Derde bedryf.
Eerste tooneel
.
achilles, patroclus
.
achilles
IK heb het Troische vuur de Grieksche vloot zien blaaken.
Terwyl myn' benden zich ten stryde vaardig maaken,
685
Moet ik u, waarde vriend, tot vordring van myn' wraak,
685
Recht leeren, hoe ge u zult gedraagen in deez' zaak.
patroclus
Uw wil strekt my een' wet. Wie kan my beter leeren,
Als gy, myn vriend, gewoon alom te triompheeren?
[p. 59]
Uwe onderwyzing geeft een kind ervaarenheid,
690
En zal myn hart voorzien met kennis en beleid.
Uw' scherpe kling, gewoon den vyand te doen beeven,
691-692
Uw' wapens zullen my meer kracht en sterkte geeven:
Daar by zal de iever voor de glorie van ons Land,
693
En 't naar gezigt der vloot, die reeds aan een' zy brandt,
694
695
Myn moed verdubbelen. Uw' dappere soldaaten,
Die gy zo lang den stryd in stilligheid hebt laaten
696
Aanschouwen, thans verhit op moordlust en op wraak,
Die zullen my, in deez' gewigte en groote zaak,
698
Oprechte blyken van hun moed en krachten geeven.
700
De vyand, reeds vermoeid, doch blindelings gedreeven
Door zyne voorspoed, en 't geluk, dat hem verzelt,
Zal aanstonds vlieden, op 't gezigt van zulk een held,
Schoon door inbeeldinge, en een valschen schyn bedroogen.
703
My dunkt, ik zie hem reeds 't veld ruimen voor myne oogen,
705
Wanordelyk de vloot verlaaten, en met haast
De poorten winnen van de Stad, die zy voor 't laatst
706
Begeeven hebben. Zyn de troepen noch niet vaardig?
707
Myn' ziel haakt naar den stryd.
achilles
Gy zyt myn' vriendschap waardig,
O edelmoedige! als men u in 't slagveld ziet,
710
Is 't Grieken even, of Achilles strydt, of niet.
710
Maar ach! uw' dapperheid kan myne ziel ontroeren.
Verlosch de bange vloot, maar laat u niet vervoeren
712
Door hoop van grooter winst. Helaas! dat ik u drukk'
In bei myne armen! 'k vrees, ik vrees voor ongeluk.
[p. 60]
715
Myn hart, benaauwd, beklemd, ten uitersten verlegen,
715
Voorspelt my niet veel goeds, schoon ik my van den zegen
716
Verzekerd houden durve. Uw' jongheid, niet gewoon,
Met paarden, zo gezwind, met wapenen, zo schoon,
Te treeden in het veld, zal mogelyk verblind, en
720
Te roekeloos, haar graf in haare zege vinden.
Keert, Goden, keert dien slag! of is dit uw besluit,
Zo roeit met mynen vriend vry al de Grieken uit!
Gy ziet, myn waarde vriend, de traanen langs myn' wangen
Neervloeien, door de rouw, die 'k myne ziel voel prangen.
724
725
Dit is de tweedemaal myns leevens. Toen ik my
Door Agamemnon, en zyn' trotse dwinglandy
Zo bits beledigd zag, heeft my uw oog zien schreien.
Nu wy, helaas! misschien voor eeuwig, moeten scheien,
Ziet gy zulks wederom. Dit beide was uit rouw.
730
Maar als ik na den stryd u leevend weer aanschouw,
Zult gy ten derdemaal myn oog zien nat van traanen.
Dan zal 't van blyschap zyn.
patroclus
Uw vriendelyk vermaanen
733
Strekt myne ziele een spoor, om myne hevigheid
733-734
En moed te paaren met verstand en goed beleid.
achilles
735
Het zy u niet genoeg den vyand te overwinnen.
Bewaar 't gedenken aan myn' wraak in uwe zinnen.
De Grieken hebben my van doen in deezen staat.
737
Zo gy 't geluk dan hebt, dat gy den vyand slaat,
En weer te rugge dryft, zo laat u niet verleiden
740
Door ydle zucht, om in het Troische bloed te weiden.
740
[p. 61]
'k Zend u niet derwaarts, om den juichenden Trojaan
Te dryven in de Stad, of ganschlyk te verslaan.
