terug  begin  verderprepost

Achilles

In de Achilles heeft Huydecoper een bekende geschiedenis verwerkt: de wrok van Achilles tijdens het beleg van Troje. Omdat Agamemnon de schone krijgsgevangene Brizeïs aan Achilles ontnomen heeft, weigert deze verder aan de strijd deel te nemen. We worden midden in deze verwikkeling geplaatst. Het stuk begint, als de Grieken door het opdringen van de Trojanen in groot gevaar zijn. Hoewel Phenix, Ulysses, Ajax, Patroclus en ten slotte zelfs Brizeïs Achilles smeken om weer mee te strijden, blijft hij onwrikbaar. Maar als Patroclus gesneuveld is, trekt hij uit om zich op Hector te wreken. Na Hectors dood bekent Agamemnon zijn ongelijk en verzoent Achilles zich met hem. Dit gebeuren laat Huydecoper zich afspelen op één dag. Het toneel is in de tent van Achilles.

De Achilles had in de tijd van Huydecoper succes. Van 1719 tot 1729 werd het stuk elfmaal opgevoerd met vrij goede recettes. Toch was het niet zo populair als men het wel eens voorstelt. In dezelfde tijd werd de Aran en Titus van Jan Vos vijftien keer opgevoerd, de Cid bracht het van 1719 tot 1730 tot negentien en de Gysbreght zelfs tot vierenzestig opvoeringen.

Het hedendaagse oordeel over de toneelarbeid van Huydecoper is niet altijd gunstig. Als we zijn stukken echter zien in hun eigen tijd, dan kunnen we tot een waarderend oordeel komen, omdat het thema meestal edele karakterkracht is, vurige heroïek temidden van een wereld van

[p. 11]

intriges, en men de weinig gezwollen en goed speelbare toneeltaal gemakkelijk kan aanvaarden (Ben Albach).

Het ligt voor de hand, dat de Ilias van Homerus, hetzij rechtstreeks, hetzij via een Latijnse of Franse vertaling, de voornaamste bron voor de Achilles is geweest. Wellicht kende Huydecoper L'Iliade d'Homere, traduite en François, avec des Remarques, par Madame Dacier, in 1712 te Amsterdam gedrukt en uitgegeven; in ieder geval is in de uitgaven van de Achilles gebruik gemaakt van gravures uit deze vertaling: de titelplaat van de Achilles is terug te vinden in L'Iliade d'Homere, Livre XXII, pag. 258, met de vermelding Broen Sc. In de Achilles heeft men het Franse onderschrift weggelaten en is de plaat opnieuw, beter, gegraveerd, met de vermelding B. Picart inve. & fecit, 1719.

Wanneer we de Achilles met de Ilias vergelijken, dan blijkt Huydecoper zich nauw aan te sluiten bij het verhaal van Homerus, maar hij heeft zijn bron zelfstandig gebruikt. De boeken over het twisten en ingrijpen van de goden heeft hij niet benut, en de wel door hem gebruikte boeken heeft hij kritisch verwerkt. Hij veranderde de volgorde der gebeurtenissen waar hij dit nodig vond, vertelde sommige passages met eigen woorden na, sloot in andere gedeelten nauw aan bij de oorspronkelijke tekst, en voegde soms nieuwe stukken uit eigen inspiratie toe. Zo verkreeg hij een geheel dat hem bevredigde.

Toen Balthazar Huydecoper zich aan de hogere kunst van het toneel waagde - aanvankelijk nog bevende, zoals hij zegt - ging hij bewust zijn eigen weg. Uit de voorredes en uit Corneille Verdedigd krijgen we de indruk, dat hij consequenter aan de classicistische regels wil vasthouden dan de Fransen zelf, maar dat hij tevens kritisch is en bewust streeft naar een echt Nederlands treurspel in goede Nederlandse taal.

In zijn Achilles is Huydecoper goed in deze opzet geslaagd, al vond hij zelf er na de verschijning nog allerlei onvolkomenheden in, die hij in de volgende druk heeft trachten te verbeteren.

