookt heeft. |
Contractie is een verschijnsel dat we in tal van talen zien
optreden. Het Engelse paradigma is volmaakt (cf. either / neither;
or / nor; ever / never; something / nothing; someone /
noone; somewhere / nowhere; some / none), maar we komen
het verschijnsel ook tegen in het Duits (cf. irgends / nirgends;
jemals / niemals), het Spaans (cf. alguno / ninguno),
of het Italiaans (cf. alcun / nessun; qualcuno / nessuno).
In het Frans hebben we aparte idiomen voor ‘niemand’ en
‘niets’ maar niet voor ‘niet alles’, vgl. il ne
voyait rien (personne) vs. il ne voyait pas tout.
Toch hebben we nooit ‘geleerd’ om niet te zeggen we
hebben nalles gezien wanneer we bedoelen ‘we hebben niet alles
gezien’. Maar waarom zeggen we nooit nalles wanneer we ‘niet
alles’ bedoelen? Is het soms zo dat nalles niet
‘bestaat’ zoals ook venten (meervoud van vent) niet
‘bestaat’? Het niet voorkomen van nalles mag niet op
één lijn gezet worden met het niet voorkomen van venten:
dit laatste is puur willekeurig en is een geïsoleerd feit in het
Nederlands | | | | taalidioom. Het nalles voorbeeld staat echter
niet alleen: nalles is systematisch afwezig. Vgl. (38)-(40):
(38)
| a. *omdat hij alles (iedereen) niet kent. |
| b. ..... hij niet alles (iedereen) kent. |
| c. *..... hij nalles (niedereen) kent. |
(39)
| a. *omdat hij overal niet aan denkt. |
| b. ..... hij niet overal aan denkt. |
| c. *..... hij noveral aan denkt. |
(40)
| a. *omdat hij altijd niet gerookt heeft. |
| b. ..... hij niet altijd gerookt heeft. |
| c. *..... hij naltijd gerookt heeft. |
De combinatie van niet en onbepaalde voornaamwoorden in
(35)-(40) laten een merkwaardige complementaire distributie zien. Waar de
zinnen van (35)-(37) welgevormd zijn, zijn die van (38)-(40) onwelgevormd en
omgekeerd. (In die gevallen van taalgebruik waar met een speciaal
intonatieverloop de volgorde niet iets of alles niet een
grammatikale zin geeft, komt de betekenis van niet iets en alles
niet overeen met die van iets niet resp. niet alles. Deze
bijzondere gevallen vallen derhalve buiten ons betoog.) De contractie van
niet beperkt zich tot onbepaalde voornaamwoorden met een
‘existentiële’ betekenis (‘er is een x zodanig
…’) en is kennelijk principieel uitgesloten bij onbepaalde
voornaamwoorden met een ‘universele’ betekenis (‘voor alle x
geldt dat …’). De distributie van deze ‘logische’
woordjes met gecontraheerd niet zoals in de C-zinnen van
(35)-(40) geïllustreerd is, is van algemene aard. Er zijn geen talen
bekend die negatie van universele kwantorwoorden toestaan (vgl. every /
*nevery; all; / *nall; always / *nalways; both / noth;
and / *nand vs. noone; nothing; never; neither; nor).
Daarentegen is het complementaire karakter van de (on)
grammatikaliteit van de a en b-zinnen van (35)-(37) met die van
(38)-(40) taalspecifiek, althans ten dele zoals hierboven reeds is gesteld
(vgl. par. 1.). Zeer opvallend is in elk geval dat kinderen nooit zulke
‘taalfouten’ maken als ‘naltijd’ maar wel
degelijk onwelgevormde zinnen produceren als jij zegt altijd niets tegen
mij of jullie denken overal niet aan, om uitdrukking te geven aan
hun klacht dat ‘er nooit iets tegen ze gezegd wordt’ of dat
‘er nergens aan gedacht wordt’.
De morfologisering van existentiële kwantorwoordjes onder
negatie is kennelijk een optie van de Universele Grammatika waar individuele
talen gebruik van kunnen maken. De Nederlandse grammatika stelt dit gebruik
verplicht (vgl. (35b)-(37b)). Het niet voorkomen van alles niet (≠ ‘niet alles’) blijft echter voorlopig een raadsel: het bestaan van
gelexikaliseerde vormen als niemand sluit kennelijk het bestaan van het
concurrerende en logisch equivalente iedereen niet uit. Over het
verschil tussen nalles vs. venten kunnen we ons positiever
uitlaten: het ontbreken van nalles is te wijten aan een genetische
factor, het niet voorkomen van venten is een milieu factor. Het eerste
hoeft niet ‘geleerd’ te worden, het laatste wél.
Merk op dat er een interessante verhouding is tussen existentiele en
universele kwantorwoordjes (weer te geven met resp. ‘∃’
en | | | | ‘∀’): zo betekent (41) hetzelfde als (42):
| (41) Alles is hol. |
| (42) Er is niets dat niet hol is. |
Maar als ‘alles’ equivalent is aan
‘niet-iets-niet’, dan is het duidelijk dat ‘alles’
onder negatie, ‘niet-alles’, logisch equivalent is aan
‘iets-niet’. Eveneens volgt hieruit dat ‘niet-iets’
logisch equivalent is aan ‘alles-niet’.
(43)
Nu kunnen we een poging wagen het raadsel van het Nederlands,
*alles niet, gedeeltelijk te ontsluieren door het te relateren aan het
principe dat nalles uitsluit. De welgevormdheid van iets niet
gaat samen met die van het logisch equivalente niet alles en, omgekeerd,
de onwelgevormdheid van niet iets gaat samen met die van het logisch
equivalente alles niet. De ‘verplichte’ lexikalisatie van
niet iets tot niets redt als het ware de mogelijkheid om
vormelijk uitdrukking te geven aan de betekenis ‘niet iets’ of
‘alles niet’. We kunnen deze correlatie als een dubbele implicatie
(44) uitdrukken en we nemen als hypothese aan dat het morfologisch principe dat
aan (44) ten grondslag ligt - laten we dit het Morfologi-seringsprincipe noemen
- taaluniverseel is.
(44)
| Morfologiseringsprincipe (MP) |
| Lexikalisering van ‘niet-Q’ is mogelijk d.e.s.d.a.
lexikalisering van ‘Q-niet’ onmogelijk is (Q staat voor
‘iets’, ‘alles’, etc.). |
Zoals in (44) reeds is aangeduid, zullen we voor het gemak van het
betoog de dubbele implicatie met het taaluniversele principe MP identificeren.
Laten we vervolgens het ‘verplichte’ karakter van contractie aan
een algemene conventie toeschrijven die het principe van MP optimaliseert:
(45)
| Optimaliseringsprincipe (OP) |
| Als morfologisering van ‘niet-Q’ kan worden
toegepast dan moet het worden toegepast. |
We nemen aan dat (45) een speciaal geval is van een meer omvattend
universeel maximalisatie principe.
Aangezien we het morfologie principe (44) hebben toegeschreven aan
het aangeboren taalvermogen, hebben we tevens een verklaring waarom het kind
zonder dat het de relevante ervaring van (35)-(40) heeft opgedaan, of zonder
dat hem deze ‘feiten’ onderwezen zijn, nooit nalles zal
zeggen wanneer het van het bestaan van niets afweet. De nalles
feiten zijn typisch non-existent in de zintuiglijke wereld: ze staan nergens
vermeld en worden nooit geproduceerd, onderwezen of geleerd. Deze feiten zijn
strikt genomen onleerbaar! Deze fantastische puzzel voor het
‘taalleerprobleem’ wordt nu eenvoudig gereduceerd tot MP (44), een
kenmerk van de Universele Gram- | | | | matika. De taallerende kleuter die
het universele principe dat aan (44) ten grondslag ligt tot zijn beschikking
heeft, weet dat nalles onwelgevormd is omdat niets dat niet is.
De redenering is simpel en is illustratief voor de deductieve diepgang van de
Universele Grammatika met MP als algemeen principe dat lexikalisering van
universele logische woordjes onder negatie uitsluit: Als niets voorkomt
in zijn taal als morfologisering van ‘niet iets, dan ‘weet’
het kind op basis van (44) dat iets niet niet gemorfologiseerd kan
worden, evenmin als niet alles dat volgens (43) logisch equivalent is
aan iets niet. Hieruit volgt dat nalles principieel geblokkeerd
wordt. (De kennis van het kind is natuurlijk onbewust, zoals ook zijn kennis om
baardharen te ontwikkelen onbewust is: in beide gevallen hebben we te maken met
een genetisch vastgelegd proces.)
Maar het kind weet nog meer. Eveneens weet het (gegeven
niets) dat ‘niet iets’ gelexikaliseerd moet worden op grond
van de algemene conventie OP (45): i.e. niet iets komt niet voor.
Aangezien ‘alles niet’ logisch equivalent is aan ‘niet
iets’, zal ook ‘alles niet’ gelexikaliseerd moeten worden tot
niets. Q.E.D.
Er resteert dus eigenlijk geen leerbaarheidsprobleem meer. Het
universele karakter van de logische equivalentie relaties (43), van de
lexikalisering van existentiële elementen onder negatie (en hun logische
equivalenten!), en van het optimaliseringsprincipe OP levert automatisch de
distributie van (35)-(40) op. Dit resultaat wordt bereikt enkel en alleen
vanwege het voorkomen van het woordje niets. Aangezien niets
waarschijnlijk wél behoort tot de ervaringswereld van de taallerende
kleuter (cf. ik zie niets), zal niets noodzakelijkerwijze de
universele principes in werking stellen. Niets haalt de handel over van
een automaat die niet anders kan dan tot de output van (35)-(40) concluderen.
De distributie van (35)-(40) is biologisch noodzakelijk in deze, visie.
Hierboven is gezegd dat *alles niet vs. iets niet, en
niet alles vs. *niet iets tot het Nederlands taaleigen behoort.
Dit kan nu gecorrigeerd worden: principe (45) sluit zoals we gezien hebben
niet iets (en dus ook alles niet) uit, maar zegt niets over
iets niet en niet alles; principe (44) zegt enkel dat iets
niet (en dus ook niet alles) niet gemorfologiseerd kan
worden, omdat niet iets dat wél moet. We kunnen daarom
eenvoudigweg stellen dat het een taalspecifieke trek van het Nederlands is dat
de volgorde van woordjes als iets, ergens, iemand, alles, overal,
iedereen, etc. ten opzichte van niet volkomen vrij is (cf. ik heb
Jan niet gezien en ik heb niet Jan gezien maar Piet).
Ook de onwelgevormdheid van overal niet en niet ergens
volgt nu gewoon uit de Universele Grammatika (nl.(45)) en hoeft derhalve niet
te worden beregeld in de grammatika van het Nederlands. We hebben hier te maken
met afspiegelingen van algemene condities in de Nederlandse grammatika (die de
volgorde van niet relatief vrij laat t.o.v. andere woorden). De
Universele Grammatika filtert de verkeerde combinaties uit (vgl. *altijd
niets / nooit iets; *altijd nergens aan denken / nooit
ergens aan denken; *overal niets / nergens iets; *iedereen
niets geven / niemand iets geven, etc.).
In schema kan het voorafgaande argument als volgt worden
weergege- | | | | ven:

De deductieve diepte van MP kan verder geïllustreerd worden.
Indien juist, zou principe (44) in samenhang met principe (45) specifieke
voorspellingen doen voor een taal die zeer rigide volgorde beperkingen kent.
Zo'n taal is het Engels, waar het woordje not nooit onmiddellijk vooraf
kan gaan aan het object, maar steeds deel uitmaakt van een verbaal complex.
Vgl. (46):
(46)
| a. John has not seen Peter |
| b. *John has seen not Peter |
Bekijken we (47), waar Peter vervangen is door een
‘logisch’ woordje:
(47)
| a. John has not seen everything (~∀) |
| b. John has seen nothing (~∃) |
| c. John has not seen something (∃~) |
| d. John has not seen anything (∀~) |
In (47b) hebben we te maken met de negatie van het existentiële
something. Gegeven nothing (uit not something), weten we
op grond van (44) dat (47a) niet gelexikaliseerd kan worden (cf.
*neverything). Maar nu hebben we meteen twee problemen: (47c) en
(47d)!
Als (47c) correct Engels is (en het is correct Engels), kan het niet
de betekenis van (47b) hebben. Dit vanwege OP (45), dat lexikalisering
verplicht stelt. Maar (47c) betekent ook iets anders, nl. ‘er is
iets waarvoor geldt dat John het niet gezien heeft’.
Principe MP (44) blokkeert terecht morfologisering in dit geval, zoals het dit
ook blokkeert in (47a), dat aan (47c) equivalent is.
Het tweede probleem laat zich ook oplossen door de tandem (44)-(45):
Indien correct Engels, kan (47d) niet de betekenis hebben van (47a), ondanks
het feit dat anything een universeel kwantorwoordje is net als
everything. Principe (44) zou anders de ‘morfologische
verandering’ van everything in anything geblokkeerd hebben.
Nu is (47d) wel degelijk correct Engels. Bovendien is anything zeer
beslist een universeel kwantorwoord. Vgl. (48):
| (48) John can do anything (≠ John can do something) |
(48) betekent dat ‘John kan doen wat ie maar wil’ en
niet dat ‘John iets kan doen’. Maar nu zien we dat ook dit probleem
verdwijnt, want (47d) heeft niet de betekenis van (47a): (47d) betekent dat
‘voor alles geldt dat John het niet gezien heeft’. Het heeft met
andere woorden de betekenis van (47b). En dus eist principe (45) dat er
een morfologische verandering optreedt precies zoals in het geval van
(47b). | | | |
We hebben, nu een verklaring gevonden voor de karakteristieke
eigenschap van de typisch Engelse woordjes anything, anywhere, anytime,
etc., die steeds buiten de semantische maar binnen de
syntaktische invloedssfeer vallen van ‘logische’ woordjes als
niet, kunnen, alsdan, etc. We hebben anders gezegd verklaard waarom het
Engels een gemarkeerd universeel kwantorwoord anything heeft in posities
waar everything kan verschijnen, zonder dat het in betekenis hiermee
overeenkomt, hoewel beide woordjes universeel geladen zijn. Tot zover dit
verrassend resultaat van de Universele Grammatika. Schematisch kan het
‘any’ argument worden weergegeven als:

Net zoals in het geval van Subjacency zal het morfologisch
beginsel van de universele grammatika dat lexikalisering van ‘alles
niet’ (of ‘niet iets’) toelaat, maar lexikalisering van
‘niet alles’ (of ‘iets niet’) uitsluit, in verband
moeten kunnen worden gebracht met tal van andere problemen in verschillende
andere talen. Het zal onafhankelijk gemotiveerd moeten kunnen worden. We hebben
reeds gezien dat (44) in interactie met OP (45) een verklaring biedt voor het
voorkomen van het Engelse any, maar wellicht werpt het ook een licht op
het niet-voorkomen van doit-être, mustbe, of het moet zijn dat
…. Waarom ‘bestaan’ deze combinaties niet in het Frans,
Engels, of Nederlands, terwijl deze talen toch wel peut-être,
maybe, of het kan zijn dat … kennen? Er zijn geen logische of
semantische redenen aan te voeren waarom doit-être, mustbe, of
het moet zijn dat … niet als morfologische afleidingen in ruime
zin zouden kunnen verschijnen. Hun semantische inhoud kan wel degelijk
‘vertaald’ worden: nécessairement, necessarily, of
het is noodzakelijk dat ….
Het markante gegeven doet zich nu voor dat verba als kunnen
een interessante overeenkomst vertonen met existentiële woordjes, terwijl
verba als moeten juist overeenkomst vertonen met universele woordjes.
Vgl. (49)-(50):
| (49) Hij moet gearriveerd zijn |
| (50) Het is niet mogelijk dat hij niet gearriveerd is |
Zin (49) betekent hetzelfde als (50): ‘noodzakelijk dat
…’ is logisch equivalent met ‘niet mogelijk dat niet
…’. Maar dan is ook duidelijk dat niet noodzakelijk logisch
equivalent is met mogelijk niet, zoals ook noodzakelijk niet
logisch equivalent is met niet mogelijk. Schema (51) geeft deze
equivalenties weer (N staat voor noodzaak, M voor
mogelijkheid):
(51)
| | | |
We zien nu ook dat (51) sterk met (43) overeenkomt: we zouden dan
ook over ‘beide kunnen generaliseren. Het uitblijven van nalles
vs. de mogelijkheid van niets komt dan op één lijn te
staan met het uitblijven van morfologische afleidingen die een
‘moeten’ uitdrukken vs. de mogelijkheid van morfologische
afleidingen die een ‘kunnen’ uitdrukken. De onwelgevormdheid van
doit-être, controleerplichtig (= ‘gecontroleerd moetende
worden’), of readnecessy (= ‘must be read’) vs.
peut-être, controleerbaar, of readable wordt met de
onwelgevormdheid van nalles vs. niets teruggevoerd op een
schending van een algemene conditie op de functie van morfologische regels (MP
(44)). Zeer verrassend zal dit lexikaliseringsprincipe uiteindelijk in verband
worden gebracht met de morfologie van mogelijk en noodzakelijk.
Cf. (52):
(52)
| mogelijk, onmogelijk |
| noodzakelijk, *onnoodzakelijk (maar vgl. onnodig!) |
Als laatste voorbeeld van hoe dit universele morfologische principe
(44) een verklarende kracht demonstreert in een reeks van disparate
verschijnselen in verschillende talen, wijzen we op de volgende
‘anomalie’ in het Engels.
(53)
| John can't come |
| (vgl. John can not come) |
(54)
| John mustn't come |
| (vgl. John must not come) |
Deze zinnen laten een verschijnsel zien dat in de Engelse grammatika
bekend staat als Neg-contractie. Inversie van subject en hulpwerkwoord
demonstreert het clitisch aspect van contractie.
| (55) Can't John come? (vgl. *Can John n't come?) |
| (56) Mustn't John come? (vgl. *Must John n't come?) |
| (57) Can John not come? (vgl. *Can not John come?) |
| (58) Must John not come? (vgl. *Must not John come?) |
Het probleem is evident: hoe kunnen can en must beide
contractie toelaten? Wordt dit niet verhinderd door principe (44)? Zouden we
niet hebben gedacht dat (54) en (56) onwelgevormd zouden zijn?
Nee, het morfologische universale (44) verklaart juist dat zowel
(53) als (54) grammatikaal zijn op een niet-triviale wijze. Het
‘anomale’ karakter van (53) en (54) bestaat hierin dat (53) niet
betekent dat ‘het mogelijk is dat John niet komt’,
maar juist dat ‘het niet mogelijk is dat John komt’. En dit
terwijl (54) de betekenis heeft van ‘het is noodzakelijk dat John
niet komt’ en niet die van ‘het is niet noodzakelijk
dat John komt’. Kortom, (53) en (54) betekenen hetzelfde: het enige
empirische gegeven dat consistent is met MP (44) en dat daarom daar sterke
steun aan verleent. Schematisch weergegeven hebben we het volgende beeld:
(59)
| can't | = | ~ | M | i.e.
‘not
can’ |
| mustn't | = | N | ~ | i.e.
‘must not’ |
| | | |
Dit is een verrassende uitkomst, want aftrek van n't levert
semantisch geheel verschillende zinnen op, evenals het uitblijven van
contractie (zin (57) kan naast (55), i.e. ‘Is it impossible for John to
come?’, ook betekenen ‘Is it possible for John not to come?’;
contractie in (56) verandert de betekenis niet, i.e. (56) en (58) zijn
equivalent en de betekenis ‘not necessary’ wordt hier als
needn't uitgedrukt.). De ‘anomalie’ van het Engels blijkt
dus helemaal geen ‘anomalie’ te zijn vanuit het perspectief van de
Universele Grammatika. Die immers verklaart de mogelijkheid van contractie bij
zowel can als must als volgt: Als ‘must-not’
contra-heert tot mustn't, dan is het op grond van (44) slechts,
onmogelijk om ‘not-must’ (i.e. ~ N) of het logisch equivalente
‘can-not’ (i.e. M ~) te contraheren. Contractie van
‘not-can’ (i.e. ~ M) blijft tot de mogelijkheden behoren juist
omdat mustn't bestaat! Principe (44) geeft ons een verklaring voor het
markante feit dat (53) en (54) dezelfde betekenis hebben, maar van betekenis
gaan verschillen na aftrek van n't. De structuur van dit argument kan
worden weergegeven als:

