terug  begin  verderprepost

Vierde bedryf.

Eerste tooneel.

achilles
1045
IK heb u wederom doen keeren,
 
Hoe zeer 't u smartte, ô schoone vrouw!
 
Uw vriendelyk gezigt te ontbeeren,
 
Strekt myne ziele een' groote rouw.
 
Ik zag, wanneer wy moesten scheien,
1050
Uw' minlyke oogen bitter schreien.
 
Ik hield myn' smart in, en ontveinsde myn verdriet.
 
Met droefheid heb ik u den dwingland weer gegeeven:
 
Doch ik kan zonder u wel leeven;
 
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet.
 
 
1055
Patroclus, waardste myner vrinden,
 
Heb ik 't geluk, u na den stryd
 
Verwinnaar wederom te vinden,1057
 
Hoe zal myn' ziel dan zyn verblyd!
[p. 74]
 
Maar ach! ik vrees, gy zult de krachten
1060
Van Hector mogelyk verachten.
 
Betrouw u niet te veel, als gy dien wreeden ziet.
 
Doch kan my uwe dood myne eere wedergeeven,
 
Ik kan ook zonder u wel leeven;
 
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet.
 
 
1065
Brizeïs, wat moet gy niet lyden,
 
Nu 't schynt, dat ik u weer verstoot!
 
Patroclus, ach! ik laat u stryden,
 
Terwyl ik zelf blyf buiten nood.
 
My dunkt, ik hoor u beide klaagen.
1070
De een gaat om my zyn leeven waagen;
 
Daar de andre zich om my van elk verstooten ziet.
 
Doch kan uw' droefheid my myne eere wedergeeven.
 
Zo kan ik zonder u wel leeven;
 
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet.
 
 
1075
Gy, Goden, die my woudt voorspellen,
 
Dat myne hand en dapperheid
 
Den muur van Ilium zou vellen,
 
Heeft uwe godspraak my misleid?
 
In plaats, dat elk my eer zou toonen,
1080
Zie 'k my van Agamemnon hoonen;
 
Terwyl hem ieder volgde, en myne zy verliet.
 
Dat hy my dan voldoe, of dat zy allen sneeven,
 
Want ik kan zonder hun wel leeven;
 
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet.
 
 
1085
Maar neen; ik zal den uitslag wachten
 
Van deezen allerlaatsten stryd.
 
Ach! dat de vloot zich door uw' krachten,
 
Patroclus, weder zag bevryd!
 
Maar moet gy voor den Trojer vluchten,
1090
En laat my Agamemnon zuchten,
[p. 75]
 
Zo keer ik naar myn land, en laat hem in 't verdriet.
 
Dat dan de Grieken op den Troischen oever sneeven,
 
Want ik kan zonder hun wel leeven;
 
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet.

Tweede tooneel.

achilles, phenix.
achilles
1095
HOe gaat het? heeft myn vriend van zynen moed reeds blyken
 
Gegeeven? hebt gy reeds den vyand af zien wyken?
 
Verklaart de zege zich voor ons? en is de vloot
 
Door deezen bystand al beveiligd uit den nood?
phenix
 
'k Zal u verhaalen, 't geen 'k gezien heb met myne oogen.
1100
Uw moedig volk, al lang met onzen ramp bewoogen,
 
En haakend naar den stryd, ziet uwen halsvriend aan,
 
En wacht zyne orde alleen om verder voort te gaan.1102
 
Patroclus toeft niet lang, maar ziende aan alle zyden,
 
Waar 't noodigst was, het eerst den vyand te bestryden,
1105
Vliegt naar de schepen straks van Ajax, en van Held1105
 
Protezilaüs, half verslonden door 't geweld1106
 
Der vyandlyke vlam. Ik zag uw' braave benden,
 
Op zynen last, met vreugd zich aanstonds derwaarts wenden.
 
De vyand ziet uw vriend, en denkt, dat gy het zyt.
1110
Hy kent uw' krachten noch, schoon hy in langen tyd
 
Die niet beproefd heeft. Eerst zo moedig en verbolgen,
 
Zie 'k hem straks vluchten voor uw' troepen, die hem volgen.
 
