terug  begin  verderprepost
[p. 1]

Inleiding

1. Het ontstaan van Dagh-werck.

Huygens is zijn onvoltooide gedicht Dagh-werck kort na zijn huwelijk begonnen, ‘ten believe ... en op aandrang van’ (brief aan A.M. Schurman van 10 april 1639, W.Br. II, no. 2078) zijn vrouw. Hij heeft er met sprongen aan gewerkt en het laten liggen toen Suzanna hem in 1637 na tien gelukkige huwelijksjaren ontviel. In 1638 neemt hij het weer ter hand, niet om het voort te zetten maar om er een slot aan te maken. Hij herziet dan tevens het hele gedicht en voorziet het van korte proza-aantekeningen. Hij overweegt het uit te geven. Maar van uitgave komt niets tot 1658, wanneer het in de eerste uitgave van Korenbloemen verschijnt.

Dit is de historie in het kort van dit merkwaardige en tot nu toe nimmer met uitvoerige commentaar uitgegeven gedicht, waarin hij naar zijn eigen getuigenis ‘de complete Huygens heeft blootgegeven’ (brief aan Puteanus 25 juni 1638, Br. II no. 1860).

Na een stormachtige vrijage waarover iets gezegd wordt in mijn Voet-maet2, 19-22, maar waarvan wij het meeste niet weten, trouwt de 30-jarige Huygens op 10 april 1627 zijn 28-jarige nicht Suzanna van Baerle. Dat zij dichtte en schilderde wordt door Hooft betuigd in enige van de door hem aan haar gewijde gedichten (Vgl. L.-St. I. 236 vs 17-19, 241 Op Clorindes schrijven, 242 Op het gedicht van Clorinde, 262 vs 43-48.1 Huygens roemt haar in Dagh-werck als kenster van de dichtkunst (vs 1345 vlgg.). Daar moge overdrijving in zijn, we kunnen aannemen dat Suzanna grote belangstelling voor het dichten had. Zij heeft Constantijn aangezet tot het maken van een gedicht op hun samenleven met al wat daarbij hoorde en zij heeft, wat Huygens klaar had, aangehoord en er critiek op geoefend (zie Dagh-werck 1425-1444). In het proza-slot van Dagh-werck schrijft Huygens: Maer mijn' lieve Leester, dien dit eenigh ten gevalle gewrocht wierde, dieder mij in steunde en stierde; die mij leerde wat sij hooren wilde, ontviel mij...

[p. 2]

In zijn bovengenoemde brief aan A.M. Schurman schrijft hij: ‘Een gedichtje ziel ge hier, ten believe eenmaal en op aandrang van de overledene beatae memoriae heet van de naald begonnen, geleidelijk en - zo is nu eenmaal het lot van mijn leven - in springerige gril verder gebreid en eindelijk door de bittere dood van haar, over wier liefelijke wapenbroederschap met mij het voornaamste thema liep, abrupt afgebroken.’

Het hele gedicht is dan ook aan Sterre gewijd en alle 2061 vss zijn tot haar gericht in direkte aanspreking.

Huygens is aan Dagh-werk begonnen kort na zijn huwelijk, toen er nog geen kinderen waren. Zie D. 161-163. Hun eersteling Constantijn wordt 10 maart 1628 geboren. Voor die tijd is Huygens dus al met D. bezig.

Uit de vermelding (401 vlgg.) niet alleen van de verovering van Grol (18 augustus 1627 en van de Spaanse zilvervloot (1628), maar ook van Wesel (19 augustus 1629) en Den Bosch (14 september 1629) blijkt, dat dit gedeelte geschreven is na de zomer van 1629. Huygens kreeg toen een wat rustiger tijd. Hij was eind 1629 en in 1630 geruime tijd in Den Haag met enkele kortere of langere onderbrekingen en kan toen een groot deel van D. hebben gemaakt.

Hoe dit zij, toen Suzanna stierf op 10 mei 1637 was D. verre van voltooid, gemeten aan het plan dat Huygens ervoor had (zie het proza na D.). Hij was aan vs 1969.