Het verschil tussen het oorspronkelijke Nederlandse probleem
(niets vs. *alles niet, *niet iets) en dit
contractieprobleem (can't, mustn't) is dat er geen tweede lexikaal
element in het Nederlands voorhanden is naast niets: ‘alles
niet’ moet gelexikaliseerd worden maar de richting van dit proces is van
links naar rechts (niet iets → niets), en daarom moet
‘alles niet’ terugvallen op niets, de morfologische
afspiegeling van ‘niet iets’. Daarentegen is het contractie proces
in het Engels van rechts naar links (must not → mustn't),
zodat can not kan contraheren, mits het conform MP (44) van
‘betekenis’ verwisselt.
Merk op dat de syntaktische positie van not gefixeerd is:
steeds na het modale werkwoord. Wanneer het Engelse not niet zo
gefixeerd was, maar ten opzichte van de modale verba vrij zou kunnen voorkomen
(zoals niet in het Nederlands vrij is vis-à-vis iets,
alles, etc.), zouden we voorspellen op basis van (44) dat wanneer
mustn't zou voorkomen, can't zou zijn uitgesloten. Evenzo
voorspellen we dat wanneer het Nederlands een strikte volgorde zou kennen
waarbij niet steeds voorafgaat aan iets, alles, etc., het bestaan
van niets zou impliceren dat nalles slechts acceptabel zou kunnen
zijn in de betekenis ‘alles niet’, i.e. (∀~).
Zinnen (53) en (54) illustreren geen geïsoleerd fenomeen: verba
als dislike en disapprove lijken in zeker opzicht op
can't, terwijl verba als disbelieve en disprove meer aan
mustn't doen denken. Evenals can't de betekenis heeft ‘not
possible’, betekent dislike ‘do not like’, en evenals
musn't ‘necessary that not …’ betekent, heeft
disbelieve de betekenis ‘believe that not …’. We
verwachten daarom dat verder onderzoek zal leren dat het morfologisch principe
dat aan correlatie (44) ten grondslag ligt, een verklaring zal geven voor deze
suggestieve gegevens. | | | |
Concluderend kunnen we stellen dat gestuurd door zijn aangeboren
taalvermogen (deel van het genotype), het kind niet de minste moeite zal
ondervinden om de uiterst complexe negatie verschijnselen te doorgronden zonder
dat die ook maar enigszins tot de relevante ervaring hebben behoord waar het in
de kritische ‘leerfase’ aan heeft blootgestaan. De grillige
distributies van (35)-(40) in het Nederlands, de verscheidenheid van de
logische woordjes van (47) in het Engels, het ‘anomale’ aspect van
(53)-(54) eveneens in het Engels, het uitblijven in tal van talen van
afleidingen die een ‘moeten’ uitdrukken, dit alles is
biologisch afgedwongen door een algemeen kenmerk van de Universele
Grammatika als deel van de biologische uitrusting van de mens.
3.3. Een laatste probleemgebied dat illustratief is voor de diepgang
van het verklarend vermogen van de Universele Grammatika zal hier kort worden
aangegeven. In het Nederlands komen constructies voor zoals van iets afzien,
naar iets toeneigen, onder iets doorkruipen, tot iets doordringen, over iets
heen kijken. Deze constructies zijn niet homogeen, zoals de volgende
voorbeelden aantonen.
(60)
| a. hij zag erg tegen de reis op |
| b. hij zag erg op tegen de reis |
(61)
| a. hij klom snel tegen de berg op |
| b. *hij klom snel op tegen de berg |
De voorzetselvoorwerpgroep kan soms wel (vgl. (60)), soms niet (vgl.
(61)) na het partikel op komen. In (60) en (61) is alleen het werkwoord
variabel gehouden (cf. zien, klimmen). Maar hetzelfde heterogene gedrag
kan gedemonstreerd worden wanneer alleen het voorzetsel (cf. (62)-(63)) of het
partikel (cf. (64)-(65)) een variabele factor is.
(62)
| a. hij ging voor een boeman door |
| b. hij ging door voor een boeman |
(63)
| a. hij ging onder het prikkeldraad door |
| b. *hij ging door onder het prikkeldraad |
(64)
| a. hij voer tegen de burokraat uit |
| b. hij voer uit tegen de burokraat |
(65)
| a. hij voer tegen de kade aan |
| b. *hij voer aan tegen de kade |
We zien nu dat tegen .... op zich anders gedraagt bij
zien dan bij klimmen, dat doorgaan geheel anders werkt bij
onder dan bij voor, en dat tegen .... varen zich
verschillend opstelt bij uit en aan. Wat is de verklaring voor de
onwelgevormdheid van de b-zinnen van (61), (63), en (65)? Deze zinnen
schijnen qua structuur niet te verschillen van de b-zinnen van (60),
(62), en (64), die wel grammatikaal zijn. Vanwaar dit verschil?
De schoolgrammatika leert ons niets. Niemand heeft ons hier vroeger
op gewezen. Evenmin hebben de onwelgevormde b-zinnen tot onze
ervaringswereld behoord: het zijn ‘negatieve data’,
‘on-feiten’. Hoe hebben we ons deze kennis eigen gemaakt toen we
onze | | | | moedertaal hebben ‘leren’ spreken, zonder dat we
deze zinnen ooit hebben gehoord en zonder dat we hierover onderwezen zijn?
Zouden we ooit tot deze kennis gekomen zijn als onze zintuiglijke ervaring het
enige richtsnoer geweest zou zijn?
Bovenstaande voorbeelden zijn geen geïsoleerde gevallen. Hele
groepen werkwoorden manifesteren een dergelijk asymmetrisch gedrag van hun
voorzetselvoorwerp. Zo vinden we het contrast (60) vs. (61) terug bij naar
iets toeleven vs. naar iets toelopen, naast (62) vs. (63) hebben we
het minimale paar tegen iets afzetten vs. van iets af zetten, en
analoog aan (64) vs. (65) is er het verschil van op iets uitlopen vs.
op iets aflopen. Het systematische verschil in het gedrag van het
voorzetselvoorwerp dat typerend is voor deze werkwoorden, manifesteert zich ook
geheel anders: in de mogelijkheden tot relativisering.
(66)
| a. de reis waar hij erg tegen op zag … |
| b. de reis waartegen hij erg op zag … |
(67)
| a. de berg waar hij snel tegen op klom … |
| b. *de berg waartegen hij snel op klom … |
Zoals geïllustreerd in (66) en (67), mist (67) de variant die
in de Nederlandse relatieve bijzin heel normaal is (en in bijna alle andere
talen van de wereld de enige keus is). Het asymmetrisch gedrag van het
voorzetselvoorwerp in (61) vis-à-vis (60) correleert met de asymmetrie
van de relativiseringsmogelijkheden van (67) vis-à-vis (66). Deze
correlatie heeft geen toevallig maar een systematisch karakter, zoals de
volgende voorbeelden ons leren.
(68)
| a. de boeman waar hij voor doorging … |
| b. de boeman waarvoor hij doorging … |
(69)
| a. het prikkeldraad waar hij onder doorging … |
| b. *het prikkeldraad waaronder hij doorging … |
(70)
| a. de burokraat waar hij tegen uitvoer … |
| b. de burokraat waartegen hij uitvoer … |
(71)
| a. de kade waar hij tegen aanvoer … |
| b. *de kade waartegen hij aanvoer … |
Merk op dat tegen iets opzien en tegen iets opklimmen
identiek reageren op de volgende distributies:
(72)
| (i) a. *hij zal erg zien tegen de reis op |
| b. *de reis waartegenop hij erg zal zien … |
| (ii) a. *hij zal snel klimmen tegen de berg op |
| b. *de berg waartegenop hij snel zal klimmen … |
Dit gedrag is uniform voor alle verba die eerder in deze paragraaf
besproken zijn.
Een subtiel voorbeeld van de ‘onleerbare’ kennis van
negatieve data van dit type zijn de mogelijke antwoorden op vragen als (73) vs.
(74). | | | |
| (73) Waar gaat hij op af? |
| (74) Waarop gaat hij af? |
Vraag (73) kan beantwoord worden met zowel ‘op zijn
doel’ als ‘op zijn intuïtie’, maar het antwoord
‘op zijn doel’ is een onwelgevormde respons op vraag (74). Hier is
enkel de tweede respons mogelijk. Toch is (74) een syntaktisch welgevormde
vraag. Dit markant voorbeeld van ongeleerde (ja, zelfs onleerbare) kennis is
illustratief voor de diepte en reikwijdte van de principes van de Universele
Grammatika die bepalend zijn voor de leerbaarheid van menselijke taal. Als deze
kennis werkelijk systematisch is, zouden we verwachten dat de ambiguïteit
van (73) vs. de ondubbelzinnigheid van (74) gecorreleerd zou moeten worden aan
het (a)symmetrische gedrag van het voorzetselvoorwerp in zinnen als (75) en
(76).
(75)
| a. hij gaat nooit op zijn intuïtie af |
| b. hij gaat nooit af op zijn intuïtie |
(76)
| a. hij gaat steeds recht op zijn doel af |
| b. *hij gaat steeds recht af op zijn doel |
Maar dit is precies wat er gebeurt: het voorzetselvoorwerp kan
niet rechts van het partikel voorkomen d.e.s.d.a. in de relatief-
of vraagzin het voorzetselvoorwerp niet zinsinitieel kan voorkomen. Zo
zijn e.g. (65b) en (71b) onwelgevormd en wel om dezelfde reden als waarom de
b-zinnen van (64) en (70) welgevormd zijn. Toegespitst op (75) en (76),
kunnen we stellen dat op iets afgaan ambigu is. Eén betekenis is
die van ‘zich ergens door laten leiden’ en in deze betekenis werkt
op iets afgaan analoog aan e.g. tegen iets uitvaren van (64) en
(70). De andere betekenis is die van ‘naar iets toegaan’ en in deze
betekenis werkt op iets afgaan analoog aan e.g. tegen iets
aanvaren van (65) en (71). Om dezelfde reden waarom (77) een onwelgevormde
conversatie is in tegenstelling tot (78):
(77)
| Waartegen is hij aangevaren? |
| Tegen de wal. |
(78)
| Waartegen is hij uitgevaren? |
| Tegen de burgerlijke ongehoorzaamheid. |
is ‘op zijn doel’ (cf. (76)) een onwelgevormde respons
op (74), in tegenstelling tot ‘op zijn intuïtie’ (cf. (75)).
Aangezien noch tegen iets uitvaren noch tegen iets aanvaren
beperkingen opleggen aan het zinsinitieel voorkomen van waar (cf.(70) en
(71)), zijn er ook geen beperkingen op het zinsinitieel verschijnen van
waar in de vraagzinnen die met (75) en (76) beantwoordbaar zijn, nl. de
zinnen die in (73) samenvallen. Dit verklaart de ambiguë status van vraag
(73).
Tot nu toe hebben we nauwkeurig vastgesteld dat
‘onleerbare’ kennis ‘minutieus systematisch’ kan zijn,
maar waarom (61b) in tegenstelling tot (60b) ongrammatikaal is, weten we nog
steeds niet. Waarom correleert zinsinitieel optreden met zinsfinaal voorkomen
van voorzetselvoorwerpen? Waarom is een vraag ‘goed’ onder een
bepaalde interpretatie, maar ‘verkeerd’ onder een andere
interpretatie, terwijl onder beide interpretaties de syntaktische vorm
blijkbaar gelijk is? Het antwoord op al deze vragen schrijven we toe aan | | | | een principe van taal dat kennelijk diep in de grammatika van het
Nederlands verankerd ligt. Zo diep dat we de systematische kennis van
‘negatieve data’ kunnen zien als de taalspecifieke vorm waarin een
taaluniverseel principe van het genotype zich manifesteert. Wat is dan dit
algemene kenmerk van de Universele Grammatika?
Fenotypisch komt het in de grammatika van het Nederlands misschien
in zijn eenvoudigste vorm tot uitdrukking in (79) en (80):
(79)
| a. ik moet alsmaar op de gevolgen wachten |
| b. ik moet alsmaar wachten op de gevolgen |
(80)
| a. ik moet er alsmaar op wachten |
| b. *ik moet er alsmaar wachten op |
Laten we als aanzet tot een oplossing een principieel onderscheid
maken tussen ‘primaire’ en ‘secondaire’
ligplaatsen van voorzetselvoorwerpen. De primaire ligplaats (de
‘thuishaven’) van het voorzetselvoorwerp is links van het werkwoord
in de bijzin, en de secondaire ligplaats (de ‘uitwijkhaven’) is
daar rechts van. In zin (79a) ligt het voorzetselvoorwerp in de thuishaven,
maar in (79b) ligt het in de uitwijkhaven. Dit is weinig precies maar voor ons
doel toereikend. Belangrijk is dat het onderscheid ‘primair’ vs.
‘secondair’ in de zin waarin deze begrippen hier gebruikt worden,
empirische inhoud heeft. Een ander principieel onderscheid is dat tussen de
noties ‘compleet’ en ‘incompleet’. Het
voorzetselvoorwerp in (79) is compleet in de zin waarin het
voorzetselvoorwerp in (80) incompleet is. De zinsdelen de
gevolgen en er hebben dezelfde functie in de zin: beide worden
betrokken op wachten op en fungeren als ‘object’ van het
voorzetsel op. Het weglaten van er maakt (80a) onwelgevormd, maar
het tegelijk weglaten van er en op tast de grammatikaliteit van
(80a) niet aan. Anders gezegd, er dat los van zijn voorzetsel opduikt,
gaat steeds samen met op en omgekeerd. Het pronomen er en het
voorzetsel op vormen een discontinue voorzetselgroep. Een
specifieke manier om tegen dit discontinue voorzetselvoorwerp aan te kijken is
te zeggen dat dat voorzetselvoorwerp op ‘incompleet’ is: het
‘mist’ een aangrenzend er. Daarentegen is het
voorzetselvoorwerp op de gevolgen ‘compleet’: op
heeft z'n aangrenzend object (de gevolgen). We zeggen nu dat op
in (80) een ‘incompleet zinsdeel’ is (of ‘een verlopen
paspoort’ heeft), en daarom moeilijker te identificeren is dan e.g. de
voorzetselgroep in (79). Is op een partikel (cf. let eens op) dan
wel een voorzetsel? Deze vraag is gemakkelijker te beantwoorden in het geval
(79) dan in (80). Dat is de perceptuele boodschap. Weer is de terminologie niet
precies en onbelangrijk. Wezenlijk is dat er empirische inhoud gegeven kan
worden aan de noties ‘primaire ligplaats’,
‘uitwijkhaven’, ‘compleet zinsdeel’, ‘verlopen
paspoort’, e.d.
Eén manier waarop dit kan wordt geïllustreerd aan de
functie van het principe van de Universele Grammatika dat verantwoordelijk is
voor de ‘negatieve data’ in deze paragraaf. Dit principe zou
informeel gekarakteriseerd kunnen worden als (81).
(81)
| Douane Controle (DC): Geen enkel zinsdeel in een uitwijkhaven
mag een verlopen paspoort hebben. |
| | | |
Dit principe dat we hier het Principe van de Douane Controle zullen
noemen (cf. ook par. 10), is een conditie van algemene aard en is niet
geformuleerd in termen van noties die tot de Nederlandse grammatika beperkt
zijn. Zinsdelen, uitwijkhavens en verlopen paspoorten zijn niet typisch
Nederlands!
Het DC-Principe geeft een verklaring voor de ongrammatikaliteit van
(80b). In (80b) heeft op een verlopen paspoort (is incompleet) én
ligt het in een uitwijkhaven (ligt in secondaire ligplaats rechts van het
werkwoord). Daarom schendt het hier het DC-Principe. De zinnen (79b) en (80a)
daarentegen voldoen elk maar aan één voorwaarde van (81), i.e.
‘het voorzetselvoorwerp ligt in een uitwijkhaven’, resp. ‘het
voorzetselvoorwerp heeft een verlopen paspoort’. Het DC-Principe wordt in
deze gevallen niet geschonden. Het DC-Principe functioneert daarom enkel in
(80b) en geeft het gewenste resultaat: uitsluiting van (80b).
Dit is een belangrijke toepassing van het taaluniversele DC-Principe
maar geenszins de enige. Principe (81) geeft een interessante verklaring voor
de ‘negatieve data’ in het complexe geheel van (60)-(72). Het geeft
antwoord op de vraag waarom (61b) in tegenstelling tot (60b) ongrammatikaal is,
waarom zinsinitieel voorkomen van voorzetselvoorwerpen correleert met het
zinsfinaal voorkomen ervan, waarom (73) in tegenstelling tot (74) twee mogelijk
antwoorden toelaat, etc.
De b-zinnen van (60) en (61) hebben hun voorzetselvoorwerp in
een secondaire ligplaats, zoals duidelijk wordt aangetoond wanneer we (60) en
(61) in bijzinsvolgorde omzetten.
| (60') … dat hij erg opzag tegen de reis |
| (61') *… dat hij snel opklom tegen de berg |
Tevens laten deze zinnen zien dat op bij tegen de berg
en niet bij klimmen hoort, in tegenstelling tot op in (60') dat
wél bij het werkwoord hoort en niet bij het voorzetselvoorwerp. Dit
wordt ook nog eens bevestigd door
| (82) *hij zag er tegenop, niet vanaf |
| (83) hij klom er tegenop, niet onderdoor |
Zoals (83) aantoont, kunnen richtingsbepalingen ontkend worden, maar
is het onmogelijk om niet-zinsdelen te ontkennen. Anders gezegd,
richtingsbepalingen hebben een andere structuur dan niet-richtingsbepalingen:
het partikel op heeft een primaire ligplaats in het voorzetselvoorwerp
tegen de berg op, maar tegen de reis kent geen thuishaven voor
op. Maar als het voorzetselvoorwerp in (61b) een secondaire ligplaats
heeft én incompleet is (vgl. ook (61')), voldoet het aan beide
voorwaarden om het DC-Principe van toepassing te laten zijn: het DC-Principe
filtert (61b) uit. Daarentegen voldoet (60b) slechts aan één van
de voorwaarden van DC (81): het voorzetselvoorwerp is weliswaar in een
uitwijkhaven, maar heeft een geldig paspoort en dus treedt DC (81) niet in
werking.
De ongrammatikaliteit van (67b) vs. de welgevormdheid van (66b) is
eveneens tot DC (81) herleidbaar. Aangezien de positie van het relatief
(voorzetsel) voorwerp secondair is, en het partikel dat | | | | zijn
thuishaven in de voorzetselvoorwerpgroep heeft (zoals hierboven is aangetoond)
zelf in secondaire positie is, voldoet (67b) aan beide voorwaarden van DC (81).
Daarentegen is het voorzetselvoorwerp in relatief (dus secondaire) positie
geheel compleet in (66b). Het Principe van Douane Controle blokkeert derhalve
enkel (67b). Natuurlijk is het DC-Principe inoperatief in (66a) en (67a). Voor
beide zinnen geldt (i) dat het relatief pronomen weliswaar geen primaire
ligplaats maar wél een geldig paspoort heeft, en (ii) dat het
voorzetselvoorwerp weliswaar incompleet is, maar in de thuishaven ligt.
Soortgelijke reducties zijn mogelijk voor alle andere gevallen die
hier naar voren zijn gebracht. Ook de mogelijkheid van een tweevoudige respons
op (73) en de onmogelijkheid daarvan in (74) wordt door het DC-Principe
verklaard: (74) is structureel ambigu, maar één structuur is
onwelgevormd! In de ‘zich laten leiden’ lezing is waarop in
(74) compleet, maar in de ‘naar iets toegaan’ lezing is
waarop in (74) incompleet. Alleen in deze laatste lezing bevat (74) een
zinsdeel in een uitwijkhaven met een verlopen paspoort: het DC-Principe sluit
deze structuur uit! Anders gezegd, DC (81) blokkeert op principiële wijze
de respons ‘op zijn doel’ als antwoord op vraag (74). Zin (73) kent
alleen een incompleet voorzetselvoorwerp (onder beide structuurinterpretaties!)
en een relatief pronomen waar in een uitwijkhaven maar met geldig
paspoort en valt derhalve buiten het bereik van het DC-Principe. Anders gezegd,
DC (81) laat zowel ‘op zijn doel’ als ‘op zijn
intuïtie’ toe als antwoord op (73).
Hier hebben we een treffend voorbeeld gezien van de interactie van
een aangeboren principe van de Universele Grammatika en een Nederlandstalig
milieu, waar zinnen als (60), (66), (83) maar niet (61b), (67b), (82) deel van
uitmaken. Data zoals deze die het kind in een kritische ‘leerfase’
tot zijn beschikking heeft (naar we aannemen), bepalen de uiteindelijke vorm
waarin het genotypische DC-Principe zich fenotypisch manifesteert in de
grammatika van het Nederlands, die het eindprodukt is van de aanpassing van de
Universele Grammatika aan de omgeving. De zwarte vlekken van de
‘onleerbare’ kennis worden door de Universele Grammaika middels DC
(81) onderkend en gaan deel uitmaken van de kennis die de Nederlander van zijn
grammatika heeft. Het leerbaarheidsprobleem is hiermee gereduceerd tot een
factor in de genetische component van taal. De distributie van de
welgevormdheidsoordelen in deze sectie is biologisch noodzakelijk in de
zin dat ze afleidbaar zijn uit de grammatika van het Nederlands die zich in het
brein volgens een genetische code heeft ontwikkeld in een Nederlandstalig
milieu.
Maar als de omgeving de vorm bepaalt waarin het genotype zich
uiteindelijk manifesteert, kunnen we allerlei andere verschijningsvormen van
het DC-Principe verwachten in een veelvoud van verschillende talen. Tenminste
als DC (81) werkelijk een taaluniversale is, en een belangrijke rol speelt in
een grammatika-theorie met een interessante mate van abstractheid en voldoende
deductieve diepte. Dat dit inderdaad het geval is, kunnen we illustreren aan
drie voorbeelden (uit drie verschillende talen) die op het eerste gezicht
totaal van elkaar verschillen. Driemaal totaal verschillende zwarte | | | | vlekken in evenzovele verschillende talen! Precies wat we hoopten dat
het geval zou zijn.
Allereerst een leerbaarheidsprobleem in het Engels. De volgende
voorbeelden zijn beide welgevormd.
(84) A new book will be forthcoming on W.W. II.
(85) A new argument will be based on old facts.
Wanneer nu W.W. II en old facts bevraagd worden,
verwachten we welgevormde vraagzinnen waar (84) en (85) een mogelijk antwoord
op zouden kunnen zijn. We komen bedrogen uit.
| (86) *Which war will a new book be forthcoming on? |
| (87) Which facts will a new argument be based on? |
Beide zinnen hebben oppervlakkig gezien een identieke structuur.
Vanwaar dit verschil in grammatikaliteit? Hoewel in beide zinnen het
voorzetselvoorwerp incompleet is, is alleen (86) onwelgevormd. Een tipje van de
sluier wordt opgelicht als we ons realiseren dat het voorzetselvoorwerp in (84)
een andere status heeft dan dat in (85). Vgl. (88)-(89):
| (88) A new book on W.W. II will be forthcoming. |
| (89) *A new argument on old facts will be based. |
In (85) ligt het voorzetselvoorwerp in de thuishaven, zo leert ons
de onwelgevormdheid van (89). Dezelfde redenering leidt ons tot de conclusie
dat in (84) het voorzetselvoorwerp in een uitwijkhaven ligt: immers, (88) is
grammatikaal. Maar nu hebben we een verklaring voor de ongrammatikaliteit van
(86). Het DC-Principe voorspelt dat alleen (86) onwelgevormd is, omdat alleen
(86) een zinsdeel bevat dat én in een uitwijkhaven ligt, én een
verlopen paspoort heeft. Dit is het eerste geval waarin een abstract principe
van de Universele Grammatika zijn verklarende waarde demonstreert in een taal
die van het Nederlands verschilt: een nieuwe fenotypische manifestatie
van het genotypische DC-kenmerk.
Een tweede interessant geval is het Italiaans. Deze taal kent zoals
vele andere talen klemtoonloze voornaamwoordjes die zich aan een voorafgaand of
volgend werkwoord onder bepaalde voorwaarden vasthechten.
(90)
| a. Piero vuole darlo a Francesca. |
| b. Piero lo vuole dare a Francesca. |
|
| (Piero wil't aan Francesca geven) |
Zoals (90) laat zien, komt het pronominale lo enclitisch vast
te zitten aan de infinitiefvorm of hecht het zich proclitisch vast aan de
verbogen werkwoordsvorm. De infinitiefgroep dare a Francesca in (90b) is
incompleet: het pronominale lo is uitgeweken naar een proclitische
ligplaats (lo is niet weglaatbaar). Nu kent het Italiaans de relatiefzin
onder twee verschijningsvormen, zoals (91) en (92) laten zien. | | | |
(91)
| questi argomenti, dei quali proprio non voglio parlare a Francesca
sono complicati. |
(92)
| questi argomenti, parlare a Francesca dei quali proprio non voglio
sono complicati. |
| (deze onderwerpen waarover ik werkelijk niet met Francesca wil
praten zijn moeilijk.) |
In (92) ‘sleept’ het relatief pronomen quali de
hele infinitiefgroep parlare a Francesca dei quali met zich mee naar
voren. Het interessante geval doet zich nu voor dat er zich in de Italiaanse
relatiefzin combinaties zouden moeten manifesteren van proclise of enclise
enerzijds, en ‘meesleep’ effecten anderzijds.
| (93) questi argomenti, parlarti dei quali proprio non voglio sono
complicati. |
| (94) *questi argomenti, parlare dei quali proprio non ti voglio sono
complicati. |
Waarom is (94) nu plotsklaps onwelgevormd en (93) niet? Het
‘meesleep’ effect kan hier niet verantwoordelijk voor gesteld
worden: (93) toont dit overduidelijk aan. Het gedrag van het woordje ti
(i.e. ‘jou’) kan evenmin in zijn eentje dit verschil in
grammatikaliteit verklaren: (93') en (94') zijn beide perfect Italiaans zonder
‘meesleep’ effect.
| (93') questi argomenti, dei quali proprio non voglio parlarti sono
complicati. |
| (94') questi argomenti, dei quali proprio non ti voglio parlare sono
complicati. |
We concluderen dat het de combinatie van het proclitisch gedrag van
ti en het ‘meesleep’ effect van dei quali geweest
moet zijn dat verantwoordelijk is voor het verschil in welgevormdheid tussen
(93) en (94). Maar dit is precies de predictie die het DC-Principe maakt.
Het DC-Principe sluit alleen (94) uit, omdat dit de enige zin is met
een incomplete infinitiefgroep die van zijn primaire ligplaats is uitgeweken
naar zinsinitiële positie. Alle andere relatiefzinnen bevatten ofwel
zinsdelen die enkel incompleet zijn (cf. (94')), ofwel zinsdelen die
enkel een secondaire ligplaats hebben (cf. (93)), maar geen zinsdelen
die beide kenmerken bezitten.
Deze verklaring voor de ongrammatikaliteit van (94) is niet-triviaal
of vrijblijvend. Zij is niet-triviaal omdat DC (81) als verklarend
principe slechts indirect op de data betrokken wordt. Het DC-Principe is
geformuleerd in abstracte termen die zelf een afgeleide status hebben,
zoals ‘zinsdeel’, ‘incompleet’, ‘secondaire
ligplaats’, en niet rechtstreeks op observationele gegevens toegepast
kunnen worden. De Universele Grammatika met DC (81) in combinatie met de
taalspecifieke grammatika van het Italiaans (vgl. proclise,
‘meesleep’ effecten) ontwikkelt een deductieve structuur
waaruit predicties zoals de onwelgevormdheid van (94) kunnen worden afgeleid.
De verklaring is evenmin vrijblijvend omdat verwisseling van de
welgevormdheidsoordelen van (93)en (94) een boomerang effect | | | | zou
sorteren op alle tot nu toe gevonden verklaringen die zich op het DC-Principe
beroepen. DC (81) claimt dat, hoewel de onwelgevormdheid van (93) vs. de
grammatikaliteit van (94) een logische mogelijkheid zou zijn, deze
situatie per se tot de empirische, in casu biologische,
onmogelijkheden behoort. De gevonden verklaring voldoet derhalve aan alle a
priori wenselijke criteria van succesvol empirisch onderzoek. Het DC-Principe
is een veelbelovende kandidaat voor een positie in de Universele Grammatika.
Zij dwingt (als onderdeel van de biologische uitrusting die de mens in zijn
taalleerfase stuurt) het in een Italiaanstalig milieu verkerende kind tot de
niet-onderwezen, niet-geleerde, ja zelfs ‘onleerbare’ kennis dat
van de twee niet eerder gehoorde zinnen (93) en (94) alleen de laatste
onmogelijk kan voorkomen als een welgevormde zin in het Italiaans. Deze
‘negatieve’ kennis kan onmogelijk verkregen zijn door leerprincipes
als associatie, analogie, inductie, generalisering, etc. in de zin waarin deze
termen normaal gebruikt worden. Deze kennis is alleen ‘leerbaar’ in
de technische zin die wij hier aan geven: in de zin waarin baardgroei
‘leerbaar’ is. De genetische component, i.e. het DC-Principe,
stellen we hiervoor verantwoordelijk. Deze genetisch bepaalde leertheorie is de
natuurlijke en minst aanvechtbare positie en staat geheel in de traditie van de
natuurwetenschappen.
Tenslotte een manifestatie van het DC-Principe in het Frans. Net
zoals in het Nederlands, het Engels, en het Italiaans, belanden we ook hier in
een leerbaarheidsprobleem. Het Frans kent evenals het Italiaans proclise.
(95)
| a. Pierre a vu trois voyageurs |
| b. Pierre en a vu trois |
| c. *Pierre a vu trois |
Zoals (95) laat zien treedt het proclitische en verplicht op
in combinatie met trois: het wordt op het object betrokken en in ons
metaforisch woordgebruik zeggen we dat de voorwerpsgroep trois
incompleet is. Het object mist en dat een uitwijkhaven gevonden heeft
(gedwongen in dit geval) vóór het hulpwerkwoord. Zoals we al
eerder geconstateerd hebben, kent het Frans ook een stylistische inversie
tussen het subject en het werkwoord onder bepaalde voorwaarden die later aan de
orde komen. Vgl. (96):
(96)
| a. quand croyez-vous que ces hommes sont arrivés? |
| b. quand croyez-vous que sont arrivés ces hommes? |
De positie van het subject rechts van het werkwoord is gemarkeerd in
het Frans. Normaal heeft het Frans zijn subject links van het werkwoord (vgl.
(96a)). In onze terminologie ligt het subject ces hommes in (96b) in een
uitwijkhaven. Proclise en stylistische inversie zijn normale verschijnselen in
het Frans. Maar waarom is dan (97) plotseling onwelgevormd? Want (98) is immers
grammatikaal!
| (97) *quand croyez-vous qu'en sont arrivés trois? |
| (98) quand croyez-vous que sont arrivés trois
voyageurs? |
| | | |
Zin (95b) toont dat en in (97) structureel in een geoorloofde
positie voorkomt. Er is dus geen structurele reden om (97) op dit punt uit te
sluiten. Bovendien verandert het weglaten van en niets aan de
welgevormdheidsstatus van (97). Vgl. (97'):
| (97') *quand croyez-vous que sont arrivés trois? |
Hier is (97') onwelgevormd juist omdat (95c) dat ook is: proclise is
verplicht. Het probleem wordt nog verscherpt omdat ‘analoog’ aan
(97) en (98) er een tweede serie vraagzinnen is die wél allemaal
welgevormd zijn.
| (99) quand croyez-vous qu'il en est arrivé trois? |
| (100) quand croyez-vous qu'il est arrivé trois voyageurs? |
Waarom is (99) in tegenstelling tot (97) welgevormd?
Indien we (99) even buiten beschouwing laten (we komen hier later op
terug), zien we dat alle welgevormde Franse voorbeeldzinnen òfwel
enkel proclise, cf. (95b), òfwel enkel stylistische
inversie, cf. (96b), (98), maar niet beide kenmerken in zich herbergen.
Alleen (97) is een combinatie van proclise en stylistische inversie. Aangezien
het proclitisch element en betrokken moet worden op trois dat
zelf als subject op een gemarkeerde plaats rechts van het werkwoord verschijnt,
hebben we te maken met een zinsdeel in een uitwijkhaven met een verlopen
paspoort (het mist en). Maar dit is precies de configuratie waarvan DC
(81) voorspelt dat zij onwelgevormd is. Ook dit niet-triviale
leerbaarheidsprobleem in de Franse grammatika wordt verklaard door het
DC-Principe van de Universele Grammatika.
De grammatikaliteit van (99) lijkt ditzelfde DC-Principe geweld aan
te doen. Zinnen van dit type benadrukken het empirische karakter van de
formulering die we in (81) hebben neergelegd. Het is evident dat we de notie
‘uitwijkhaven’ scherper moeten karakteriserene De enige relevante
vraag hierbij is of dit op een interessante, d.w.z. niet-triviale, manier kan
gebeuren die niet geheel vrijblijvende empirische konsekwenties impliceert.
Het DC-Principe verenigt zoals we gezien hebben een groot aantal
generalisaties onder zich: complexe verzamelingen data uit een veelheid van
talen en disparaat van aard zijn gereduceerd tot een principe met een
deductieve structuur, dat in interactie met andere condities en taalspecifieke
regels de negatieve kennis leerbaar maakt.
Hetzelfde kan gezegd worden van de andere hier besproken condities
op de vorm van leerbare grammatika's. Subjacency en MP zijn
evenals het DC-Principe abstracte condities. Ze zijn geen
‘generalisaties’ over geobserveerd feitenmateriaal. Hun relatie tot
de ‘harde werkelijkheid’ is zeer indirect. Het is eenvoudigweg
onmogelijk om deze algemene principes rechtstreeks toe te passen op de
observeerbare gegevens. MP kan niet bloot op nalles betrokken
worden, evenmin kan Subjacency direct iets zeggen over de
grammatikaliteit van Kárel geloof ik niet dat ziek is vs.
*Kárel ik geloof niet dat ziek is, en ook het DC-Principe
is niet onmiddellijk evident voor het statusverschil tussen *snel opklimmen
tegen iets vs. erg opzien tegen iets. Al deze principes van de
Universele Gram- | | | | matika worden pas in interactie met andere,
niet-triviale aannames over de structuur van het Nederlands in verband met de
‘harde feiten’ gebracht. Deze ‘harde feiten’ waren geen
van alle zo evident dat ze rechtstreeks tot de formulering van de
taaluniversele principes aanleiding gaven. Juist het omgekeerde was het geval:
de discussie heeft duidelijk gemaakt dat data pas een zekere relevantie krijgen
in de context van een interpreterende theorie. Er bestaan geen ‘harde
feiten’ per se. Men realiseert zich in de niet-natuur-wetenschappelijke
disciplines vaak al te weinig dat hoe ‘harder’ de theorie, des te
‘rekbaarder’ de feiten zijn. Hier hebben we gezien hoe reeksen
‘disparate’ feiten (want wat hebben ik zie op tegen de reis
en ik klim op tegen de rots gemeen met quand sont arrivés
trois voyageurs en quand en sont arrivés trois?) konden
worden afgeleid uit een redelijk deductief systeem van universele condities en
taalspecifieke regels. Dit regelsysteem is een mal die vorm geeft aan de
‘harde feiten’. Als zodanig hebben Subjacency, het
DC-Principe en MP een grote verklarende waarde. Maar behalve dat
ze hele reeksen van feitenmateriaal op een niet-triviale manier onder zich
verenigen, zijn ze heel ‘natuurlijk’ in de zin dat ze ambiguiteit
in een wel omschreven domein reduceren (vgl. MP), en het domein (vgl.
Subjacency) of de functie (vgl. DC-Principe) van mentale
computatie beperken of sterk vereenvoudigen. Als deel van het genotype
dragen Subjacency, MP, en het DC-Principe bij tot de
leerbaarheid en efficiëntie van menselijke taal. Filosofisch
gezien sluit deze gedachte nauw aan op Plato's anámnēsis
these (cf. de slaaf en zijn aangeboren, niet-geleerde wiskundige
‘kennis’ in Plato's Meno).
4. We hebben reeds vele malen beweerd dat menselijke taal
soortbepaald is. Andere primaten, met name de hogere mensapen (chimpansees,
gorilla's), bezitten geen taalbeheersing zoals die typerend is voor de mens.
Sommigen hebben beweerd dat onder experimentele druk mensapen zich een taal
(eigenlijk een non-verbaal symbool systeem) hebben eigengemaakt. Maar wat wordt
hiermee bedoeld? Een nieuwe variant van ‘oom leert zijn neefje praten'?
Dergelijke apetalen missen alle kenmerken die krachtens biologische noodzaak
voor alle menselijke taal gelden en waarvan we er al enkele operatief hebben
gezien (Subjacency, MP, en het DC-Principe). Lijkt het
gebruik dat apen van taal maken pragmatisch op het gebruik dat de mens van taal
maakt? Dat is niet evident, maar stel dat dit oppervlakkig gezien misschien wel
zo is. Misschien benadert het gebruik dat de krab van zijn gezichtsvermogen
maakt ook wel dat van de kat. Beide organismen zien en functioneren o.a. door
hun gezichtsvermogen. Toch zijn er kwalitatieve verschillen. Het katteoog heeft
een genetische component: het genotype ontwikkelt een binoculair oog dat met
z'n instelbare lenzen verschilt van het samengestelde krabbeoog, dat een serie
gefixeerde lenzen heeft (en overigens ook genetisch gedetermineerd is). Het
meer gespecialiseerde, geavanceerde en efficiënte katteoog (grofweg, de
krab ziet niets scherp en de kat ziet alles scherp) laat zich vertalen in de
selectionele voordelen die de kat in zijn evolutionaire ontwikkeling gekend
heeft.
Zo zijn er eveneens kwalitatieve verschillen tussen apetaal en
menselijke taal. Menselijke taal kent een genetische component: condities op de
vorm en functie van regelsystemen die direct ver- | | | | antwoordelijk zijn
voor het expressieve vermogen en de leerbaarheid van taal, zoals e.g. het
DC-Principe, Subjacency, recursief gebruik van
structuurafhankelijke regels (cf. infra), etc. Deze structuurkenmerken zijn
genotypisch bepaald en hebben - onder de redelijke aanname dat functie aan bouw
gerelateerd is in evolutionaire zin - het genotype de belangrijke selectionele
voordelen in zijn evolutionaire ontwikkeling geboden die inherent aan
taalgebruik zijn.
Evenals het wegvallen van de genetische code die de ontwikkeling van
de instelbare lens (vs. de gefixeerde lens) programmeert, de kat ernstig in
zijn evolutionaire bestaan zou duperen, zo zou ook het wegvallen van de
Universele Grammatika die de efficiëntie van het systeem verzorgt, de mens
ernstig duperen in de selectionele voordelen die de taal hem gegeven heeft.
Waarom zeggen we dan dat apen taal leren? We zeggen toch ook niet dat krabben
katachtig kijken!
Het zou een grote verrassing zijn als zou blijken dat de
selectionele voordelen van menselijke taal niet in de genetische component van
taal zitten (i.e. grammatika) maar ‘ergens anders’ en dat dit
‘ergens anders’ kwalitatief, maar in verschillende dosering,
gemeenschappelijk is aan primaten. Men zou bijvoorbeeld kunnen denken dat de
selectionele voordelen van taal in de ‘pragmatische’ kant van taal
liggen besloten: ‘kennis’ van de onwelgevormdheid van (i) zij
trok ons van zich af zou in deze visie belangrijker zijn dan
‘kennis’ van de onwelgevormdheid van (ii) zij trok ons naar
zichzelf toe voor de strijd om het bestaan. (Nu is het
‘toevallig’ zo dat de hogere mensapen wel interessante vorderingen
maken met de niet-vormelijke, a-syntaktische, aspecten van taal, maar dat deze
vooruitgang zich niet manifesteert in de vormkant, de structuur, van taal.) Men
beweert dan eigenlijk dat de perifere kant van taal de vormkant is, en dat de
centrale component van taal de pragmatische kant is (vgl. kennis van
thematische rollen, objecten in de wereld, etc.). Hoewel een dergelijke
ontkenning van een significante relatie tussen structuur en functie logisch
niet onmogelijk is, is zij evolutionair een probleem. Waarom bezit de aap
genotypisch een taalpotentie die er moeizaam en slechts onder experimentele
druk in de vorm van een gebarentaal uitkomt? Deze situatie zou enigszins
vergelijkbaar zijn met een pinguin-soort die onder invloed van de stimulerende
en vormende werking van het dierentuin-milieu (e.g. zijn verzorger of de
adelaar in de kooi ernaast) moeizaam leert fladderen. Er komt niets uit wat er
niet al in zit. Dit geldt voor de pinguin en de aap. Beide leren ze wel iets,
maar geen van beide ‘leren’ ze datgene wat de adelaar en de mens
‘van nature’ hebben meegekregen.
De meest conservatieve uitspraak is dan ook dat dergelijke
symboolsystemen artificieel geleerd zijn en de selectionele voordelen van
menselijke taal missen. Als apetaal menselijk is, dan is ook het krabbeoog
katachtig. Het is duidelijk dat we niet geïnteresseerd zijn in
terminologie (we maken ons als taalkundige ook niet druk om de taal der bijen,
de taal der bloemen, de taal der liefde, etc.). Zonder onaardig te willen zijn
tegen Koko de gorilla en zijn fantastische en aandoenlijke leerprestaties,
moeten we ons toch serieus afvragen of de symboolsystemen die apen leren niet
net zoveel met taal te maken hebben als apekool met kool. Hoogst interessant
voor een vergelijk van de intelligentie van de aap met die van de | | | | mens, zijn deze systemen vanuit een ‘grammatikaal’
gezichtspunt betrekkelijk oninteressant.
Merk op dat het zinloos is tegen de gedachte dat er selectionele
voordelen in de genetische kant van taal (de Universele Grammatika) besloten
liggen, in te brengen dat de menselijke ‘intelligentie’ van dien
aard is dat taal geen typerend kenmerk voor de mens zou zijn: de intelligente
mens zou immers evengoed een ander medium ontwikkeld kunnen hebben. Deze
redenering mist elke kracht. Analoog kunnen we ons afvragen of de
‘intelligentie’ van de kat niet gezorgd zou hebben voor de
ontwikkeling van een ander zintuiglijk orgaan. Soort-bepaalde
‘organen’ als het katteoog en de menselijke taal moeten qua functie
tegen een evolutionaire achtergrond bekeken worden. De evolutieleer neemt
immers in principe de beantwoording voor haar rekening van vragen als waarom de
boommens geen ‘echte taal’ kent, of waarom de pinguin geen
‘echte vleugel’ heeft. (In de praktijk laat de evolutieleer het
hier afweten!) Dit zijn vragen naar de fylogenetische ontwikkeling van
‘organen’ binnen de soort. De taalkundige probeert slechts
een antwoord te vinden op vragen naar de ontogenetische ontwikkeling van
‘organen’ binnen het individu. Elk kind moet telkens weer de
grammatika van zijn taalmilieu opnieuw ‘ontdekken’, zoals elke kat
telkens weer het katachtig oog van zijn familie opnieuw moet
‘ontwikkelen’. De linguist zegt enkel dat de mens een grammatika
leert ontwikkelen in dezelfde zin als waarin de kat een binoculair oog leert
ontwikkelen: beide ontwikkelingen liggen genetisch vast in de embryologische en
post-natale ontwikkeling van het individu.
In deze kontekst is het wellicht verhelderend op te merken dat
mensapen hun symboolsystemen hebben geleerd in een andere zin dan waarin
kinderen hun taal ‘leren’. De aap krijgt intensieve instructie in
het totale systeem, maar de kleuter (en scholier) krijgt slechts een minuscuul
gedeelte van zijn kennis onderwezen. Zijn kennis is slechts zeer indirect, nl.
via de Universele Grammatika, gerelateerd aan zijn ervaring en strekt zich
zelfs uit tot ‘onleerbare’ ervaring, nl. de ‘negatieve
kennis’ die nooit ‘geleerd’ kan zijn op basis van talige
ervaring alleen. Daarom demonstreren we wanneer we zeggen dat ‘apen een
taal kunnen leren’ en dat ‘kinderen hun moedertaal leren’,
een ambigu taalgebruik. In het eerste geval (maar niet het laatste) gebruiken
we ‘taal’, en in het laatste geval (maar niet het eerste) gebruiken
we ‘leren’ metaforisch.
In het vervolg zullen we er steeds van uitgaan dat de centrale
kenmerken van menselijke taal die ten grondslag liggen aan het efficiënt
gebruik dat we van taal maken, zich beperken tot de vormkant van taal, de
syntaxis, en dat de pragmatische kennis slechts behoort tot de periferie van
het taalsysteem.
5. Elke wetenschap wordt gekenmerkt door zijn problemen (objecten
van onderzoek) en wat zich als oplossingen voor die problemen aandient. De
specifieke problemen moeten vanuit een rijke voedingsbodem geformuleerd kunnen
worden en de verklaringen voor problemen moeten abstract, algemeen,
niet-triviaal of vrijblijvend van aard zijn en voldoende deductieve diepte
hebben. Een autonome wetenschap heeft zijn eigen object van onderzoek met
eigen, unieke, probleem- | | | | stellingen en eigen, unieke, oplossingen
voor die problemen. De mate van succes in empirisch onderzoek is een functie
van de reikwijdte van de problemen en de diepte van de verklaringen.
Tot dusverre hebben we de linguistiek afgeschilderd als een
onderdeel van de biologie van de mens. Dit gezichtspunt is de kweekbodem voor
de typische probleemstellingen van de taalkunde. We hebben de
leerbaarheidsproblemen als dé belangrijke vragen van de linguistiek
opgeworpen. De naar voren gebrachte oplossingen, nl. Subjacency,
MP, en het DC-Principe zijn alle principes die werkzaam zijn
binnen het geheel van de Universele Grammatika. De ontogenie van taal en de
reikwijdte van haar problemen enerzijds, en de genetische component van de
grammatika en de diepgang van de verklarende principes anderzijds, bepalen het
moderne gezicht van de taalkunde als een onderdeel van de biologie van de
mens.
We hebben ons niet erg expliciet uitgelaten over de deductieve
structuur van de gevonden verklaringen voor opgeworpen problemen. We hebben
slechts gesteld dat er een Subjacency-beginsel is en dat dit in tal van
gevallen werkzaam is zonder dat we ook maar enigszins hebben aangegeven hoe de
verklaarde gegevens afleidbaar zijn uit een deductieve structuur die gevormd
wordt door de Universele Grammatika in samenhang met de taalspecifieke
grammatika. Hetzelfde geldt voor MP dat we voor het gemak
geïdentificeerd hebben met correlatie (44), maar dat eigenlijk nog
geformuleerd moet worden. Wel hebben we grofweg aangegeven hoe dit principe
relevant is voor tal van problemen en middels de empirische correlatie (44)
zijn we tot zeer markante verklaringen gekomen die redelijk expliciet van aard
waren. Tenslotte is het DC-Principe weliswaar geformuleerd, maar veel
hangt af van de juiste interpretatie van noties als ‘secondair’,
‘zinsdeel’ of ‘incompleet’ (cf. infra, par. 10). Voor
alle gevallen geldt dat we de deductieve structuur van de Universele Grammatika
en zijn interactie (of manifestatie) in de specifieke grammatika's van
afzonderlijke talen weinig expliciet hebben gemaakt. We zullen thans iets meer
expliciet ingaan op de deductieve diepgang van een typisch taalkundige
verklaring voor een markant leerbaarheidsprobleem. Zoals reeds uiteengezet,
betreffen vragen naar de leerbaarheid van menselijke taal steeds de
ontwikkelingsbasis van taal op het nivo van het menselijk organisme. We kiezen
Subjacency als ordenend beginsel en zullen laten zien hoe dit
genotypisch principe ten grondslag ligt aan de taalspecifieke grammatika's die
vele gebieden van ‘onleerbare’ kennis op deze wijze toegankelijk
maken.
6. Voordat we aan deze demonstratie toekomen, moeten we eerst enkele
noties ontwikkelen die de rest van het betoog zullen vergemakkelijken en ons de
gelegenheid geven de relevante vragen te formuleren.
Taal is gestructureerd. Hier zijn we slechts geïnteresseerd in
de globale structuur van zinnen en nominale woordgroepen. Zo is (1) een zin en
is (2) een voorbeeld van een nominale woordgroep.
| (1) wij doen een beroep op de kroon |
| (2) ons beroep op de kroon |
Evenals nominale woordgroepen in nominale woordgroepen ingebed
kunnen voorkomen, kunnen ook zinnen zelf weer deel uitmaken van zinnen. | | | |
| (3) hij pleit ervoor dat wij een beroep op de kroon doen |
| (4) zijn pleidooi voor ons beroep op de kroon |
Zinnen zijn m.a.w. zinsdelen net zoals nominale woordgroepen
zinsdelen zijn. We noemen zinsdelen met een sententieel karakter
sententiële woordgroepen, voortaan afgekort weergegeven met S (i.e.
sentential phrase), en zinsdelen met een nominaal karakter nominale
woordgroepen, voortaan afgekort weergegeven met NP (i.e. nominal
phrase). De kern van een S is een werkwoord, V (voor
verb); de kern van een NP is een zelfstandig naamwoord, N
(voor noun). We geven aan dat (1) een S is door de woordgroep te
laten beginnen met een linkerhaakje ‘[’ en te laten eindigen met
een rechterhaakje ‘]’, en er vervolgens voor te zorgen dat op beide
haakjes het etiket ‘S’ wordt geplakt, cf.
‘[S’ resp. ‘]S’. We noemen
dergelijke haakjes ‘benoemde haakjes’. Op soortgelijke wijze geven
we aan dat (2) een NP is. Inbeddingen van S in S of
NP in NP gaan analoog. Vgl. (3') en (4'):
| (3') [S hij pleit ervoor dat [S we een beroep
op de kroon doen ]S]S |
| (4') [NP zijn pleidooi voor [NP ons beroep op
de kroon ]NP ]NP |
In (3') en (4') zijn we een beroep op de kroon doen en ons
beroep op de kroon een S resp. NP die deel uitmaken van een
meer omvattende structuur, nl. een S resp. NP. We noemen (3') en
(4') ‘benoemde haakjes structuren’. Natuurlijk kunnen ook zinnen,
i.e. S'en, ingebed in NP voorkomen, evenals NP's ingebed
in S kunnen voorkomen.
We hebben nu reeds gezien dat S en NP enkele
karakteristieken gemeen hebben: e.g. recursie. Maar ook lijken ze vaak op
elkaar in de zin dat de (subcategorisatie-) beperkingen op hun kern vaak gelijk
zijn. Bovendien zijn de S en NP de enige woordgroepen die een
potentieel zinsdeel kunnen bevatten dat de functie van
‘subject-van’ kan vervullen. Het zinsdeel dat
‘subject-van’ S of NP is in (5) is die NP die links
van de kern van S of NP verschijnt.
(5)
| (i) zij zorgt voor de kinderen |
| (ii) ik weiger om te gehoorzamen |
| (iii) zij geloven dat ze gelijk hebben |
| (i') haar zorg voor de kinderen |
| (ii') mijn weigering om te gehoorzamen |
| (iii') hun geloof dat ze gelijk hebben |
In (5) is heel duidelijk weergegeven hoe gelijk de beperkingen op de
kernen van corresponderende S'en en NP's eigenlijk wel zijn. We
noemen de categorieën die de mogelijkheid van een eigen subject hebben
cyclische categorieën: NP en S zijn cyclische
categorieën die recursieve inbeddingen toelaten. De S heeft steeds
een verplicht subject, voor de NP is de aanwezigheid van een subject
optioneel. Vgl. (6):
(6)
| a. *hij pleit ervoor dat [S een plan maken
]S |
| b. zijn pleidooi voor [NP een plan ]NP |
| | | |
De bovenstaande definitie van ‘subject-van’ geeft
duidelijk problemen in de Nederlandse bijzin. Deze problemen zijn triviaal voor
de dat-zin en we zullen ze vermijden door te stellen dat het subject van
de S steeds de meest linkse NP is van de S (Deze definitie
is allerminst bevredigend maar voor ons doel voldoende. We komen later hierop
terug.).
Zoëven is reeds gezegd dat taal interne structuur heeft. We
bedoelden hiermee dat taal geen arbitraire aaneenschakeling is van klanken,
maar dat woordgroepen een hiërarchische structuur hebben zoals
geïllustreerd in (3') en (4'). Zinnen en nominale woordgroepen kennen ook
structuurafhankelijke relaties. Wat we hier ongeveer mee bedoelen kan
duidelijk gemaakt worden met (7).
(7)
| a. jij hebt er Wilma van beschuldigd |
| b. jij hebt Wilma van ontrouw beschuldigd |
| c. *jij hebt Wilma van beschuldigd |
Deze zinnen demonstreren een afhankelijkheidsrelatie tussen
van en er. Het voorzetsel van eist een nominaal object.
Dit object kan een aangrenzende nominale woordgroep zijn (ontrouw), maar
kan ook een ontheemd pronominaal element zijn (er). De afhankelijkheid
van er en van ten opzichte van elkaar kan als volgt uitgedrukt
worden: een los voorzetsel kan slechts dan in de zin voorkomen als er
ook een ontheemd pronominaal element aanwezig is. De juistheid van deze
correlatie wordt bevestigd door (8).
(8)
| a. jij hebt Wilma beschuldigd |
| b. jij hebt er Wilma van ontrouw beschuldigd |
Zin (8a) mist zowel van als er en is derhalve
grammatikaal. Daarentegen is (8b) onwelgevormd onder een niet-locatieve
interpretatie van er, zoals wordt aangetoond in (9), waar er geen
locatief pronomen kan zijn omdat in Gouda reeds een locatieve bepaling
is.
(9)
| *jij hebt er Wilma in Gouda van ontrouw beschuldigd |
Het voorzetsel van heeft een fonetisch gerealiseerd object in
(7b), i.e. ontrouw, maar een leeg object in (7a). Dit lege object
is echter wel een element in de afhankelijkheidsrelatie tussen er en
van: de lege positie kan met name niet ongestraft worden opgevuld (cf.
(8b) en (9)). Hoewel dit lege object niet fonetisch gerealiseerd wordt, schijnt
het toch ‘reëel’ aanwezig te zijn in de mentale voorstelling
die we van deze zin maken. Het postuleren van een schijnobject is een manier om
formeel uit te drukken dat er het ontheemde object is van het voorzetsel
van middels de lege positie die feitelijk door het voorzetsel geregeerd
wordt. In termen van een vorige paragraaf heeft er een lege thuishaven
achtergelaten. We spreken nu de volgende terminologie af. We zeggen dat
er ‘ontsnapt’ is uit het voorzetselvoorwerp en dat de lege
positie (het schijnobject) het achtergelaten ‘spoor’ is van deze
ontsnapping. We formuleren nu de algemene regel:
R1
Ontsnappingen laten sporen na | | | |
Als we deze lege positie notationeel weergeven als ‘t’
(trace), kunnen we aan (7a) de volgende structuur toekennen,
(10) [S jij hebt er Wilma van t beschuldigd
]S
waar t het spoor van er is. Het ontsnapte element
noemen we het ‘antecedent’ van de lege positie. Bondig geformuleerd
kan het voorafgaande als volgt worden weergegeven: sporen staan in een
afhankelijkheidsrelatie tot hun antecedent.
We zullen nog een ontsnappingsproces illustreren. Zoals reeds
gezegd, is het voorzetselvoorwerp van NP optioneel bij
beschuldigen. Vandaar dat (8a) grammatikaal is. De object NP is hier
echter verplicht:
(11) *je hebt van ontrouw beschuldigd
Daarom verwachten we de volgende distributies:
(12)
a. wie heb je van ontrouw beschuldigd?
b. *_ heb je van ontrouw beschuldigd?
c. _ heb je Wilma van ontrouw beschuldigd?
d. *wie heb je Wilma van ontrouw beschuldigd?
Wie in (12a) vervult dezelfde functie als Wilma in
(12c): ze kunnen niet beide voorkomen, ze kunnen niet beide wegblijven. Het is
het een of het ander. Wie verhoudt zich tot Wilma als er
tot ontrouw. Zin (12a) bevat dan ook een ‘lege positie’. De
structuur van (12a) kan globaal worden weergegeven als (13),
(13) wie [S heb je t van ontrouw
beschuldigd ]S
waar t het spoor is van het ontsnapte element wie. We
zeggen ‘wie staat in een antecedent-relatie tot
t’.
Er zijn verschillende ontsnappingsroutes. We kennen
hinkprocessen, stapprocessen en sprongprocessen.
(i) Hinkprocessen hebben een strikt lokaal karakter: ze
spelen zich af binnen de nauwe grenzen van een zinsdomein (S).
Eén voorbeeld van zo'n proces hebben we reeds gezien, nl.
er-ontsnapping.
(14)
a. jij hebt er met tegenzin Wilma van beschuldigd
b. jij hebt met tegenzin er Wilma van beschuldigd
c. jij hebt met tegenzin Wilma er van beschuldigd
d. *jij hebt met tegenzin Wilma van er beschuldigd
We kunnen dit hinkproces schematisch weergeven als (15):