Gelyk een watervloed, al wat hem stuit of keert,
 
Door 't breeken van een dyk, ter neersmyt, overheert,1114
[p. 76]
1115
En dikwils met zich sleept: zo zien wy uwe troepen
 
De Trojers dryven, die vast om genade roepen,
 
't Geweer weg werpen, en met haast zich naar de stad1117
 
Begeeven. Hadt gy zelf het zwaard weer opgevat,
 
Om d'overwinnaar dus op 't vinnigste te treffen,
1120
Hoe zou gansch Griekenland uw naam en roem verheffen!
achilles
 
Neen Phenix, Griekenland is zelf wel overtuigd,
 
Dat, zo de Troische magt voor myn Patroclus buigt,
 
Myn arm, indien hy weer den vyand wil weerstreeven,
 
Den muur van Ilium den laatsten krak kan geeven.
1125
Maar hoe is 't met de vloot? heeft zy veel schaê geleên?
phenix
 
Wanneer uw braave vriend den vyand voor zich heen
 
Zag stuiven door het veld, heeft hy straks zorg gedraagen,
 
De vlam te blusschen. toen al de anderen dit zagen,
 
Hoe zeer hun moed ook was verdweenen met hun magt,
1130
Voegde elk zich by uw volk, en kreeg weer nieuwe kracht.
achilles
 
Maar hebt gy niet gezien, of Hector, onder 't stryden,
 
Myn vriend heeft aangedaan?1132
phenix
 
Zo ras aan alle zyden
 
De schrik het Troische heir weer naar de stad deedt zien,
 
Zag ik dien grooten Held, zo wel als de and'ren, vliên.
1135
'k Zag, hoe zyn' paarden, die in 't runnen veele helden1135
 
Verpletterden, met schrik naar 't beevend Troje snelden;
[p. 77]
 
En dacht, is 't mooglyk, dat zo moedig een soldaat,
 
In een zo grooten nood, zo ras het veld verlaat!
 
'k Verheugde me evenwel: want daar die held gaat vlieden,
1140
Wie van het Troische heir zal ons dan weerstand bieden?
 
Veele andren nochtans, reeds tot aan den muur gevlucht,
 
Den schrik van al hun volk aanschouwende, en beducht
 
Voor grooter nederlaag, staan pal, om tyd te winnen,
 
Op d'oever van de gracht. Hier, dacht ik, hier beginnen
1145
De Trojers wederom te krygen nieuwen moed.
 
De gracht, reeds half gevuld met lyken en met bloed,
 
Wordt met het vlakke veld vereffend, door de menigt'
 
Van Helden, na hun dood in deeze plaats vereenigd.
 
Geen Griek, die, in dien staat, geen' wonderen bedryft,
1150
Die zynen lof in 't zand met 's vyands bloed niet schryft.
achilles
 
Goôn! dien ik zien kan, dat myn roem noch gaat ter harte!
 
Ik dank u voor deez' gunst. maar denkt om myne smarte,
 
En 't geen ik heb geleên door een' zo bitse smaad.
 
Geeft, dat myn lieve vriend verwinnaar keer! maar laat
1155
Hy niet geheel en al den vyand te onderbrengen,1155
 
Zo gy 't herstellen van myne eer oit wilt gehengen.1156
phenix
 
'k Heb de eer gehad, dat gy, van uwen eersten tyd,
 
Door my bezorgd, bewaard, en onderweezen zyt;1158
 
Zelfs toen ge uw Vaderland, nu negen jaar geleden,
1160
Verliet, om, voor den wal van Troje, uw' dapperheden
 
Ter proef te stellen, heeft uw Vader my geboôn,
 
Altyd een waakend oog te houden op zyn Zoon.
 
Heb ik my in myn pligt niet wel genoeg gekweeten?
 
Heb ik oit de eerbied, die 'k u schuldig was, vergeeten?
[p. 78]
1165
Of kost ge u oit met recht beklaagen van myn raad?
 
Hoor dan noch eens naar my in deez benaauwden staat.
 
't Is waar, de Trojers, die u niet in 't veld verwachtten,
 
Begaven zich ter vlucht, toen ze u te aanschouwen dachten;
 
Toen uw' Thessaliers in 't veld verscheenen, met
1170
Een' woede, daar geen heir, hoe sterk, zich tegen zet.
 
Maar ach! hoe schielyk kan die oorlogs kans verdraaijen!
 