Kunt gy de schepen van zyn' woede slechts bevryden,
Zo kom my wederzien, en vaar niet voort met stryden.
745
Niet, dat ik u benyd den roem, dien gy verdient.
745
Ik min u, als my zelf. Gy moet my ook als vriend
Uw bystand bieden in dit uiterste der zaaken.
Want zo gy 't Grieksche heir der stad kost meester maaken,
748
Hoe zou men schimpen met myn' gramschap, als men zag,
750
Dat Troje, zonder my, in puin en assche lag!
patroclus
Zo groot een werk, waarom wy meer als negen jaaren
Gestreeden hebben, zal het lot voor u bewaaren.
Maar stel my zelve een perk, hoe ver dat ik mag gaan:
'k Zal u gehoorzaam zyn.
754
achilles
Tast eerst de troepen aan,
755
Die 't vyandlyke vuur in Ajax schip ontstaken.
Straks zal u Hector, die hun overste is, genaaken;
756
'k Weet, dat hy u terstond zal zoeken, als hy ziet,
Dat gy, ô braave, myn' Thessaliers gebiedt.
Hy heeft my steeds gezocht: wy hebben dik gestreeden.
759
760
Moet gy dan met hem slaan, zo doe het, als uw' leden
760
Noch onvermoeid zyn: want ik ken zyn' sterkte en kracht.
Gy zyt, om Hector te weerstaan, niet opgebragt.
762
Gy zyt Achilles niet. Doch, kan het mooglyk weezen,
Ontvlied zyn oog; maar geef geen blyk, dat gy zoudt vreezen.
765
Jaag dan den vyand door den muur, en door de gracht:
765
Maar gaa daar zelve meê niet over. Uwe magt
766-767
[p. 62]
Heeft uitgediend, als gy hen zo ver hebt verdreeven,
Dat zy zich wederom voorby de gracht begeeven.
Dan is de vloot genoeg beveiligd. Want zo gy,
770
Verlokt door uw geluk, en door de vleiery
Der weiflende fortuin, hen volgde tot de vesten
771
Der vyandlyke stad, zo zoudt gy u ten lesten
Bedroogen vinden, door uwe alte kleine magt:
Wanneer het heir, dat voor u vluchtte, nieuwe kracht
775
Zou krygen uit de stad, en u, met frissche leden,
U, die vermoeid zoudt zyn, zou komen tegentreeden.
Denk ook, voor 't laatste, aan 't geen ik reeds gezeid heb, dat
Myne eer u streng verbiedt te nadren aan de stad.
Tweede tooneel
.
achilles, patroclus, automedon.
automedon
MYn Heer, uw' troepen staan reeds vaardig, en verlangen,
780
Voor 't laatste uwe orde tot den stryd door my te ontvangen.
780
achilles
Op 't nadren van den tyd, voel ik myn' vrees in 't hart
Aangroeien. Ach! myn vriend, gy ziet met welk een' smart
Ik u zie heene gaan. Gedenk aan myne reden.
783
Als gy met voordeel hebt een korten tyd gestreeden,
785
Den vyand door den muur en over onze gracht
Gedreeven hebt, zo keer, en maatig uwe magt.
En gy, Automedon, die, aan Patroclus zyde,
Myn' paarden mennen zult, en voeren hem ten stryde,
Beteugel 't moedig paar; gy moet alleen de vloot,
790
En 't overschot van 't heir beschermen in dees nood.
[p. 63]
'k Verbied u, schoon hy vlucht, den vyand naar te jaagen.
791
Ach! dat myne oogen u reeds weer verwinnaar zagen,
Van welk een' bittre zorg waar myne ziel bevryd!
Gun dat ik u voor 't laatste omhelzen mag! 't wordt tyd.
795
Vaar wel, vaar wel, myn vriend! myn harte schynt te breeken
Van droefheid. Hemel keer, ai keer dit droevig teken!
796
Vaar wel, myn halsvriend! maak, dat gy myn dank verdient.
Vaar wel, Automedon! draag zorg voor mynen vriend.
patroclus
Gy staat my eindlyk toe voor 't Vaderland te stryden.
800
Ik vrees de dood niet van een' Troische hand te lyden:
800
Maar wil het noodlot zulks, 'k beveel u myne wraak;
801
En strekt zulks 't land tot heil, zo sterf ik met vermaak.