Ruim een jaar later maakt hij er een slot aan, gedateerd Noordgeest, (bij Bergen op Zoom) 1638. Hij vertelt van deze nieuwe werkzaamheid aan D. in een latijnse brief uit Bergen op Zoom aan E. Puteanus te Leuven, van 25 juni 1638, waarvan het gedeelte dat over D. handelt, hier in nederlandse vertaling volgt:

‘Ik heb totnogtoe onder mij gehouden een werkje met een bekoorlijke inhoud, een werkje ook met veelzijdige inhoud, in het Hollands. Dat ik dit niet ten einde toe heb afgeweven, heeft teweeggebracht een zware wonde in ons gezin, waardoor ik als met een bliksemstraal getroffen ben geweest, - of ge ervan vernomen hebt, weet ik niet. Indien ge er echter wel kennis van hebt gedragen, moet mij terloops van het hart, dat het mij enigszins leed heeft gedaan, dat ge als enige der vrienden (want de wapenrok van vijand hebben wij tegenover elkander, naar ik meen, geruime tijd reeds uitgetrokken) in mijn ontzaglijke rouw als een vertrooster mij te hulp te komen hebt verzuimd. Maar nu het werkje: ik heb het, voorzoverre onbewolktheid van gemoed mij toeliet, zulks te volvoeren, sinds de aarde verliet quella ch' al Ciel se ne portò le chiavi1, kortelings punt voor punt doorgezien en strengelijk onderhanden genomen, en houd het nu onder mijn berusting, ja, om open-
[p. 3]
hartig te zijn, ik bestem het voor de Drukpers, als dit goed zal dunken aan sommigen van de Vrienden, die ge in uw woord vooraf in onze Moedertaal. (nl. voor Puteanus' door Huygens in het begin van deze brief besproken geschrift De Bissexto) met name hebt genoemd. Aan zommigen, zeg ik, en het is wonder, aan hoe weinigen; want, om ook dit eruit te flappen, tegen een zwakkere in 't perk getreden, hebt ge aldaar ook nog aanmerkelijk meer verbondenen voor u gewonnen. In dit Gedicht - ik wil het niet loochenen - heb ik de complete Huygens blootgegeven, en waar ik met verzen van zo jeugdige overmoed1 aan Puteanus heb kunnen behagen, voed ik het vaste vertrouwen, dat ik met deze verzen, die een weinig rijper zijn, hem niet breng tot weerzin of verachting. Maar dit zal een punt van zorg voor ons zijn, wanneer we zijn teruggekeerd op onze standplaats.’ (Br. II nr. 1860)

Over de correcties die Huygens in 1638 aanbracht zie men par. 2 De hss en de drukken. Onder het slot dat hij aan het onvoltooide gedicht maakte, schrijft hij Noordgeest 18 Iunij 1638, onder de laatste prozaaantekening Noordgeest. 19 Iunij 1638. Een week later schijft hij erover aan Puteanus (zie boven). 5 mei 1638 was Huygens met de Prins uit Den Haag getrokken, 14 oktober keerde hij van deze ongelukkige veldtocht tegen Antwerpen enz. terug (Br. II, blz. XII). 9 december voltooit hij zijn Naeniae. In februari 1639 stuurt hij het manuscript van D. naar Hooft. De begeleidende brief volgt hier:

Mijn Heere,
Nu volght de donderslagh, daervan ick U.E. onlangs blixemsgewijse gewaerschouwd hebbe.2 U.E. en houde sich evenwel aen geene beloften verbonden,3 als oft hij niet ontgaen en mochte, dus veel vuijl papiers4 te doorlesen. Het gelooven alleen van andere5, dat U.E. een ure daaraen te kost geleght hebbe, sal mij te stade komen om het elders niet te sien verwerpen; met sulcken aensien6 versoeck ick, dat het in handen van den H.e Barlaeus moghe komen. Vossius is 't niet te verghen, soo verr om te sien naer 't poppegoed7. De H.en Mostart, Baeck ende Vondelen sullen der mogelick toe8 te bepraten zijn. U.E. wijse toeversicht9
[p. 4]
bevele ick het misvall1. Dese is de allereerste reise dat het onder vreemde ooghen komt.2 Mij sal vriendschapp geschieden,3 soo het ten spoedigsten teruggeschickt werde, 't zij om te smooren, oft wijder in de wereld te jagen, naer 't U.E. sal bevelen. Tot dit laetste soude mij seer doen verstaen4 de vreese van stuckelinghe5 afschriften, die ick sommighe t'haren nadele hebbe sien overkomen. U.E. gelieve de voornoemde mijne weinighe lezers6 te meer te perssen, opdat ick ten minste voor dit mael buyten die bekommeringhe moghe zijn. Willen sij ijeder verstaen7, om ijets in dicht van haer gevoelen daer bij te stellen, wij sullen te vaster gissen, waer haren tyd gegaen is.8 Mijn liefste keur waere9, dat dese korte roll ten huijse van U.E. by eenighe gesamentlick mochte afgelesen werden.10 U.E. vergeve mijne onbeschaemtheid en volghe niettemin11 syn welgevallen, daernaer sich altoos rechten sal.....
Mijn titel12 spreeckt van YET MEER; erunt illi luctus mei ἐπιμίκτοι13, die ick daertoe by den anderen sal rapen14 ende, soo mij dunckt, niet ongevoeghlick doen volgen ad calcem operis singultis et lamentis abrupti15. 's Gravenhaghe, den 7en Febr. 1639.
(naar Br. II nr 2039; vgl. Van Vloten III blz. 276 met enkele verschillen)