Wy zien op eenen dag verscheiden' winden waaijen,
 
Maar sneller als de wind verkeert het los geluk.
 
Na eene korte vreugd volgt dikwils zwaare druk.
1175
Groot is de braafheid van den trouwsten uwer vrinden:1175
 
Maar niet zo groot, dat hy geen' sterker hand kan vinden.
 
't Zyn al geen Parissen, die hy in 't veld ontmoet.1177
 
Indien Sarpedon dan, of Hector, heet op bloed;1178
 
Indien Anchizes zoon, of andren van hun Helden,1179
1180
Zich tegen uwen vriend met al hun magt eens stelden;
 
Hy is, ofschoon hy zy voorzien met uw geweer,1181
 
Niet onverwinnelyk. bedenk dit wel, myn Heer.
 
Heeft dan een Trojer het geluk van hem te treffen,
 
Hoe ras zal zich de moed weer in hun hart verheffen!
1185
Hoe schielyk zou uw volk, indien hy 't onheil hadt
 
Te sneuvlen, zyn gezigt weer wenden van de stad!
 
Gy hebt te veel gewaagd met hem in 't veld te zenden.
 
Wordt hy verwonnen, ach! hoe zie ik uwe benden
 
Verschrikt en hoopeloos weer vluchten naar de vloot,
1190
En storten ons al t' zaam in een' gewisse dood!
 
Van éénen Held alleen hangt ons geluk en leeven.
 
Als ik dit overdenk, hoe voel 'k myn' leden beeven!
 
't Is niet, omdat ik vrees of zorg heb voor de dood,1193
 
Maar omdat gy ons stort in een zo grooten nood.
1195
Gy, gy Achilles, die de trotse en hooge wallen
[p. 79]
 
Van 't magtig Ilium moest door uw' hand doen vallen;
 
Gy, van wiens dapperheid en onverwinlyk staal
 
Het Grieksche leger zich een' blyde zegepraal
 
Beloofde. Gaa dan noch. gy hebt den Goôn gezwooren,
1200
Te keeren in het veld, te maatigen uw tooren,
 
Zo ras gy 't Grieksche vuur zoudt zien in onze vloot.1201
 
Zulks hebt gy reeds gezien. Maar ach! in deezen nood
 
Zendt gy alleen uw vriend, om voor het land te stryden,
 
En blyft zelf rusten. Ach! kan dit uw' grootsheid lyden?1204
1205
Zo nu Patroclus uw' vermaaningen vergeet,
 
Of zo een' Troische hand dien Held ter aarde smeet,1206
 
Met welk een' magt zoudt gy den vyand weerstand bieden?
 
Gy zoudt uw' troepen zelfs, verbaasd, verschrikt, zien vlieden;1208
 
De vyand nadren aan uw' schepen; en uw' hand
1210
Geen' vrienden vinden, om hem eengen tegenstand
 
Te bieden in dien nood. Ach laat u toch beweegen!
 
Verlosch uw vriend, en trek voor 't laatst den vyand tegen!
achilles
 
Zo had ik vruchteloos zo langen tyd gewacht
 
Met stryden. 'k had vergeefsch ons heir in nood gebragt.
1215
'k Wil dat de dwingeland my zelf zal komen smeeken
 
Om bystand, eer ik weer myn moedig hart wil breeken,1216
 
Of stryden nevens hem.
phenix
 
'k Zie Alcimus.

Derde tooneel.

achilles, phenix, alcimus.
achilles
 
WAt hebt
 
Ge ons nieuws te brengen, dat gy u zo schielyk rept?
 
Spreek op. hoe vaart myn vriend? hoe vaaren myne benden?
[p. 80]
alcimus
1220
't Geliefde uw waarden vriend, my naar u toe te zenden,
 
Zo ras zyn' braave vuist Sarpedon, d'eedlen Held,
 
Ter neer geslaagen, en manmoedig hadt geveld.
achilles
 
Gy sterft, ô braave ziel, gelyk men u zag leeven.
 
Noit wenschte ik anders, als voor 't Vaderland, te sneeven.
1225
Zulks is my ook voorspeld. maar ach! in deezen staat
 
Wordt my zulks weer ontzeid door Agamemnons haat.
 
Sarpedon, ach! hadt ge oit gedacht, dat, na uw lyden,
 
Achilles u deez' dood noch zelve zou benyden?
 