Vaar wel!
Derde tooneel
.
achilles
WAt zegt hy? Goôn! hoe snyden deeze woorden
My door het hart! helaas! wilt gy u laaten moorden,
805
Uw leeven offeren, op dat door uwen val
De Griek zich meester maak' van Trojes hoogen wal!
Patroclus! ach myn vriend! mogt uw Achilles kiezen;
Hy wil de zege niet, zo hy u moet verliezen.
Maar ach! een doodsche schrik bekruipt myn angstig hart.
810
Zoude ik weer gaan ten stryde, ô doodelyke smart!
Na Hectors woende hand myn halsvriend hadt doorsteeken!
811
Zoude ik my waap'nen, om Patroclus dood te wreeken!
Neen; uwe dood, myn vriend, sleept, tot ons aller straf,
Achilles te gelyk met u in 't naare graf.
[p. 64]
815
Goôn! laat uw bystand hem beteuglen in zyn woeden!
Maar kan ik zelf niet noch dat ongeluk verhoeden?
Ja. 'k Zal hem volgen; doch van verre, op dat myn' hand
Hem bystand biede, indien de nood hem overmant.
Vierde tooneel
.
achilles, brizeïs, cephize
.
achilles
WAt zien myne oogen? Goôn! is 't mooglyk? kan het weezen?
820
Is 't waarheid? of een spook ten afgrond uitgereezen?
Zyt gy het zelve?
brizeïs
Ik ben 't, en val voor u te voet.
achilles
Rys op, Mevrouw. Maar zeg, hoe komt gy hier? wat doet,
Wat zoekt gy? 'k staa verbaasd. Wie heeft u aangedreeven
823
My hier te zoeken? wie heeft u dien last gegeeven?
825
Heeft Agamemnon u deez' vryheid toegestaan?
Wil hy my tegens dank bevredigen?
826
brizeïs
Welaan,
Wy zyn hier nu alleen. laat ons vrymoedig spreeken.
De wyze Ulysses kon uw steenig hart niet breeken,
Noch Ajax uwen trots vermurwen. 'k Weet, ik waag
830
Zeer veel, dat ik kom zien, of ik u noch behaag,
Als eertyds.
[p. 65]
achilles
Hoe, Mevrouw? kunt gy my zelf zulks vraagen?
Dit is 't alleen, dat my in u niet kan behaagen.
Hebt gy noch geen bewys genoeg van myne min?
Om u blyf ik steeds onveranderlyk van zin:
835
En om den bitsen hoon, u aangedaan, te wreeken,
Laat ik myn zwaard met ruste, en in de schede steeken.
brizeïs
Gy mint my alte zeer; of, zo ik 't zeggen mag,
Gy mint my recht verkeerd.
838
achilles
Sint u myn oog eerst zag,
Toen ik, gezonden door de Grieken, om de wallen
840
Van uw Lyrnessus met myn' troepen te overvallen,
840
De Stad vermeesterde, heb ik van uw gezigt
841
Het leevendige beeld in myne ziel gesticht.
De dwingland dorst u my weer met geweld ontrooven.
Straks heb ik alle zorg van mynen hals geschooven.
844
845
Ik gaa niet meer ten stryde, ik laat den vyand woên;
Hoe zeer hy bidt, dat ik my weer met hem verzoen.
brizeïs
Moet ik dit aanzien als bewyzen uwer trouwe;
Ik moet bekennen, van wat zyde ik die beschouwe,
'k Begryp uw' meening niet. Wanneer ik van u ging,
849
850
En zelfs van u den last, om meê te gaan, ontving,
850
Stortte ik een ganschen stroom van traanen uit myne oogen.
Ik zag uw fier gemoed wel door de spyt bewoogen,
852
Die Agamemnon u dorst aandoen, trots van zin;
Maar 'k zag in al uw doen geen' tekenen van min.
[p. 66]
855
Gy liet my heene gaan, en kwaamt my zelf niet zeggen
855
Het laatst vaarwel. Hoe kon, hoe moest ik dit uitleggen?
In plaats van my zelfs te vertroosten in dien staat,
857
Sloegt gy, ter naauwer nood, in 't heen gaan, uw gelaat
Op myn ontsteld gezigt. Goôn! kost gy uit myne oogen
859
860
Niet zien, hoe zeer ik door uw' droefheid wierd bewoogen!