Hooft antwoordt nog in februari (de datum is weggelaten). Ik geef zijn brief naar H.W. van Tricht, Bloemlezing uit de brieven van P.C. Hooft p. 130, zonder jaartal, Zutphen, die de door hem uitgegeven brieven nog eens heeft gecollationeerd.

Mijne Heere,
U. Ed. Gestr. Daghwerk deed mij daetlijk Heilighavondt16 neemen van ander werk. Ik scheidd'er niet uit2, eer't uit was; iutgezeidt bed en
[p. 5]
taefel:1 ende besteld' het voorts2 aen den Heere Barlaeus. Deez, houdende noch zijn' kamer, vond goedt3 het daer gesamentlijk te doorzien met de HH. Mostart, Baek, en Vondel die, nevens mij,4 eenighe avondtuiren daer aen besteedt hebben. Maet de vergaedring hield zoo wel geen' streek5, dat ik ijder beletten kon 't gedicht eens nae zich6 te neemen, om het in't bezonder voorts te lezen. Mostart en Vondel hebben ijets aengetekent dat den taelschik7 betreft; op dat U.Ed. Gestr. overweghe oft zij zich dienaengaende met ons vergelijken konde8; dewijl 't wel passen zoude daerin eenen gemeenen9 voet te volghen. Eevenwel kan ik niet alles voor vol aenvatten10, wat hun behaeght: ende Vondel dunkt mij somtijds knorven in de biezen te zoeken11. Wijders, aen zoo blinkend een Daghwerk den dagh te verbieden12, waere jammer; ook, mijns gevoelens, een verlooren toeleg16; gemerkt13 het met de scherpe straelen zijner aerdigheit14 de dompighste15 duisterheit konde doen verdwijnen, en midnacht tot middagh maeken. Mijn arme geest, hoewel alleenlijk gestelt16 (en dit noch quaelijk genoegh) om maetvrij geluidt te slaen17, heeft zich nochtans verpijnt18 de verdrooghde rijmpen te doen inkt geeven. De springader van den Heere Barlaeus bruist met wel een' andren toon19. Dezes onderscheids zal U.Ed. Gestr. aen de bijgaende reghelen20 gewaer worden; gelijk zij 't, zonder twijfel, verwacht heeft. De H.H. Mostart en Vondel hebben ook ijets belooft21. Dat (meen ik) zal haest volghen; ende altijds uwe geboden22, wen z'hem gebeuren moghen,
Mijn' Heere,
[p. 6]
Uwer Ed. Gestr.
Verplichte, ootmoedightse dienaer
P.C. Hooft.
(postscriptum niet van belang)
Uit Amsterdam Febr. 1639.

Huygens had op 7 februari 1639 eveneens een brief gezonden aan de bekende Dordrechtse medicus J. van Beverwijck, waarin hij deze condoleert met het verlies van een zoon van achttien jaar en kort spreekt over het verlies dat hem zelf twee jaar daarvoor had getroffen. In de samenvatting van Worp, Br. II, nr 2041: ‘twee jaar geleden ben ik harder getroffen door den dood mijner vrouw, die verdiende ene plaats te krijgen in het werk over de uitnemendheid der vrouwen, waaraan gij bezig zijt. (nl. Beverwijcks De excellentia sexus foeminei). Ik verwacht het boek, waarvoor hierbij een lofdicht gaat, spoedig. (Zie Worp, Gedichten III 120 In I. Beverovicii de excellentia sexus foeminei libros, de 3e febr. 1639 geschreven)1.