Gy sneuvelt door de hand van mynen waardsten vriend.
1230
Deeze eer heeft uwe deugd al langen tyd verdiend.
 
Goôn! moet ik ook de dood voor Trojes wallen sterven,
 
Laat ik die van de hand van Priams zoon verwerven,
 
Van dappren Hector, die myn' krachten evenaart.
 
Geen ander is deeze eer, van my te treffen, waard.
1235
Van eene onwaarde hand den laatsten steek te ontvangen,
 
Is iets, dat myne ziel noch na myn' dood zou prangen.1236
 
Maar hoe is 't toegegaan? verhaal my zyne dood.
alcimus
 
Patroclus, ziende dat de vyand onze vloot
 
Op zyne komst verliet, vervolgt de vluchtelingen
1240
Tot aan de gracht, daar zy terstond weer orde ontvingen,1240
 
Ons in te wachten, en met moed te wederstaan.1241
 
Uw' troepen, heet op wraak, vervoerd door gramschap, gaan
 
Den vyand moedig na. Hier zien wy hunne Helden,
 
Die tegen ons op nieuw zich in slagorde stelden,
1245
De grootste wondren doen, die immer zyn gezien.
 
Sarpedon, die zyn volk weer naar de stad zag vliên,
[p. 81]
 
Weerstaat alleen de magt van uw' wraakzieke benden;
 
Tot dat zyn' troepen zich weer tegen de onze wenden,
 
Op 't hooren van zyn' stem. hy springt met frisschen moed
1250
Van zynen wagen af, tot de enkels toe in 't bloed,
 
En spreekt Patroclus aan: Achilles, 'k zie, uw tooren
 
Is eindelyk verzoend; aldus liet hy zich hooren,
 
Niet anders denkende, of gy zelve waart bedekt
 
Met uwe wap'nen, wier gezigt elk schrik verwekt;1254
1255
Staa stil, verwin my, zo gy verder uwen zegen1255
 
Vervolgen wilt. Uw vriend springt aanstonds onverlegen
 
Meê van den zynen af, en biedt, met een geweld,
 
Als of gy 't zelve waart geweest, dien grooten Held
 
Den punt van zyn geweer. Men hoort het krygsvolk schreeuwen.1259
1260
Elk ziet naar dit gevecht. Geen' hongerige leeuwen
 
Staan oit zo onbevreesd, al strydenze om den buit.
 
Na 't vellen van de speer, haalt elk zyn slagzwaard uit.
 
Hun moed verdubbelt op het zien van 's anders oogen.
 
't Volk staat om beider moed verrukt en opgetoogen.
1265
Doch eindelyk uw vriend treft zynen weerparty
 
Met een zo wissen slag, dat hy aan zyne zy
 
Neerstort, gansch leevenloos. Zy, die dees stryd aanschouwden,
 
Die, na dit onheil, zelfs hun kracht niet meer betrouwden,1268
 
Begeeven zich ter vlucht. Patroclus, met het bloed
1270
Van deezen Held bevlekt, klimt aanstonds weer vol moed
 
Op zynen wagen. Maar helaas! 'k zie ondertusschen
 
Een, die zyn wraakvier, op uw Halsvriend, niet kan blusschen,
 
Zyn' paarden, dol van toorn, bestryden, en hy kwetst
 
Het eene in zynen buik. Automedon, op 't lest
1275
Hen niet meer magtig met den teugel te bestieren,
 
Ziet zich genoodzaakt, hun den vollen toom te vieren.
 
Zy vliegen door de gracht. uw' troepen volgen hem,
 
Gemoedigd door zyn vaart, en, hoorende zyn' stem,
 
Die zy door 't krygsgeluid niet konden onderscheiden,
1280
Geloofden, dat hy hen tot aan de stad wou leiden.
[p. 82]
achilles
 
Zo is myn' voorzorg dan geheel onnut geweest!
 
Hoe maakt my deeze maar op nieuw voor u bevreesd,1282
 
Patroclus, waardste vriend! de Goden u behoeden!
alcimus
 
Geen nood, myn Heer. ik zag den vyand voor het woeden
1285
Van uw' Thessaliers straks vluchten, en ontsteld1285
 
Ter stad invliegen, om het schrikkelyk geweld
 
Van uwen vriend te ontgaan. Ja zelfs, zo my myne oogen,
 
Die zulks van verre alleen gezien heb, niet bedroogen,
 
Loopt Troje groot gevaar, en ziet zyn hoogen wal
1290
Door uwen vriend gedreigd met een gewissen val.
achilles
 
Dat wil het noodlot en het Godendom verhoeden!
 