Opgemerkt kan worden dat er verplicht moet ontsnappen (vgl.
(14d)), maar betrekkelijk vrij is in zijn keuze van uitwijkhaven. | | | |
Een ander voorbeeld dat we reeds kennen is de ontsnapping van het
voorzetselvoorwerp (die optioneel is):
(16) en (17)

Bijna alle talen hebben hinkprocessen en sommige talen, zoals enkele
streekdialecten van het Arabisch, kennen alleen maar hinkprocessen. Deze talen
noemen we hink-talen.
(ii) Stapprocessen hebben een iets ruimere actieradius maar
blijven nog altijd lokale ontsnappingen. Twee van dergelijke ontsnappingen zijn
de vraagwoord-ontsnapping en de relatief-ontsnapping.
(18) en (19)

Stapprocessen zijn een veel voorkomend verschijnsel in taal. Er zijn
geen talen bekend die wel stapprocessen maar geen hinkprocessen kennen. Wel
zijn er talen die alleen maar stap- en hinkontsnappingen toelaten (en
sprongprocessen afwijzen). Deze talen noemen we hink-stap-talen (vgl.
het Russisch).
(iii) De sprongontsnappingen vormen het laatste proces: deze
kunnen zich uitstrekken over een onbepaald lange afstand zoals de volgende
voorbeelden van vraagwoord-ontsnapping en topic-ontsnapping laten
zien.
(20) wie denk je dat ze zullen zeggen dat er naast ons komt
wonen?
(21) het is Wilma die ik denk dat ze zullen zeggen dat je van
ontrouw beschuldigd hebt.
Het ongebonden domein van de ontsnappingen wordt duidelijk in de
structurele weergave van deze zinnen.
(20') en (21')

Dit type ontsnapping komt in veel talen niet voor. In zekere zin
zijn sprongprocessen een gemarkeerd verschijnsel in taal. Toch zijn er
verschillende talen die sprongontsnappingen toelaten. Deze talen noemen we
hink-stap-sprong-talen (vgl. Deens, Italiaans, Nederlands): er zijn
immers geen talen die wel sprongen maar geen stappen maken. Anders gezegd, we
hebben hier een implicationele universale (lees: sprong impliceert stap
impliceert hink):
R2
Sprong ⊃ Stap ⊃ Hink | | | |
Deze taxonomie van ontsnappingen heeft natuurlijk geen verklarende
waarde: dat heeft geen enkele classificatie. Wél is het zo dat deze
beschrijving aanleiding geeft tot het maken van beweringen die wel gaan
bijdragen tot enkele verklaringen van taalverschijnselen.
De eerste bewering is dat ontsnappingen structuurgevoelig
zijn. Dit laat zich eenvoudig demonstreren aan de hinkontsnapping van
er.
(22) en (23)

Deze er-ontsnapping is gevoelig voor structuur in velerlei
opzicht:
(i) Het proces bepaalt zich tot een pronominale vorm van een groep
woordjes met een gemeenschappelijk kenmerk (er, hier, daar, ergens, nergens,
overal) en sluit niet de ontsnapping in van ‘verwante’
pronominale vormen ('t, dit, dat, iets, niets, alles).
(ii) De er-ontsnapping is gevoelig voor de hiërarchische
zinsstructuur: de uitwijkhaven kan niet in een subject NP liggen, cf.:
(24) en (25)

Er-ontsnapping loopt dood vóór de gehele
subject NP en niet vóór een NP binnen het subject. Zin
(26) lijkt hiermee in tegenspraak te zijn, maar is het niet.
(26)
a. omdat mijn broer in Spa er Wilma van beschuldigt
b. omdat mijn broer er in Spa Wilma van beschuldigt
Zin (26a) is ambigu en zin (26b) correspondeert maar met
één betekenis van (26a): (26b) heeft een betekenis waarin
Spa de plaats is waar de beschuldiging wordt uitgesproken; (26a) kent
deze betekenis ook, maar heeft bovendien een betekenis waar mijn broer in
Spa (en niet bijv. mijn broer in Rome) de beschuldiging uitspreekt
(en niet noodzakelijk in Spa). Anders gezegd, de twee interpretaties van
(26a) correleren met twee structuren: één waarin ‘in
Spa’ een deel is van de subject NP en één waarin ‘in
Spa’ dat niet is. Dit wordt bevestigd door de hoofdzinsvolgorde van (26
a,b) die in het Nederlands gekenmerkt wordt door de tweede positie van het
werkwoord in de zin.
(27)
a. mijn broer beschuldigt in Spa er Wilma van
a'. mijn broer in Spa beschuldigt er Wilma van
b. mijn broer beschuldigt er in Spa Wilma van
b'. *mijn broer er in Spa beschuldigt Wilma van | | | |
(27b) heeft een structuur die op relevante punten overeenkomt met
die van (26b), terwijl (27a) en (27a') structuren hebben die op relevante
punten overeenkomen met de twee structuren die aan (26a) toegekend kunnen
worden. De ambiguïteit van (26a) is m.a.w. structureel van aard.
Er-ontsnapping en de tweede positie van het werkwoord in de hoofdzin
spelen op dezelfde wijze in op de verschillende structuren die aan (26a) ten
grondslag liggen: slechts onder de ‘minimale’ interpretatie van de
subject NP in (26a) verschijnen er èn het werkwoord onmiddellijk
na mijn broer, cf. (26b) resp. (27a), (27b).
(iii) De er-ontsnapping beperkt zich tenslotte tot bepaalde
uitwijkhavens. Ze gaat bijv. nooit verder dan het subject van de zin. Dit
aspect van structuurafhankelijkheid geeft aanleiding tot een subtiel
onderscheid in onderstaande zinnen.
(28) weet je wie [S Wilma ervan beschuldigt ]S
?
(29) weet je wie [S er Wilma van beschuldigt
]S ?
De eerste zin, (28), is ambigu: Wilma kan als subject
èn als object van beschuldigt worden geïnterpreteerd. De
laatste zin, (29), is eenduidig: Wilma kan slechts als object worden
opgevat. De verklaring voor het ‘wegvallen’ van de
subject-interpretatie ligt in de structuurafhankelijkheid van de
er-ontsnapping die vóór het subject tot staan wordt
gebracht. In de notatie tot dusverre ontwikkeld kunnen de verschillende
structuren als volgt worden weergegeven (t is het spoor van de
vraagwoord-ontsnapping):
(30) en (31)

Er-ontsnapping is verplicht zoals we hierboven zagen.
Ontsnappingsroute 1 in (30) geeft (28) met een object-interpretatie van
Wilma. Ontsnappingsroute 1 (of 1-plus-2) in (31)
geeft eveneens (28), echter ditmaal met een subject-interpretatie voor
Wilma. Vandaar de ambiguïteit van (28). Ontsnappingsroute
1-plus-2 in (30) geeft (29) met een object-lezing voor
Wilma. De enige manier om (29) af te leiden met een
subject-lezing voor Wilma is de ontsnappingsroute
1-plus-2-plus-3 in (31), maar deze route is evenals route
3 in (30) geblokkeerd door een structuurafhankelijke conditie op
er-ontsnapping: tot het subject en niet verder.
We hebben gezien dat er-ontsnapping structuurafhankelijk is
en wel op een interessante manier: het verklaart ambiguïteiten en het
wegvallen van interpretaties onder ontsnappingen. Deze structuurafhankelijkheid
beperkt zich niet tot er. Het is een kenmerk van alle processen in taal.
We beweren:
R3
Ontsnappingen zijn structuurgevoelig.
Stapprocessen ontsnappen net aan hun minimale zinsdomein. Dit kan
preciezer worden uitgedrukt. De tweede bewering is dan dat ontsnappingsroutes
van stapprocessen niet verder gaan dan de periferie van het
‘grote’ S-domein. Wat wordt hiermee bedoeld? Bekijken we
(32) en (33): | | | |
(32)
a. kun je vragen of / *dat hij dit morgen zal doen?
b. kun je beweren *of / dat hij iets weet?
(33)
a. kun je vragen wat (of) hij morgen zal doen?
b. *kun je beweren wat (dat) hij weet?
De generalisatie is duidelijk: vraagwoord-verplaatsing zoekt als
vluchthaven een ligplaats naast zinsinleidende partikels (voortaan
afgekort weergegeven als C van complementizer) en doet dit weer
op een interessante, i.e. structuurgevoelige, manier. Alleen het partikel dat
een indirecte vraag inleidt, of, kan als aanlegsteiger dienen voor
vraagwoorden. Deze aanlegsteiger kan ook geheel bezwijken voor het geweld van
de vluchter, cf. (33a), en doet dit steeds in het Engels en Frans.
Een zin als (34) is dan ook geen tegenvoorbeeld tegen de gevonden
correlatie van ‘of’ met vraagwoorden in het licht van (35):
(34) kun je zeggen wat hij gelezen heeft?
(35) kun je zeggen dat hij dit gelezen heeft?
Immers, naast (35) komt ook (36) voor: zeggen heeft meerdere
opties van zinsinleidende partikels en dus meer mogelijkheden van
stapprocessen.
(36) kun je zeggen of hij dit gelezen heeft?
De vraag is nu waar die zinsinleidende partikels zitten. Het
antwoord dat we geven is: ze zitten links van het subject (dus buiten de
minimale S), maar binnen een meer omvattend zinsdomein. Dit meer
omvattend zinsdomein noemen we ‘grote’ S of ‘S
met de hoge hoed’ (voortaan afgekort als S̄), en het ingesloten
zinsdomein noemen we ‘kleine’ S (blijft notationeel
weergegeven als S). De structuur van (12a) kan dan preciezer weergegeven
worden als (37) in plaats van (18).
(37) … S̄ wie [S heb je
t van ontrouw beschuldigd ]S ]S̄
Alle stapprocessen zijn periferie ontsnappingen in deze zin.
De zinsdelen ontsnappen aan de kleine S, maar blijven aan de periferie
van de grote S hangen. Ze blijven meer specifiek vastzitten aan (of
verdringen zelfs) de zinsinleidende partikels van vraagzinnen (of, whether,
si, …). Daarom noemen we deze stapprocessen ook wel
C-attracties. Als een aanlegsteiger plaats biedt aan slechts
één enkel vraagwoord, dan volgt uit het gegeven dat er per zin
(‘grote’ S) slechts één vraagpartikel
is dat er ook maar één vraagwoordontsnapping per S kan
plaatsvinden. Er is m.a.w. een principiële verklaring voor de
ongrammatikaliteit van (38b) en (38c).
(38)
a. I wonder who saw what
b. *I wonder what who saw
c. *I wonder who what saw
Om dezelfde reden is ook een aantal combinaties van
vraagwoord-ontsnappingen in paragraaf 3.1. geblokkeerd: ‘dubbel’
gevulde C's zijn | | | | uitgesloten. De inhoud van deze sectie kan
bondig geformuleerd worden als:
R4
Stapprocessen zijn C-attracties: ontsnappingen naar de
periferie van de minimale S̄.
Deze formulering neemt een substantiële universale gedeeltelijk
voor haar rekening, nl. de C-Attractie Universale, die stelt dat
‘alleen talen met zinsinitiële C's C-attractie
toelaten’. Zij verklaart dat er geen talen voorkomen die zinsuitleidende
partikels hebben en toch zinsinitiële vraagwoorden toelaten. Ook sluit ze
de mogelijkheid uit van zinsinitiële C's en zinsfinale
vraagwoorden.
Dit verschil tussen ‘kleine’ en ‘grote’
S ontbreekt bij de NP: NP heeft geen aanlegsteigers. Het
ontbreken van ‘complementizers’ bij NP (en derhalve het ipso
facto samenvallen van ‘kleine’ en ‘grote’ NP) is
een belangrijk gegeven waar we later mee zullen gaan werken. Voorlopig volgt
uit (R4) dat stapprocessen zich beperken tot zinnen en zich niet voordoen in
nominale woordgroepen.
De derde bewering is het meest interessant. Ontsnappingen zijn op
een heel subtiele manier structuurgevoelig: ze zijn stripgevoelig. Alle
voorbeelden van sprongprocessen die we tot nog toe gegeven hebben zijn
ontsnappingen geweest naar het begin van de zin (naar links in onze notationele
weergaven). Is dit toevallig? Of principieel? Zijn de volgende gevallen
mogelijk in het Nederlands of enige andere taal?
(39) het is mij onduidelijk [S̄ wat [S hij
moet lezen ]S ]S̄
(40) het is onduidelijk [S̄ wie [S hij een
boek leest ]S ]S̄
Aangezien onduidelijk een of partikel kent (vgl.
(41)); en vraagwoord-ontsnappingen C-attracties zijn, zouden we
misschien verwacht hebben dat beide zinnen perfect Nederlands zouden zijn.
(41) het is mij onduidelijk [S̄ of hij een boek leest
]S̄
Maar dit is niet zo. In feite geldt voor alle talen dat
sprongontsnappingen steeds van rechts naar links gaan. De structuren die ten
grondslag liggen aan (39) en (40) kunnen in termen van de hier ontwikkelde
notatie als volgt gekarakteriseerd worden:
(42) en (43)