De regels van het Frans-classicisme, waarom het hier gaat, zijn enkele jaren geleden uitstekend samengevat door L. Strengholt, in de inleiding op zijn uitgave van Lukas Rotgans' Eneas en Turnus (nr. 11 van deze zelfde serie Klassieken uit de Nederlandse letterkunde, Zwolle, 1959), op blz. 10-12. Met zijn toestemming nemen wij hier de zestien punten over, die hij vermeldt:

[p. 12]
1.De tragedie is uitbeelding van ‘de natuur’, d.w.z. van de menselijke natuur, niet in haar verbijzonderingen, maar in haar universaliteit, dus ‘de’ menselijke natuur in haar onderscheiden aspecten.
2.Ze is geen uitbeelding van schokkende gebeurtenissen, maar van psychische conflicten. Massale groeperingen, moord en doodslag ontbreken in principe. Er treden slechts enkele personen op.
3.De liefde speelt een grote rol; immers een hartstocht, die tot allerlei innerlijke conflicten kan leiden. Bij Corneille treffen we vaak een conflict aan tussen plicht en liefde met overwinning van de plicht (zijn befaamd heroïsme); bij Racine is de liefde dikwijls een bezetenheid, die de drager of draagster in het verderf stort. Wie niet de weg van de rede volgt, gaat onder.
4.De grondregel van het Frans-classicisme is de regel van de waarschijnlijkheid; liever iets op het toneel dat onhistorisch is maar waarschijnlijkheid bezit voor het ideale publiek, d.i. de redelijk denkende en voelende mens, dan iets dat, ofschoon historisch, ongeloofwaardig zou zijn. De waarschijnlijkheid staat in rechtstreeks verband met de universaliteit.
5.Een goed kunstwerk volgt de ‘bienséances’. Alles wat tegen de zeden, het gevoel, de beschaafde uitdrukkingswijze is, dient vermeden te worden. Er moet b.v. harmonie zijn tussen karakter en leeftijd, sekse, situatie en manier van spreken; de personen moeten van begin tot eind hetzelfde karakter vertonen. Deze regels leiden eveneens tot het universele; de personen worden typen.
6.De tragedie moet eenheid van handeling bezitten. Die eenheid voldoet aan de klassieke eis van de concentratie, een van de opvallendste kenmerken van de Frans-klassieke tragedie. Het hele gebeuren moet een volmaakte geslotenheid vertonen. De achtergrond hiervan is het gesloten causale wereldbeeld van het rationalisme.
7.Direct daarmee in verband staat de liaison des scènes. De tonelen moeten met elkaar verbonden zijn. Eén persoon op z'n minst uit de voorafgaande scène moet ook in de volgende optreden. Vertrek en komst der personen moeten gemotiveerd zijn en zo mogelijk aangekondigd worden.
[p. 13]
8.De eenheden van tijd en plaats vloeien voort uit de eis van de concentratie. Het ideaal is bereikt, wanneer de duur van de handeling samenvalt met de duur van de opvoering.
9.De geslotenheid van het kunstwerk eist een strenge scheiding der genres. Komische scènes in een tragedie zouden de eenheid van het gebeuren verbreken. Ook de taal moet eenheid van stijl en sfeer vertonen; het woord ‘hond’ is in een tragedie ongepast.
10.De geslotenheid van de handeling sluit het opnemen van reien uit. Ze zouden de handeling onderbreken en bovendien, in strijd met de scheiding der genres, een lyrisch element vormen in een dramatisch werk.
11.De stof wordt geput uit de geschiedenis, vooral de Romeinse geschiedenis, en de Griekse mythologie. Het publiek moet het verhaal in grote trekken kennen om overtuigd te worden van de waarschijnlijkheid van het gebeuren. Een volkomen door de dichter gefantaseerd verhaal bezit geen waarschijnlijkheid. Alleen in de details, in de uitwerking kan de dichter zijn eigen weg volgen.
12.Bij de ontknoping is een bovennatuurlijk ingrijpen ongeoorloofd krachtens de regel der waarschijnlijkheid en de causale geslotenheid van de handeling.
13.In een tragedie treden uitsluitend hooggeplaatste personen als hoofdpersoon op; eenvoudige mensen kunnen alleen in een komedie hoofdpersoon zijn.
14.De vertrouwden zijn noodzakelijk om feiten die elders hebben plaatsgevonden te vertellen, maar ook om monologen te vermijden. Geen monologen dus, of zo weinig mogelijk; dit in naam van de waarschijnlijkheid, want het is onwaarschijnlijk dat iemand die alleen is spreekt.
15.De bedrijven beginnen midden in een situatie; het eerste woord is b.v. een vraag naar aanleiding van wat zojuist gezegd is. Zo wordt de illusie gewekt, dat het bedrijf aansluit bij het voorafgaande: de handeling gaat ononderbroken voort.
16.Over de al of niet ongelukkige afloop van de tragedie bestaat geen eenstemmigheid. Scaliger beschouwde de ongelukkige afloop als een kenmerk van de tragedie, Vossius niet. In de praktijk
[p. 14]
verstond men onder een tragedie doorgaans een spel met een ongelukkig einde; anders sprak men van tragi-komedie.

