terug  begin  verderprepost
[p. 23]

Voorrede.

1HEt zal, hoop ik, den Dichtkundigen Leezer niet verveelen, dat ik 2hem, eer hy tot het leezen van dit Treurspel overgaa, in 't kort 3eenige opening3 geeve, wegens de veranderingen, die ik in deeze 4stoffe gemaakt hebbe: want zonder de zelve is het onmogelyk een 5rechtschaapen5 Tooneelstuk aan den dag te brengen.

6In den beginne was ik van gedachten, Brizeïs zelve in dit stuk niet 7in te voeren, en aldus een Spel zonder vrouwen te vertoonen; niet 8weetende, hoe ik haar met waarschynelykheid uit de tent en leger-9plaats van Agamemnon, alwaar ze door dien Vorst als gevangen 10gehouden wierdt, in die van Achilles, dien ze met geweld ontroofd 11was, zoude doen komen: want indien zy alleen in het laatste,11 wanneer 12die twee Helden reeds verzoend waren, voor 't oog der Aanschouwe-13ren verscheen, zou ze niet veel te zeggen hebben, en haare redenee-14ringen den Aanschouwer weinig gevoegelyk en aangenaam voor-15komen. Overweegende echter, dat tegenwoordig een Tooneelstuk 16zonder vrouwen in 't licht te brengen, even eens zoude zyn, of ik 17een schoon aangezigt zonder oogen, of een Paleis zonder vensters 18zoude willen schilderen; ten anderen, dat zy, geduurende den knoop18 19van het Spel, by Achilles zynde, in die gelegenheid genoeg te zeggen 20zoude hebben, om myn werkje eenigen luister by te zetten; en ten 21derden, dat de Toehoorers, niets als van stryden, en bloedvergieten, 22en de trotse en hoogmoedige taal van Achilles hoorende, niet kwaalyk 23te vrede zouden zyn, indien ze, tusschen de wreedheid dier stoffe, 24door eenen zachter en streelender hartstocht, als dien der Liefde, 25eenigszins verkwikt en verlustigd wierden: zo greep ik Ovidius in de 26hand, om te zien, wat hy Brizeïs, in zynen verdichten26 Brief, aan

[p. 24]

1Achilles doet schryven, en of ik by hem ook gelegenheid zoude1 2konnen vinden, om haar te doen zeggen, het geen ze door hem 3verzierd wordt aan Achilles geschreeven te hebben: want het is juist3 4in het zelfde gewrigt van zaaken, dat is, aanstonds na de bezending45van Ajax en Ulysses, dat Ovidius haar dien brief heeft doen schryven.4-5 6Ik vond mynen wensch voldaan, zo ras ik de volgende vaarzen in 7't oog kreeg, in de welke hy haar aan haaren minnaar aldus doet 8schryven, vs. 127. &c.

 
Mittite me, Danai, Dominum legata rogabo,
10
Multaque mandatis oscula mista feram.
 
Plus ego, quam Phoenix, plus quam facundus Ulysses,
 
Plus ego, quam Teucri (credite) Frater agam.

13Dat is: Zendt my, ô Grieken, naar mynen Heer: ik zal hem smeeken; 14en myne smeekingen met duizend kusjes verzellen. Gelooft my, ik zal meer 15als Phenix, meer als Ulysses, meer als de Broeder van Teucer uitrechten.1515 16Deeze gedachten kwamen met mynen zin zo wel en volkomen over- 16 17een, dat ik aanstonds besloot, dezelve werkstellig te maaken, en haar17 18aldus uit te laaten voeren, het geen ze hier alleen wenscht, en voorstelt. 19Wat haaren persoon zelve aangaat, men zou my, schoon hy de eenige1920grondsteen is, daar dit gansche onderwerp op rust, echter tegen 21konnen werpen, dat hy 'er te veel is, dewyl hy zelve niets tot de 22ontknooping van 't geheel doet: doch ik heb hier liever tegen deeze19-22 23wet willen misdoen, als den Aanschouwer van haar gezigt, het welk22-2323 24ik, om de reeds aangehaalde redenen, geloof, hem niet onaangenaam 25te zullen zyn, te berooven.

[p. 25]

1Achilles is woedende en toomeloos in zyne gramschap, teder in1 2zyne vriendschap voor Patroclus, maar koel in zyne Liefde. Ik doe 3hem evenwel beminnen; doch niet gelyk de Franschen hunne Vorsten3 4en Helden in 't algemeen ten Tooneele voeren: want buiten dat zyn45karakter oploopende, onverbiddelyk, wraakgierig, hoogmoedig is, 6zo geeft ons de uitmuntendste der Fransche Dichteren, Boileau, deeze6 7 les noch omtrent zynen persoon, Art Poëtique, Ch. III. vs. 99.