De afhankelijkheidsrelatie tussen ‘antecedent’ en
‘spoor’ kan nu precies worden omschreven. De ontsnapping is steeds
van een meer ingebed naar een minder ingebed zinsdomein. Elk zinsdomein dat een
vraagwoord bevat moet ook het spoor van de vraagwoord-ontsnapping bevatten. Dit
is de inhoud van de strip-gedachte. We definiëren | | | |
R5
Def.: A zit in de strip van B d.e.s.d.a. er
geen enkele cyclische categorie die A bevat is die niet ook B
bevat.
(R5) drukt uit dat elk zinsdomein dat A bevat ook B
moet bevatten (maar niet noodzakelijk omgekeerd), indien A ‘in de
strip van’ B zit. Er moet nu wél een iets andere inhoud
gegeven worden aan de notie ‘cyclische categorie’. We hebben eerder
gesteld dat S en NP cyclische categorieën zouden zijn, maar
onder deze aanname levert de meest elegante formulering van de Strip
Conditie een probleem op.
R6
Strip Conditie: Een antecedent zit altijd in de strip van
zijn spoor.
Volgens de Strip Conditie zou onder aanname dat S
cyclisch is, (43) evenals (42) een welgevormde structuur zijn: het vraagwoord
wie zit in de strip van t, omdat S1, zowel wie
als t bevat. Maar zin (40) is onwelgevormd.
De onwelgevormdheid van (40) benadrukt slechts de empirische aard
van de notie ‘cyclische categorie’ in de definitie van
strip. Daarom elimineren we (voorlopig!) de S als cyclische categorie en
stellen hiervoor in de plaats de ‘grote’ S, nl. S̄. De
welgevormdheidsoordelen volgen nu automatisch. We concluderen
R7
Sprongontsnappingen mogen hun strip niet verlaten.
Deze formulering is abstract en slechts indirect toepasbaar op
observeerbare taalgegevens. Abstractheid geeft in dit geval zelfs de
mogelijkheid te ‘generaliseren’ over observeerbare
ongelijksoortigheden. Een ideaal resultaat! Hierboven is gesteld dat
sprongontsnappingen van rechts naar links gaan. Toch is dit niet wat in de
Strip Conditie wordt uitgedrukt. Zo zijn de volgende zinnen
ongrammatikaal, terwijl de ontsnapping toch van rechts naar links gaat. De
Strip Conditie verklaart deze onwelgevormdheid.
(44) *wie hij een boek leest is onduidelijk
cf. wat hij leest is mij onduidelijk
(45) *de vraag wie hij een boek leest interesseert niet
cf. de vraag wat hij leest interesseert mij niet
De relevante structuren die aan deze zinnen onderliggend zijn,
kunnen in ons notatiesysteem als volgt worden weergegeven:
(46) en (47)

In beide gevallen gaat wie vooraf aan zijn spoor maar
ontsnapt aan de strip: de ontsnappingsroute is geblokkeerd door de Strip
Conditie. Vandaar de onwelgevormdheid van (44) en (45). | | | |
Deze discussie is een interessante demonstratie van hoe een abstract
principe (ingebed in een systeem van op elkaar inspelende assumpties) het
mogelijk maakt een aantal specifieke taalverschijnselen te voorspellen.
Bovenstaande ‘strip’ feiten zijn afleidbaar uit aannames van
‘ontsnappingsprocessen’, ‘cyclische categorieën’,
‘antecedent-spoor relaties’, ‘strip’, etc. Geen van
deze aannames is zoals we gezien hebben triviaal. Het zijn alle abstracties van
de werkelijkheid die een onafhankelijke verklarende waarde hebben. We hebben
boven gesteld dat de notie ‘cyclische categorie’ inhoudelijk
gewijzigd moet worden. Het optimaal functioneren van de Strip Conditie
houdt een aanpassing in van de definitie van ‘cyclische categorie’:
‘cyclische categorieën’ zijn die ‘grote’
categorieën die potentieel een eigen subject kunnen hebben. Deze
modificatie heeft geen empirische konsekwenties voor NP waar (zoals we
reeds zagen) ‘groot’ en ‘klein’ samenvallen. Hieronder
zullen we zien dat de ‘strip’ sterk vereenvoudigd kan worden
op een manier die het empirisch bereik van de Strip Conditie ruimer
èn preciezer maakt (door het simpel schrappen van het adjectief
‘cyclisch’ uit de definitie van ‘strip’).
Samenvattend kunnen we stellen dat talen ontsnappingsverschijnselen
kennen:
(i) hinkprocessen die strikt lokaal zijn en hun actieradius
beperkt zien tot S (Domein < S).
(ii) stapprocessen die lokaal zijn in iets ruimere zin en hun
actieradius uitbreiden tot net buiten de S, maar wel strikt binnen de minimale
S̄ blijven (S < Domein < S̄).
(iii) sprongprocessen die ongebonden zijn en hun actieradius
onbeperkt zien (S̄ < Domein).
Bovendien hebben we drie wezenlijke kenmerken van taal
geformuleerd:
(a) processen in taal zijn structuurgevoelig.
(b) processen in taal zijn stripgevoelig.
(c) periferie-ontsnappingen zijn C-attracties.
Tenslotte is het hele begrippenapparaat redelijk
‘axiomatisch’ opgesteld en geeft het een smalle deductieve
structuur aan het resulterende systeem. Zo hebben we een minimum aan primitieve
noties als ‘zinsdeel’, ‘kern’,
‘antecedent’, ‘spoor’ (zowel de eerste als de laatste
twee termen moeten op elkaar betrokken worden, hetgeen een verdere reduktie van
het aantal primitieven inhoudt.). De notie ‘subject-van’ is
gedefinieerd i.t.v. ‘zinsdeel’ en ‘kern’, de notie
‘cyclische categorie’ is weer gedefinieerd i.t.v.
‘subject-van’ en ‘zinsdeel’, en tenslotte is de notie
‘strip’ gedefinieerd i.t.v. ‘cyclische categorie’,
‘antecedent’, en ‘spoor’. Elk van de gevonden
universele kenmerken van taal heeft verklarende waarde: e.g. leidt gedeeltelijk
de C-Attractie Universale af, sluit ontsnappingen naar meer omvattende
domeinen uit, en geeft inzicht in het ‘verdwijnen’ van
ambiguïteiten.
De centrale conclusie van deze paragraaf waar we in het vervolg van
de discussie op doorgaan, is dat de notie strip een belangrijk ordenend
beginsel in taal is. | | | |
7. Processen in taal zijn nog subtieler structuurgevoelig dan enkel
stripgevoelig: ze zijn bovendien eiland-gevoelig. Dit is een zeer
belangrijke eigenschap van menselijke taal.
Wat bedoelen we met eiland? Deze notie gaan we uitleggen via
het Engels en het Italiaans. Aangetoond zal worden dat eilanden vaak
taalinvariant zijn, maar dat er niettemin soms enige (arbitraire?) rek zit in
de taalspecifieke toepassing van dit begrip. Dit roept dan weer vragen op over
de aard van de ‘universele’ eiland condities, die dan tenslotte
allemaal weer beantwoord zullen worden met het begrip Subjacency, de
climax van deze discussie. Allereerst de eilanden.
Waarom zijn (2a) en (2b) onwelgevormd? Logisch, i.e. semantisch, is
er geen enkele reden waarom er verschil in grammatikaliteit zou zijn tussen (1)
en (2).
(1)
a. who do you think that Ed claimed that Joan married?
b. who do you hope that Ed will say that Joan married?
(2)
a. *who do you think that Êd made the claim that Joan
married?
b. *who do you express the hope that Ed will say that Joan
married?
De betekenis van (1a) is cognitief synoniem met die van (2a) en
hetzelfde geldt m.m. voor (1b) en (2b). Structureel, i.e. syntaktisch, hebben
we in alle gevallen te maken met sprongontsnappingen die geheel binnen de strip
blijven. Waarom dan die ongrammatikaliteit van (2)?
De Strip Conditie lijkt weliswaar noodzakelijk maar geenszins
voldoende te zijn. Zijn er syntaktische verschillen tussen (1) en (2)?
Syntaktisch kunnen (1) en (2) met voorbijgaan aan irrelevante informatie als
volgt worden weergegeven:
(3) en (4)

Het verschil bestaat in een extra cyclisch domein dat in (4)
aanwezig is. De onwelgevormdheid van (2) kan natuurlijk niet zonder meer aan
een extra inbedding worden toegeschreven, want ‘extra’ heeft met
name voor sprongontsnappingen geen betekenis. Sprongprocessen zijn immers niet
gebonden aan het aantal zinsdomeinen waarover ze zich voltrekken. De
blokkerende factor in de ontsnapping betreft de aard van dit extra cyclisch
domein: NP. Kennelijk is het zo dat geen enkel element mag ontsnappen uit een
zin die uitdrukking geeft aan de inhoud van de kern van de NP waar het als
bijzin deel van uitmaakt. Dergelijke bijzinnen noemen we ‘appositionele
bijzinnen’. We zeggen dat ‘appositionele bijzinnen eilanden
vormen’. Eilanden zijn immuun voor ontsnappingen.
De eerste eiland-conditie, de Complex NP Condition, kan dan
heel algemeen als (E1) geformuleerd worden (‘t (A)’leest:
het spoor van A).
(E1)
CNPC: geen enkel zinsdeel A mag in de strip van
NP zitten indien de kern van die NP zelf in de strip van
t(A) zit. | | | |
(Informeel: geen enkel zinsdeel kan uit een appositionele bijzin
ontsnappen.)
De CNPC is niet de enige eiland-conditie. Naast complexe NP's
vormen ook vraagzinnen eilanden:
(5) *what did he notice who discovered (that) Joan had
read?
(6) *what did he notice (that) the CIA discovered who
had read?
(7) what did he notice who the CIA discovered had
read?
(8) *who did he notice that the CIA discovered what
had read?
(9) *who did he notice what the CIA discovered had
read?
(10) who did he notice what discovered (that) Joan had
read?
Vanwaar de ongrammatikaliteit van (5)-(10)? Zoals (11)-(13) laten
zien, is ‘wh-ontsnapping’ zeer wel mogelijk uit het
complement van discover (zie (12)) en uit het complement van
notice (zie (13)).
(11) he noticed that the CIA discovered what Joan had
read
(12) he noticed what the CIA discovered (that) Joan had
read
(13) what did he notice (that) the CIA discovered (that) Joan
had read?
Bovendien zijn ‘dubbele’ wh-ontsnappingen
toegestaan. Zie (14)-(18):
(14) he noticed who discovered what Joan had read
(15) who noticed who discovered (that) Joan had read
this book?
(16) who noticed (that) the CIA discovered what Joan
had read?
(17) who did he notice discovered what Joan had
read?
(18) who noticed what the CIA discovered (that) Joan
had read?
Waarom zijn dan de ‘dubbele’ wh-ontsnappingen van
(5)-(10) geblokkeerd? Dit is de moeilijkheid van het eerste probleemgeval van
par. 3.1. In termen van de begrippen die we tot dusverre ontwikkeld hebben, is
het karakteristieke verschil tussen de structuren die aan (5)-(10) en (14)-(18)
ten grondslag liggen heel eenvoudig uit te drukken. In de structuren
(14')-(18'), die onderliggend zijn aan (14)-(18) zijn de ontsnappingsroutes
niet-overlappend, maar de structuren (5')-(10'), die aan (5)-(10) ten
grondslag liggen, worden wel gekenmerkt door overlappende wh-routes.
(14'), (15'), (16'), (17') en (18')

| | | |
Deze ontsnappingen zijn lokaal (cf. (14')-(16')) of ongebonden (cf.
(17')-(18'), maar overlappen elkaar nooit in tegenstelling tot de vluchtroutes
die de wh-woorden in (5)-(10) genomen hebben:
(5'), (6'), (7'), (8'), (9') en (10')

Het lijkt er op dat een wh-element een ander
wh-element nooit mag ‘kruisen’ in niet-triviale zin. Vgl.
(19) en zijn onderliggende structuur (19'):
(19) en (19')

In (19') ‘kruist’ de ontsnapping van who een
wh-element, nl. what. Maar het belangrijke begrip
‘strip’ biedt hier uitkomst. De significante generalisering die
alle tot dusverre besproken ‘dubbele’ vragen bijeenhoudt kan zo
worden uitgedrukt: geen enkel wh-element mag een ander wh-element
kruisen indien dit laatste wh-element in de strip van het eerste zit.
Hier voldoet (19') duidelijk niet aan. What zit niet in de strip van de
thuishaven van het ontsnapte element who en dus is er een vrije doorgang
voor who. In e.g. (8') zit what wél in de strip van
t(who), de thuishaven van het ontsnapte element who, en daarom is
de doorgang geblokkeerd. Deze conditie, de Wh-Island Condition, laat
zich heel algemeen formuleren als (E2).
(E2)
Wh-IC: geen enkel zinsdeel A mag in de strip van een
wh-woord B zitten, indien B zelf in de strip zit van t
(A).
(Informeel: geen enkel zinsdeel kan uit een door een vraagwoord
ingeleide zin ontsnappen.)
De Wh-IC is een belangrijke conditie op sprongontsnappingen
en verantwoordt behalve de hier vermelde data ook de gevallen van par. 3.1. Als
een algemeen kenmerk van taal maakt zij deel uit van de Universele Grammatika,
een aangeboren schema, die de taallerende kleuter op basis van een beperkt
aantal eenvoudige wh-zinnen de ‘onleerbare’ kennis bijbrengt
van de negatieve data die in eerste instantie onoverkomelijke
leerbaarheidsproblemen leken. | | | |
Twee andere eilanden voor ontsnappingen zijn de sententiële en
nominale subjecten, zoals heel eenvoudig kan worden afgeleid uit de volgende
constructie-types.
(20)
a. what was it expected that Joan would read?
b. *what was that Joan would read expected?
(cf. that Joan would read this was expected)
(21)
a. what did it surprise Ed that Joan was reading?
b. *what did that Joan was reading surprise Ed?
(cf. that Joan was reading this surprised Ed)
(22)
a. what did it seem strange that Joan read?
b. *what did that Joan read seem strange?
(cf. that Joan read this seemed strange)
(23)
a. what is it obvious that Joan would read?
b. *what is that Joan would read obvious?
(cf. that Joan would read this is obvious)
Bovenstaande zinnen illustreren de generalisering dat ontsnappingen
uit een zin die zelf een subject-rol vervult geblokkeerd zijn. Hetzelfde geldt
voor ontsnappingen uit een ‘complex’ nominaal zinsdeel dat als
subject fungeert. Vgl. (24)-(26):
(24)
a. who did you find a picture of?
b. *who did a picture of frighten Joan?
(25)
a. what do you think that Joan wrote an article about?
b. *what do you think that an article about will be
forth-coming?
(26)
a. who do you expect Joan to read stories about?
b. *who do you expect stories about to frighten Joan?
De onwelgevormdheid van de b-zinnen van (20)-(26) vormt weer
een leerbaarheidsprobleem: waarom kunnen we niet over alle a- en
b-zinnen ‘generaliseren’? Er is geen logische reden aan te
geven waarom de b-zinnen onwelgevormd zouden zijn. In (20)-(23) zijn de
a-zinnen synoniem met de b-zinnen (waar it slechts een
steunwoordje is, een ‘voorlopig’ onderwerp, dat als
waarschuwingssignaal fungeert voor het naderend subject). Maar ook voor
(24)-(26) geldt dat er ‘natuurlijke’ interpretaties aan de
b-zinnen kunnen worden opgelegd: who (of what) zal steeds
conceptueel gerelateerd worden aan het ‘losse’ voorzetsel (een
eenvoudig experiment zal dit aantonen). In een enkel geval is zelfs een
syntaktisch minimaal afwijkende variant mogelijk met behoud van betekenis, e.g.
(24b) is cognitief synoniem met de syntaktische variant whose picture
frightened Joan? De reden voor de ongrammatikaliteit van alle
b-zinnen van (20)-(26) moet daarom wel puur syntaktisch, i.e.
structureel, zijn.
De structuren die aan de a- en b-zinnen van (20)-(26)
ten grondslag liggen, kunnen als (27) resp. (28) worden weergegeven. | | | |
(27) en (28)

De afkorting CC staat hier voor cyclische categorie, i.e. NP
of S̄. Structuur (27) met de waarde S̄ voor CC staat voor
(20a)-(23a), en met de waarde NP voor CC staat (27) voor
(24a)-(26a). Met S̄ voor CC in (28) hebben we een
structuur-voorstelling van (20b)-(23b); met NP voor CC in (28)
hebben we een weergave van (24b)-(26b). Hierboven is reeds een puur structurele
definitie gegeven van de notie ‘subject-van’: de meest linkse NP in
het NP- of S-domein. Hoewel de wh-ontsnappingen die
hierboven geïllustreerd zijn alle voldoen aan de Strip Conditie,
blijken dergelijke ontsnappingen vanuit een structurele subjectspositie
geblokkeerd te zijn. (Merk op dat sententiële subjecten ook NP's
zijn, zoals uit de a-zinnen van (20)-(23) reeds blijkt. Het restant van
de ontsnapping is hier een lexikaal opgevuld spoor: het pronomen it dat
duidelijk een nominaal zinsdeel is. Net als andere NP's kan dit
it bevraagd worden, het subject zijn van een passieve zin, etc.: cf.
what surprised Joan? it was believed to have surprised Ed that Joan had been
reading this, etc.) Structurele subjecten blokkeren ontsnappingen. Dit is
de boodschap van de twee eiland-condities, de Sentential Subject
Condition en de Phrasal Subject Condition, die we als (E3) resp.
(E4) sullen formuleren.
(E3)
SSC: geen enkel zinsdeel A mag in de strip van een
sententieel subject zitten, indien dit sententieel subject zelf t(A)
bevat.
(Informeel: geen enkel zinsdeel kan uit een sententieel subject
ontsnappen.)
(E4)
PSC: geen enkel zinsdeel A mag in de strip zitten van
een nominaal subject, indien de kern van dit nominale subject zelf in de strip
zit van t(A).
(alternatief: ....., indien dit nominale subject zelf t(A)
bevat.)
(Informeel: geen enkel zinsdeel kan uit een nominaal subject
ontsnappen.)
De PSC informeel geformuleerd impliceert de SSC. Deze
informele karakterisering is dáárom nog niet noodzakelijk de
meest interessante, zoals een vergelijking met het Italiaans zal leren.
De CNPC, SSC, en PSC zijn duidelijk afgestemd op
bepaalde constructie-types en hebben een min of meer rechtstreekse
toepasbaarheid op taalmateriaal wanneer we uitgaan van de informele
karakteriseringen. De formele karakteriseringen in termen van de noties
‘strip’, ‘kern’, en ‘spoor’ verhelderen in
dit opzicht niets en zijn enigszins misplaatst: technische omschrijvingen van
observaties over constructie-types. Opmerkelijk is hier dat de notie
‘strip’ voortdurend opduikt. Maar dit betekent slechts dat de
eilandgevoeligheid een bepaald soort stripgevoeligheid is. Elk
van de genoemde eiland- | | | | condities (i.e. CNPC, SSC, en
PSC) blokkeert ontsnappingen uit een typische constructie, nl. complexe
NP's, sententiële subjecten, en naamwoordelijke subjecten.
Daarentegen is de Wh-IC iets interessanter. De
wh-eilanden worden in zekere zin pas ‘onderweg’ gevormd door
een ‘eerdere’ ontsnapping van een wh-element: de
Wh-IC spreekt van een zinsinleidend wh-element (dat zelf een
stap/sprong-ontsnapping heeft gemaakt). Deze wh-eilanden zijn in dit
opzicht ‘dynamischer’ dan de andere eilanden, die meer
‘statisch’ zijn. Maar ook voor de Wh-IC geldt dat ze
constructie-geladen is. Constructies die door een wh-woord worden
ingeleid zijn immuun voor ontsnappingen.
Een laatste geval van een beperking binnen de strip is een conditie
op ontsnappingen naar het zinseinde (ontsnappingen naar rechts). De tot
dusverre besproken ontsnappingen, behalve de voorzetselvoorwerpsontsnapping,
golden steeds processen die het antecedent links van hun spoor hadden. Deze
processen konden soms ongebonden zijn, nl. de sprongontsnappingen. Nu is er een
markante asymmetrie waar te nemen tussen ontsnappingen naar het begin van de
zin en die naar het zinseinde: ontsnappingen naar rechts (in tegenstelling tot
ontsnappingen naar links) zijn nooit sprongontsnappingen. In feite
treden ze nooit buiten hun minimale S-domein. Cf.:
(29)
a. that [that the moon is a piece of green cheese] is obvious is not
clear
b. that it is obvious [that the moon is a piece of green cheese] is
not clear
c. *that it is obvious is not clear [ that the moon is a piece of
green cheese ]
(cf. it's not clear that [that the moon is a piece of green cheese]
is obvious
it's not clear that it's obvious [that the moon is a piece of green
cheese])
(30)
a. that a review [of this play] came out yesterday is
catastrophic
b. that a review came out yesterday [of this play] is
catastrophic
c. *that a review cane out yesterday is catastrophic [of this
play]
(cf. it's catastrophic that a review [of this play] came out
yesterday
it's catastrophic that a review came out yesterday [of this
play])
(31)
a. that a proof [that there are Martians] was given doesn't bother
me
b. that a proof was given [that there are Martians] doesn't bother
me
c. *that a proof was given doesn't bother me [that there are
Martians] | | | |
(cf. it doesn't bother me that a proof [that there are Martians] was
given
it doesn't bother me that a proof was given [that there are
Martians])
Sententiële subjecten (cf. (29b)) en voorzetselvoorwerpen of
appositionele bijzinnen die een zinsdeel zijn van een nominaal subject (cf.
(30b) of (31b)), kunnen weliswaar naar rechts ontsnappen maar blijven daarbij
steeds binnen hun minimale S-domein. Deze
extrapositie-verschijnselen zijn in onze terminologie strikt lokaal.
Alle ontsnappingen naar rechts worden door ‘strikte lokaliteit’
gekarakteriseerd. Dit geldt ook voor het extrapositie-verschijnsel dat we in
paragraaf 6 hebben besproken (vgl. *dat je Wilma beschuldigd hebt is
pijnlijk [van ontrouw] vs. dat je Wilma beschuldigd hebt [van ontrouw]
is pijnlijk).
De structuur van de ontsnappingen die tot (29)-(31) aanleiding
hebben gegeven, kan aldus gerepresenteerd worden:
(32) en (33)

Structuur (32) generaliseert over (30) en (31): de keuze van
A is hier een voorzetselvoorwerp (30) of een zin (31). Structuur (33)
generaliseert over (29) en de Nederlandse zinnen die zoëven besproken
zijn: A is hier weer een voorzetselvoorwerp (de Nederlandse
voorbeelden), dan wel een zin (29).
Wat is de reden van dit asymmetrische gedrag van ontsnappingen?
Waarom is elk extrapositie-verschijnsel gebonden, maar zijn sommige
ontsnappingen naar links, e.g. wh-ontsnapping, ongebonden? Weer duidt
niets op logische noodzaak. In feite laten de verba in de hoofdzin (vgl. be
clear, be catastrophic, en bother) wel degelijk extrapositie toe,
maar krachtens ‘strikte lokaliteit’ alleen extrapositie van hun
eigen subject-zin, of van de appositionele bijzin of het voorzetselvoorwerp van
hun eigen subject. De ‘strikte lokaliteit’ moet bijgevolg weer een
structurele, i.e. syntaktische, oorzaak hebben. Eerder is reeds opgemerkt dat
sprongprocessen in taal het bestaan van stapprocessen impliceren. Op hun beurt
vooronderstellen stapprocessen weer hinkprocessen. Tenslotte zijn stapprocessen
C-attracties. Maar op grond van deze drie gegevens hebben we een begin van een
verklaring voor de asymmetrie van ontsnappingen. ‘Complementizers’
zijn zinsinitieel en niet zinsfinaal: extrapositie-processen kunnen dus geen
C-attracties zijn en bijgevolg zal er ook geen sprong-extrapositie zijn. Deze
‘verklaring’ hangt natuurlijk wel af van de verdere aanname dat de
implicationele universale (R2) niet enkel geldt voor individuele talen, maar
meer specifiek ook voor de individuele ontsnappingen, ‘regeltypes’,
binnen een taal. Zij zou dus een meer specifieke variant (R2') hebben
(R2')
Sprong (x) ⊃ Stap (x) ⊃ Hink (x)
waar x een variabele is die voor specifieke processen staat,
zoals | | | |
wh-ontsnapping, er-ontsnapping,
voorzetselvoorwerp-extrapositie, etc. Implicatie (R2') zegt e.g. dat een
wh-ontsnapping slechts een sprongontsnapping kan zijn, als er in
dezelfde taal een stap-variant is van die wh-ontsnapping. De
moeilijkheid bij deze verklaring van de asymmetrie van ontsnappingen ligt in de
implicatie (R2') zelf: het waarom van deze assumptie (en trouwens ook van (R2))
blijft in het midden. Het zijn de ‘universalia’ (R2) en (R2') zelf
die een verklaring behoeven. Als de universele implicaties zelf konden worden
afgeleid uit algemene kenmerken van taal, zouden we pas een echt inzicht hebben
verkregen in de aard van deze problematische asymmetrie. We komen hierop
terug.
Voorlopig kunnen we een eiland-achtige formulering geven van de
beperkingen op extrapositie-verschijnselen: de Upward Boundedness
Condition (UBC).
(E5)
UBC: geen enkel zinsdeel A mag in de strip van
t(A) zitten, indien t(A) aan A voorafgaat tenzij elke
S die A bevat ook t(A) bevat en omgekeerd.
(Informeel: geen enkel zinsdeel kan naar rechts uit zijn minimale
zinsdomein ontsnappen.)
Hiermee hebben we tenslotte vijf eiland-condities geformuleerd.
Allemaal hebben ze een grote beperkende macht over taalprocessen: ze blokkeren
alle sprongontsnappingen uit specifieke configuraties zoals complexe
NP's, zinnen die door een wh-element worden ingeleid,
sententiële en nominale subjecten, en de eenvoudige zin
(alléén voor sprongen naar rechts!). Al deze structuren vormen
eilanden en al deze eilanden zijn beveiligd tegen ontsnappingen. Eilanden
zijn uitbraak-vrij. De verzameling eilanden is heterogeen: wat hebben
wh-eilanden te maken met nominale subjecten? In dit heterogene
gezelschap heeft de UBC een heel eigen status: waarom zijn er geen
ongebonden sprongen naar rechts? Waarom is de S geen eiland voor
sprongen naar links? Zouden we talen verwachten met een CNPC, SSC, PSC,
en Wh-IC op sprongen naar rechts en een UBC op sprongen naar
links? Als NP evenals S een cyclische categorie is, waarom is de
ontsnapping van een zin of voorzetselvoorwerp naar rechts uit een NP
wèl maar uit een S niet mogelijk?
Al deze vragen blijven open. Elk van deze vragen is belangrijk omdat
ze de arbitraire status van eilanden duidelijk maken. We zijn natuurlijk
slechts geïnteresseerd in de principes die ten grondslag liggen aan de
eiland-condities per se. We zoeken naar condities die voldoende en noodzakelijk
zijn om de klasse van ‘mogelijke eilanden’ precies te
karakteriseren. Voorlopig constateren we dat ontsnappingen op een heel speciale
manier structuurgevoelig zijn:
R8
Alle ontsnappingen zijn eilandgevoelig.
Dit had een interessante bewering moeten zijn. In plaats daarvan
heeft (R8) een opsommend karakter: de notie ‘eiland’ ontleent pas
zijn betekenis aan de uitputtende opsomming van elementen die tezamen de
‘klasse der eilarden’ vormen. Onze enige troost is dat misschien de
afzonderlijke leden in deze klasse taaluniverseel zijn. Aangezien de vele
specifieke eiland-condities evenzovele leerbaar-heidsproblemen definiëren,
verwachten we dat ze algemene karakte- | | | | ristieken van menselijke taal
representeren. In deze visie zou het ‘natuurlijk’ zijn te denken
dat zij allemaal substantiële taaluniversalia waren. En, inderdaad, de
eiland-condities zijn niet beperkt tot het Engels, maar hebben universele
geldigheid (Niemand had ook gedacht dat kinderen een speciale voorkeur zouden
hebben om Engels te leren!). Eiland-condities zijn in alle
hink-stap-sprongtalen operatief. Dit is een empirische bewering die heel
eenvoudig kan worden getoetst op zijn waarheidsgehalte. Hoewel .... In sommige
talen treden er toch wel zeer merkwaardige verschillen op tussen
‘parallelle’ eilanden. Hoe ‘universeel’ zijn deze
taaluniversalia eigenlijk? Kent iedere taal in principe zijn eigen varianten?
Zijn eigen universalia? Heeft de notie ‘universeel eiland’ dan nog
enige empirische inhoud of wordt elke bewering over het taaluniversele karakter
van eilanden totaal leeg? Hoe kunnen we ondanks het bestaan van taalspecifieke
varianten toch nog een interessante bewering over de eilandgevoeligheid van
sprongontsnappingen maken?
Laten we eens naar het Italiaans kijken. Dit is een voorbeeld van
een groep talen (waar het Frans, Hebreeuws, en Noors ook toe behoren) die zich
‘variabel’ opstellen ten aanzien van de eilandgevoeligheid van
ontsnappingen. De CNPC, SSC, en UBC werken in het Italiaans
precies hetzelfde als in het Engels. Alleen de functie van de CNPC zal
hier gedemonstreerd worden.
(34)
a. che cosa hai detto che ho creduto che hanno prestato a Piero?
(‘wat zei je dat ik geloofde dat ze aan P hebben
geleend?’)
b. *che cosa hai detto che ho creduto alla voce che abbiano prestato
a Piero?
(‘wat zei je dat ik het gerucht geloofde dat ze aan P hebben
geleend?’)
(35)
a. che cosa temi che io abbia detto che hanno prestato a Piero?
(wat vrees je dat ik zei dat zij aan P hebben geleend?’)
b. *che cosa temi la possibilita che io abbia detto che hanno
prestato a Piero?
(‘wat vrees je de mogelijkheid dat ik heb gezegd dat ze aan P
hebben geleend?’)
Tot zover is alles geruststellend. Het Italiaans is eveneens
gevoelig voor de SSC en UBC (De voorbeelden die dit moeten
aantonen laten we achterwege.). Maar dan beginnen de problemen pas goed: noch
de Wh-IC noch de PSC blijken in het Italiaans op te gaan.
(36)
a. di che cosa hai detto che hai visto la foto?
(*waarvan zei je dat je de foto hebt gezien?’)
b. di che cosa hai detto che una foto è apparsa?
(‘waarvan zei je dat een foto is verschenen?’) | | | |
(37)
a. di quale generale hai detto che Piero ha sposato la sorella?
(‘van welke generaal zei je dat P de zuster gehuwd
heeft?’)
b. di quale generale hai detto che la sorella ha sposato Piero?
(‘van welke generaal zei je dat de zuster P gehuwd
heeft?’)
Zowel de a als de b-zinnen van (36) en (37) zijn
welgevormd: de PSC schijnt toch niet zo universeel te zijn als sommigen
beweren! Ook de volgende vraag- en relatiefzinnen bemoeilijken een
‘universele’ lezing van de Wh-IC.
(38)
non si ricorda a chi ho chiesto che cosa ho scritto
(‘hij herinnert zich niet wie ik gevraagd heb wat ik heb
geschreven’)
(39)
chi si ricorda a chi ho detto che ho scritto questo libro?
(‘wie herinnert zich tegen wie ik heb gezegd dat ik dit boek
geschreven heb?’)
(40)
chi ha detto che non si ricorda che cosa ho scritto?
(‘wie zei dat hij zich niet herinnert wat ik heb
geschreven?’)
(41)
chi hai detto che non si ricorda che cosa ho scritto?
(‘wie zei je dat zich niet herinnert wat ik heb
geschreven?‘)
(42)
chi si ricorda che cosa ho detto che ho scritto?
(‘wie herinnert zich wat ik zei dat ik geschreven
heb?’)
(43)
la ragazza a cui ritengo che tu sappia che cosa hanno prestato
....
(‘het meisje aan wie ik geloof dat je weet wat ze hebben
geleend …’)
(44)
questo libro che ho detto che non mi ricordo a chi hanno prestato
....
(‘dit boek dat ik zei dat ik me niet herinner aan wie ze
hebben geleend …’)
Niet alleen de vraagzinnen zijn grammatikaal (precies zoals de
parallelle vragen van het Engels, cf. (14)-(18)) maar ook de relatiefzinnen
zijn welgevormd (in tegenstelling tot hun Engelse vertalingen of soortgelijke
vraagwoord-ontsnappingen in het Engels, cf. (6) en (8)). | | | |
Wat blijft er nu over van de bewering dat eiland-condities zo
interessant zijn omdat ze een universele status hebben, omdat ze genotypisch
bepaald zijn? Zo op het eerste gezicht niet veel. Toch moeten we voorzichtig
zijn met al te snelle conclusies, want data zijn vaak bedrieglijk en
pluri-interpretabel. Stel dat we koppig zijn en volhouden dat ook voor het
Italiaans deze eiland-condities blijven opgaan. Dit lijkt dwaze
halsstarrigheid, maar is het toch niet. Na even zoeken dissen we nieuwe
‘data’ op die er weer op wijzen dat zelfs in het Italiaans niet
alles geoorloofd is.
(45)
*di quale autore hai detto che una critica a un libro è
apparsa?
(‘van welke auteur zei je dat er een kritiek op een boek is
verschenen?’)
(46)
di quale generale hai detto che una foto della sorella c'era sul
tavolo?
(‘van welke generaal zei je dat er een foto van de zuster op
tafel ligt?’)
Het Italiaans is weliswaar ‘vrijer’ in zijn
ontsnappingsmogelijkheden, maar is niettemin gebonden aan een gewijzigde
PSC. Een NP kan heel goed uit een nominaal subject ontsnappen,
als hij maar niet te diep in dit subject is ingebed. We zouden deze beperking
het elegantst kunnen formuleren als een taalspecifieke (i.e. voor het
Italiaans) tenzij-conditie op de reeds bestaande PSC.
(E4')
PSC': ..... tenzij t(A) in de strip van de kern van
dit nominale subject zit.
De tenzij-clausule opent voor het Italiaans grote
perspectieven voor sprongontsnappingen: Italiaanse PS-eilanden zijn
schiereilanden geworden!
Echt interessant zijn de beperkingen op ontsnappingen uit
ch-ingeleide zinnen. Hoewel in sommige gevallen ontsnappingen uit een
‘ch-eiland’ geoorloofd zijn (vgl. (43) en (44)), zijn ze
typisch uitgesloten in andere combinaties. Vgl. (47)-(49):
(47)
*questo libro che non mi ricordo a chi ho detto che hanno prestato
alla ragazza ....
(‘dit boek dat ik me niet herinner tegen wie ik heb gezegd dat
ze aan het meisje hebben uitgeleend …’)
(48)
*la ragazza a cui so che cosa ritieni che abbiano prestato
…
(‘het meisje aan wie ik weet wat jij gelooft dat ze hebben
uitgeleend …’)
(49)
*questo libro che so a chi ritieni che abbiano prestato …
(‘dit boek dat ik weet aan wie jij gelooft dat ze hebben
uitgeleend …’) | | | |
Zit er enige regelmaat in de beperkingen op ch-ontsnappingen
uit ch-eilanden? De structuur van de ch-ontsnappingen in
(43)-(44) en (47)-(49) is analoog aan die van de wh-ontsnappingen in de
Engelse vragen (5)-(9). Deze verhouden zich als volgt
| Engels | (5) (*)
↔ | Italiaans | (47) (*) |
| | (6)
(*) ↔ | | (43) (OK)
↔ |
| | (7) (*)
↔ | | (48) (*) |
| | (8) (*)
↔ | | (44) (OK)
↔ |
| | (9) (*)
↔ | | (49) (*) |
Wil een ‘dubbele’ ch-ontsnapping welgevormd zijn,
dan is het in ieder geval noodzakelijk dat beide ch-woorden hun
thuishaven in dezelfde minimale S hebben, zoals (43) en (44) ons leren.
Hoewel een noodzakelijke voorwaarde, is dit geenszins een voldoende voorwaarde,
cf. (48) en (49). Wat zijn dan precies de verschillen tussen (43) en (44)
enerzijds, en (48) en (49) anderzijds? De laatste groep, (48) en (49), heeft
met (47) een gemeenschappelijk kenmerk dat in (43) en (44) ontbreekt: een
ch-eiland op een cyclisch ‘tussen-domein’. Kennelijk is er
alleen speelruimte voor sprongontsnappingen als van de twee ch-woorden
die in dezelfde minimale S hun thuishaven hebben, er één
niet meer dan een ‘stap’ maakt: de minimale S moet zelf een
ch-eiland zijn. De ruimere perspectieven voor ch-ontsnappingen
beperken zich tot het minimale cyclisch domein waarin beide ch-woorden hun
thuishaven hebben.
Formeel kunnen we deze beperking weer elegant uitdrukken als een
taalspecifieke tenzij-conditie op de reeds geformuleerde
‘universele’ Wh-IC.
(E2')
Wh-IC': ......... tenzij t(A) in de strip van
B zit.
Evenals in het geval van PSC' laat de taalspecifieke conditie
op Wh-IC meer ruimte voor ontsnappingen: de Italiaanse
ch-eilanden zijn gedeeltelijk schiereiland geworden. Opvallend is weer
dat de notie ‘strip’ een centrale rol speelt in de formulering:.van
de tenzij-conditie. Feitelijk is het begrip ‘strip’ het
enige oenheidgevende element dat aan alle eiland-condities gemeenschappelijk
is.
Samenvattend kan gesteld worden dat sommige taaluniversalia
‘universeler’ zijn dan andere: individuele talen kennen varianten
van wat nog onbekende abstracte archi-universalia zijn. In schema hebben
we het volgende beeld:

| | | |
De verticale kolom bestaat uit archi-universalia
(prototypes), de horizontale kolommen bevatten de taalspecifieke varianten van
de universele prototypes die met ‘?’ zijn aangeduid.
Deze stand van zaken is duidelijk onbevredigend bij ontstentenis van
enig inzicht in de variatiebreedte van de modificaties op de Universele
Grammatika. De eiland-condities zijn in zekere zin triviaal, vrijblijvend, en
niet abstract genoeg. Ze zijn triviaal en te weinig abstract in
de zin dat het hun aan deductieve diepte ontbreekt. Elke conditie staat voor
een a priori welomschreven verzameling taalfeiten (zijn eigen bereik) en is een
pure beschrijving van direct observeerbare regelmatigheden. De condities zijn
typisch constructie-gebonden en zijn qua beschrijving niet falcificeerbaar. Er
is geen enkele onderlinge interactie en nauwelijks enige samenwerking met
andere condities (behalve met de Strip Conditie, omdat eilanden
specifieke invullingen zijn van de strip-gedachte). De eiland-condities zijn
ook vrijblijvend: hoe zijn de eilanden aan elkaar gerelateerd? Is het
gewoon toevallig dat het Engels en het Italiaans varianten kennen in de
wh-eilanden en PS-eilanden? Zouden er ook talen zijn zonder
CNPC, maar met behoud van alle andere eiland-condities? Zouden er
mogelijke talen zijn met één enkele variatie e.g. in de
Wh-IC of in de SSC? Dit zijn belangrijke vragen. Als talen
willekeurig ‘universele’ condities kunnen toevoegen of afvoeren, of
willekeurig kunnen variëren over het hele spectrum van de
eiland-condities, heeft het begrip ‘universeel eiland’ geen enkele
empirische inhoud meer. De discussie is dan vacueus geworden. En dit is toch de
situatie die zich thans aan ons opdringt. Wat te doen?
De belangrijkste conclusies tot nu toe zijn dat ontsnappingen (i)
structuurgevoelig, (ii) stripgevoelig, en (iii)
eilandgevoelig zijn. De stripgevoeligheid is een specifieke articulatie
van de notie ‘structuurgevoeligheid’ (i.e. structuurgevoeligheid is
geen primitieve notie, maar een gevolg van axiomatische noties als
‘strip’). Zij heeft een belangrijk deductief potentieel. Helaas is
de notie ‘eiland’, die een nadere articulatie van de
stripgevoeligheid had moeten zijn, een puur descriptieve term. Eilanden stellen
ons in staat verschijnselen te beschrijven, maar ze verklaren niets. In een
andere terminologie: de invulling van de genetische component van taal i.t.v.
de notie ‘eiland’ levert een weinig interessante
‘erfelijkheidstheorie’ op. We hebben fascinerende
leerbaarheidsproblemen opgeworpen vanuit een vruchtbaar denkkader (oneindige
kennis van taal ligt eindig opgeslagen in organismes van de menselijke soort),
maar de eigen oplossingen dragen het stempel van descriptieve opsomming: nette
labeltjes die elk iets doen los van elkaar, maar nooit iets met elkaar. Onze
‘erfelijkheidstheorie’ heeft geen deductieve diepgang: het is enkel
een catalogus van wat interessante aspecten van taal zouden kunnen zijn. Maar
we zijn niet in aspecten van taal geïnteresseerd! Taal is slechts een
bijkomstigheid, een intermodulair resultaat, zoals hierboven reeds is
opgemerkt. Onze interesse geldt uitsluitend het systeem dat voor taal
verantwoordelijk is, de grammatika als regelsysteem, en meer specifiek de
universele aspecten van de grammatika's van individuele talen. Maar onze
‘erfelijkheidstheorie’ tot nu toe is een erfelijkheidsleer van taal
en niet van de grammatika. Nu is ‘erfelijkheid van taal’ een
zinloos begrip, tenzij hier de erfelijkheid van | | | | de (universele)
grammatika die taal impliceert mee bedoeld wordt, te vergelijken met de
‘erfelijkheid van het bidden van de sperwer’ hetgeen eveneens
alleen iets betekent wanneer hiermee bedoeld wordt de erfelijkheid van het
systeem dat bidden mogelijk maakt. Hebben we dan behalve interessante
probleemstellingen viz. het leerbaarheidsprobleem van negatieve kennis geen
enkele vooruitgang geboekt op de schoolgrammatika? Is dit het gezicht van de
moderne linguistiek?
De eerder ruw uitgewerkte oplossingen van MP en het
DC-Principe (vgl. par. 3) zijn hoopgevend. Daar hadden we te maken met
universele kenmerken van de grammatika die in abstracte termen geformuleerd
waren en met andere principes en regels een redelijk deductief systeem vormden.
Deze condities waren niet triviaal of vrijblijvend: ze verklaarden reeksen van
disparate verschijnselen in taal. Hun bereik was niet a priori af te lezen uit
hun formulering: hun verklarende waarde bestond in de indirecte wijze (nl. via
het totale regelsysteem) waarop ze op de data betrokken werden. Data hadden een
niet-triviaal falsificerende rol in de toetsing van hun waarheidsgehalte.
Alleen onze eiland-condities zijn tot nu toe oninteressant: ze missen een
eenheidgevend moment, zijn niet abstract genoeg geformuleerd, te vrijblijvend
en daarom betrekkelijk triviaal. Het zijn pure beschrijvingen, terwijl wij
geïnteresseerd zijn in verklaringen. Hoe gaan we deze eiland-problematiek
aanpakken? Is dit een typisch linguistisch probleem? Of komen we deze vragen
ook tegen in andere wetenschappen?
Laten we daarom eens onze blik werpen op de biologie, met name de
biogenetica. Daar doen zich ook conflictsituaties voor tussen beschrijvingen en
verklaringen. Dit zullen we illustreren aan de voortplantingsmechanismen bij
leeuwebekken, erwtebloemen, en bananevliegen.
8. Het is in de biologie een bekend feit dat een kruising van een
roodbloeiende leeuwebek (helmkruidfamilie) met een witbloeiende
leeuwebek in de eerste bastaardgeneratie (F1) roze nakomelingen geeft. Dit
hoeft ons op het eerste gezicht niet te verbazen. We denken dat de erfelijke
eigenschappen van de ouderplanten ‘versmelten’ en een versmelting
van rood en wit tot roze lijkt niet ‘onnatuurlijk’. Maar tot onze
grote verbazing geeft zelfbestuiving van een roze leeuwebek in de tweede
bastaardgeneratie (F2) naast roze- ook wit- en roodbloeiende exemplaren!
Zelfbestuiving van deze witte, resp. rode exemplaren geeft uitsluitend wit-
resp. roodbloemige nakomelingon, maar zelfbestuiving van de roze bastaarden uit
F2 levert weer wit- en roodbloeiende exemplaren op naast de
‘verwachte’ roze nakomelingen. Niet alleen is dit alles geen uniek
fenomeen in de flora, ook in de fauna komen dergelijke splitsingen voor. Het
meest markant is echter nog dat die splitsingen zich in vaste
verhoudingen voordoen: de witte, roze, en rode nakomelingen in F2 van een
zelfbestoven roze plant verhouden zich als 1 : 2 : 1 (natuurlijk bij redelijk
grote aantallen). Diezelfde verhouding vindt men terug bij de nakomelingen van
een zelfbestoven bastaard in F3. Deze 1 : 2 : 1 verhouding staat bekend als de
splitsingswet van Mendel. | | | |
Iets soortgelijks doet zich voor bij wit- en roodbloeiende
erwteplanten (vlinderbloemfamilie). Kruising van wit- en roodbloeiende
ouderplanten geeft uitsluitend roodbloeiende erwteplanten, maar zelfbestuiving
van deze roodbloeiende bastaarden levert zowel witte als rode erwteplanten op
in de verhouding 1 : 3. Zelfbestuiving van de witte ‘bastaarden’
geeft weer uitsluitend witbloemige erwteplanten, maar bij zelfbestuiving van de
roodbloemige ‘bastaarden’ uit de tweede bastaardgeneratie splitsen
de nakomelingen zich in witte en rode planten in de verhouding 1 : 5. Weer
duiken ‘verloren gegane’ erfelijke factoren op in een volgende
generatie en weer zijn er vaste verhoudingen (natuurlijk bij redelijk grote
aantallen). De erwtebastaarden verschillen van de leeuwebekbastaarden in
één opzicht: de laatstgenoemde bastaarden zijn een tussenvorm
tussen de ouderplanten, terwijl de eerstgenoemde bastaarden precies lijken op
één van de ouders.
Een laatste merkwaardig verschijnsel doet zich voor bij de
bananevlieg (drosophila). Zorgvuldig onderzoek leerde de biogeneticus
Morgan dat kruising van een roodogig wijfje met een witogig mannetje
uitsluitend roodogige nakomelingen geeft in de eerste bastaardgeneratie, maar
dat in de tweede bastaardgeneratie er 75% roodogige nakomelingen zijn tegenover
25% witogige. Deze verhouding doet weer sterk denken aan Mendel's splitsingswet
voor erwteplanten. De omgekeerde kruising van een witogig wijfje met een
roodogig mannetje geeft echter 50% witogige en 50% roodogige bananevliegjes, en
verdere kruising geeft in F2 eveneens een gelijke verdeling te zien tussen wit-
en roodogige nakomelingen (maar in de derde bastaardgeneratie ligt de verdeling
weer anders!).
Men zou nu kunnen spreken van het bestaan van een aantal
splitsingsregels:
(a) de nakomelingen van zelfbestoven roze leeuwebekken zijn wit,
roze, en rood in de verhouding 1 : 2 : 1,
(b) de nakomelingen van zelfbestoven rode erwtebastaarden zijn wit
en rood in de verhoudingen 1 : 3 (F2) en 1 : 5 (F3),
(c) de nakomelingen van roodogige wijfjes en witogige mannetjes van
de bananevlieg zijn roodogig en witogig in de verhouding 3 : 1 (F2); de
nakomelingen van witogige wijfjes en roodogige mannetjes splitsen zich in een
gelijke verdeling over witogige en roodogige bananevliegjes (F2).
Deze ‘wetten’ zijn op dit moment niet meer dan
statistische beschrijvingen. Hoewel ze de biologische werkelijkheid nauwkeurig
in kaart brengen, missen deze verhoudingstabellen elke verklarende inhoud. Dit
wordt al duidelijk in (b): waarom verschillen de verhoudingen in de
opeenvolgende bastaardgeneraties? Wint de factor rood aan sterkte? Waarom is in
(c) dit verschil in verhoudingen in F2 afhankelijk van de combinaties van
oogkleur en geslacht van de ouderparen? Zijn deze verhoudingen,
‘arbitrair’ in de zin dat geen van de gevonden verhoudingen
gerelateerd kan worden aan de andere verhoudingen? Is er soms een intrinsiek
verband tussen de 1 : 2 : 1 verhouding bij leeuwebekken en de 1 : 3
splitsingsregel bij erwten (e.g. 1 : 3 leest eigenlijk 1 : (2 : 1))? Maar hoe
zit het dan met de verhouding 1 : 5? Is 1 : 5 eigenlijk 1 : (2n + 1)? | | | |
Hoewel ‘wetmatig’, geeft deze algebra geen echt inzicht
per se. Wat is het principiële verband tussen de 1 : 3 verhouding bij
erwten en die bij de bananevlieg: waarom is e.g. in F3 bij erwten de verhouding
1 : 5, maar bij de bananevlieg anders, viz. 3 : 1. Wanneer roze leeuwebekken
gekruist worden met witte, krijgen we alleen roze en witte (maar geen rode)
exemplaren in de verhouding 1 : 1, en hetzelfde geldt m.m. voor kruisingen
tussen roze en rode planten. De rode erwteplanten van F2 geven bij bestuiving
met het ‘witte’ stuifmeel witte en rode exemplaren, maar nu in de
verhouding 1 : 2. Waarom dit verschil met de leeuwebek? Zijn er evenzo vele
splitsingsregels als er combinaties van ‘kleur’,
‘geslacht’, ‘generatiepopulaties’, etc. mogelijk zijn?
Wat betekent hier eigenlijk nog de term ‘splitsingsregel’?
Andere verhoudingen zouden evengoed in tabellen kunnen worden weergegeven, zo
die zich empirisch zouden voordoen.
Kortom, al deze vragen wijzen in een bepaalde richting. De
verhoudingstabellen voor de ‘erfelijke eigenschappen’ beschrijven de
biologische werkelijkheid, maar geven geen verklaring voor die werkelijkheid.
Ze hebben dezelfde status als de eiland-condities op
‘ontsnappingen’, die de linguistische werkelijkheid weliswaar
beschrijven, maar geenszins verklaren. Evenmin als de eiland-condities een
interessante ‘erfelijkheidstheorie’ over de genetische component
van taal vormen, zijn de splitsingsverhoudingen een inzichtgevende
‘erfelijkheidstheorie’ over de genetische component van kleur in de
verschillende organismen.
De klassieke erfelijkheidstheorie van
Mendel volgde de strategie van de verborgen
werkelijkheid: een abstract model van overerving werd gepostuleerd waaraan
een hoge werkelijkheidswaarde werd toegeschreven zonder dat de constructies
in dit model direct correspondeerden met de zintuigelijke
ervaringswereld.
Het plotseling opduiken van de witte en rode kleur in de
nakomelingen van zelfbestoven roze bastaard leeuwebekken duidt erop dat er van
versmelting van de erfelijke eigenschappen van de ouderplanten geen sprake kan
zijn. Erfelijke eigenschappen van de ouders erven over en leiden een autonoom
bestaan. Dat niet alle erfelijke eigenschappen van de ouders aan de oppervlakte
komen, duidt slechts op een soort machtsstrijd om de verschijningsvorm tussen
deze eigenschappen. Organismen zijn voorts eindig en zullen waarschijnlijk niet
de som van alle erfelijke eigenschappen van al hun (voor)ouders in zich dragen:
overerving is niet cumulatief. Mendel postuleerde daarom de volgende
aannamen:
A (1)
Erffactoren zijn in tweevoud (diploïde) in de cellen
van het organisme aanwezig.
A (2)
Erffactoren zijn enkelvoudig (haploïde) aanwezig in de
geslachtscellen van het organisme (tengevolge van een 2-splitsing bij de
vorming van voortplantingscellen).
A (3)
De geslachtscellen (gameten) versmelten bij de bevruchting in de zin
dat de haploïden weer een diploïde vormen.
Deze hypotheses zijn bijzonder elegant. Het totale aantal
erffactoren blijft constant in de organismes van ouders en nakomelingen, maar
wordt in de geslachtscellen gehalveerd. Variaties zijn | | | | dan mogelijk
omdat de mannelijke en vrouwelijke gameten verschillende garnituren van
erffactoren kunnen bevatten.
De aannames (A 1)-(A 3) geven meteen een verklaring voor de
erfelijke eigenschappen van de leeuwebek. Stel dat we de erffactor voor kleur
weergeven met de letters R en r: R duidt op de
aanwezigheid van de factor die verantwoordelijk gesteld wordt voor de
rode kleur, en r duidt op de afwezigheid van die factor. De
afzonderlijke planten zijn dus op grond van (A 1) voor wat betreft de
samenstelling van de kleurfactor RR (rood), rr (wit), of
Rr (roze). De diploïde individuen met dezelfde factor in tweevoud
zijn homozygoot, de diploïde individuen met ongelijke factoren voor
een erfelijke eigenschap zijn heterozygoon. Volgens (A 2) hebben de
haploïde gameten dus òfwel de factor R, òfwel de
factor r in enkelvoud. De kleurverhoudingen in de bastaardgeneraties van
de leeuwebek kunnen nu heel eenvoudig worden afgeleid. Het volgende schema zal
ons hierbij helpen (de omcirkelde letters stellen de diploïde individuen
voor, de niet omcirkelde letters de haploïde gameten).

We zien dat alle exemplaren in F1 heterozygoot zijn (roze); elke
combinatie van de gameten van het ‘zuivere’ ouderpaar levert
bastaarden op. Zelfbestuiving van heterozygoten geeft nu in F2
‘natuurlijk’ homozygoten (wit en rood) via splitsing van factoren
in de gameten (A 2) en versmelting van gameten bij de bevruchting (A 3). De
verhouding ligt hierbij vast. Zelfbestuiving van homozygoten levert altijd
homozygoten op. Een andere voorspelling is dat kruising van heterozygoten met
homozygoten steeds een gelijke verdeling geeft over homozygoten (wit of rood)
en heterozygoten (roze). Hiermee zijn alle vragen opgelost die we eerder t.a.v.
leeuwebekken hebben gesteld.
We kunnen verder gaan en ons afvragen of de 1 : 3 = 1 : (2 : 1)
verhouding in de tweede bastaardgeneratie bij erwteplanten en de 1 : 5 = 1 :
(2n + 1); (n = 2) verhouding in F3 niet gerelateerd kunnen worden aan de 1 : 2
: 1 opsplitsing bij leeuwebekken. Mendel postuleerde een nieuwe
‘verborgen werkelijkheid’, nl. de recessieve factor. De
machtsstrijd om de uiterlijke verschijningsvorm tussen twee elkaar
beconcurrerende erffactoren kan soms beslecht | | | | worden ten gunste van
een van hen. De winnende factor noemen we dominant, de verliezer
recessief.
A (4)
Erffactoren kunnen recessief zijn: ze manifesteren zich niet, maar
zijn wel reëel aanwezig.
De verborgen werkelijkheid van recessieve factoren vormt samen met
de overige drie assumpties een redelijk deductief systeem. Homozygoten (in de
dominante factor) en heterozygoten kunnen eenzelfde verschijningsvorm hebben.
Er is weliswaar genotypisch verschil, maar fenotypische gelijkheid. Een directe
één-één relatie tussen genotype en fenotype is er
niet langer meer en de onderzoeker kan niet anders doen dan het genotype los
proberen te weken uit het fenotype. Dit is geen triviale aangelegenheid.
Mendels assumptie van recessiviteit geeft een boeiende verklaring voor de
erwtebloemen. Stel dat de factor R (aanwezigheid van het kenmerk dat de
rode bloemkleur bepaalt) dominant is en r recessief. Deze minimale
assumptie stelde Mendel in staat de splitsingsregel (1:3) bij de erwt als
een speciaal geval te zien van de algemene splitsingsregel (1:2:1) bij de
leeuwebek. Bij de erwt is er fenotypisch geen verschil te zien tussen de
genotypisch verschillende RR en Rr individuen. Beide zijn rood
omdat R dominant is. We hebben derhalve dezelfde genotypische verhoudingen bij
de erwt als bij de leeuwebek in F1 en F2. De 1:3 verhouding bij erwteplanten is
slechts een ‘oppervlakkige’ constatering van de kleurverdeling in
de alledaagse werkelijkheid. Feitelijk, i.e. genotypisch, is er sprake van een
1:2:1 verhouding.
De observeerbare 1:5 verhouding in F3 kan op precies dezelfde manier
verklaard worden: de genotypische 1:2:1 verhouding wordt hier enkel een cyclus
verder doorgevoerd! De rode ‘bastaarden’ uit F2 zijn immers niet
steeds homozygoot. De populatie rede erwtebloemen uit F2 bestaat voor 2/3 uit
heterozygoten (Rr) en voor slechts 1/3 uit homozygoten (RR)
zoals uit de genotypische 1:(2:1) verdeling kan worden afgeleid. Zelfbestuiving
van de heterozygoten geeft weer een 1:(2:1) verhouding, terwijl zelfbestuiving
van de homozygoten slechts homozygote nakomelingen geeft (i.e. een 0:4
verhouding). Een simpele rekensom,
| 1 : 3 | | |
| 1 :
3 | | |
| 0 :
4 | + | |
| 2 : 10 | = | 1 :
5 |
geeft dan de 1:5 verhouding van F3, en ook deze
‘anomalie’ is verklaard. De erwt is ‘gereduceerd’ tot
de leeuwebek middels de aanname van de ‘verborgen werkelijkheid’
van de recessieve factor. Mendels erfelijkheidstheorie is een fraai en
eenvoudig voorbeeld van een verklarende theorie die een veelvoud van
‘grillige’ en a priori ‘onsamenhangende’
splitsingsregels afleidt uit een eenvoudig systeem van interacterende
principes. Een reeks van verschijnselen wordt gereduceerd tot manifestaties van
eenzelfde ordenend beginsel: diploïde individuen vs. haploïde
gameten. | | | |
De klassieke erfelijkheidstheorie toont de deductieve diepte van
zijn verklaringen nergens beter dan in zijn verklaringen voor de
verhoudingstabellen bij de bananevlieg. Hier kregen we in F1 bij een kruising
tussen een roodogig wijfje, en een witogig mannetje uitsluitend roodogige
vliegjes, maar in F2 was de verhouding roodogig: witogig = 3 : 1. Deze getallen
suggereren een dominante erffactor voor de rode oogkleur. Maar dit kan niet de
gehele verklaring zijn, want een kruising tussen een witogig wijfje en een
roodogig mannetje geeft in F1 een gelijke verdeling van roodogige en witogige
nakomelingen, en dit blijft zo in F2. Dus hebben we een probleem.
De schakeling van oogkleur en geslacht in het ouderpaar is kennelijk
beslissend voor het verdere verloop. Daarom werd ook in latere generaties de
verdeling van dergelijke ges]acht/oogkleur koppelingen onderzocht door
Morgan e.a.. Er kwamen merkwaardige verdelingen aan het
licht. Bij kruising van roodogige wijfjes met witogige mannetjes zijn alle
mannelijke en vrouwelijke nakomelingen roodogig, maar in de tweede generatie
zijn alle wijfjes en slechts 50% van de mannetjes roodogig. Bij kruising van
witogige wijfjes met roodogige mannetjes zijn alle mannelijke nakomelingen
roodogig en alle wijfjes witogig in F1, maar in F2 is plotseling 50% van alle
mannetjes en 50% van alles wijfjes roodogig. Morgan stelde daarom de volgende
hypothese op.
A (5)
Erffactoren kunnen geslachtsgebonden zijn: bij de bananevlieg is de
factor roodogig gebonden aan de mannelijke erffactor.
De schakeling oogkleur/geslacht is weer een voorbeeld van een
‘verborgen werkelijkheid’: de assumptie is dat het diploïde
wijfje homozygoot (RR) dan wel heterozygoot (Rr) kan zijn voor de
factor roodogig, maar dat het diploïde mannetje slechts één
factor roodogig of witogig (R of r) heeft, die gekoppeld is aan
het geslachtskenmerk (in moderne terminologie: het geslachtschromosoom
‘y’ bevat geen erffactor rood- of witogig, maar deze erffactor is
wel aanwezig in de partner van het geslachtschromosoom). We kunnen deze aanname
als volgt weergeven. Wijfjes zijn roodogig (RR of Rr) of witogig
(rr), maar alle roodogige mannetjes zijn Ry en alle witogige
mannetjes zijn ry (waar y voor het geslachtskenmerk staat).
Hieruit volgt dat de gameten van het wijfje nooit de factor mannelijk
kunnen bevatten, terwijl de geslachtscellen van het mannetje altijd hetzij de
factor mannelijk hetzij de factor rood/witogig bevatten. Wanneer we nu de
aanname dat de factor oogkleur geslachtsgebonden aan de mannelijke erffactor
is, koppelen aan de assumptie dat de factor roodogig dominant is, wordt het
niet enkel mogelijk de verschillende verhoudingstabellen voor roodogige en
witogige bananevliegjes af te leiden uit (A 1)-(A 5)? maar kunnen ook de
verhoudingsgetallen bij oogkleur/geslacht koppelingen nauwkeurig worden
verklaard uit het deductieve systeem dat door de principiële assumpties (A
1)-(A 5) wordt gevormd. Deze afleidingen worden hieronder schematisch
gerepresenteerd. | | | |