 

Het zal iedere lezer duidelijk zijn, dat Huydecoper zich vrijwel steeds nauwkeurig aan deze regels gehouden heeft. Daarnaast zijn er nog slechts enkele punten waarop wij de aandacht dienen te vestigen:

 

a.(Vgl. hierboven punt 3). De liefde speelt in de Achilles wel een grote rol, maar blijft toch op de achtergrond. Zij is niet de eigenlijke oorzaak van het conflict. Hierin onderscheidt Huydecoper zich van Corneille en Racine.
b.De taal van het stuk is wel gestileerd, maar niet onnatuurlijk volgens de opvatting van Huydecopers tijd.
c.In overeenstemming met de traditie heeft ook Huydecoper een aantal spreukmatige zedenlessen (sententies) in zijn treurspel ingevlochten; hij doet dit evenwel steeds met mate. Vgl. de vss. 73-74, 349-350, 365-366, 367-368, 500-501, 621-622, 649-651, 1172-1173, 1174, 1431-1433, 1858, 1859-1860, 1887-1888.

 

De verschillende figuren zijn vrij strak en consequent getekend, maar er is weinig ontwikkeling in hun karakter. Het zijn min of meer typen (vgl. hierboven punt 5), zij het aanvaardbare en ‘waarschijnlijke’ (vgl. hierboven punt 4) typen.

Agamemnon, koning van Mycene, ‘Opperste Veldheer van het Grieksche leger voor 't belegerde Troje’, heeft een zwak karakter en is met opzet zo getekend om Achilles beter te doen uitkomen. Hij blijft op de achtergrond en verschijnt weinig ten tonele. Zijn omkeer in het vijfde bedrijf valt moeilijk uit zijn karakter te verklaren.

Achilles, ‘Overste der Thessaliers in de belegering van Troje’, is de grote held van het stuk. Hij is een krachtige figuur, zozeer beheerst door zijn wrok, dat al zijn edele eigenschappen daarvoor moeten wijken. Toch komen ook deze goed uit, zoals zijn vriendschap, zijn liefde, zijn rechtvaardigheidsgevoel. Zijn handelingen en besluiten worden niet altijd geheel gemotiveerd, ook zijn verzoening met Agamemnon is niet geheel verantwoord. Desondanks is hij een goed-uitgebeelde figuur, die het hele spel beheerst.

Patroclus, ‘Halsvriend van Achilles’, is mooi en gaaf getekend. Hij

[p. 15]

heeft een edel karakter, zowel in zijn vriendschap voor Achilles en zijn liefde voor het vaderland, als in zijn zucht naar eer. Zijn woorden behoren tot de beste gedeelten van het stuk.