 
Qu'Achille aime autrement que Thyrsis, ou Philène.8

9Achilles moet op eene andere wyze beminnen, als de Schaaphoeder Thyrzis 10of Philenus. Ook is deeze geheele Liefde van Achilles zelve, hoe weinig 11die uitsteeke, van myne uitvinding, ten minsten niet die van Homerus;11 12want deeze zegt nergens, dat zyne gramschap, veroorzaakt door 13't rooven van Brizeïs door Agamemnon, zo hevig geweest zy, omdat 14hy zyne meesteresse daar door miste, maar wel duidelyk, om dat hy1415door deeze daad zich van Agamemnon ten hoogsten onteerd en15 16gehoond zag. In tegendeel (zo men Horatius gelooven mag, want 17deeze schryft, Lib. I. Epist. 2. vs. 11.

 
Nestor componere lites18
 
Inter Peliden festinat, & inter Atriden:19
20
Hunc amor, ira quidem communiter urit utrumque.

21Nestor wendt alle vlyt aan, om de Zoonen van Peleus en van Atreus te 22bevredigen: deeze wordt door Liefde, beide wordenze door gramschap22 23vervoerd) verbeeldt hy ons Agamemnon alleen als minnaar van23 24Brizeïs. Doch zulks heb ik mede niet eens aan willen roeren, op dat de24

[p. 26]

1minnenyd geene oorzaak van den onverzoenbaaren toorn van 2Achilles mogte schynen; die zich, zo by my, als by Homerus, alleen 3laat beweegen, om weder ten stryde te gaan, toen hy de dood van 4zynen halsvriend Patroclus vernomen hadt. Hier in heb ik echter45wederom deeze verandering gemaakt, dat ik hem, niet tegenstaande 6Homerus zegt, dat hy ten eersten van zynen toorn afstondt, en zich6 7met Agamemnon verzoende, zo ras hem de dood van Patroclus ter 8ooren gekomen was, en eer hy Hector geveld hadt, in tegendeel den 9Veldheer schelden, ja met de dood dreigen doe, om de gemoederen 10der Aanschouweren daar door in twyffel te houden, tot het aller 11laatste Tooneel toe, daar zy voor 't eerst te zaamen op het Tooneel11 12verschynen, en de Toehoorer met reden verlangen mag, om te zien, 13hoe deeze twee partyen elkanderen in dien staat aanzien en begroeten13 14zullen: want indien zy in 't einde van 't vierde Bedryf, dat is, aanstonds 15na de dood van Patroclus, bevredigd wierden, zou het vyfde geheel15 16onnut, en den Aanschouwer niets aan de dood van Hector, en het 17geene daar omtrent meer verhaald wordt, gelegen zyn.

18Ik denk ook niet, dat men my te laste zal leggen, dat ik het karakter 19 van Agamemnon vernietigd, en in den wind geslagen hebbe, om dat1920ik hem zo nederig doe spreeken. De Puikdichter Boileau, Art Poëtique, 21Ch. III. vs. 110. zegt,

 
Qu' Agamemnon soit fier, superbe, interessé.

23Verbeeld Agamemnon trots, hoogmoedig, baatzuchtig. Uit zyne redenen23 24blykt genoeg, hoe trots hy altyd geweest zy; doch in den tyd dat 25dit stuk speelt, ziet men hem in den staat zyner vernederinge; 't gevaar, 26daar hy zich zelven en het gansche leger in gebragt hadt, hem de 27oogen ontsluitende, en hem doende bemerken, dat hy Achilles, van 28wien het Orakel voorspeld hadt, dat hy den val van Troje verhaasten28 29zoude, onwaardiglyk gehandeld hadt, waarom hy zich door eene29

[p. 27]

1wettige Liefde voor zyn Vaderland, en eerzucht zelve genoodzaakt 2vindt, Achilles, door wat middel het ook zy, te bevredigen; de2 3Grieken niets konnende winnen, zo lang hy met hem tegen de 4Trojaanen niet weder in 't veld wilde komen. Hierom zegt de Ridder 5Ph. Sidnei zeer wel, in zyne verdediging der Poezye, sierlyk uit het5 6Engelsch in onze moedertaale overgezet door den Dichtlievenden Heer 7J. de Haas: De hoogmoed in Agamemnon, waar van hy haast berou heeft.7