Alle opgesomde verhoudingstabellen zijn hiermee verklaard. De
klassieke theorie van
Mendel illustreert zeer fraai de strategie van de
verborgen werkelijkheid: de ‘verborgen werkelijkheden’ zijn
abstracte constructies waaraan een fysische realiteit werd toegedacht, zonder
dat de recessieve vs. dominante factoren, de geslachtsgebondenheid van
factoren, etc. rechtstreeks gerelateerd konden worden aan identiteiten in de
wereld van de zintuiglijke waarneming. Mendel heeft nooit de factoren kunnen
‘aanwijzen’ in de leeuwebek, maar het begrip ‘factor’
is daarom niet minder ‘fysisch reëel’!
De klassieke erfelijkheidsleer van Mendel kan in de volgende termen
van de moderne genetica en biochemie vertaald worden. De erfmassa ligt in de
chemische structuur van het DNA-molecuul opgeslagen in de genen. Een gen is een
stukje chromosoom dat voor één erfelijke eigenschap (of deel
daarvan) verantwoordelijk is. Deze chromosomen komen in paren voor in de
celkernen van het organisme en de genen voor dezelfde eigenschap (bijv.
oogkleur) zitten op overeenkomstige plaatsen in het chromosomenpaar. Bij de
vorming van de mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen (spermatozoïden,
eicellen) treedt reductiedeling op, waardoor het aantal niet-gedeelde
chromosomen gehalveerd wordt. De geslachtscellen kunnen een verschillend
chromosomengarnituur hebben, omdat de overeenkomstige genen in de leden van het
chromosomenpaar verschillend kunnen zijn. Bij bevruchting versmelten de
mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen zodat het aantal hele chromosomen
weer compleet wordt. Mendels erffactoren komen dus ruwweg overeen met de
stukjes chromosoom die de dragers zijn van de erfelijke eigenschappen (genen).
De tweevoudige aanwezigheid van erffactoren in het organisme correspondeert met
de chromosomenparen (eigenlijk met de genenparen) in de cellen van het
organisme. De enkelvoudige aanwezigheid van erffactoren in de gameten
correspondeert met het halve aantal nietgedeelde chromosomen in de
geslachtscellen (ook wel genomen genoemd). Homozygoten en heterozygoten zijn nu
genenparen die uit | | | | twee identieke rasp. verschillende genen
bestaan. We spreken van dominante vs. recessieve genen en van geslachtsgebonden
genen.
Het belang van deze verwoording van Mendels wetten is een
demonstratie dat er wel degelijk een klassieke erfelijkheidstheorie was met een
groot verklarend bereik zonder dat deze theorie speciefieke eisen oplegde
aan de fysische realisatie van de ‘erffactoren’ op het nivo van
cel, chromosoom, gen, of molecuul. De gedachte was dat de
‘erffactoren’ uiteindelijk een fysische (chemische)
realisatie moesten vinden in de geslachtscellen van het organisme. De moderne
biogenetica heeft ons een meer specifieke invulling gegeven van de klassieke
erfelijkheidsleer, maar dit doet niets af aan de ‘fysische
realiteit’ van de noties van Mendels leer. De moderne genetica geeft
preciezere, meer geartikuleerde en verfijnde verklaringen voor
erfelijkheidsverschijnselen op het nivo van het gen en de molecuul, en opent
verdere grenzen (haar noties zijn ‘fysisch reëler’ misschien),
maar niemand heeft hier de conclusie uit getrokken dat daarom Mendels klassieke
erfelijkheidsleer geen empirische theorie geweest zou zijn met niet-triviale
verklaringen voor uiterst markante erfelijkheidsverschijnselen. Het is van
uitermate groot belang om dit in de gaten te blijven houden, omdat de
artikulatie van de Universele Grammatika hieronder dezelfde theoretische status
heeft als de klassieke erfelijkheidsleer van
Mendel (cf. par. 2).
9.1. Stel nu dat we ook in de taalkunde de strategie van de
verborgen werkelijkheid zouden toepassen. Stel dat we zouden proberen de
ingewikkelde verschijnselen die zich bij ‘ontsnappingen’ uit
eilanden voordoen te reduceren tot een eenvoudig systeem van interacterende
‘natuurlijke’ aannames. Waar zouden we moeten beginnen? De
processen die we tot dusverre operatief hebben gezien waren hink-,
stap- en sprongontsnappingen. De twee eerstgenoemde waren locaal,
maar de sprongprocessen waren typisch ongebonden. Stel nu dat we de
‘werkelijkheid’ van sprongen ontkennen. De sprongen waren immers de
oorzaak van onze problemen. We nemen aan:
A (1)
Er zijn geen sprongontsnappingen: een sprong is een serie
opeenvolgende stappen.
De sprong wordt niet langer als een atomair geheel gezien, maar is
het zintuiglijk waarneembare resultaat van een reeks ‘verborgen
werkelijkheden’, nl. stappen. Ons systeem van ontsnappingen wordt niet
alleen eenvoudiger (alle processen in taal zijn nu locaal in de
technische zin die we hieraan gegeven hebben), maar tegelijk ook
verklarend: de asymmetrie tussen ontsnappingen naar links en
ontsnappingen naar rechts valt weg. Dit is heel gemakkelijk in te zien.
Stapprocessen zijn periferie-ontsnappingen in een heel speciale
betekenis van het woord: alle stapprocessen zijn C-attracties. In het
Engels, Italiaans en vele andere talen komt C wel zinsinitieel maar niet
zinsfinaal voor. Daarom zijn in deze talen ontsnappingen naar rechts strikt
locaal (blijven binnen de minimale S), maar zijn ontsnappingen naar
links hetzij strikt locaal, hetzij C-attracties. Aangezien zinnen
ingebed in zinnen kunnen voorkomen, is het mogelijk om locaal van C naar
C te stappen. Het uiteindelijk resultaat is een
‘sprongontsnapping’, maar de sprong is slechts de uiterlijke | | | | verschijningsvorm van een reeks ‘onzichtbare’ maar
niettemin ‘reële’ werkelijkheden, nl. een serie
C-attracties. Cf. (1) en (2):
(1) en (2)

Er is geen sprake meer van asymmetrie: alle processen zijn locaal.
Een reeks van locale processen resulteert in een netto sprong effect d.e.s.d.a.
er een stapsgewijze progressie van C naar C mogelijk is.
Extrapositie-verschijnselen hebben nooit het netto effect van ongebonden
ontsnappingen omdat ereenvoudig geen zinsfinale C is. De asymmetrie
is uiterlijke schijn maar zit niet in het regelsysteem.
De abstractie ‘van C-naar-C-stappen’ die al enige
verklarende waarde sorteert, laat natuurlijk de grote vraag open: waarom dan
wel deze en geen andere vluchtroute? Tot nu toe volgde dit uit de definitie van
‘stap’ als een C-attractie, maar de definitie van
‘stap’ is juist tamelijk willekeurig. Stel dat stappen locale
periferie-ontsnappingen zijn, maar niet noodzakelijk C-attracties,
zouden we dan wél ongebonden extrapositie-verschijnselen verwachten? Het
zou daarom juist interessant zijn om de empirische inhoud van de
C-attractie hypothese zelf af te leiden uit natuurlijke aannames van
‘verborgen werkelijkheden’. C-attractie is dan een manier
van een stapontsnapping zonder dat de asymmetrie verklaring voor
extrapositie-verschijnselen moet worden opgegeven. Wat zou die verborgen
realiteit kunnen zijn? Stel dat we van het verschil tussen hink- en
stapprocessen abstraheren (beide processen zijn locale ontsnappingen), en aan
alle ontsnappingen condities op het bereik van hun vluchtroutes opleggen.
A (2)
Ontsnappingen mogen over niet meer dan één cyclische
grens.
Gegeven assumptie (A 2) - die we Subjacency zullen noemen -
is de ontsnapping van wie in (3) via vluchtroute 1-plus-2
de enig mogelijke, indien S, maar niet S̄, cyclisch is (vluchtroute 3
is een ontsnapping over twee cyclische grenzen) en staat vluchtroute 3
(als-ook 1-plus-2) open indien S̄, maar niet S, cyclisch is.
Het empirisch effect van bewering (A 2) wordt duidelijk in (3).
(3)

| | | |
De empirische inhoud van Subjacency is het minst vrijblijvend
en dus is Subjacency a priori het meest interessant als we aannemen dat
de cyclische categorieën de NP en S zijn. Die
categorieën waarvan we in het begin al zeiden dat ze een
‘subject-van’ relatie definiëren. We verlaten met andere
woorden een positie die we halverwege hebben ingenomen!
Subjacency laat dan wel een ontsnapping toe van een meer
ingebed naar een minder ingebed zinsdomein conform de Strip Conditie,
zonder dat dit noodzakelijk een C-attractie is. Deze ontsnappingen doen
zich ook voor, cf. (4)-(5).
(4)
a. it seems (that) John is the winner
b. John seems to be the winner
(5)
a. it seems (that) there is noone here
b. there seems to be noone here
(6)
[S there … [S t …
]S ]S

Bovenstaande zinnen suggereren dat er locale processen zijn die noch
aan stapprocessen noch aan hinkprocessen beantwoorden, zoals we die eerder
gedefinieerd hebben. De zinnen (4) en (5) gaan eigenlijk verder dan een
suggestie. John in (4b) moet wel aan de ingebedde zin ontsnapt zijn,
omdat there in (5b) in elk geval uit de ingebedde zin ontsnapt is, zoals
duidelijk wordt uit een vergelijk van (7) met (5) en (8).
(7)
a. Noone expects to be here
b. *There expects to be noone here
(8)
Noone seems to be here
Een vergelijk van (8) met (7a) en van (5b) met (7b) toont aan dat in
tegenstelling tot expect het werkwoord seem steeds een uitgeweken
subject heeft wanneer het door een infinitief-complement gevolgd wordt. Het
verschil tussen expect en seem duidt op ontsnappingen van een
type die buiten de klassificatie vallen die we van taalprocessen in paragraaf 6
gegeven hebben. De Subjacency-conditie die slechts één
type regels kent en de taxonomie van ontsnappingen overboord heeft gezet, laat
processen zoals geïllustreerd in (4) en (5) toe. Volgens Subjacency
is er slechts één type ontsnapping, gebonden aan
localiteitseisen: de vluchtroutes lopen over niet meer dan twee cyclische
domeinen. Slechts één grens mag worden overschreden.
Subjacency eist enkel dat alle ontsnappingen locaal zijn en gegeven
een specifieke invulling van de notie ‘cyclische categorie’, dwingt
het principe een successieve C-naar-C ontsnappingsroute af. De
ongebonden ontsnapping die we eerder sprong noemden, is een serie van
successieve locale C-naar-C ontsnappinkjes. De ‘verborgen
werkelijkheid’ is de successieve C-naar-C-attractie zoals die door
Subjacency wordt afgedwongen. Subjacency gebruikt tenslotte de notie
‘locaal’ in een nieuwe zin, die de problemen voor de eerdere
indeling van paragraaf 6 oplost. Verdere evidentie voor de simplificatie van
processen zoals door Subjacency wordt mogelijk gemaakt | | | | is (9).
(9)
a. John believes [there to be total chaos]
(cf. John believes that there is total chaos)
b. there is believed by John to be total chaos
Er zijn binnen deze ‘locale’ processen wel meer
subklassen, e.g. enclise-regels, extrapositieregels, C-attracties,
Subject-attracties, genoemd naar hun vluchthaven, maar het belangrijke punt is
dat Subjacency van deze verschillen abstraheert. (De rol van de
vluchthaven is voor ons betoog irrelevant en we laten een bespreking hiervan
dan ook achterwege.)
Terug naar het asymmetrie-probleem. Subjacency verklaart
Subject-attractie over een zinsgrens heen en successieve
C-naar-C-attracties, maar verklaart zij ook de asymmetrie van ongebonden
wh-ontsnappingen en strikt gebonden extrapositie-verschijnselen? Niet
noodzakelijk als alleen S een cyclische categorie is (naast NP).
Laten we terugkeren naar de data van paragraaf 7 viz. (29)-(31) en de
UBC. De structuur van de ontsnappingen in deze zinnen was weergegeven in
de schematische voorstellingen van (32) en (33) in par. 7. We merken nu een
probleem dat we eerder hebben verzwegen: waarom mag ‘X’ in (32)
wél ontsnappen over één cyclische grens (NP), maar
niet in (33) waar ‘X’ toch ook maar over één
cyclische grens (S̄ of S is onbelangrijk hier) heen gaat? Hier hebben we te
maken met nog een asymmetrie, nl. die tussen NP en S̄ of S̄.
Deze asymmetrie werd gewoon gestipuleerd in de UBC (‘.... tenzij
elke zin ....’), maar niet verklaard. Subjacency impliceert
de UBC zoals die functioneert bij het blokkeren van de C-zinnen
van (30) en (31), i.e. bij vluchtpogingen uit een NP over een
S/S̄-grens heen, maar veronderstelt vooralsnog de UBC
voor geval (29c). Tenzij we aannemen dat de relevante structuur voor de
ontsnappingen in (29) niet (33) maar eerder (10) hieronder is .... waar
sententiële subjecten als NP zijn weergegeven!

Indien (10) de correcte weergave is van de structuur die aan de
ontsnappingen van (29) ten grondslag ligt, geeft dit de mogelijkheid tot
verdere reductie. De structuur (32) van paragraaf 7 en (10) hierboven zijn
slechts speciale gevallen van de meer algemene structuur (11),
(11)

waar α voor S̄ of voorzetselvoorwerp staat, en
Y, Z fonetisch nul mogen zijn. Indien Y en Z niet
beide nul zijn, hebben we e.g. (30) en (31) uit paragraaf 7. Indien beide nul
zijn, krijgen we e.g. (29). | | | |
Subjacency voorspelt dan dat X in alle gevallen
slechts over één cyclische grens heen mag ontsnappen, i.e.
NP. Ontsnapping over NP èn S is uitgesloten. De
totale empirische inhoud van de UBC wordt nu door Subjacency
geïmpliceerd indien we structuur (10) kunnen motiveren. Kunnen we
onafhankelijke evidentie voor (10) aandragen, dan is er een niet-triviale
verklaring voor de UBC, nl. Subjacency. We hebben dan een
verklaring voor de asymmetrie van extraposities: deze blijven beperkt tot hun
minimale S-domein, omdat elke ontsnapping uit dit S-domein een
vlucht over twee cyclische grenzen zou impliceren. De afwezigheid van
zinsfinale C's is niet langer cruciaal. We zijn erin geslaagd de asymmetrie
in ontsnappingen los te koppelen van de asymmetrie in (C's. Zowel de
asymmetrie van ontsnappingsprocessen als de successieve C-attracties
zijn herleidbaar tot één principe: Subjacency. Deze
voorwaartse sprong in het verklarend vermogen van onze
‘erfelijkheidstheorie’ wordt mogelijk, indien (10) een correcte
weergave is. Gelukkig is (10) heel goed te motiveren.
In de eerste plaats impliceert de definitie van
‘subject-van’, die we eerder gegeven hebben, dat de subjectzin een
NP moet zijn zonder de grammatika te compliceren. Maar er is ook
substantiële evidentie: het achtergelaten extrapositie-spoor is een
zinsdeel dat die ‘ontsnappingen’ kan uitvoeren die typerend voor
NP's zijn.
(12) it is false [that the moon is a piece of green
cheese]
(13) what is false is that the moon is a piece of green
cheese
(cf. what John reads is a novel by Dickens)
(14) it seems to be false that the moon is a piece of green
ch.
(cf. John seems to be the winner)
Zoals (12)-(14) laten zien, is het spoor van de ontsnapte zin een
element (it) dat evenals John (cf. (14)) aan zijn minimale
S̄-domein kan ontsnappen, en is de relatie tussen what en de
ontsnapte subjectszin in (13) gelijk aan die tussen what en a novel
by Dickens. Zeer sterke evidentie voor de NP status van
sententiële subjecten is tenslotte het verschil tussen (15a) en (15b).
(15)
a. *[that the moon is a piece of green cheese] I expect it to be
false
b. [that the moon is a piece of green cheesel I expect to be
false
Alleen NP's (en misschien ook voorzetselvoorwerpen) kunnen in
‘topic’ positie voorkomen: (15a) is ongrammatikaal omdat de
‘topic’ zin geen NP is. De ‘topic’ zin in (15a)
is bijv. een ontsnapping geweest van een zin in de uitwijkhaven van een
geëxtraponeerde zin. Maar de grammatikaliteit van (15b) wijst erop dat de
‘topic’ zin in (15b) wél een NP is. De
‘topic’ zin in (15b) is een ontsnapping geweest van de subjectszin
met achterlaten van een schijnsubject (lege positie). Maar dan moet de
subjectszin noodzakelijkerwijze een NP zijn. De niet-
geëxtraponeerde zin is dus een NP, maar de geëxtraponeerde zin
is geen NP. Extrapositie- zinnen hebben slechts een gelexikaliseerd
NP spoor. | | | |
We concluderen dat Subjacency een veelbelovend begin heeft
gemaakt met het beantwoorden van een aantal vragen waar we in paragraaf 7 mee
waren blijven zitten. De UBC is slechts een naam voor een probleem dat
nu verklaard wordt door Subjacency. De Subjacency-conditie sluit
de empirische effecten van de UBC in. Maar zij verklaart meer eilanden
dan alleen upward boundedness.
Bekijken we de Complex NP Condition. De relevante zinnen
onder het bereik van CNPC konden steeds structureel als (16)
gerepresenteerd worden. Cf. (16) met (4) uit par. 7. (Voortaan zullen
geciteerde voorbeelden uit andere paragrafen voorafgegaan worden door hun
paragraafnummer: (4) uit par. 7 wordt dan (7.4).)
(16)

Subjacency houdt in dat de rechtstreekse vluchtroute 3
geblokkeerd is (drie cyclische grenzen worden tegelijk overschreden, viz. S,
NP, en S), maar eveneens blokkeert zij route 2
(overschrijding van twee cyclische grenzen, viz. NP en S). Alle
empirische effecten van de CNPC vallen derhalve onder het bereik van
Subjacency en ook de CNPC kan, evenals de UBC worden
afgevoerd als eilandconditie. CNPC is in Subjacency
geïmpliceerd en heeft slechts een afgeleide, d.w.z. niet-principiële
status. De verklarende waarde van Subjacency neemt toe: twee
‘onafhankelijke’ eiland-condities zijn nu tot speciale toepassingen
van een algemeen beginsel gereduceerd. Merk op dat deze toename in verklarend
vermogen een gevolg is geweest van steeds meer eenvoudige en natuurlijke
aannames, e.g. ‘sprong is stap-maal-stap-maal …’.
Subjacency is duidelijk niet constructie-gebonden en sluit
elke dubbele cyclische grens-overschrijding uit, ongeacht de specifieke
constructie (zoals in het laatste geval de appositionele bijzin). Zij voorspelt
dat ook ontsnappingen uit relatieve bijzinnen onmogelijk zijn, ongeacht de
interne structuur van de NP: er zullen altijd minstens twee cyclische
grenzen moeten worden overschreden bij iedere vluchtpoging. Maar dan wordt nu
ook duidelijk dat Subjacency elke vluchtroute uit een zin zal blokkeren,
indien die zin een zinsdeel is van een NP en deze NP geheel
‘opvult’, zoals in het geval van sententiële subjecten! De
structuur van een dergelijke ontsnapping is eenvoudig een speciaal geval van de
meer algemene structuur (16), waar de stippeltjes tussen de beide C's
fonetisch nul zijn, viz. (17).
(17)

De verklarende waarde van Subjacency lijkt met elke
eiland-conditie groter te worden. Ook de SSC wordt door
Subjacency geïmpliceerd. Elke vluchtroute die door SSC wordt
uitgesloten, wordt ook door Subjacency geblokkeerd, maar deze laatste
conditie sluit meer uit, nl. de vluchtroutes die eerder onder het bereik van
CNPC en UBC vielen. Specifiek toegepast op (17) blokkeert
Subjacency vluchtroute 3, alsook de C-naar-C-route, omdat er dan
precies drie resp. twee | | | | cyclische grenzen overschreden worden,
terwijl slechts één grensoverschrijding is toegestaan. De
vluchtpoging moet in de complementizer van het subject gestaakt worden.
Samenvattend, ook het empirisch bereik van de SSC valt onder
Subjacency, die nu het bestaan van eilanden verklaart die
voorheen door de CNPC, SSC, en UBC gestipuleerd werden. Al
deze eiland-condities zijn als theorema's afleidbaar uit het axiomatisch
beginsel Subjacency.
Er resteren nu nog twee eiland-condities: de Wh-IC en
PSC. Deze waren extra lastig omdat ze per taal konden variëren.
Heeft Subjacency soms hierover ook iets te zeggen? Het is eenvoudig in
te zien dat Subjacency niet toestaat dat er een zinsdeel uit de subject
NP naar de complementizer van de minimale zin ontsnapt (indien zoals we
steeds aannemen, S en NP cyclisch zijn). Vgl.
(18)

Elke vluchtroute van X naar C zal over twee cyclische
grenzen lopen (nl. NP, S), en is derhalve door Subjacency
geblokkeerd. Ook de PSC wordt daarom door Subjacency
geïmpliceerd en is slechts een afgeleide notie zonder enige
principiële betekenis.
Maar nu is er voor het eerst een probleem ontstaan:
Subjacency sluit niet alleen de b-zinnen, maar ook de
a-zinnen van (7.24)-(7.26) uit, en doet dit ten onrechte, lijkt het.
Hier is de werkelijkheid echter troebel. Er zijn onafhankelijke redenen om aan
te nemen dat althans enkele structuren waar ontsnappingen uit hebben
plaatsgevonden, niet moeten worden weergegeven als (19), maar integendeel als
(20), geheel in overeenstemming met Subjacency.
(19) en (20)

Zo wijzen zinnen als (21) erop dat het voorzetselvoorwerp geen deel
kan uitmaken van de NP, omdat anders ook (22) een welgevormde zin had
moeten zijn.
(21)
the pictures which they made of Joan
(cf. they made pictures of Joan)
(22) *the votes which they counted against Joan
(cf. they counted votes against Joan)
Verdere indicaties zijn bijv. in het Nederlands:
(23) foto's? ik heb er twee van haar gemaakt
(24) *argumenten? ik heb er wel drie tegen de evolutieleer | | | |
Kennelijk zitten de zinnen (21) en (23) structureel anders in elkaar
dan (22) resp. (24): de twee laatste zinnen hebben een structuur die op
relevante punten overeenkomt met (19), terwijl de twee eerste zinnen meer met
(20) overeenkomen. Indien deze suggestie juist is, verklaart Subjacency
ook deze verschillen. Hoewel (7.24)-(7.26) nog enkele problematische kanten
hebben, suggereert deze discussie hoe althans in principe de complexe NP
data moeten worden geïnterpreteerd. Het Subjacency
beginsel'dwingt’ tot de specifieke structuurinterpretatie (20) voor
(7.24)-(7.26), omdat anders de grammatikaliteit van de a-zinnen een
onverklaard feit zou blijven. Deze structuurinterpretatie is onafhankelijk
gemotiveerd voor (21') en (23').
(21') who did they make pictures of?
(23') waar heb je foto's van gemaakt?
Dit ‘dwang’ effect is niet beperkt tot taalkundige
analyses. Precies analoog dwingt de aanname dat de maan een ellips om de aarde
beschrijft, ons te accepteren dat de maan een aswenteling maakt die precies
even lang duurt als zijn kringloop om de aarde, omdat anders onverklaard blijft
dat de maan steeds met dezelfde kant naar ons is toegekeerd. Evenzo dwingt de
aanname dat het fenotype het resultaat is van de inwerking van het milieu op
het genotype, ons te accepteren dat de ‘hoogvlakte’ variant
(pyknisch) en de ‘laagvlakte’ variant (leptosoom) van de
paardebloem genotypisch gelijk zijn, omdat anders niet valt in te zien dat de
‘hoogvlakte’ variant leptosome nakomelingen heeft wanneer zij in de
laagvlakte wordt overgeplaatst, en omgekeerd.
Het Subjacency-principe voorspelt in overeenstemming met de
welgevormdheidsoordelen van de taalgebruiker dat de volgende zinnen uitgesloten
zijn.
(25) *who did he make a picture of a report against?
(26) *what did he write a book about effects on?
Deze zinnen hebben een voorzetselvoorwerp ingebed in een
voorzetselvoorwerp en elke ontsnapping van de diepst ingebedde NP zal
daarom altijd over twee cyclische grenzen (NP, S) moeten lopen. Vgl.
(27)

Waren ‘heranalyses’ mogelijk voor (7.24a)-(7.26a)
à (20), ze zijn uitgesloten in (25)-(26): to make a picture of a
report laat zich niet zo gemakkelijk idiomatiseren als bijv. to make a
picture (cf. to photograph). Bijgevolg vallen (naast de vele andere
feiten die onder de PSC onverklaard bleven, zoals de ongrammatikaliteit
van (25), (26), (22), en (24)) ook de empirische konsekwenties van de
PSC onder het bereik van Subjacency, mits we enkele redelijke
aannames over lexikaliseerbaarheid accepteren. Anders gezegd, de
Subjacency-conditie wint aan verklarende kracht. Hoe vaart zij met
betrekking tot de Wh-IC, de enige eiland-conditie die nog
resteert? | | | |
Duidelijk is in elk geval dat de vraagwoord-ontsnappingen die in
(7.14)-(7.18) geïllustreerd zijn, allemaal ‘locaal’
gerepresenteerd kunnen worden in overeenstemming met het
Subjacency-beginsel. We geven hier slechts één voorbeeld:
de representatie van (7.18).
(28)

Vluchtroute 3 ligt geblokkeerd door Subjacency, maar
de uitwijkhaven kan niettemin bereikt worden door een serie van twee
‘locale’ stappen die elk over niet meer dan één
cyclische grens gaan (i.e. route 1-plus-2). Route 4 ligt
vanzelfsprekend open (één grensover-schrijding). Maar als de
directe vluchtroute 3 geblokkeerd is (zoals steeds onder aanname dat
S en niet S̄ cyclisch is), dan volgt hier automatisch uit dat
de onwelgevormdheid van (7.5)-(7.10) door Subjacency voorspeld wordt.
Voor al deze gevallen geldt immers dat ook de indirecte routes geblokkeerd
liggen:
(29)

Structuur (29) maakt deel uit van de structurele weergave van de
vraagwoord-ontsnappingen in elk van (7.5)-(7.10). Zoals (29) laat zien is niet
enkel de rechtstreekse vluchtroute (3), maar ook de indirecte route
(1-plus-2) geblokkeerd. Route 1 is uitgesloten vanwege de reeds
bezette uitwijkhaven: C is een honk voor slechts één
vluchter (cf. de discussie in par. 6). De vluchtroute van Y naar
X is dubbel geblokkeerd: rechtstreeks door Subjacency en indirect
door een reeds bezette transit-haven. Maar dit betekent dat ook het empirisch
effect van de Wh-IC onder het bereik van Subjacency valt, die nu
bijna een optimaal verklarend bereik heeft. Een natuurlijke aanname over de
locale aard van ontsnappingen, verwoord in (A 2), heeft geresulteerd in de
liquidatie van alle eiland-condities. De CNPC, SSC, PSC, Wh-IC, en
UBC zijn alle gereduceerd tot theorema's van een axiomatisch
taalbeginsel: Subjacency.
Subjacency impliceert niet alleen het bestaan van alle
opgesomde eilanden, maar geeft bovendien antwoord op een aantal vragen die
problematisch waren voor het ‘blote’ bestaan van eiland-condities.
Zo sluit Subjacency de mogelijkheid uit dat individuele talen wél
CNP-eilanden maar geen wh-eilanden kennen, en geeft zij een
principieel antwoord op de vraag of er tussen deze eilanden verband bestaat.
Subjacency is zelf het causale verband tussen de eiland-condities: zij
verenigt alle genoemde eilanden onder zich. Een willekeurig eiland kan zich
niet straffeloos onttrekken aan de groep zonder het causale beginsel zelf aan
te tasten. Subjacency heeft ook een schoonmaakeffect. Zij lost de
redundantie in het systeem van eiland-condities op dat de ongrammatikaliteit
van e.g. what did he answer the question who read? toeschreef aan zowel
de Wh-IC als de CNPC.
Maar ofschoon talen volgens Subjacency niet kunnen
variëren in de hoeveelheid eilanden, hebben we niettemin geconstateerd dat
talen | | | | wel degelijk kunnen variëren in de aard van de eilanden.
Er zijn duidelijk kwalitatieve verschillen tussen het Engels en het Italiaans
met betrekking tot nominale subject-eilanden en wh-eilanden. Kunnen
talen dan wel eindeloos variëren in de ‘archi-eilanden'? Of kunnen
er zeer nauwe grenzen aan deze variatiebreedte gesteld worden? Dit zijn de
overgebleven vragen die we nu zullen trachten te beantwoorden.
Het Italiaans kent evenals het Engels vijf eilanden, maar de
nominale subjecten en de wh-eilanden hebben zoals opgemerkt het karakter
van schiereilanden. Waarom kennen alleen deze en niet de andere eilanden
varianten? Is er misschien een Italiaans dialect of een andere taal die in
plaats van een variant in de Wh-IC een variant van de UBC kent?
Bestaat er soms een intrinsiek verband tussen de varianten in de PSC en
Wh-IC enerzijds en het ontbreken van dergelijke varianten in de andere
eiland-condities anderzijds? Dit zijn kennelijk de cruciale vragen die ons
worden ingegeven op het nivo van theorie-ontwikkeling waarop we ons rationeel
onderzoek naar de genetische component van taal uitvoeren. Interessante
antwoorden zullen daarom automatisch tot diepere inzichten leiden in de aard
van ons object van onderzoek: de Universele Grammatika. We keren terug tot de
Italiaanse schiereilanden.
Data (7.43) en (7.44) waren illustratief voor het
schiereilandkarakter van Italiaanse vraagzinnen. De aard van deze
schiereilanden kon door een taalspecifieke tenzij-clausule op de
Wh-IC formeel worden vastgelegd, cf. (7. E 4'). De relevante structuur
van deze beide zinnen kan worden weergegeven als (30).
(30) a en b