Als gij wilt zal ik u een lang Nederlands gedicht zenden’ (nl. Dagh-werck). Van Beverwijck reageert 23 febr. op deze brief (Br. II, nr 2050): hij zal graag ‘versus illos bis mille in gratiam olim, et rogatu lectissimae matronae scriptos’ ontvangen. We horen hier echter later niet meer over.

Inmiddels heeft Mostart reeds een lofdicht voor Dagh-werck geschreven. Wij vernemen dit uit een brief van Hooft van 14 maart 1639 (Br. II, nr 2056):

U.Ed. Gestr. zal door den heere Wijtz2 ontfangen hebben het gedicht van den H. Mostart3. Op zijne ende Vondels aenteekeningen heb ik, bij mijnen laetsten, gezeidt mijn gevoelen,4 ende vinde mij daerin noch meer gesterkt door Uwer Ed. Gestr. wederleggingen, die nevens 't wederleidde, hierbij teruggekeeren.5 Ik heb Vondel bij wijlen gemaent om yets op U.Ed. Gestr. loflijk Daghwerk, ende laestmaels t'antwoordt
[p. 7]
gekreghen, dat hij een quaedt oogh gehadt hadt, ende in 2 oft 3 pooghingen geen' rijmluim kunnen treffen. Nu braght hij, op gister, in mijn afwezen 't gedicht, dat hierbij gaet.1 Het oordeel daerover zij Uwer Ed. Gestr. bevolen, ende in haere beste jonste..... Uit Amsterdam, 14en van Lentemaent 1639.

Barlaeus, een van de eersten die Dagh-werck na Hooft las, had reeds spoedig een lofdicht gemaakt (zie Hoofts brief van febr. '39, slot). Huygens schrijft hem op 21 maart 1639 om hem te bedanken voor de toezending van zijn Medicea Hospes. (Br. II, nr 2062). Worp vat de brief verder aldus samen: ‘Mijn Daghwerck heb ik de kroon opgezet door een Latijnsch gedicht; (zijn Naeniae, zie boven) ik wilde mijne vrouw niet in eene enkele taal betreuren. Ik zend u hierbij dat vers; oefen gij critiek uit.’

Dit deed Barlaeus in een brief van 26 maart 1639 (Br. II, nr 2068) met uitbundige lof voor het gedicht. Huygens zond zijn Dagh-werck aan meer mensen. Er moeten verscheidene copieën geweest zijn. Zo zendt hij het met een brief van 10 april 1639 aan Anna Maria Schurman (Br. II, nr 2078). De brief zoals Worp die geeft, is door mij gecollationeerd met het hs, berustend bij de K.A. (met alle Huygens-hss van de K.A. in bruikleen bij de Kon. Bibliotheek te Den Haag). Hier volgt de nederlandse vertaling van deze voor de kennis van het ontstaan van Dagh-werck belangrijke brief:

Mits ge tijd hebt natuurlijk, hoogedele Jonkvrouwe - tja, hoe zelden ge u dien gunt, kan ik licht bevroeden -, maar goed, mits ge tijd hebt, is hier iets, waaraan ge den duur van een uur bijna zo kunt spenderen, alsof ge slaapt. Juist dit, vermits ge niet zo maar voor iedereen het doet, vraag ik u nu voor een ogenblik om mijnentwil te doen bij de heilige gestalte van Haar, die zelf ook non est mortua, sed dormit en die, gelijk ze zelf in durende bewondering geleefd heeft voor uw talent, u ook al meer bekend is geworden, zo ik mij niet bedrieg, door veeljarig huldigen van vriendschap. Een gedichtje ziet ge hier, ten believe eenmaal en op aandrang van de overledene beatae memoriae heet van den naald begonnen, geleidelijk en - zo is nu eenmaal het lot van mijn leven - in springerigen gril verdergebreid en eindelijk door den bitteren dood van haar, over wier liefelijke wapenbroederschap met mij het voornaamste thema liep, abrupt afgebroken. Nu het in zo gewichtig deel verminkt is, behoorde het misschien aan de ogen der geletterden te worden onttrokken - ik weet het niet - maar gekund althans heeft dit niet, terwijl de meesten verzekeren, dat het zelfs aan den druk niet moet ontkomen. Daar wij hierover tot nog toe een ander gevoelen hebben, stel ik mijzelf
[p. 8]
aan de, zoals ge ziet1, slechts weinige lezers2, waarmede ik bijna altijd tevreden ben, wanneer ik schrijf, beschikbaar, dat zij over mij beslissen. En gij komt mij voor den geest als een, die opweegt tegen allen, schitterend juweel des vaderlands, en wel om redenen, waarbij ik slechts node mijzelf ten regel stel, ze om uw bezonnenheid niet vleiend op te dringen. Lees, mits slechts, zeg ik, ge tijd hebt, en oordeel; gij, die mij zozeer een critische Vierge en Verge zult zijn, dat ik bepaal, dat, hoe daarin uw oordeel over mij moge zijn, bij uw verdict alle andere dienen te worden achtergesteld.3 Vaarwel gij, die uitgaat boven de eeuwen en de zeden onzer eeuw, sieraad van zeden en hanc mihi da operam, dat, hoe grote onbeschaamdheid hier zij, ge die vriendelijk vergeeft aan
van Uw groten naam
den toegewijden dienaar
C. Huygens.
Den Haag, 10 april 1639.

Van een antwoord van A.M. Schurman is niets bekend. Wel heeft zij een kort latijns lofdicht gestuurd dat als eerste onder de lofdichten is opgenomen in Korenbloemen 1658. Zie hierover p. 20.

In 1639 vernemen wij uit de briefwisseling van Huygens niets meer over Dagh-werck, met uitzondering van een brief van Graswinckel (Br. II, nr. 2281, 13 december 1639) waarbij hij het door Huygens gezondene (zeer waarschijnlijk Dagh-werck) terugzendt onder toevoeging van iets van hemzelf (zeer vermoedelijk zijn latijnse brief en gedicht, onder het voorwerk van D. opgenomen), en een brief van Huygens aan M. Zuerius Boxhorn (Br. II, nr. 2065), waarin hij volgens de samenvatting van Worp schrijft: Groet Heinsius. Hij heeft mijn Nederlandsch gedicht ingezien4; doe gij dat ook’. 1639 (geen datum)). Zuerius Boxhorn heeft dit blijkbaar gedaan, gezien zijn lofdicht voor D., gedateerd 26 maart 1639. Nog niet genoemd zijn: een brief van G.R. Doublet van 12 mei 1639 en een lofdicht, lofdichten van Westerbaen (1652), C. Boyus (Corneleis Boey) en F. le Bleu (1620 te Leiden geboren, studeerde daar rechten, Vgl. W. VI, 335 noot 1). Het lofdicht van Westerbaen verdient in de geschiedenis van de uitgave van D. een bijzondere plaats. Zie p. 21/2. Huygens had hem een copie van zijn D. gezonden5. Wester-

[p. 9]

baen reageert daarop in een latijnse brief van 18 september 1652 (Br. V, nr. 5243), door mij gecollationeerd met het hs in de Leidse Universiteitsbibiotheek, waarvan de vertaling hier volgt:

Hoogedele en eminente Heer,
Bezichtigd heb ik onlangs uw Hofwijck, en toen ik het beeld ervan met ogen en geest had ingedronken, gaf mij de jongste der beide meisjes Van Dorp vw hoogst sierlijke en vernuftige beschrijving ervan.1 Zoals in dat buiten veel was, groter en lieflijker dan wat ik ervan had verwacht, zo was ook in deze beschrijving alles boven de krachten van allen en een iegelijk: waterrijke bronnen uit drogen bodem.2 Nu heeft het u geliefd mij een afschrift te doen toekomen van uw Dagh-werck, uit hoofde waarvan ik u dank weet. De lezing ervan heeft mij ontzaglijk veel gedaan. Hoe zorgvuldig is daarin alles bewerkt, hoe keurig, spits, verheven en naar het verhemelte van hen, die voor alles den neus optrekken behalve voor Pauwepastei3 en tarbot.4 Maar dat genot heeft vergald een niet geringe smart, enerzijds omdat dat uitnemend fraaie weefsel door een zo schitterend kunstenaar niet is afgeweven, anderzijds in het bijzonder, omdat de ondergang van dat helderste der hemelbeelden, uw Sterre, ons zo groot gemis heeft gelaten en omdat den draad van uw maten afbrak dezelfde, die ook van haar leven den draad brak: der Schikgodinnen harde en meedogenloze hand. Maar waartoe gaat nu ook gij ermee voort, wreed te zijn tegenover deze gedenkzuilen van uw talent?5 Waarom versteekt ge in zo langdurig duister6 deze geesteskinderen, aan wie ge het genieten van het levenslicht reeds lang verschuldigd zijt? Gij, die aan Linden7 van anderen een leven hebt geschonken, waarvan geen einde zijn zal, uitgenomen dat, wat ook van het heelal het eind zal zijn, waarom smoort ge uw eigen Boss van witte blad'ren?8 Waarom neemt ge me alle uren mede te wandelen onder het lommer van die Linde-lij9, niet van uw Boss van Boeckenblad?10 Ik heb uw Hofwijck wel gelezen en herlezen en voor de derde maal reeds deze ene helft van uw werk11, maar misschien zal ik ook,
[p. 10]
morgen, die andere helft willen lezen of overmorgen, alleen: dat zal niet mogelijk zijn, omdat totnogtoe ge er geen lust toe hebt gevoeld, dat ze voor ons beschikbaar en zo nevenschikbaar zouden zijn, als ‘meisjes, dien werd opgelegd, zich in de hallen veil te biên’1. Ik bezit het niet, en ook bezit het niet de boekenman Tryphon2. Indien het billijk is, dat eindelijk eens worde voldaan aan het verlangen der vrienden, en er u iets aan gelegen is, diegenen aan u te verplichten, die U en wat u toebehoort, liefhebben en in ere houden, waarom geeft ge dan niet spoedig3, wat men toch moet geven? De bezwaren, die ge hier ziet4, ik zou willen, dat u die geen aanstoot geven; de mijne heb ik opgeworpen5 om u een proeve te laten zien van mijn aandacht bij het lezen, een aandacht, die in uw geschriften overal vereist wordt, zo de Lezer in uw binnenkamer wil doordringen en, niet ermee tevreden, de botten te hebben gelikt, het merg zelf savoureren6. Ik heb ook versregels7 bijgevoegd op voorbeeld van diegenen, aan wie voor onderscheidene jaren hetzelfde goed te beurt viel als mij nu8, en dat weliswaar slechts enkele, maar die een mooi getal vormen9. Herken daarin mijn toegenegenheid en Vaarwel. Uit mijn retraiteoord in Ockenburgh, 18 September 1652.
Van uw illusteren naam
de toegewijde vereerder
J. Westerbaen.

In de talrijke brieven tussen Huygens en Westerbaen verder gewisseld, (zie Br. V. register), waarvan de inhoud kort wordt besproken door Worp in zijn art., komt D. niet meer ter sprake. Bij de bundeling van zijn nederlandse gedichten in 1658 heeft Huygens blijkbaar de knoop doorgehakt10 en Dagh-werck bij zijn overige nederlandse poezie uitgegeven, onmiddellijk gevolgd door zijn sonnet Op de doot van Sterre,

[p. 11]

maar zonder de Naeniae, die als latijns gedicht niet in de Korenbloemen pasten. Het yet meer1 werd dus niet dit gedicht, maar Cupio dissolvi (van 24 januari 1638).