8Voorts heb ik het voorgevallen van verscheidene dagen in eenen 9dag gebragt, om de eenheid van den tyd, een regelmaatig Tooneelstuk910zo hoog noodzaakelyk, wel in acht te neemen. Ook had ik geene 11reden, om Achilles tot den volgenden dag te doen wachten, om 12Hector te bestryden, aangezien ik Vulkaan geene nieuwe wapenen12 13voor dien Held doe smeeden, gelyk Homerus verhaalt. Want alle 14diergelyke fraaiheden, gelyk de Goden in het algemeen; de onsterffe-15lyke paarden van Achilles, die met den wagen, daar Patroclus opzat, 16over de gracht heensprongen, als of ze vleugels gehad hadden, enz.14-16 17die de Franschen onder het woord van Machines begrypen, en die het17 18Heldendicht niet alleen gevoegelyk, maar zelfs volkomen eigen, ja18 19van het zelve byna onafscheidelyk zyn, moeten voor altoos van het 20Tooneel, daar alles natuurelyk, en volgens den gemeenen loop der20 21werreldsche zaaken, en niet door mirakelen en ongelooffelyke wonde-22ren, ten toon gesteld moet worden, gebannen blyven. Hierom zeg22 23 ik zelve uitdrukkelyk van te vooren, dat de gracht, op die plaats, 24daar 'er Patroclus door zyne paarden overgevoerd wordt, door de 25menigte van lyken, met het veld byna vereffend was; en spreek in25 26't geheel niet van de moeder van Achilles, die men zegt de Godin

[p. 28]

1Thetis geweest te zyn, behoorende dit mede onder dat geene, dat1 2beter aan den Helden als Tooneeldichter past, schoon Racine geene2 3zwaarigheid gemaakt hebbe, hem in zyn Treurspel, Iphigenie, den3 4zoon dier Godinne te noemen. Hier uit kan men wel bemerken, dat 5het kwetsen van de paarden van Achilles alleen van myne uitvinding 6zy: doch het vervoeren van Hector door de zynen, en de wond van6 7Agamemnon, heb ik van Homerus zelve ontleend, en hier geplaatst, 8om dat my dunkt, dat ze der zaake zelve eene groote waarschynlyk-9heid byzetten.

10Dit moet ik alleen noch zeggen, dat het schande is, dat 'er, in een 11tyd als deezen, in den welken immers alle wegen en toepaden, om de 12volmaaktheid onzer schoone en heerlyke moedertaale te bereiken, 13geopend zyn, noch stukken in het licht komen, in eene taal, daar noch 14schikking, noch spelling, noch waarneeming van geslachten, ja zelfs1415daar dikwils geen zin in te vinden is. Anders oordeelen alle andere 16volkeren, die zeggen, dat men eerst de taal kennen moet, eer men aan 17't dichten gaat: by ons neemt men 't zo naauw niet: men schryft, 18en men kent zelfs de taal niet, in de welke men schryft; ja men durft 19het spreeken en redeneeren over de zelve eene onnoodige tydverkwis-20ting, en laffe hairkloovery noemen. Te heerlyk zyn de woorden van20 21den weergaêloozen Dichter, Boileau, om de zelve hier stilzwygende 22voorby te gaan; zo schryft hy, Art Poëtique, Ch. I. vs. 155.

 
Sur tout qu'en vos Ecrits la Langue révérée,
 
Dans vos plus grands excès, vous soit toûjours sacrée.
25
En vain vous me frappez d'un son mélodieux,
 
Si le terme est impropre, ou le tour vicieux.
 