860
Hoe myne ziel verlangde, om met een kus voor 't laatst
Myn afscheid noch van u te neemen! gansch verbaasd,
862
En tot de dood ontsteld, ben ik van u gescheiden.
Hoe ging myn treurig oog in zyne traanen weiden,
864
865
Zo ras ik eenzaam was; en vryheid had, myn' rouw
Den teugel zonder maat te vieren!
achilles
Ach Mevrouw!
Herroep dien droeven tyd niet weer in uw' gedachten.
De vrouwen uiten zich met woorden en met klagten.
Myn' tong was niet bekwaam tot spreeken. neen, myn hart
870
Was al te zeer beklemd door zulk een hoon en smart.
Had ik u niet bemind, ik had u zelf gegeeven,
En Agamemnon hadt niets tegen my misdreeven.
brizeïs
En ach! zo gy my noch, gelyk gy zegt, bemint,
Hoe kan het mooglyk zyn, dat ge u niets onderwindt,
874
875
Om my weer in uw' magt te krygen, als voor deezen.
Ach! zie het zelve. Is dit geen' reden om te vreezen
Voor een' verliefde ziel? Noch doet gy meêr: en schoon
My Agamemnon zelve u weer heeft aangeboôn;
Het eenigst, dagt ik, daar myn Held naar zal verlangen,
880
Wilt gy me in tegendeel niet weer van hem ontvangen.
[p. 67]
Hy voegt de heerlykste geschenken daar noch by:
Doch niets kan uw gemoed veranderen. Daar gy,
882
Om my van uwe liefde op 't zekerst te overtuigen,
Geschenken geeven moest, om zyn gemoed te buigen,
885
Om my daar door weer te verkrygen in uw' magt,
Zie ik my zelf van u op 't smaadelykst veracht.
achilles
Maar, 'k bid, hoe komt gy hier? Zyt ge uit u zelf de banden
En slaaverny ontvlucht van 't hoofd der dwingelanden?
Zondt hy u herwaarts, tot verzoening van myn haat?
890
Of is het op bevel en orde van den Raad?
890
brizeïs
Toen Ajax weer kwam met Ulysses, en ons zeide,
Hoe gy van hun verwoed en meer vertoorend scheidde,
892
Als oit, zat elk bedrukt. De dwingland zuchtte zelf,
Sloeg beevende zyn oog naar 't Hemelsche gewelf,
895
En riep de Goôn om hulp, daar hy zyn' schuld bekende.
895
De droefheid en de rouw was algemeen. In 't ende
Sprak dus Laërtes zoon, op listen steeds bedacht.
897
Wy zien, ô Helden, ons in 't uiterste gebragt
.
Dat fiere hart is door geen' reden te overwinnen
.
899
900
Men moet iets anders, zo men vordren wil, beginnen
.
Men zend' Brizeïs zelve aan hem. Haar schoon gezigt
,
Waar voor hy eertyds, in den stryd zelfs, heeft gezwicht
,
Heeft mooglyk op zyn hart de zelfde kracht behouden
,
Schoon zy elkandere in veel dagen niet aanschouwden
.
905
Als hy haar weder in zyn' tent heeft, zal misschien
Zyn toorn verminderen, en wy hem weder zien
Ten strydgaan, daar wy hem in al dien tyd niet zagen
.
't Is toch met ons gedaan. Wy moeten alles waagen
.
[p. 68]
Elk keurt zyn zeggen goed. men haalt my in den Raet.
910
Men toont me in 't korte den beklaagelyken staat
Van 't Grieksche leger; en, om my meer te beweegen,
Men stelt my voor het oog, hoe Hector, die zyn zegen
912
Vast voortzette, en verwoed reeds naderde aan uw' vloot,
U zelf, myn waarde Held, ook dreigde met de dood.
915
Op die verbeelding wierdt myn' ziel met u bewoogen.
915
My dacht, ik zag u reeds neerstorten voor myne oogen.
Ik weigerde nochtans weer naar u toe te gaan,
Zo lang ik uwen wil niet zelve had verstaan.
Ik vreesde mynen Heer en waarden te verstooren.
919
920
Tot dat Ulysses zich dus ook voor my liet hooren:
920
Mevrouw, wilt gy uw Held noch eenmaal wederzien
,
Gy hebt deez dag maar tyd; want morgen gaat hy vliên.
