
Balthazar Huydecoper werd 10 april 1695 te Amsterdam geboren en op 13 april in de Zuiderkerk gedoopt door dominee Van Alffen. Hij stamde uit een aanzienlijk regentengeslacht en was de zesde in een gezin van tien kinderen.
Van 1703 tot 1711 volgde hij de Latijnse school te Amsterdam en bij de beëindiging van deze studie beheerste hij de verskunst in de moedertaal goed. Na 1711 bezocht hij misschien nog een poos het Atheneum Illustre. Vanaf deze tijd ging hij zich steeds meer toeleggen op het schrijven van gelegenheidsgedichten. In 1713 liet hij zich in Utrecht inschrijven als student in de rechten. Waarschijnlijk heeft hij in deze tijd op Goudesteyn vertoefd, het buitengoed van de Huydecopers, dat in 1961 tot gemeentehuis van Maarssen is verheven.
In het schrijven van Nederlandse en Latijnse gedichten had hij zich inmiddels zodanig bekwaamd, dat hij zich ook durfde wagen aan het toneel. Hij schreef drie tragedies in Frans-classicistische stijl, waarbij hij vooral streefde naar goed taalgebruik en naar een echt Nederlands treurspel met eigen Nederlandse stof en vormgeving.
Hoelang Huydecoper in Utrecht rechten studeerde, is niet bekend. Omstreeks 1721 woonde hij echter zeker op kamers in Amsterdam. In 1723 deed hij een naar zee vertrekkende neef uitgeleide tot Tessel, en op de terugweg vergeleek hij op de wilde Zuiderzee de onbetrouwbaarheid van de vrouw met de ongestadigheid van de zee, waarschijnlijk onder invloed van een teleurgestelde liefde. Hij zou voortaan met argwaan tegenover de liefde staan en bleef dan ook ongehuwd.
Zijn belangstelling voor het toneel werd in 1723 bekroond met een aanstelling als regent van het Burgerweeshuis en als zodanig ook van de Schouwburg van Amsterdam. Tussen de werkzaamheden voor de
Schouwburg door vond hij tijd om een proza-vertaling van Horatius te verzorgen. Maar van betekenis is vooral zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde uit 1730. Daarin komt duidelijk de voor Huydecoper kenmerkende methode van werken uit: het geven van ‘aanmerkingen’. In hetzelfde jaar 1730 verhuisde hij naar de Keizersgracht; voortaan woonde hij naast de Schouwburg.
Zo was hij een figuur van betekenis geworden, die men graag om raad vroeg op het gebied van taal- en dichtkunst. Met de gang van zaken in de Schouwburg kon hij zich echter steeds minder verenigen. Hij was ten slotte blij op 14 maart 1732 de moeilijkheden van de Schouwburg te kunnen verlaten voor het baljuwschap van Tessel. In zijn nieuwe functie zou hij voortaan, behalve het huis aan de Keizersgracht te Amsterdam, ook het schoutshuis te Den Burg op Tessel bewonen; hij behield echter zijn Amsterdams poorterschap. Geheel nieuwe bezigheden namen hem in beslag, waarvan de zorg voor de strandvonderij een van de ingrijpendste was. Bovendien werd hij 23 maart 1733 ook nog schout en dijkgraaf van Walenburg op Tessel. Daarbij kwam, dat de burgemeesters van Tessel het hem lastig maakten, omdat hij vaak niet op Tessel maar te Amsterdam verbleef. Toch vond hij tijd om in deze jaren uitgebreid lexicografisch werk te verrichten, zoals uit zijn aantekeningen blijkt. Daarenboven werkte hij aan een berijmde vertaling van Horatius en aan een prachtige uitgave van de brieven van P.C. Hooft, hoewel hij in deze tijd herhaaldelijk gekweld werd door derdendaagse koortsen.
Naast al deze bezigheden voerde hij een uitgebreide correspondentie op ambtelijk en wetenschappelijk terrein. Nog was de maat van ambten niet vol, want in 1740 werd hij schepen van Amsterdam en in 1741 commissaris voor Huwelijkse Zaken. Ondertussen vroeg de beschrijving van Amsterdam, die hem in 1734 door de burgemeesters van die stad was opgedragen, zijn aandacht, maar daarvoor kon hij de vereiste tijd toch niet vinden. Wel bezorgde hij in 1745 een uitgave van de privilegiën en handvesten van Tessel, samengesteld uit de originele stukken. Hieruit blijkt zijn liefde voor historisch-kritisch onderzoek, die hem bijzonder te pas kwam bij de voorbereiding van zijn uitgave van Melis Stoke's Rijmkronijk, waaraan hij omstreeks 1751 het merendeel van zijn aandacht schonk. In 1731 had hij zich al met Melis Stoke beziggehouden, maar in
de jaren vijftig werd het vrijwel zijn enige werk. In 1757 kon men met het drukken beginnen, en in 1763 was dit in volle gang. Huydecoper paste in deze studie dezelfde wetenschappelijke aanpak toe die hem al sinds de Proeve vermaard had gemaakt. Daarom stelde de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde er bij haar oprichting in 1766 een eer in, hem tot lid te benoemen.
Ondertussen werd Huydecoper ouder en in 1769 werd hij om zijn toenemende zwakte als baljuw van Tessel ontslagen. Van werken kwam niet veel meer. Wel leefde hij in zijn huis aan de Keizersgracht mee met de drukte van de verbouwing en wellicht ook met de brand van de Schouwburg in deze jaren.
Op 23 september 1778 overleed Balthazar Huydecoper. Zes dagen later werd hij in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven. Zijn nagelaten papieren zijn sindsdien voor een tijd uit het gezicht verdwenen, totdat ze in 1945 door H.A. Ett werden teruggevonden en naar het Rijksarchief te Utrecht overgebracht.
We kunnen Huydecoper zien als een initiator op het gebied van de taalkunde om zijn belangrijke taalkundige onderzoekingen en zijn nieuwe aanpak; op het gebied van de letterkunde om zijn streven het toneel in Nederlandse geest te vernieuwen en om zijn historische kritiek bij het onderzoek van oude teksten; op het gebied van de geschiedkunde om zijn historisch-kritische houding ten opzichte van de bronnen.