Mon esprit n'admet point un pompeux Barbarisme,
 
Ni d'un vers ampoulé l'orgueilleux solécisme.28
 
Sans la Langue, en un mot, l'Auteur le plus divin
30
Est toûjours, quoiqu'il fasse, un mechant Ecrivain.
3opening: verklaring.
5rechtschaapen: fraai bewerkt, goed geschreven.
11in het laatste: aan het slot.
18knoop: verwikkeling, hoogtepunt.
26verdichten: gefingeerde. De bedoelde brief is de derde uit Ovidius' Heroides.
1gelegenheid: aanleiding.
3verzierd: verzonnen, verondersteld.
4gewrigt van zaaken: situatie.
4-5bezending van Ajax en Ulysses: het zenden van Ajax en Ulysses naar Achilles om hem te bewegen weer aan de strijd deel te nemen.
15Phenix: de opvoeder van Achilles.
15Broeder van Teucer: Ajax, halfbroer van Teucer; Teucer: zoon van Telamon en Hesione, de bekwaamste boogschutter onder de Grieken voor Troje.
16zin: mening, bedoeling.
17werkstellig maaken: uitvoeren, in praktijk brengen.
19haaren persoon: (het optreden van) haar persoon.
19-22 men zou my... van 't geheel doet: men zou mij kunnen verwijten, dat haar persoon - al is deze de enige basis waarop heel deze geschiedenis berust (Achilles wrokt immers, omdat Brizeïs hem ontnomen is) - niet in mijn tragedie thuishoort, omdat haar aanwezigheid in geen enkel opzicht tot de ontknoping bijdraagt.
22-23deeze wet: de klassieke eis van de concentratie (vgl. punt 6 in de Inleiding).
23haar gezigt: het zien van haar.
1woedende: hartstochtelijk.
3gelyk de Franschen: bij de Fransen vindt men volgens Huydecoper een te zachte, sentimentele liefde.
4buiten dat: behalve dat.
6Boileau: Nicolas Despréaux Boileau, 1636-1711, schreef L'Art poétique, werd door de dichtgenootschappen nagevolgd.
8Thyrsis: naam van een herder in de eerste idylle van Theocritus en de zevende ecloga van Virgilius, veel gebruikt in de latere arcadische poëzie; Philène: herdersnaam. De bedoeling is, dat Achilles minder sentimenteel en zachtaardig moet zijn in zijn liefde.
11van myne uitvinding: door mij uitgedacht.
14meesteresse: geliefde.
15van: door; onteerd: beledigd.
18Nestor: de oudste van alle vorsten in het leger der Grieken voor Troje, wijze raadsman, koning van Pylus.
19Pelides: patronymicum voor Achilles, zoon van Peleus; Atrides: patronymicum voor Agamemnon, zoon van Atreus.
22deeze: nl. de zoon van Atreus, d.w.z. Agamemnon.
23verbeeldt: beeldt uit.
24zulks... willen roeren: dit heb ik niet ter sprake willen brengen.
4halsvriend: boezemvriend.
6ten eersten: dadelijk; afstondt: afzag.
11daar: waar.
13in dien staat: in deze situatie.
15bevredigd: verzoend.
19vernietigd en... hebbe: gekleineerd en verwaarloosd heb.
23redenen: woorden.
28het Orakel: (Calchas had aan de Grieken voorspeld, dat Troje niet genomen kon worden zonder Achilles.)
29gehandeld: behandeld.
2bevredigen: zie vs. 15 p. 26.
5Ph. Sidnei: Sir Philip Sidney, 1554-1586 (neef van Leicester, begeleidde in 1582 Anjou naar de Nederlanden) schreef in 1580 An Apology for Poetry.
7J. de Haas: Joan de Haes, 1685-1723, kleinzoon van G. Brandt, vertaalde Ph. Sidney, An Apology for Poetry in 1712 onder de titel Verdediging der poëzy; haast: weldra.
9regelmaatig: volgens de regels geschreven.
12Vulkaan: Vulcanus, Romeinse god van het vuur en van de bewerking van de metalen. Bij Homerus heeft Hector Achilles' wapenrusting (door Patroclus gedragen) buit gemaakt (Ilias, XVII); Vulcanus maakte op verzoek van Thetis een nieuwe wapenrusting (Ilias, XVIII), die ten slotte door Thetis aan haar zoon gebracht werd (Ilias, XIX).
14-16de Goden in het algemeen: o.a. Ilias, IV, VIII, XIII, XIV, XV, XVII, XVIII, XIX; onsterffelyke paarden: Ilias, XVI, XIX.
17Machines: konst ende vliegwerck; begrypen: verstaan.
18gevoegelyk: passend.
20gemeenen: algemene, gewone.
22ten toon gesteld: uitgebeeld.
25vereffend: gelijkgemaakt.
1Thetis: dochter van Nereus en Doris, zeegodin, door Hera opgevoed, door Zeus tegen haar wil aan Peleus ten huwelijk gegeven, dompelde haar zoon Achilles bij zijn geboorte in de Styx om hem onkwetsbaar te maken.
2aan den Helden als Tooneeldichter: aan de heldendichter (eposdichter) dan aan de toneeldichter.
3Vgl. J. Racine, Iphigénie, vs. 247-248, waar Achilles zegt: ‘Les Parques à ma mère, il est vrai, l'ont prédit, / Lorsqu'un époux mortel fut reçu dans son lit.’
6vervoeren: (uit de strijd) wegvoeren (vgl. vs. 1135-1136 en 1328-1330).
14schikking: behoorlijke indeling.
20laffe: flauwe.
28ampoulé: hoogdravend; solécisme: (syntactische) fout.
prepostterug  begin  verder