Hy maakt zich reeds gereed, om weer in zee te steeken
.
Dit kost alleen 't ontzag, dat ik u toedraag, breeken.
924
925
'k Besloot terstond te gaan. ik wou myn lief veel eer
Noch ééns verstooren, dan dat ik hem nimmer weêr
Aanschouwen zou. Wil my de waarheid toch ontdekken.
Is 't waar myn Heer? denkt gy op morgen te vertrekken?
Goôn! zo het waar is, laat ik meê gaan, op dat my
930
Geen meerder smaad geschied, door 's dwinglands tieranny.
achilles
Ulysses heeft, Mevrouw, u niet geheel bedroogen.
Ik heb 't gezeid: maar door den brand der vloot bewoogen,
En ziende het gevaar te na, om langer stil
Te zitten, heb ik, wyl ik zelf niet stryden wil,
935
Patroclus met myn volk en wapenen gezonden,
Om 't haatlyk vuur, dat reeds twee schepen hadt verslonden,
En Hectors raazerny met moed te wederstaan.
Nu weet gy zelf, Mevrouw, dat 'k niet in zee zal gaan,
[p. 69]
Zo lang myn Vriend niet weer is uit het veld gekomen,
940
En ik zyn' dood, of zyn' verwinning heb vernomen.
brizeïs
Zo is uw volk, voor 't eerst, dan weer gegaan ten stryd!
Ach! welk een' vreugd, myn Heer! hoe is myn' ziel verblyd!
Ik vreesde alreeds, dat ik, als Helena in Trojen,
Het zaad van tweedragt zoude in 't Grieksche leger strooijen,
945
Den droeven ondergang bewerken van den geen,
Wiens byzyn 'k vlieden moest, doch om wiens afzyn 'k ween.
Der Grieken droeve staat heeft u in 't eind bewoogen!
Zo voel ik alle zorg uit myn gemoed vervloogen:
Zo zal men my hier na niet wyten, dat door my
950
De Griek gebragt is onder Trojes heerschappy.
Want dit is 't noodlot van de onzaligste aller vrouwen.
'k Vrees de overwinning van myn Vaderland te aanschouwen,
Ik vrees de nederlaag van hem, die met geweld
Myn land verwoest, myn Man en Broedren heeft geveld.
955
Dit droef herdenken parst de traanen uit myne oogen.
Helaas! indien uw' deugd myn' ziel niet hadt bewoogen,
Hoe zoet waar 't my geweest, te zien, dat myn gezigt
957
Zo fel een vuur van haat hadt in uw hart gesticht!
'k Moest my verheugen, dat 'k de vriendschap had verbroken
960
Der Grieksche Hoofden, dat 'k myn' vrienden had gewroken,
De schim verzoend had van myn Broederen en Man.
Maar ach! in tegendeel die zelfde Achilles kan
Myn' ziel, door zyne deugd, in zyne min doen blaaken.
Helaas myn Heer! gy ziet de traanen langs myn' kaaken
965
Neervloeijen. belg u niet; 'k beken u, tot myn' smart,
Dat ik u haaten wil, doch minnen moet in 't hart.
achilles
Gy wilt my haaten!
[p. 70]
brizeïs
Ach! en had ik geene reden,
Zo ik myn' pligten niet te buiten waar getreeden?
En gy bemint my noch?
achilles
Zo zeer als oit, Mevrouw.
brizeïs
970
Draag zorg dan, dat ik noit dien dwingland weer aanschouw.
Ik ben, op zynen last, hier weer by u gekomen.
Hy heeft my met geweld eerst uit uw arm genomen.
Nu zendt hy my weerom. 't zy gy dan blyft, of gaat,
Stel my niet meer ten doel voor zynen wrok en haat.
975
Laat ik hier blyven; wyl de Grieken my aanschouwen,
Als de oorzaak van hun ramp. Laat u uw toorn berouwen,
En gaa zelf weer ten stryde, op dat ik, tot myn' rouw,
Ook 't overblyfsel van myn Land niet weer aanschouw.
Hoe zoude een ieder van my spreeken, als zy zagen,
980
Hoe Held Achilles deugd Brizeïs kon behaagen!