De structuur die onderliggend is aan (7.43) komt op relevante punten
overeen met (30a) en die van (7.44) is overeenkomstig (30b). De
‘kleine’ ontsnapping via vluchtroute 1 is in beide gevallen
conform Subjacency. De ‘grote’ ontsnapping naar het hoofd
van de relatief-constructie kan volgens het Subjacency-beginsel niet in
één sprong. Maar ook het opsplitsen van deze sprong in een serie
stappen, i.e. vluchtroute 2-plus-3, is in strijd met Subjacency
onder aanname dat NP en S de cyclische categorieën zijn.
Zoals reeds herhaaldelijk is opgemerkt, legt het verklarende
Subjacency-principe sterke beperkingen op aan het vluchtbereik van
ontsnappingsroutes: slechts één cyclische grens mag tegelijk
overschreden worden. Het verlichten van deze beperking, e,g. de mogelijkheid om
twéé i.p.v. één cyclische categorie(ën) te
doorkruisen, geeft niet het gewenste resultaat. De verklaringen voor CNPC,
SSC, en UBC vallen nu compleet weg, en bovendien wordt binnen de
verzameling onwelgevormdheden die onder de Wh-IC vallen, de
ongrammatikaliteit van bijv. (7.47) of (7.49) een onverklaard feit. Immers, de
twee ontsnappingen gaan over niet meer dan twee cyclische categorieën,
omdat de hele relatiefzin slechts twee sententiële inbeddingen
kent. | | | |
De conclusie is onvermijdelijk. De vluchtroutes voor de
ontsnappingen in (7.43) en (7.44) moeten inderdaad volgens de in (30)
aangegeven pijlen gaan: met name volgen de ‘grote’ ontsnappingen de
vluchtroute 2-plus-3. Maar dit betekent dat de S in het Italiaans
geen cyclische categorie kan zijn. Daarom aanvaarden we de hypothese dat het
Italiaans minimaal van het Engels verschilt in de keuze van zijn cyclische
categorieën.
Door de notie ‘cyclische categorie’ op te vatten als een
optie van de Universele Grammatika die in de grammatika's van de individuele
talen moet worden ingevuld, hebben we een verklaring gevonden voor de
Italiaanse data. Het is gemakkelijk in te zien hoe alle
grammatikaliteitsoordelen m.b.t. het Italiaanse ch-eiland kunnen worden
afgeleid uit Subjacency met de Italiaanse ‘waarden’
S̄ en NP voor de cyclische categorieën. We illustreren
deze bewering aan de ongrammatikale zinnen (7.47), (7.48) en (7.49).
(31), (32) en (33)

De structuren die aan de vluchtroutes van de ch-ontsnappingen
in (7.47), (7.48) en (7.49) ten grondslag liggen zijn resp. (31), (32) en (33).
Voor alle structuren geldt dat ontsnappingsroute 2 in overeenstemming
met Subjacency is: in (31) wordt geen enkele cyclische grens
overschreden, en in (32) en (33) slechts één, viz. S̄. Ook ligt
vluchtroute 1 geheel open, maar route 3 is in alle gevallen
geblokkeerd krachtens de Subjacency-conditie (gelijktijdige
overschrijding van twee cyclische S grenzen). Hiermee is alles verklaard. Het
Subjacency-beginsel kan met reden worden toegeschreven aan de Universele
Grammatika die deel uitmaakt van het genotype. Het is een moeder-sleutel voor
een reeks van complexe leerbaar-heidsproblemen.
De verklarende waarde van dit universele principe laat zich nog eens
demonstreren aan de PSC-data. Als S geen cyclische categorie is
in het Italiaans, kan een NP zinsdeel vrij uit de subject NP
ontsnappen in (7.36b) en (7.37b). (De a-gevallen van (7.36) en (7.37)
hebben dezelfde verklaring als de b-gevallen.) De Italiaanse
ontsnappingen uit een nominaal subject laten zich evenals de
‘incorrecte’ Engelse processen structureel weergeven als (18)
hierboven, maar aangezien S niet cyclisch is, ligt voor het Italiaans de
vluchtroute open die voor het Engels dicht ligt. Het netto resultaat tot heden
is dan ook dat Subjacency alle feiten van het Italiaans verantwoordt:
Wh-IC' en PSC' vallen onder Subjacency met S̄ en
NP als cyclische categorieën. Maar onze Subjacency theorie
maakt nu een interessante voorspelling: de ontsnappingsroute uit | | | | een NP ligt geblokkeerd wanneer de complementizer van de
minimale S̄ lexikaal gevuld is met een ch-woord. En (34)-(35)
laten zien dat deze voorspelling juist is.
(34) *questo generale di cui non ricordo chi abbia
sposato la sorella .....
(35) *questa ragazza di cui non so chi abbia visto la foto
....
De structuren die aan (34)-(35) onderliggend zijn kunnen op
relevante punten worden weergegeven als (36).
(36)

De directe vluchtroute 3 is geblokkeerd door
Subjacency (viz. overschrijding van de cyclische NP en
S̄), en de indirecte route 1-plus-2 ligt al dicht op het eerste
traject (een reeds complete vluchthaven). Subjacency eist dus dat (34)
en (35) onwelgevormd zijn. Een fraai resultaat.
Een laatste voorspelling van Subjacency voor het Italiaans is
dat de relatiefzin die met de Engelse vraagzin (7.10) op relevante punten qua
‘sprongontsnappingen’ overeenkomt, een correcte Italiaanse zin zou
zijn. Vgl. (37) en zijn structuur (38):
(37)
questo generale a cui so che cosa hai detto che hanno prestato alla
ragazza .....
(‘deze generaal tegen wie ik weet wat je zei dat ze aan het
meisje hebben uitgeleend .....’)
(38)

Subjacency sluit de vluchtroutes in (38) niet uit. Beide
‘grote’ Ontsnappingen overschrijden slechts één
cyclische categorie (viz. S̄) en daarom wordt de welgevormdheid van
(37) althans door Subjacency niet aangetast.
De overige Italiaanse feiten die eerder onder de CNPC, SSC,
en UBC vielen, worden eveneens door de Italiaanse ‘variant’
van Subjacency verantwoord. Het Italiaanse beeld verschilt van het
Engelse in de keuze van zijn cyclische categorieën. Hieronder is in kaart
gebracht de manier waarop voor het Engels en het Italiaans de eilanden door het
Subjacency-beginsel geïmpliceerd worden (de letters a, b, en
C verwijzen naar de taalspecifieke cyclische categorieën die in de
reeds gegeven schematische voorstellingen van eilanden boven de benoemde
haakjes waren afgedrukt): | | | |
| | | | Eng. | It. |
| S | CNPC | (16) | a,
b →* | b, c
→* |
| U | | | | |
| B | Wh-IC | (29) | a,
c →* | b
→√ |
| J | | | | |
| A | SSC | (17) | a,
b →* | b, c
→* |
| C | | | | |
| E | PSC | (18) | a,
b →* | b
→√ |
| N | | | | |
| C | UBC | (11) | a,
b →* | a, c
→* |
| Y | | | | |
Hoewel de ‘grensoverschrijdingen’ in het Engels
kwalitatief verschillen van die in het Italiaans, zijn er slechts empirische
verschillen in welgevormdheid in de wh- en PS-eilanden.
Subjacency is een zeer adekwaat verklarend principe gebleken dat een
bevredigend antwoord geeft op alle eerder geformuleerde vragen. Alle
eilandcondities en hun varianten in de individuele talen zijn causaal met het
Subjacency-beginsel verbonden. Dit principe kan tenslotte als volgt
worden gekarakteriseerd.
A 3 Subjacency:
… [β …xi…
[γ.. [α..t (xi,j)..
]α..]γ..xj ..
]β..
Geen enkel cyclisch domein α dat een zinsdeel is van een
cyclisch domein β dat xi (of xj) bevat, mag
t(xi,j) bevatten, tenzij er geen enkel cyclisch domein
γ (γ ≠ α,β) is waar α een zinsdeel van is, maar
dat zelf een zinsdeel van β is.
(Informeel: geen enkel zinsdeel mag over meer dan één
enkele cyclische categorie ontsnappen.)
Merk op dat het taaluniversele Subjacency-principe
geformuleerd is in termen van ‘cyclisch domein’,
‘zinsdeel’ en ‘spoor’. De definities van de twee
laatste noties liggen min of meer vast, maar de definitie van cyclische
categorieën ligt gedeeltelijk open en moet worden vastgelegd in de
grammatika's van de afzonderlijke talen.
De Subjacency-conditie is taaluniverseel, maar de invulling
van de cyclische categorieën is taalspecifiek. De variatiebreedte van
cyclische categorieën is zelf weer nauw begrensd: alleen die
categorieën waar de ‘subject-van’ functie op gedefinieerd is
(en/of hun ‘grote’ uitbreidingen) zijn cyclisch. Aangezien we naast
‘grote’ en ‘kleine’ S'en alleen maar
‘kleine’ NP's hebben (NP's bezitten, geen C),
laat de variatiebreedte slechts drie keuzen toe nl. {s, S̄, NP}, {S, NP}, en
S̄, NP}. De eerste keuze sluit principieel elke C-naar-C ontsnapping
uit en is de taalspecifieke keuze van e.g. het Russisch, de tweede en derde
optie zijn de taalspecifieke invulling van het Engels resp. het Italiaans. De
verklarende waarde van Subjacency blijft behouden en met de invulling
van de taalspecifieke parameter | | | | wordt zijn predictieve waarde
alleen maar groter. Scherp divergerende groepen van taal verschijnselen worden
toegeschreven aan een minimale variatiebreedte in de opvulling van een
taalspecifieke parameter die in de Universele grammatika is opengelaten. Een
serie niet-triviale problemen voor de leerbaarheid van menselijke taal is
gereduceerd tot een axiomatisch beginsel. Dit is het gezicht van de linguistiek
als intellectuele activiteit.
9.2. De strategie van de verborgen werkelijkheid die in de
ontwikkeling van de natuurwetenschappen zo succesvol is gebleken, stuwt ook de
interpretatie van verscheidene problematische verschijnselen in taal in een
specifieke richting. Precies zoals de drie kernaannames (A 1) - (A 3) van
Mendel suggestief werkten bij het onderzoek naar dominante en geslachtsgebonden
factoren bij erwtebloemen en bananevliegen, zo ook heeft het
Subjacency-beginsel een predictieve kracht in andere dan de orthodoxe
ontsnappingsdomeinen. Haar ‘fallout’ is opmerkelijk en zal
geïllustreerd worden aan drie verschillende verschijnselen in het Frans,
Nederlands en Engels, die eerder in verband met Subjacency genoemd werden (par.
3.1).
(a) Het Frans kent zoals we eerder hebben opgemerkt, een locaal
ontsnappingsproces dat we stylistische inversie genoemd hebben en dat we
werkzaam zien in (39).
(39) à qui a-t-elle pensë qu'a parlé Jean?
Het probleem was dat (40) onwelgevormd is, hoewel het in structureel
opzicht oppervlakkig niet van (39) verschilt.
(40) *a qui a-t-elle confië qu'est venu Jean?
In zijn meest eenvoudige vorm treedt stylistische inversie slechts
dan op als er sprake is van een qu-woord (het Franse wh-woord) in
de complementizer van de zin waar de te inverteren NP subject van is. Het
grammatikaliteitsverschil van (41) en (42) is in dit opzicht illustratief.
(41) je me demande à qui a parlé Jean
(42) *elle m'a confié qu'est venu Jean
Maar nu wordt duidelijk dat het verschil in grammatikaliteit tussen
(39) en (40) het exacte gevolg is van Subjacency: de structuren die aan
de ingebedde objectszin van deze zinnen ten grondslag liggen, verschillen op
dezelfde manier als waarop de objectszinnen van (41) en (42) structureel
verschillen.
(39') en (40')

| | | |
Volgens Subjacency gaat de ontsnapping van à
qui via de C(omplementizer) van de ingebedde zin in (39'). Daarom
verschillen (39') en (40') o.a. in de aan- vs. afwezigheid van
een ‘leeg qu-woord’ in de complementizer van de ingebedde
zin. De grammatikaliteit van de complexe zin (39) en de onwelgevormdheid van de
complexe zin (40) worden herleid tot de grammatikaliteit resp. onwelgevormdheid
van de eenvoudige zinnen (41) en (42). Deze reductie wordt mogelijk door het
principe van Subjacency dat een ontsnapping via de complementizer eist in
(39'). Maar een qu-woord in de complementizer is een gunstig milieu voor
stylistische inversie, zoals het eenvoudige gegeven (41) illustreert. In zowel
(42) als (40) ontbreekt een dergelijk milieu.
Ook de niet-ambiguïteit van (3.30) kan op soortgelijke wijze op
de werking van het Subjacency-beginsel worden teruggebracht. Geen
triviaal resultaat! Complexe resultaten worden tot eenvoudige gevallen herleid
en niet-ambiguïteiten verklaard via het Subjacency-principe.
Bovendien geeft de analyse van (39)-(42) interessante steun aan de hypothese
dat de ‘lege posities’ in tussenliggende C's zoals die in
het Subjacency-beginsel geïmpliceerd zijn, psychologisch reëel
zijn. De verborgen werkelijkheid van ‘tussenliggende’ sporen is
linguistisch reëel.
(b) Het Nederlandse probleem voor de leerbaarheid van taal ligt nog
abstracter. Het Subjacency-beginsel dwingt ook hier tot een oplossing
die verklarende waarde heeft. De probleemzinnen waren (43)-(44).
(43) *Kárel ik geloof niet dat ziek is
(44) Kárel geloof ik niet dat ziek is
Subjacency eist locale ontsnappingen. In (44) heeft kennelijk
een ontsnapping plaatsgevonden: het subject ontbreekt in de ingebedde zin. Stel
dat we Karel als het ontsnapte element opvatten. Subjacency eist
dan een stapsgewijze ontsnappingsroute via de ingebedde complementizer (in het
Nederlands is S cyclisch):
(45)

Maar als Karel in (44) in de complementizer van de hoofdzin
zit, wordt de grammatikaliteit van (44) en de onwelgevormdheid van (43)
gereduceerd tot een onafhankelijke eigenaardigheid van het Nederlands dat eist
dat in de hoofdzin het werkwoord op de tweede plaats komt. Subjacency
voert op principiële wijze de status van (43) en (44) terug op die van de
eenvoudige gevallen (46) en (47).
(46) *wie je hebt van ontrouw beschuldigd?
(47) wie heb je van ontrouw beschuldigd?
(vg. je hebt Wilma van ontrouw beschuldigd)
Hieruit volgt dat de structuur van (48):
(48) Kárel ik geloof niet dat ie ziek is | | | |
op een essentieel punt moet verschillen van die van (44). In (48)
heeft waarschijnlijk geen ontsnapping plaatsgevonden en staat
Kárel niet in complementizer-positie. Voor het bepalen van de
tweede positie van het werkwoord spelen zinsdelen buiten de S̄
kennelijk geen rol.
De strategie van de verborgen werkelijkheid kan hier nog subtieler
doorgevoerd worden. Vgl. (49)-(52):
(49) *Kárel (die) ik geloof niet dat ziek
is
(50) Kárel (die) geloof ik niet dat ziek is
(51) *Die ik zag onlangs nog
(52) Die zag ik onlangs nog
Deze zinnen illustreren een die-ontsnapping. We trekken nu
twee conclusies: (i) zinnen als (51) en (52) lopen parallel aan zinnen als (46)
en (47), i.e. die-ontsnapping gaat analoog aan wie-ontsnapping en
net zoals wie in (47) inversie veroorzaakt, impliceert
die-ontsnapping in (52) eveneens inversie, en (ii) Kárel
in (49) en (50) kan niet in complementizer-positie staan, omdat daar die
reeds staat. Maar nu hebben we meteen een probleem: de optionele
weglaatbaarheid van die in (50) heeft een boomerang effect op de eerder
gegeven verklaring voor (44). In (44) mag Kárel dus ook niet in
complementizer-positie staan. Op dit punt is er derhalve geen wezenlijk
verschil met (48). Dit betekent echter dat we weer bij ons uitgangspunt terug
zijn: wat verklaart het verschil tussen (43) en (44)?
We zijn gedwongen onze eerder gegeven verklaring voor (44) op te
geven als we tenminste (43)-(44) en (49)-(50) tot één geval
willen reduceren. We verlaten nu ons eerder ingenomen standpunt dat
Kárel in (44) via een C-naar-C ontsnappingsroute naar het
begin van de zin is ontsnapt, en accepteren een abstractere werkelijkheid. We
reduceren (44) tot (50). In (44) nemen we aan dat het niet Kárel
geweest is die ontsnapt is, maar die (precies zoals in (50)). Het
verschil tussen ‘die’ in (44) en ‘die’ in (50) is dat
‘die’ in (44) tijdens de ontsnapping is ondergedoken.
De belangrijke conclusie die hier uit getrokken dient te worden is dat
‘verdwijningen’ Subjacency-gevoelig zijn. Een
‘verdwijning’ is een combinatie van een ‘ontsnapping’
en een gelukte ‘onderduikpoging’ in de complementizer. Het
Subjacency-beginsel reduceert (in interactie met de taalspecifieke
werkwoord-tweede-plaats-regel) de problemen van (43)-(44) tot het eenvoudige
gedrag van de die-ontsnappingen van (49)-(50), uiteindelijk tot de
eenvoudige wie/die-ontsnappingen van (46)-(47) en (51)-(52), en
voorspelt bovendien de ongrammatikaliteit van (53).
(53) *Kárel geloof ik niet dat ie ziek is
In (53) is er geen sprake van ontsnapping: Kárel zit
buiten de S̄ en het werkwoord behoort dus op de tweede plaats te
zitten binnen S̄ (vgl. (48)), tenzij de aan (53) ten grondslag
liggende structuur als vraag geïnterpreteerd kan worden. Aangezien dit
voor gevallen als (49)-(50) principieel is uitgesloten (nl. die is geen
wie), voorspelt Subjacency samen met de taalspecifieke regel die
de plaats van het werkwoord in vraagzinnen verantwoordt dat (54) welgevormd is
en (55) is uitgesloten. | | | |
(54) Kárel denk jij soms dat ie nog zal
komen?
(vgl. denk jij soms dat ie nog zal komen?)
(55) Kárel denk jij soms dat nog zal komen?
(vgl. *denk jij soms dat nog zal komen?)
Bovendien laat Subjacency de mogelijkheid van
vraagwoordontsnapping toe in zinnen als (48), maar sluit zij deze mogelijkheid
uit in zinnen als (44) vanwege de reeds bezette uitwijkhaven van de
complementizer in de hoofdzin:
(56) Kárel wat dacht je soms dat ie zou
zeggen?
(57) *Kárel wat dacht je soms dat zou zeggen?
De analyse van de data in deze paragraaf illustreert nog eens hoe
een universeel principe interacterend met taalspecifieke regels een redelijk
rijk deductief systeem vormt waaruit niet-triviale uitspraken over subtiele
taalverschijnselen kunnen worden afgeleid. Een veelbelovend resultaat!
(c) Tenslotte het Engelse probleem. Hier bereikt de toepassing van
de strategie van de verborgen werkelijkheid misschien wel zijn climax. Reeds
eerder hebben we geconcludeerd dat een ‘verdwijning’ niet een
liquidatie in situ hoeft te zijn, maar geïnterpreteerd kan (in
voorkomende gevallen: moet) worden als een (stapsgewijze) ontsnapping die
uiteindelijk leidt tot een onderduiken in een uitwijkhaven. Deze specifieke
hypothese over de aard van ‘verdwijningen’ gaan we thans toepassen
op voorbeelden als (58), i.e. (3.20) en (59).
(58) *what will John be easy to aim at?
(59) John will be easy to aim guns at
Als we aannemen dat (59) een ‘verborgen’ relatiefzin in
zijn structuur herbergt die nooit aan de oppervlakte komt maar wel degelijk
abstract vertegenwoordigd, (psychologisch reëel) is, kan een interessante
verklaring ontwikkeld worden voor de ongrammatikaliteit van (58) via het
ordenend beginsel Subjacency. We beweren dus dat (59) een structuur
heeft die analoog is aan die van (60), viz. (61).
(60) en (61)

Het enige relevante verschil tussen (59) en (60) is dat (60) een
variant kent die afwezig is bij (59), nl. (62):
(62) I bought a pencil with which to write | | | |
Maar dat de gedachte aan een infinitieve relatiefzin niet zomaar een
slag in de lucht is, wordt gesuggereerd door de volgende data.
(63) John is an easy guy to play with
(cf. John is easy to play with)
Gegeven de redelijke aanname dat er in (63) een
wh-ontsnapping heeft plaatsgevonden (vgl. (62)), gevolgd door een
verplicht onderduiken in de uitwijkhaven (vgl. (60)), verklaart
Subjacency waarom (58) ongrammatikaal moet zijn. Voorbeeld (58) is
slechts een speciaal geval van een ontsnapping uit een wh-eiland dat
reeds in Subjacency is geïmpliceerd. Cf. (64):
(64)

De stapsgewijze ontsnapping van what is uitgesloten door de
reeds bezette uitwijkhaven in het ingebedde S̄-domein en de
rechtstreekse vluchtroute ligt geblokkeerd door Subjacency. (De
verklaring voor de ongrammatikaliteit van (3.26) gaat analoog.) De
onwelgevormdheid van (58) wordt daarom evenals de onwelgevormdheid van (65)
teruggevoerd op Subjacency (gegeven enkele niet-triviale aannames over
‘verdwijningen’).
(65)
*what did you buy a pencil to write with?
cf. you bought a pencil to write signatures with)
De welgevormdheid van (66), i.e. (3.25), moet derhalve worden
toegeschreven aan het ontbreken van een wh-eiland in de abstracte
structuur die in (66) ligt opgeslagen.
(66) who is John eager to aim at?
(66')

We voorspellen daarom dat eager in tegenstelling tot
easy geen relatiefachtige varianten à la (63) zal toestaan. En
inderdaad, (67) is onwelgevormd.
(67)
John is an eager man to kill
(cf. John is eager to kill)
De argumentatie in deze subparagraaf is illustratief voor de mate
van abstractheid en verklarend vermogen van de Universele Grammatika zoals die
tot dusverre ontwikkeld is. Zoals in alle interessante wetenschap die
uitspraken doet over een oneindig bereik, worden we ook in de linguistiek
geconfronteerd met de schijnwerkelijkheid van het zich opdringende
feitenmateriaal. De strategie van de verborgen werkelijkheid die tot een
ontsnappingstheorie van verdwijningen heeft geleid, is zeer vruchtbaar
gebleken: uitermate abstracte voorstellingen van verdwenen zinsdelen als
ondergedoken | | | | elementen na een succesvolle stapsgewijze ontsnapping
hebben geleid tot verrassende inzichten in menselijke taal. De volgende
verschijnselen in de Engelse en Franse comparatiefzinnen zullen tenslotte als
gevolg van de ontsnappingstheorie van verdwenen elementen gereduceerd kunnen
worden tot de functie van het Subjacency-beginsel. Bekijken we eerst de Engelse
data (68)-(71):
(68) John wrote more books than you put on the table
(69) *you put on the table
(70) *John wrote more books than you put many books on the table
(71) John wrote more books than I think they vill admit that you put
on the table
Zoals de ongrammatikaliteit van (69) aantoont, moet er in (68) een
zinsdeel ‘verdwenen’ zijn dat cognitief toch aanwezig moet
worden geacht. De onwelgevormdheid van (70) toont aan dat er sprake in van een
verplichte verdwijning en (71) illustreert het ‘ongebonden’
karakter van deze verdwijning. Het verdwenen element kan arbitrair ver
verwijderd zijn van het element waarmee het vergeleken wordt. Maar volgens
Subjacency is dit uitgesloten: alle processen in taal zijn
‘gebonden’ aan een localiteitsbeginsel. Dus deze verdwijning op
afstand in (71) moet gezichtsbedrog zijn net zoals zonsopkomst en zonsondergang
gezichtsbedrog zijn. De theorie tot dusverre ontwikkeld eist een
‘ontsnappingsroute’: het verdwenen element ontsnapt in
overeenstemming met het Subjacency-beginsel naar de relevante
uitwijkhaven (in dit geval de ‘aanlegsteiger’ than) en duikt
daar pas onder. Dit is de predictie van de Universele Grammatika met
Subjacency als verklarend axiomatisch beginsel. Als de Universele
Grammatika deze ontsnappingsanalyse aan comparatiefzinnen opdringt, dan maakt
ze de interessante predictie dat comparatiefzinnen ‘eilandgevoelig’
zijn. Zij voorspelt m.a.w. de onwelgevormdheid van (72)-(74).
(72) *John wrote more books than I wonder who has put on the
table
(73) *John wrote more books than I believe the claim that you put on
the table
(74) *John wrote more books than that you will put on the table is
expected
(cf. John wrote more books than it is expected that you will put on
the table)
Deze zinnen die resp. de Wh-IC, CNPC, en SSC
schenden, vallen gegeven een ontsnappingsanalyse van
‘verdwijningen’ onder het bereik van Subjacency. Hier
bereikt het Subjacency-beginsel als verklarend principe een gewenst
abstractheidsnivo. Nog minder dan de gevallen die in eerste instantie
aanleiding gaven tot eiland-condities, kunnen deze comparatiefverschijnselen
rechtstreeks op de notie Subjacency betrokken worden.
Integendeel, de gedachte dat processen in taal zich binnen beperkte domeinen
afspelen zou meteen stranden op comparatiefzinnen als (71), ‘topic’
zinnen als (44), en zinnen met | | | | stylistische inversie als (39). Het
is hier dat het principe van Subjacency als ordenend beginsel van de
Universele Grammatika niet-triviale analyses oplegt aan verschijnselen in taal
die elk op een aantal interessante predicties uitlopen, zoals e.g. het
wegvallen van ambiguïteit bij stylistische inversie in (3.30), de
onmogelijkheid van vraagzinnen bij topicalisatie (vgl. (55)), en het
eilandkarakter van de comparatief-bijzin. Deze laatste predictie van de
ontsnappingsanalyse van ‘verdwijningen’ zullen we thans toelichten
tot besluit van deze discussie over de verklarende status van onze
erfelijkheidsleer van de leerbaarheid van natuurlijke taal.
Als er sprake is van een echte ontsnapping naar de C-positie
rechts van het partikel than zoals Subjacency dat eist, dan is de
comparatief-bijzin ingeleid door than een echt wh-eiland. Daarom
voorspelt Subjacency dat er geen enkel zinsdeel uit de than-zin
kan ontsnappen naar een minder ingebedde zin. Bovendien voorspelt
Subjacency dat als stylistische inversie mogelijk is in e.g. (39), ook
in de comparatiefzin stylistische inversie kan optreden onder aanname dat het
ontsnapte element een wh-woord is (in het Afrikaans en het Nederlands is
hier rechtstreekse evidentie voor, cf. hij leest meer dan (wat) jij
geschreven hebt). Beide voorspellingen zijn correct.
(75)
*who did John see more girls than he told that he could stand?
(vgl. did John see more girls than he told you that he could
stand?)
(76)
Jean a lu plus de livres que je ne crois que vous dites qu'en a
é Pierre
De structuren van de ontsnappingen c.q. verdwijningen in (75) en
(76) kunnen als volgt worden weergegeven:
(75') en (76')

In (75') is de rechtstreekse ontsnapping van het indirect object van
told naar het begin van de hoofdzin geblokkeerd door Subjacency
(gelijktijdige overschrijding van twee cyclische grenzen, viz. tweemaal
S); bovendien is de indirecte route versperd door de reeds bezette
uitwijkhaven van de omcirkelde S̄. In (76') doet het qu-element
op zijn vlucht naar de complementizer binnen het bereik van que de
tussenhaven van de omcirkelde S̄ aan; bijgevolg ontstaat er een
omgeving waarin stylistische inversie mogelijk is (precies zoals in het
eenvoudige geval van (41)).
Dit zijn markante predicties. Als de
C-naar-C-ontsnappingsanalyse zoals die door Subjacency wordt
afgedwongen, gesteund wordt door het verschijnsel stylistische inversie in
vraagzinnen, dan is stylistische inversie in comparatiefzinnen eveneens een
ondersteuning | | | | van het Subjacency-beginsel. Als
Subjacency een ontsnappingsanalyse oplegt aan comparatiefzinnen als
(71)-(74), dan geven zinnen als (75) hierboven eveneens onafhankelijke steun
aan deze analyse. Het amoeboïde karakter van ‘harde’ feiten is
hier overduidelijk mee aangetoond. Feiten ontlenen hun betekenis aan een
interpretatief kader. Zonder dit kader zijn ze niet ‘hard’ en
hebben ze dezelfde vage status als de ‘eigen leverworst’ die alleen
voor de slager triviaal interpreteerbaar is. ‘Feitelijk’ zien we
geen wh-ontsnappingen in easy-zinnen als (59) of
comparatiefzinnen als (71), net zo min als we de aswenteling van de maan zien
of de fenotypische realisatie van het recessieve gen, maar dit zegt niets over
het reele bestaan van deze constructies van verborgen werkelijkheid. Zoals
uiteengezet spelen deze ‘werkelijkheden’ een essentiële rol
bij de verklaring van tal van problemen in de linguistiek, fysica en
genetica.
10. Een laatste probleem in de Universele Grammatika dat tot
dusverre verzwegen is, betreft de definitie van het begrip ‘strip’.
In deze definitie speelde de notie ‘cyclische categorie’ een
centrale rol. In eerste instantie werden onder cyclische categorie uitsluitend
de NP en S verstaan; later werd i.v.m. de definitie van de
wh-eiland-conditie in het Engels de S vervangen door S̄,
en weer later bij de formulering van het Subjacency-beginsel hebben we
(althans voor het Engels) de notie ‘cyclische categorie’ weer
gefixeerd op NP en S. Maar dan hebben we een probleem in het
Engels. Immers, als de notie ‘cyclische categorie’ een open
parameter is die voor het Engels moet worden vastgesteld op de waarden
NP en S (voor de Subjacency-functie), worden we gevangen
in de paradox van de Strip Conditie, die de cyclische waarden
NP en S vooronderstelt. Vgl. (1):
(1)