Helaas! wat zal my dan myne oneer weer vergoeden?
 
Zou Troje zonder my zich overwonnen zien!
 
Neen, Alcimus, ô neen: dat ziet gy noit geschiên.
phenix
1295
Is 't noch geen tyd, myn Heer, Patroclus by te springen?
 
Door zyne paarden, die geen' hand meer kan bedwingen,
 
Vervoerd en weg gerukt, en ver van onze vloot,
 
Sleept hy ons allen met zich zelf in deezen nood.
 
Zo lang hy niet bestondt, die trotse stad te naderen,1299
1300
Bedekte hy zyn' kruin met groene lauwer bladeren:
 
Maar nu hy uw verzoek en lessen dus veracht,
 
Vervalt hy uit zich zelve in 's vyands woede en magt.
 
Blyft hy in 't slagveld; hoe zult gy zyn' dood beklaagen!
 
Verwint hy Ilium; hoe zal u dat mishaagen!
1305
Bezorg uwe eer dan, of het leeven van dien Held.1305
 
Zelfs, schoon hy leevende het vyandlyk geweld
[p. 83]
 
Thans weêr ontkomen kan, doch evenwel moet vluchten;
 
Ach! zoudt ge om onzen val en nederlaag niet zuchten?
 
Gy zoudt den Frigiaan, als van den morgen, weer1309
1310
De vloot zien blakeren, ons moedig krygsvolk neer
 
Zien houwen, gansch verwoed, en, doch te laat, aanschouwen,
 
Hoe weinig 's menschen hulp op aarde is te betrouwen.
 
De Goden, langsaam in hun straffen, toonen klaar
 
Door duizend tek'nen, in wat schrikkelyk gevaar
1315
Ge ons en u zelven stort: maar willen zy zich wreeken,
 
't Is vrucht'loos, dat men weer hun gramschap zoek' te breeken.
 
Neem deez' vermaaningen dan eindlyk wel in acht.
 
Zo gy uw pligt, tot heil van 't vaderland, betracht,
 
Uw' gramschap weer verzoent, en voor den Griek wilt stryden,
1320
'k Verzeker u, uw' hand alleen kan ons bevryden.

Vierde tooneel.

achilles, phenix, alcimus, automedon.
achilles
 
DE Hemel hoede ons! hoe? gy hier Automedon?
automedon
 
Wy zien den nood op nieuw verdubbelen. Ik kon
 
Uw' paarden, zwaar gekwetst, niet langer wederhouwen.
 
De vluchtelingen, die ons in wanorde aanschouwen,
1325
Staan weder pal: terwyl Vorst Priams dappre zoon,1325
 
Dien elk dacht, dat terstond de stad was ingevloôn,1326
 
Met nieuwen moed weerkeerde, en riep tot zyn' soldaaten,
 
Dat hy hen niet, uit vrees, lafhartig hadt verlaaten,
 
Maar door zyn' paarden weg gevoerd was, toen de hand
1330
Van uwen vriend de vloot verloschte van den brand.
[p. 84]
achilles
 
Ach! leeft myn vriend niet meer?
automedon
 
Toen ik hem heb begeeven,1331
 
Verdryf uw zorg, myn Heer, heb ik hem noch zien leeven.
 
Den wagen stuitende op een hoogen steen, viel hy1333
 
In 't bloedig slagveld neer, en plofte aan myne zy.
1335
Wy springen over end, en staan den vyand tegen,
 
Zo veel ons mooglyk is. Maar ach! ik zie den zegen1336
 
Straks onze zyde weer verlaaten, en zo ras1337
 
De braave Hector weer ten stryd gekomen was,
 
Den vyand, hoe vermoeid, met nieuwe krachten stryden.
1340
Zo kan één' dappre hand een' gansche stad bevryden.
 