Want, schoon de schaamte my de tong tot noch toe bondt,
Gy, gy zyt de eenigste, in het gansche werrelds rond,
Daar ik, in mynen ramp, vernoeging by kan vinden.
983
'k Zie my alom gevloekt van vyanden en vrinden:
985
Doch zo lang, als gy my niet wederom verlaat,
Troost ik my noch in deez beklaagelyken staat.
achilles
Uw afzyn heeft myn' ziel meer, dan de schaê, doen lyden,
Die Grieken heeft geleên, zo lang ik niet wou stryden.
988
Maar ach! Mevrouw, ik doe myne achtbaarheid te kort,
989
990
Indien gy zelve my niet weergegeeven wordt
Door Agamemnons hand.
[p. 71]
brizeïs
Helaas!
achilles
Spaar, spaar uw' traanen.
'k Zal met myn' vloot door zee geen weg naar Phthie baanen,
992
Of gy zult met my gaan. dat zweer ik by de Goôn.
Stel u gerust, myn Lief. maar om van deezen hoon
995
My op den dwingeland te wreeken, is 't van nooden,
Dat gy, een korten tyd, noch hoort naar myn' geboden.
Gy spreekt naar uw liefde: ik oordeel naar het geen
Myne eer my afvergt, na zo veel weerwaardigheên.
998
Ik moet noch eengen tyd uw vriendlyk byzyn derven.
1000
Want zo Achilles geen' voldoening kan verwerven,
Is hy Brizeïs gansch onwaardig. Keer, ai keer,
Al valt het scheiden hard, dan naar den dwingland weer.
Ik pynig my niet min, als u: maar 'k heb gezwooren,
1003
Niet eer naar uwe liefde, en zyn' gebeên, te hooren,
1005
Voor hy zich zelf voor my vernedere, en die spyt
1005
Dus wissche uit myne ziel, daar zy zo veel om lydt.
1006
brizeïs
Is dit die tedre min, waar meê gy my wilt vleien!
Wy zyn by één. gy dwingt my zelve om weer te scheien.
Ach! is u myn gezigt zo haatelyk! wel aan,
1010
Doorstoot myn borst: wat hoeft ge u langer te beraên?
Of vreest dat zwaard, het geen myn' Broederen deedt sneeven,
Het geen myn Bedgenoot beroofd heeft van het leeven,
Zich in het einde ook te bezoed'len met myn bloed?
Te sterven van uw' hand is myne ziel zo zoet,
1015
Ja zoeter, als, nu wy by één zyn, weer te scheiden.
[p. 72]
achilles
Hebt ge oit gezien, zelfs daar myn' hand in 't bloed ging weiden,
Dat ik my schuldig maakte aan 't moorden van een' vrouw?
En zoude ik u, die ik zo teder, zo getrouw
Bemin, ontmenschte! 't staal in uwen boezem drukken?
1020
Eer stort de Hemel op myn hoofd alle ongelukken,
Die oit een sterveling gevoeld heeft en beweend,
Eer gy Achilles hart zo wreed ziet, zo versteend.
brizeïs
Hoe kan uw' wreedheid voor elks oogen klaarer blyken?
Omdat Mycenes Vorst u dorst verongelyken,
1025
Brengt gy uw Vaderland in d' allergrootsten nood,
En dreigt het gansche heir met eene wisse dood.
My, die zo teder u bemin, in myne zinnen,
En die gy zelve veinst zo trouw weêrom te minnen,
Ontzegt ge u byzyn, en toont, met een fier gelaat,
1030
Dat myne droefheid u niet meer ter harte gaat.
achilles
Uw' liefde raakt my. maar ze strek my tot geen hinder,
Dat ik, om haarent wil, myn roem en eer verminder.
Gaa dan, Mevrouw: 'k verzoek 't, als minnaar; en gebied 't,
Als voogd van myn' gevange.
1034
brizeïs
Onlydelyk verdriet!
1034
1035
Wyl gy het zo begeert, mag ik niet tegenstreeven:
Maar, zo gy zorg hebt voor myn welzyn en myn leeven,
Verlosch myn' bange ziel uit deeze slaaverny,
Kost ge in myn hart zien, wat ik om uw afzyn ly,
Ontmenschte... Maar ik gaa, wyl 'k moet gehoorzaam weezen.