In (1) zit who in de strip van t(who) als S
maar niet S̄ cyclisch is. De Strip Conditie sluit in dat geval
de ongrammatikale zin (1) ten onrechte niet uit. De Subjacency-functie
en de Strip-functie lijken samen een onontkoombare paradox te
vormen.
We zullen deze paradox doorbreken via een vereenvoudiging van de
definitie van ‘strip’: we laten gewoon het adjectief
‘cyclisch’ er uit weg! De cyclische categorieën blijven
NP en S, en de paradox is opgelost.
R 1
Definitie Strip: een zinsdeel A zit in de strip van een
zinsdeel B d.e.s.d.a. er geen enkele categorie is die A bevat, tenzij die ook B
bevat.
(Informeel: A zit in de strip van B als elke categorie die A bevat
ook B bevat.)
Deze vereenvoudiging in de nieuwe formulering van strip leidt
tot scherpere stellingname. De predicties die de Strip
Conditie-nieuwestijl maakt (i.e. elke categorie die het ontsnapte
element bevat | | | | moet ook het spoor van de ontsnapping bevatten) zijn
verfijnder dan die van de oudere versie (i.e. elke cyclische categorie
die het ontsnapte element bevat moet ook het spoor van de ontsnapping
bevatten). Als de voorspellingen van de gewijzigde formulering met de
‘werkelijkheid’ overeenkomen, zou dit een zeer gewenst resultaat
zijn. De ‘fall-out’ is opmerkelijk: de Strip Conditie
voorspelt niet enkel (zoals ook voorheen) dat wh-ontsnappingen naar een
meer ingebed zinsdomein uitgesloten zijn, vgl. (6.44) en (6.45), maar
bovendien blokkeert zij een type ontsnapping zoals weergegeven in (2).
(2)

Ontsnappingsroute 2 wordt door de Strip Conditie
uitgesloten omdat er minstens één categorie is die wie
bevat (nl. het voorzetselvoorwerp met wie), en die niet het spoor van
wie, t(wie), bevat. Deze ontsnappingsroute wordt door de
Strip-Conditie-oude-stijl niet geblokkeerd (de ontsnapping beperkt zich
tot de S). Merk op dat (2) niet wordt uitgesloten krachtens een principe dat
zegt dat per zin slechts één wh-woord kan voorkomen, vgl.
(3), of een verbod op wh-ontsnappingen binnen een zin, vgl. (4). Het
blokkeren van de ongrammatikale zin (2) komt wel degelijk op rekening van de
nieuwe inhoud van de Strip Conditie.
(3)
a. wie sprak met wie over deze onderwerpen?
b. wie sprak met hem over wat?
(4)
a. wie heeft Wilma waarvan beschuldigd?
b. wie heeft waar Wilma van beschuldigd?
Zeer verrassend is nu dat de antecedent-verbanden van anaforen zoals
zichzelf onderworpen zijn aan een soortgelijke structurele conditie.
Vgl. (5)-(7):
(5), (6) en (7)

Het reflexief pronomen zichzelf en het ontsnappingsspoor
lopen parallel. De onwelgevormde coreferentiële relatie tussen
Karel en zichzelf in (7) heeft dezelfde structuur als de
onwelgevormde wh-ontsnapping in (2). Voor elk van beide geldt dat er
geen verband gelegd mag worden tussen een element A (wh-woord of
antecedent) en een ander element B (t(wh) of zichzelf), tenzij
elke categorie die A bevat ook B bevat. De Strip Conditie is m.a.w.
onafhankelijk gemotiveerd door Antecedent-Anafoor relaties. Maar in dat
geval kunnen we een belangrijke generalisering maken die het systeem van de
Universele Grammatika nog sterker vereenvoudigt.
De Universele Grammatika wint aan axiomatische kracht, maakt een
krachtigere bewering over de aard van menselijke taal via de taalspecifieke
grammatika's wanneer we de aanname accepteren dat sporen
| | | |
anaforen zijn precies zoals het lexikale pronomen
zichzelf een anafoor is. De Strip Conditie is dan een algemene
conditie op anaforen en de toepassing op (de sporen van) ontsnappingen is
slechts een speciaal geval van dit meer algemene principe. Hiermee vervalt
Strip Conditie (R6) uit paragraaf 6 als een conditie op sporen. In de
plaats daarvan komt een meer algemene versie:
R 2
Anafoor Conditie: anaforen moeten een antecedent vinden in
hun strip
De Anafoor Conditie (AC) stelt dat het antecedent van
een anafoor in de strip van dat anafoor moet zitten: elke categorie die het
antecedent bevat moet ook het anafoor bevatten. Gegeven de assumptie dat sporen
anaforen zijn, worden de ‘strip’ beperkingen op ontsnappingen
teruggevoerd op onafhankelijk gemotiveerde beperkingen op de
antecedent-toekenning van reflexieven en andere anaforen. De condities op
anaforen verklaren de stripgevoeligheid van ontsnappingen. Een optimaal
resultaat. Weer een voorbeeld van hoe een vereenvoudiging van het systeem een
groter (en dieper) verklarend bereik impliceert. Tevens een ander voorbeeld van
een ‘verborgen werkelijkheid’: de zintuiglijk onwaarneembare sporen
zijn speciale gevallen van anaforen!
De volgende data illustreren de functie van de Anafoor
Conditie De zinnen (8) en (9) geven voor het reflexieve resp.
non-reflexieve pronomen in de ingebedde S aan dat de structuur van hun
antecedent-toekenning onderworpen is aan de Anafoor Conditie
(onderstreepte NP's worden geacht coreferentieel te zijn).
(8)
a. Jan beloofde goed op zichzelf te passen
b. *Zichzelf beloofde goed op Jan te passen
(9)
a. Jan zei dat ik goed op hem moest passen
b. *hij zei dat ik goed op Jan moest passen
Zinnen (10) en (11) illustreren dit voor reflexieve en
non-reflexieve pronomina in de ingebedde NP.
(10)
a. Jan kocht enkel foto's van zichzelf
b. *Zichzelf kocht enkel foto's van Jan
(11)
a. Jan las mijn boek over hem
b. *hij las mijn boek over Jan
Toch zijn er markante verschillen tussen zichzelf en
hem (hij). Vgl. (12)-(14):
(12)
a. dat ik op hem moet passen ergert Jan niet
b. dat ik op Jan moet passen ergert hem niet
(13)
a. mijn kritiek op hem ergert Jan niet
b. mijn kritiek op Jan ergert hem niet
(14)
a. *enkel roddels over zichzelf ergeren Jan
b. *enkel roddels over Jan ergeren zichzelf
| | | |
In (12)-(13) kunnen niet alleen het anafoor en het antecedent
onderling van plaats wisselen, maar zit Jan bovendien nooit in de strip
van hem (onder aanname dat ergert Jan niet een zinsdeel vormt).
De Anafoor Conditie kan blijkbaar, in deze gevallen althans, ongestraft
geschonden worden. Dit staat in schril contrast met de toepassing van de
Anafoor Conditie op de antecedent-toekenning van zichzelf in
(14). Hier mogen niet alleen zichzelf en Jan niet onderling van
plaats wisselen, maar is bovendien elke antecedent-toekenning van
zichzelf uitgesloten: Jan zit nergens in de strip van
zichzelf. De Anafoor Conditie kan hier niet ongestraft geschonden
worden. De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat zichzelf een
ander type anafoor moet zijn dan hij (hem). Deze conclusie wordt
door de volgende data bevestigd.
(15) *Jan beloofde goed op hem te passen
(cf. Jan dwong me goed op hem te passen)
(16) *Jan zei dat ik goed op zichzelf moest passen
(17) *Jan kocht enkel foto's van hem
(18) *Jan las mijn boek over zichzelf
(cf. Jan las een boek over zichzelf)
Deze data tonen aan dat reflexieve en non-reflexieve pronomina
elkaar niet zonder meer kunnen vervangen (alleen in (17) is het mogelijk
zichzelf met hemzelf af te wisselen!). Reflexieve anaforen moeten
hun antecedent vinden binnen een domein dat door een subject wordt
‘afgesloten’, viz. ik in (16) en mijn in (18).
Vandaar de welgevormdheid van (16') en (18'):
(16') ik zei dat Jan goed op zichzelf moest passen
(18') ik las Jan's boek over zichzelf
Non-reflexieve anaforen mogen hun antecedent niet vinden binnen een
domein dat door een subject wordt ‘afgesloten’, viz. Jan in
(15) en Jan in (17). Deze domeinkarakterisering is globaal juist (echter
niet in detail). In zijn meest eenvoudige vorm kan de
‘complementaire’ distributie van reflexieve en non-reflexieve
anaforen geïllustreerd worden aan de eenvoudige zinnen (19) en (20).
(19) Jan scheert zichzelf
(20) *Jan scheert hem.
We zeggen dat zichzelf een gebonden anafoor is (moet
binnen een bepaald domein geïnterpreteerd worden) en dat hij
(hem) een vrije anafoor is (mag alleen binnen een bepaald domein
niet geïnterpreteerd worden). De interpretatie van hij (hem)
buiten een ‘minimaal’ domein is vrij. Zo is in de volgende zinnen
een coreferentiële interpretatie van Wim en hem toegestaan
(merk op dat hier de interpretatie van hem buiten het
‘minimale’ domein (15) resp. (17) omgaat.):
(15') Wim was bang. Gelukkig beloofde Jan goed op hem
te passen.
(17') Alleen Wim maakte slechte foto's. Desondanks kocht Jan
enkel foto's van hem. | | | |
De interpretatie van zichzelf over een zinsgrens heen is
echter uitgesloten:
(21) *Jan maande ieder tot kalmte. Maar zichzelf bleef
nerveus.
Maar zich bleef zelf nerveus.
(22) Jan maande ieder tot kalmte. Maar hijzelf bleef
nerveus.
Maar hij bleef zelf nerveus.
Bovenstaande data, (15'), (17'), (21), (22), benadrukken een
cruciaal verschil tussen vrije anafora en gebonden anafora. Gebonden anaforen
zijn zinsgebonden, d.w.z. hebben een verplichte interpretatie
binnen de zin, en vrije anaforen zijn tekstgebonden, d.w.z. laten
optioneel een interpretatie toe over de zinsgrens heen. Vrije
anaforen zijn aan minder restrictieve condities gebonden dan gebonden anafora:
het antecedent van tekstgebonden anafora hoeft niet in de strip te
zitten van het anafoor (vgl. (12) en (13)) en hoeft zelfs niet eens in dezelfde
zin te zitten (vgl. (15'), (17') en (22)). Gebonden anaforen zijn aan zwaardere
beperkingen onderworpen: het antecedent van zinsgebonden anafora moet in
de strip van het anafoor zitten. De condities op de interpreteerbaarheid van
anaforen kunnen dan als volgt geformuleerd worden:
R 3
Gebonden Anafoor Conditie (GAC): gebonden anaforen
moeten een antecedent vinden in hun strip.
R 4
Vrije Anafoor Conditie (VAC): vrije anaforen mogen
niet in de strip van hun antecedent zitten.
Deze beide condities, GAC en VAC, verantwoorden alle
mogelijke en onmogelijke coreferentialiteitsrelaties die in deze paragraaf
besproken zijn en nog veel meer dat hier niet behandeld is. Onder de assumptie
dat sporen gebonden anaforen zijn, is de stripgevoeligheid van
ontsnappingen nu afleidbaar uit de functie van de Gebonden Anafoor
Conditie. De oorspronkelijke Anafoor Conditie (R 2) is opgelost in
twee opsplitsingen, GAC en VAC, ieder met een specifiek bereik.
De zinsgebonden processen, i.e. ontsnappingen, lopen heel natuurlijk
parallel met de zinsgebonden anaforen via GAC.
De volgende data tonen aan dat het subject het minst
ingebedde zinsdeel is binnen de eenvoudige S.
(23) ik denk dat [S hij zichzelf scheert
]S
(24) *ik denk dat [S zichzelf hem scheert
]S
In (24) kan hem onmogelijk in de strip van zichzelf
zitten als we tenminste de Gebonden Anafoor Conditie (waarvoor immers
reeds veel evidentie is aangevoerd) accepteren. De GA-Conditie eist
derhalve een interne structuur van de bijzinnen in (23)-(24) waarin zichzelf
scheert resp. hem scheert een zinsdeel vormen, nl. een
werkwoordelijk zinsdeel (VP voor verbal phrase). Gegeven een
dergelijk werkwoordelijk zinsdeel, is in (24) zichzelf in de strip van
het vrije anafoor hem, maar zit hem niet in de strip van het
gebonden anafoor zichzelf: (24) is dus in strijd met GAC. In (23)
zit hij
| | | | altijd in de strip van zichzelf (ook zonder
de VP-analyse). Naast dit theoretische argument is er ook
substantiële evidentie voor de werkwoordsgroep. Vgl.:
(25) Ik geloof niet dat Karel per se zichzelf scheren wil
(26) [Zichzelf scheren] geloof ik niet dat Karel per se wil
Zoals (26) aantoont is zichzelf scheren uit (25) een zinsdeel
dat een succesvolle vlucht kan maken naar het begin van de zin. Gegeven dat er
een werkwoordelijke groep in elke zin zit (elke zin heeft een werkwoord), volgt
automatisch dat het subject het minst ingebedde zinsdeel is. Maar dit betekent
dat we kunnen terugkomen van een minder geslaagde definitie van de notie
‘subject-van’ die ons werd opgedrongen door de eigenaardigheden van
de Nederlandse bijzin (cf. p. 130). De subjectsfunctie kan nu heel eenvoudig
worden gekarakteriseerd:
R 5
Definitie ‘Subject-van’: Subject van een
S of NP is die NP die asymmetrisch in de strip van elke
andere NP van die S of NP zit. (waar A asymmetrisch in de
strip van B zit d.e.s.d.a. A in de strip van B zit maar omgekeerd B niet in de
strip van A zit).
Hoewel dit hier niet in detail zal worden uitgewerkt is het mogelijk
om ‘subject-van’ onafhankelijk van S en NP te
karakteriseren in termen van ‘strip’, ‘kern’ en
‘kleine’ vs. ‘grote’ zinsdelen (‘een subject van
een zinsdeel Z is die NP van de ‘kleine’ variant van
Z die asymmetrisch in de strip van de kern van Z zit’). Bij
de NP vallen ‘grote’ en ‘kleine’ variant samen
in tegenstelling tot de S vs. S̄. De NP's die
asymmetrisch in de strip van de kern van de ‘kleine’ variant van
een zinsdeel zitten, beperken zich tot NP's in de S en NP
(De wh-NP in conplementizer-positie ligt buiten de S en de
maataangevende NP drie meter in drie meter lang of drie meter
boven de grond ligt eveneens buiten de ‘kleine’ variant van de
bijvoeglijk naamwoordsgroep resp. voorzetselvoorwerpsgroep. We laten een
demonstratie van deze bewering achterwege.) Hieruit volgt dat alleen de
NP en S een subjectsfunctie toestaan. Hieruit volgt dan weer dat
alleen de NP en S (en/of hun uitbreidingen) cyclische
categorieën zijn (zie de discussie boven). Weer is het opmerkelijk dat een
beter inzicht in condities op anaforen, GAC vs. VAC, automatisch
leidt tot vereenvoudigingen op, en betere inzichten in, condities op
sporen en cyclische categorieën. Speren zijn gebonden
anafora en de Strip Conditie wordt in de GAC opgenomen. De
beperking van cyclische domeinen tot S (S̄) NP volgt als
een theorema uit de definitie van ‘subject-van’.
We besluiten met de opsomming van de drie belangrijkste algemene
principes die in onze discussie van de Universele Grammatika een rijk deductief
systeem vormen waaruit (behalve de verschijnselen uit 3.2) alle andere
verschijnselen die in dit artikel besproken zijn kunnen worden afgeleid. | | | |
C 1
Gebonden Anafoor Conditie: gebonden anafora moeten een
antecedent vinden in hun strip.
(een gebonden anafoor zit in elke categorie waarin zijn antecedent
zit.)
C 2
Subjacency: geen enkele cyclische categorie α die een
zinsdeel is van een cyclische categorie β die een antecedent A bevat, mag
t(A) bevatten, tenzij er geen enkele cyclische categorie γ (γ ≠
α, β) is waar α een zinsdeel van is, maar die zelf een
zinsdeel van β is.
(geen enkel zinsdeel kan uit meer dan één enkele
cyclische categorie ontsnappen.)
C 3
Antecedency Binding: geen enkel antecedent A mag t(B)
bevatten, tenzij A ook antecedent B bevat.
(geen enkel zinsdeel kan uit een categorie ontsnappen die zelf
reeds een antecedent is.)
We hebben nu de volgende situatie. De Strip Conditie vervalt
als conditie op sporen en wordt als speciaal geval opgenomen in de meer
algemene conditie op de interpreteerbaarheid van gebonden anaforen
(GAC). Binnen de strip laat het Subjacency-beginsel ontsnappingen
toe over slechts één enkele cyclische grens, en tenslotte
tolereert de Antecedency Binding Conditie, een preciezere formulering
van het DC-Principe (3.81), ontsnappingen binnen de strip uit zinsdelen
die zelf niet gevlucht zijn. Deze drie verschillende condities convergeren toch
op een punt: Subjacency, Antecedency Binding en GAC zijn
condities op anafora. Hierin schuilt de grote predictieve kracht van het sterk
vereenvoudigde en axiomatische systeem dat we de Universele Grammatika genoemd
hebben.
De aangepaste formulering van het DC-Principe, i.e.
Antecedency Binding, lost het probleem op dat we in par. 3.3 hadden
laten liggen: waarom is (27) in tegenstelling tot (28) welgevormd?
(27) quand croit-il qu'il en est arrivé trois?
(28) *quand croit-il qu'en sont arrivés trois?
De grammatikaliteit van (27) is niet langer problematisch voor
Antecedency Binding. De uiteindelijke formulering (C 3) van dit principe
geeft het groene licht aan de ontsnapping in (27), omdat hier elk spoor van een
ontsnapping ontbreekt. Het spoor van de ontsnapping is door il
uitgewist. Il kan niet als anafoor van ‘en …
trois’ fungeren zoals het ontbreken van congruentie tussen
trois en est aantoont. In (28) is er wel sprake van een
ontsnappingsspoor en vindt Antecedency Binding wel een toepassing. Ook
treedt er in zinnen als (28) congruentie op tussen het geïnverteerde
subject en het werkwoord. Vgl. (29)-(30):
(29) *quand croit-il qu'il sont arrivé trois voyageurs?
(30) *quand croit-il qu'est arrivé trois voyageurs?
(29') quand croit-il qu'il est arrivé trois voyageurs?
(30') quand croit-il que sont arrivés trois voyageurs? | | | |
De notie ‘anafoor’ die zo'n belangrijke rol speelt in de
functie van Subjacency en de Gebonden Anafoor Conditie, blijkt
ook in de toepassing van Antecedency Binding een verklarende werking te
hebben onder de aanname dat sporen gebonden anaforen zijn. Het verschil in de
grammatikale status van (27) en (28) wordt via Antecedency Binding
teruggevoerd op een verschil in de anaforische status van il en
t. Het begrip ‘anafoor’ is het eenheidgevende moment in alle
drie genoemde principes van de Universele Grammatika.
11. Afsluiting. Wat is nu de status van de keuzemogelijkheden
die de Universele Grammatika voor de notie ‘cyclische categorie’
open laat? Ligt de keuze genotypisch vast, of is er hier sprake van een
fenotypische adaptatie aan het milieu? Anders gezegd, hebben we hier een
geval van het industriële melanisme bij de spanvlinder of van de
kleurmodificatie bij het brandneuskonijn?
De ‘vervanging’ van de oorspronkelijk marmer-grijze
‘schutkleur’ door een melanistische die zich bij de spanvlinder in
gebieden met zware industrie voordoet is, zeer merkwaardig, geen geval van
aanpassing aan het milieu op het nivo van het organisme. Integendeel, men heeft
aangetoond dat de melanistische variant slechts in één gen
verschilt van de ‘normale’ grijze variant, nl. het gen dat de
‘schutkleur’ bepaalt. In gebieden met zware vervuiling loopt de
grijze variant vele malen meer kans door roofvijanden opgepeuzeld te worden dan
de melanistische (in niet-industrie gebieden ligt de zaak omgekeerd). Er is
daarom sprake van natuurlijke selectie. Het verschil tussen de varianten is
niet enkel fenotypisch maar ook genotypisch.
Geheel anders ligt het bij het brandneuskonijn. Bij brandneuzen
treedt kleurvorming alleen op beneden een temperatuur van ongeveer dertig
graden Celsius. Daarboven treedt geen kleurvorming op. Alle brandneuzen worden
wit geboren en vertonen slechts kleurmodificaties bij lagere temperaturen
gedurende een kritische periode. In alle andere gevallen blijven ze wit. De
tint-modificatie die zich als gevolg van temperatuurverschillen voordoet vindt
geen basis in het genotype. Het verschil tussen de varianten is enkel
fenotypisch maar niet genotypisch.
Lijkt de Italiaanse spreker in dit opzicht op de melanistische
variant van de spanvlinder of vertoont hij meer ‘verwantschap’ met
het brandneuskonijn? Op dit nivo van abstractie is het ondoenlijk om hier een
inzichtgevend antwoord op te geven. De linguist is tot zijn theoretische
constructies gekomen onder aanvaarding van enkele simplificerende idealisaties.
Eén idealisatie is dat de menselijke soort invariant is m.b.t. de
Universele Grammatika. De Universele Grammatika ligt met andere woorden
genotypisch vast voor de hele soort. Dit is de meest behoudende assumptie en in
feite de enige waar geen directe bewijslast op drukt vis-à-vis de meer
specifieke veronderstelling dat een genotypische verschillen zouden zijn in de
Universele Grammatika. Genotypische variabiliteit maakt weliswaar empirische
claims (e.g. een Italiaans kind dat Engels als zijn moedertaal
‘leert’ spreken zal tegen de wh-eiland-conditie zondigen),
maar op het nivo waarop linguistische theorieën thans geformuleerd worden,
hebben deze empirische claims een geringe dwingende kracht in de ontwikkeling
van de theorie. Tenzij daartoe gedwongen door | | | | overwegingen van
empirische aard, prefereren we een ‘zuivere’ theorie die
genotypische variabiliteit uitsluit en verschillen tussen talen toeschrijft aan
milieu factoren. Voorlopig kiezen we voor de ‘brandneusvariant’ en
capituleren we voor de ‘melanistische variant’ wanneer dit een
taaltheoretisch interessante visie oplegt aan empirische verschijnselen in
taal. De keuze van de cyclische categorieën blijft binnen een nauwe
marge genotypisch open. In schema:

Het menselijk embryo dat geen genotypische verschillen kent in de
Universele Grammatika en dus een invariant Subjacency-beginsel tot zijn
beschikking heeft, vult op grond van beschikbare ervaringsgegevens (zoals e.g.
de Italiaanse vertaling van *what did you wonder who read die in het
Italiaans welgevormd is) de waarde van de parameter ‘cyclische
categorie’ in die de Universele Grammatika heeft opengelaten. Deze versie
van de Universele Grammatika die de verscheidenheid van taal terugvoert tot een
taalspecifieke invulling van een aantal open parameters noemen we de
Parameter Variant van de Kern Grammatika. De parameters van het genotype
worden in de taalspecifieke grammatika's gefixeerd en ingevuld. Het terugvoeren
van de fenotypische verschillen in de taalspecifieke grammatika's op
genotypische identiteit van de Parameter Variant van de Kern Grammatika maakt
van de moderne linguistiek een boeiende intellectuele activiteit.
De taalkundige argumentatie verschilt niet wezenlijk van de
natuurwetenschappelijke argumentatie. Taalkunde is eigenlijk ook niet meer dan
een onderdeel van een biologische theorie van de mens. Aangezien de biologie
een empirische intellectuele bezigheid is, behoort ook de linguistiek dat te
zijn. Niets meer maar ook niets minder.
De status van de eerder beschreven eiland-condities is analoog aan
die van de splitsingsverhoudingen (die we bij de leeuwebek en erwteplant
aantroffen) of de getijentabellen (die precies aangeven wanneer er eb en vloed
is, hoe hoog of hoe laag het springtij resp. dood tij zullen zijn). Zowel de
eiland-condities als de splitsingsverhoudingen als de getijentabellen zijn pure
opsommingen. Als beschrijvingen zijn ze ‘onklopbaar’. Maar ook
geven ze geen enkel inzicht juist omdat ze in principe onfalsificeerbaar zijn.
Het zijn zuiver descriptieve constructies (die in voorkomende gevallen
superieur kunnen zijn aan theoretische constructies).
De verklaringen die voor deze ‘tabellen’ gegeven zijn
lopen ook parallel. De splitsingsregels konden worden afgeleid uit een
erfelijkheidstheorie met als centrale notie ‘chromosoomgarnituur’.
Deze theorie verklaart onder enkele aannames (cf. reductiedeling, recessiviteit
van genen, etc.) niet enkel de splitsingswet van Mendel | | | | maar heeft
als ‘fall-out’ een explanatie voor de generatiesprong van
dichromasie. Deze theorie kent ook ‘storende’ milieu factoren (e.g.
voedselgebrek). Precies hetzelfde geldt voor de verklaring van de
getijentabellen. Deze kunnen worden afgeleid uit een fysische theorie met als
centrale notie ‘gravitatie’. Deze theorie verklaart onder enkele
aannames (cf. omlooptijd van de maan, rotatie van de aarde, etc.) niet enkel
het verschijnsel van springtij maar heeft als ‘fall-out’ een
explanatie voor de vallende steen en de zon eclips. Ook deze theorie kent
‘storende’ factoren bij het bepalen van hoog en laag water (e.g.
topografische bijzonderheden). Tenslotte gaat het precies zo met de
eiland-condities. Deze kunnen worden afgeleid uit een linguistische theorie met
als centraal beginsel ‘Subjacency’. De linguistische theorie geeft
onder enkele aannames (cf. C-naar-C-ontsnapping, spoor, etc.) niet enkel
een verklaring voor het wh-eiland fenomeen maar heeft als
‘fall-out’ een explanatie voor ‘verdwijningen’ in
easy-zinnen en stylistische inversie in comparatiefzinnen. Evenals in de
andere gevallen werken ook hier ‘storende’ milieu-invloeden (e.g.
de taalspecifieke invulling van de cyclische parameter). Al deze verklaringen
hebben met elkaar gemeen dat ze ‘klopbaar’ zijn. Ze maken deel uit
van een empirische theorie en geven een potentieel inzicht juist omdat ze in
principe falsificeerbaar zijn. Het zijn zuiver explanatorische constructies
(die in voorkomende gevallen inferieur kunnen zijn aan opsommende
catalogi).
We hebben ons druk gemaakt om het verklarend vermogen van de
Parameter Variant van de Kern Grammatika thematisch te demonstreren aan
een aantal principes van algemene geldigheid zonder een beroep te doen op een
geformaliseerde voorstelling van zaken. Het taalgebruik van
‘ontsnappingen’, ‘uitwijkhaven’, ‘spoor’,
etc. is metaforisch maar deze noties kunnen heel eenvoudig geformaliseerd en
operatief gemaakt worden in een formele voorstelling van de Parameter Variant
van de Kern Grammatika. De essentie van het betoog wordt hierdoor niet
aangetast (integendeel, door formalisatie worden we tot nieuwe stappen
gedwongen), maar formalisering zou ons betoog ernstig hebben opgehouden. Dat is
de reden geweest om af te zien van technische formuleringen die in deze context
nauwelijks tot dieper inzicht zouden bijdragen. Ook hebben we tal van problemen
onbesproken gelaten zoals e.g. de parameters van de zinsgebonden vs.
tekstgebonden grammatika, de verschillende types (gebonden) anaforen,
verschillen tussen NP- vs. wh-ontsnappingen, de status van
enclitische of proclitische processen, en vele andere.
Kernachtig uitgedrukt kan de essentie van ons betoog als volgt
worden gerecapituleerd. De Parameter Variant van de Kern Grammatika maakt deel
uit van een aangeboren schema dat onder invloed van ervaringsgegevens zich
ontwikkelt tot de grammatika van de taal waarmee het organisme in een
natuurlijke omgeving geconfronteerd wordt. Leerbaarheidsproblemen doen zich
hierbij slechts triviaal voor: wat ‘geleerd’ moet worden zijn de
taalspecifieke eigenaardigheden zoals e.g. het vaststellen van wat als
cyclische categorie geldt, het feit dat zich een ander type anafoor is
dan hem, het feit dat het meervoud van dag niet daggen
(cf. vlaggen) maar dagen is, etc. De ‘negatieve
kennis’ die juist omdat ze niet ‘geleerd’ kan worden
interessante problemen stelt aan elke theorie van taalverwerving is gereduceerd
tot een aantal factoren in dit aangeboren schema van de | | | | Kern
Grammatika dat invariant is voor de menselijke soort. Enkele van de
belangrijkste kenmerken van de Parameter Variant van de Kern Grammatika die we
hebben besproken zijn de stripgevoeligheid, de
subjacency-gevoeligheid, en de antecedency-binding-gevoeligheid
van (anaforische) processen. De Gebonden Anafoor Conditie drukt uit dat
processen in taal sensitief zijn voor de hiërarchische zinsstructuur
(strip). Subjacency bepaalt dat taalprocessen slechts over een
beperkte afstand kunnen opereren. Antecedency Binding benadrukt de
gevoeligheid van ontsnappingsprocessen voor het eiland-karakter van
antecedenten. De bijdrage van de linguistiek is een bijdrage aan een
‘leerbaarheidstheorie’ van menselijke taal: de linguistiek levert
een abstracte en indirecte ‘erfelijkheidsleer’ voor de factor
‘leerbaarheid’ als een soortbepaald kenmerk. De Gebonden Anafoor
Conditie, Subjacency en Antecedency Binding maken deel uit van het
genotype en bepalen als condities op de syntaxis het expressieve vermogen van
taal. Zij benadrukken de structuurgevoeligheid van het taalsysteem en
manifesteren zich fenotypisch verschillend in de syntaxis van de verschillende
talen. Het is de taak van de taalkunde het genotype los te weken uit zijn
fenotypisch bolster. Deze vergelijkingen met de biologie zijn niet zonder meer
didactisch: het type argumentatie voor kwalificaties als
‘soortbepaald’, ‘genotypisch’,
‘fenotypisch’, e.d. speelt essentieel dezelfde rol in beide
disciplines. Dit is natuurlijk want de taalkunde is niet meer dan een onderdeel
van de biologie, nl. de biologie van het menselijk organisme.
|
*Dit artikel is geïnspireerd door
recent filosofisch werk van
Noam Chomsky, en is gedeeltelijk gebaseerd op recent
linguistisch onderzoek van Noam Chomsky,
Luigi Rizzi,
Ritchie Kayne,
Jean-Yves Pollock (Subjaceny par. 3.1 en par. 9), en
mezelf (Antecedency Binding par. 3.3 en par. 10, nalles par. 3.2). Veel dank
ben ik verschuldigd aan
Arnold Evers, die steeds bereid bleek tot inhoudelijke
discussie en veel heeft bijgedragen tot de inhoudelijke vormgeving. Tenslotte
dank ik
Corriejanne Timmers voor haar kritische textuele
begeleiding.
|
|