Ulysses, ‘Koning van Ithaka’, beroemd om zijn welsprekendheid, listigheid en tegenwoordigheid van geest, komt in dit stuk niet bijzonder als zodanig uit. Zijn redevoeringen zijn niet geheel overtuigend.

Ajax, ‘Zoon van Telamon’, de dapperste held der Grieken na Achilles, is evenals Ulysses weinig scherp getekend.

Brizeïs, ‘Krygsgevange en Minnaares van Achilles’, blijft op de achtergrond, maar is in haar hevige liefde en verheven redelijkheid een edele, aanvaardbare, hoewel wat statische figuur; zij wordt slechts door uiterlijke omstandigheden tot handelen gedreven en blijft innerlijk zichzelf steeds gelijk.

Phenix, ‘Geweezen Zedemeester van Achilles’, d.w.z. diens opvoeder, is een sympathieke figuur, hoewel hij in karakter en optreden niet zo heel veel van Ulysses verschilt.

Alcimus, uit ‘het gevolg van Achilles’, optredend als bode, kon als zodanig moeilijk een uitgesproken karakter hebben.

Automedon, ‘Wagenmenner van Achilles’, is een vriendelijke maar weinig gedifferentieerde figuur geworden.

Cephize, ‘Vertrouwde van Brizeïs’, blijft geheel op de achtergrond en dient slechts als klankbord voor Brizeïs.

De compositie van het stuk is overeenkomstig de regel dat het eerste bedrijf de situatie bekend moet maken, waarna de drie volgende bedrijven de ontwikkeling van de handeling geven en het vijfde ten slotte de ontknoping brengt.

In het eerste bedrijf trachten Phenix, Ulysses en Ajax Achilles over te halen om weer te gaan strijden, waarbij de bestaande situatie geheel wordt uiteengezet.

In het tweede bedrijf tracht Patroclus Achilles over te halen en zet hij de droeve toestand verder uiteen. Ook Automedon geeft daarvan een beschrijving. Achilles wil zich zelf gaan overtuigen en daarna Patroclus toestemming geven aan de strijd deel te nemen.

In het derde bedrijf gaat Patroclus ten strijde, gehuld in Achilles' wapenrusting om zodoende de Trojanen in de waan te brengen, dat Achilles zelf weer aan de strijd deelneemt. Achilles geeft hem verschil-

[p. 16]

lende vermaningen mee. Brizeïs komt trachten Achilles tot de strijd over te halen.

In het vierde bedrijf is er een opeenvolging van bode-verhalen. Phenix komt van Patroclus' eerste heldendaden verhalen. Alcimus brengt daarna het nieuws, dat Patroclus door de gewonde paarden meegenomen is tot voor de stad. Automedon komt verhalen, dat Patroclus in groot gevaar verkeert. Ten slotte deelt Ulysses mede, dat Patroclus door Hector gedood is. Dan kan Achilles niet langer werkeloos blijven en gaat de strijd in.

In het vijfde bedrijf keert Brizeïs in opdracht van Agamemnon met Cephize naar Achilles' tent terug. Agamemnon komt daar met Ulysses en bekent zijn ongelijk. Alcimus brengt het bericht dat Achilles Hector gedood heeft. Ten slotte verschijnt Achilles zelf en laat zich door Ulysses overhalen tot verzoening met Agamemnon. Brizeïs uit haar vreugde over de zegepraal van de rede en Agamemnon besluit het stuk met een moraliserende conclusie.

Omdat Balthazar Huydecoper zoveel belang hechtte aan een goed taalgebruik in toneelstukken, heeft hij getracht de Achilles in dit opzicht aan hoge eisen te laten voldoen. Zijn alexandrijnen hebben door de vele enjambementen, het vaak ontbreken van de cesuur, en door de afwisseling in accent en rustpunten een grote natuurlijkheid gekregen. Bewust is hij op deze punten afgeweken van het voorbeeld der Fransen.

prepostterug  begin  verder