Hy raast, hy woedt, hy schreeuwt, en denkende dat gy
 
Uw' troepen zelve weer ten stryde voert, heeft hy
 
Uw naam steeds in den mond; wil tegen u zyn' krachten
 
Noch eens beproeven. geen van de uwe durft hem wachten.
1345
Uw braave vriend alleen blyft onverzetlyk staan,
 
Wil Hector, door zyn' hand, in 't oog der stad verslaan,
 
Of sterven door de zyne. Ik zag de braafste Helden,
 
Die uwen vriend getrouw in deezen nood verzelden,
 
Op dit gezigte ontroerd. Vorst Menelaüs, dien
1350
Ik, voor alle anderen, bekommerd heb gezien
 
Voor 't leeven van dien Held, heeft my naar u gezonden,
 
Om u den slechten staat van 't leger te verkonden.
 
Denk, welk een vriend gy zult verliezen, deezen dag.
 
Ach! dat uw oog de rouw van al de Helden zag!
1355
Hy zelve alleen staat pal, en, schoon hy 't medelyden,
 
Van ieder op zich haalt, wil Priams zoon bestryden,
 
Dien zo gevreesden Held doen vallen door zyn zwaard,
 
Of blyven op de plaats. Is hy u dan zo waard,
[p. 85]
 
Is hy de trouwste altyd geweest van uwe vrinden,
1360
Laat hy dan in uw' hand dees laatsten bystand vinden!
 
Hy niet alleenig, maar wy allen zyn in nood.
 
Denk om u zelf, myn Heer; denk om de bange vloot,
 
En 't droevig Vaderland!
achilles
 
O Goôn! die uit den hoogen,
 
Al wat wy doen, beschouwt, hebt gy my ook bedroogen?
1365
Patroclus! ach myn vriend! vergeetge dus myn raad!
 
Wat lydt myn' bange ziel een' pyn in deezen staat!

Vyfde tooneel.

achilles, ulysses, phenix, alcimus, automedon.
achilles
 
WAt brengt Ulysses ons?
ulysses
 
De droevigste aller maaren,
 
Helaas!
achilles
 
Wat bange schrik komt myne ziel bezwaaren!
 
Hoe gaat het met myn vriend?
ulysses
 
Helaas! die leeft niet meer.
achilles
1370
Patroclus leeft niet meer!
phenix
 
Zie hier de vrucht, myn Heer,
 
Van uwen haat, en onverzoenelyken tooren.
[p. 86]
achilles
 
Patroclus leeft niet meer!
phenix
 
Laat ons geen' zuchten hooren,
 
Maar gord uw' wapens aan, om, in dees laatsten nood,
 
Ons alle, is 't mooglyk, te verlosschen van de dood!
achilles
1375
Vervloekte Dwingeland! gy zult zyn' dood betaalen.
phenix
 
Ach! wil ons in het kort den droeven staat verhaalen
 
Van 't Grieksche leger.
ulysses
 
Held Patroclus, langen tyd
 
Zyn vyand wederstaande in deezen laatsten stryd,
 
Wierdt eindlyk door de hand van Hector zo getroffen,
1380
Dat ik hem leevenloos in 't zand zag nederploffen.
 
Het aardryk schudde door den val van zulk een Held.
 
Geen Eikeboom, in 't eind door slag op slag geveld,
 
Veroorzaakt zulk een schrik, in 't hart van die 't aanschouwen,
 
Op 't nadren van zyn val. De Grieken, wier vertrouwen
1385
Alleen op hem berustte, en op zyn' dappre hand,
 
Zien alle hoop met hem neerstorten in het zand.
 
De Zoon van Priam, weêr gemoedigd door dien zegen,
 
Verheft zyn' stem, en roept zyn' benden, die verlegen1388
 
Het bloedig slagveld reeds verlieten, weer by een.
1390
Eerst dreef de vrees hen weg; nu dryft ze ons weder heen.
 
Maar Hector vondt zig zeer in zyne vreugd bedroogen,
 
Toen hy 't gemarteld lyk ontwapende, en, zyne oogen
 
Aanschouwende, met smart en droefheid merkte, dat
 
Hy Peleus grooten Zoon niet overwonnen hadt.
[p. 87]
1395
Men kon de spyt en toorn uit bei zyne oogen leezen.
 