[p. 73]
achilles
1040
't Staat noch aan my niet, om uw' droefheid te geneezen.
'k Moet zelve afwachten, wat de dwingeland zal doen,
Om myn' beledigde eer en glorie te vergoên.
brizeïs
Vaar wel, myn Lief! helaas! hoe bitter valt dit scheiden!
achilles
Vaar wel, Mevrouw! 'k zal u in veiligheid geleiden.
Einde van het derde Bedryf
.
685
tot vordring van myn' wraak
: om mijn wraak te bevorderen.
691-692
(Patroclus zal in Achilles' wapenrusting en met diens wapens strijden);
wapens
: (omvat ook de afweerwapens: harnas en schild).
693
iever
: ijver.
694
naar gezigt
: ellendige aanblik.
696
in stilligheid
: werkeloos.
698
gewigte
: gewichtige.
703
(de vijand zou nl. menen Achilles tegenover zich te zien).
706
winnen
: bereiken.
707
Begeeven
: verlaten.
710
Is 't Grieken even
: maakt het voor Griekenland geen verschil meer.
712
bange
: in het nauw gedreven;
vervoeren
: meeslepen.
715
verlegen
: beangst, in nood.
716
zegen
: zege, overwinning.
724
prangen
: benauwen.
733
Strekt... een spoor
: spoort aan.
733-734
hevigheid en moed
: driftige moed.
737
van doen
: nodig;
staat
: toestand.
740
zucht
: verlangen;
weiden
: zich verlustigen.
745
benyd
: misgun.
748
der stad kost meester maaken
: de stad kon doen vermeesteren.
754
Tast aan
: val aan.
756
Straks
: spoedig.
759
dik
: dikwijls.
760
slaan
: slag leveren, strijden.
762
opgebragt
: grootgebracht, opgeleid.
765
(vgl. vs. 24-25).
766-767
Uwe magt heeft uitgediend
: het uiterste dat gij vermoogt, is bereikt.
771
vesten
: vestingwerken.
780
orde
: bevel, order.
783
myne reden
: wat ik gezegd heb.
791
naar
: na.
796
teken
: voorteken (nl. Achilles' angstig voorgevoel van Patroclus' dood).
800
van
: door.
801
'k beveel u myne wraak
: dan vertrouw ik u de taak toe mij te wreken.
811
Na
: nadat;
woende
: woedende;
doorsteeken
: doorstoken.
823
verbaasd
: ontsteld.
826
tegens dank
: tegen mijn begeerte;
bevredigen
: tevreden stellen, tot verzoening brengen.
838
Sint
: sinds;
eerst
: voor het eerst.
840
Lyrnessus
: stad in Mysië, woonplaats van Brizeïs.
841
gezigt
: aanblik, verschijning.
844
Straks
: aanstonds.
849
Wanneer
: toen.
850
om meê te gaan
: (nl. met degenen die haar in opdracht van Agamemnon kwamen halen).
852
spyt
: smaad.
855
zelf
: zelfs.
857
zelfs
: zelf;
staat
: toestand, situatie.
859
kost
: kon.
860
wierd
: werd.
862
verbaasd
: verbijsterd.
864
weiden
: zich verlustigen.
874
u onderwindt
: onderneemt.
882
Daar
: terwijl.
890
orde
: order.
892
hun
: hen.
895
daar
: terwijl.
897
Laërtes zoon
: Ulysses.
899
reden
: woorden.
912
Men stelt my voor het oog
: men houdt mij voor;
zegen
: zege, overwinning.
915
Op die verbeelding
: toen ik mij dat indacht.
919
waarden
: dierbare, geliefde;
verstooren
: boos maken.
920
dus
: aldus.
924
Dit kost alleen... breeken
: dit was het enige wat... kon overwinnen.
957
gezigt
: aanblik.
983
vernoeging
: troost.
988
Grieken
: Griekenland.
989
achtbaarheid
: eer.
992
Phthie
: Phthia, de vaderstad van Achilles.
998
my afvergt
: van mij eist.
1003
my
: (met klemtoon) mijzelf (tegenover
u
).
1005
spyt
: smaad.
1006
Dus
: aldus.
1034
voogd
: gebieder;
Onlydelyk
: ondraaglijk.
1034
voogd
: gebieder;
Onlydelyk
: ondraaglijk.