Hy werpt nochtans, om dus uw volk meer te doen vreezen,1396
 
Zyne eigen' wapens weg; neemt de uwe, en vliegt door't veld,
 
Gelyk een raazende, die, wat zich tegenstelt,
 
Ter neer werpt en verwoest. Niets kan hem wederhouwen.
1400
Gy zult hem binnen kort weer by de vloot aanschouwen.
 
Uw' troepen zyn verstroit. Gelukkig is de man,
 
Roept elk, die door de vlucht zyn' woede ontkomen kan.
achilles
 
Goôn! moest gy my tot zo veel ongeluk bewaaren!
 
Neen; 'k wil in deezen staat my zelf niet langer spaaren.
1405
Myn' dapperheid gehoond door Agamemnons haat!
 
Myn Vaderland in nood tot wraak van deeze smaad!
 
Myn halsvriend leevenloos! myn' wapenen, ô Goden!
 
Ten dienst van Hector, tot bescherming van dien snooden,
 
Den wreeden moorder van het waardste dat ik had.
1410
O smart! had ik 't geweer noch zelf maar opgevat;1410
 
Was ik gesneuveld door het woeden van die handen,
 
Ik zag my leevend niet vol oneere en vol schanden!
ulysses
 
De Vorsten smeeken u, dat gy in deezen staat
 
Hen wederom, myn Heer, voor 't laatste niet verlaat!1414
achilles
1415
Ik zal ten stryd gaan; ja. Niet op 't verzoek der Helden,
 
Die zo ondankbaar my en myne deugd vergelden:
 
Niet op de bede van den snoodsten dwingeland.
 
O neen. Uw' dood, myn vriend, uw' dood zal myne hand
 
Weer wapenen ten stryde. ik zal uw onheil wreeken,
1420
Uw moorder straffen, of hy zelf zal my doorsteeken.
[p. 88]
 
Maar, zo ik winnaar keer, beef, Agamemnon, beef!
 
Gy, gy zult de eerste zyn, dien ik den doodsteek geef,
 
Als Hector legt geveld. Komt, gaanwe, myne vrinden.
 
't Wordt tyd, dat ik dien wreede in 't eind doe ondervinden,
1425
Dat, schoon Patroclus legt verslaagen door zyn' magt,
 
Achilles evenwel met zyn vermogen lacht.1426

Einde van het vierde Bedryf.

1057Verwinnaar: als overwinnaar.

1102orde: bevel, order.
1105straks: aanstonds (ook in vs. 1112 en 1127).
1106Protezilaüs: aanvoerder van de Thessaliers, eerste Griek die bij Troje aan wal sprong en toen door Hector werd gedood.
1114overheert: overmeestert.
1117't Geweer: de wapens.
1132aangedaan: aangevallen.
1135runnen: rennen.
1155te onderbrengen: ten onder brengen.
1156gehengen: gedogen, toelaten.
1158bezorgd: verzorgd.
1175braafheid: dapperheid.
1177Parissen: Paris, zoon van Priamus, trad in de strijd tegen de Grieken heel weinig op de voorgrond en betoonde zich soms laf.
1178Sarpedon: vorst van de Lyciërs en bondgenoot der Trojanen.
1179Anchizes zoon: Aeneas.
1181geweer: wapenen en wapenrusting.
1193zorg: angst.
1201Grieksche: Trojaanse (enallage).
1204grootsheid: trots.
1206smeet: zou slaan.
1208verbaasd: ontsteld.
1216breeken: bedwingen, zacht stemmen.

1236prangen: kwellen.
1240orde: bevel, order.
1241in te wachten: op te wachten.
1254wap'nen: wapenrusting.
1255zegen: zege, overwinning.
1259geweer: wapen, hier: speer (zie vs. 1262).
1268zelfs: zelf.
1282maar: tijding.
1285straks: aanstonds.
1299bestondt: het waagde, ondernam.
1305Bezorg: draag zorg voor.
1309Frigiaan: Trojaan.

1325Vorst Priams dappre zoon: Hector.
1326terstond: zoëven.
1331begeeven: verlaten.
1333Den wagen stuitende: (absolute constructie) toen de wagen stuitte.
1336den zegen: de zege (ook in vs. 1387).
1337Straks: aanstonds.

1388verlegen: in verlegenheid, in nood.
1396dus: aldus.
1410't geweer: de wapens.
1414voor 't laatste: in de uiterste nood.
1426vermogen: macht, kracht.
prepostterug  begin  verder