1Over haar schilderen ook par. 5. Het plan van Dagh-werck, p. 23 (Schilderen quod tu me melius) en De vita propria, vertaling A. Loosjes in editie P. Hofman Peerlkamp, Haarlem, 1817, blz. 105 (de ‘schilderdrift’ van Constantijn jr. heeft hij van zijn moeder!)
1Uit sonnet CCCX van Petrarca, r. 11: die de sleutels van dit hart met zich meenam naar de hemel.
1(De eerste brief van E. Puteanus, professor in de welsprekendheid te Leuven, aan Huygens is van januari 1631. Huygens antwoordt hem dezelfde maand en stuurt hem zijn Otia. Huygens doelt dus op gedichten als Voorhout, Costelick Mal, Zedeprinten, Stedestemmen, jeugdgedichten alle in Otia 1625 opgenomen, die Puteanus behaagd hadden.
2Waar en hoe dit geschiedde is mij onbekend. Misschien mondeling?
3Had Hooft toen beloofd D. te zullen lezen?
4de bekende geringschatting van eigen werk, min of meer obligaat.
5Alleen al het feit dat anderen geloven dat...
6daarop gelet, dit in aanmerking genomen, met het oog daarop.
7Van Vossius kan het niet gevraagd worden, zich in te laten met het (dit) speelgoed dat zo ver buiten zijn gezichtskring valt.
8nl. tot het omsien naer 't poppegoed.
9zorg.
1misgeboorte (WNT misval 879).
2Men lette hier wel op. Na de voltooiing in juni 1638 is na zeven maangen Hooft de eerste ‘vreemde’ die het gedicht onder ogen krijgt.
3Ik zal het op prijs stellen.
4Dit laatste zou ik graag willen (door de vrees enz.). (Vgl. MNW verstaen 3, 6)).
5fragmentarische, onvolledige (WNT stuk (I) 359)
6Vgl. de brief aan Puteanus boven: het is wonder aan hoe weinigen.
7zich ertoe zetten, zich beschikbaar stellen.
8wij zullen des te zekerder (hieruit) kunnen opmaken waaraan zij hun tijd besteed hebben.
9Ik zou liefst willen.
10dat dit korte gedicht te uwen huize door enkelen gezamenlijk zou kunnen worden ten einde gelezen (hoe, is niet duidelijk).
11even goed, desniettegenstaande.
12zie de titel van hs C
13dit zullen zijn mijn rouwklachten in allerlei metrum.
14Huygens had de Naeniae op 9 december 1638 voltooid, hij moet dus bedoelen dat hij de papieren waarop het gedicht stond bijeen zal rapen.
15als aanhangsel van (na) een werk dat door snikken en klachten is afgebroken. Dit is niet gebeurd. In Korenbloemen 1658 volgt na Dagh-werck slechts het sonnet Op de dood van Sterre, evenals in Korenbloemen 1672.
16vacantie, vrijaf.
2ik nam er geen afscheid van, ik hield er niet mee op (nl. met de lectuur van Dagh-werck).
1afgezien van slapen en eten.
2en bezorgde het (daarna) dadelijk.
3besloot.
4Ook Hooft was dus tegenwoordig.
5hield niet zo goed koers, volgde niet zo de afgesproken koers (nl. van gezamelijke kennisneming van het gedicht) Vgl. WNT streek 2147).
6met zich mee.
7apart, persoonlijk verder.
8taalregeling, taalregels. Zie hun aanmerkingen en Huygens' antwoord daarop.
9gemeenschappelijke.
10aannemen, aanzien.
11tot overeenstemming zou kunnen komen. Hooft bedoelt hier of Huygens zich sou willen aansluiten bij het ‘letterkunstigh besluyt’ van de Amsterdamse letterkunstige vergadering. Zie hierover Zwaan, 3 vlgg.
vitten, fouten willen zien waar ze niet zijn.
12vruchteloze onderneming.
13het daglicht te verbieden, te verhinderen uit te komen.
aangezien.
14voortreffelijkheid, zeer goede kwaliteiten.
15neveligste.
16gestemd (als een muziekinstrument)
17geluid zonder maat te geven (proza te schrijven).
18ingespannen.
19Zie over Barlaeus' latijnse lofdicht voor Dagh-werck p. 22.
20Hoofts lofdicht, zie Proeven II, 190.
21Zie over hun lofdichten p. 22-23.
22zal uw geboden volgen (... P.C. Hooft subjekt).
1Het gedicht is voor het eerst gedrukt in Joh. van Beverwiick van de Wtnementheyt des vrouwelicken geslachts, 1639, met de titel In eundem (W. III, 120, noot 1). In oktober van hetzelfde jaar volgden nog twee lofdichten, een nederlands en een latijns (W. III, 127. Vgl. Br. II, nr. 2257).
2Jacob Wijtz, sinds ‘29 september 1629 superintendent van den krijgsraad, een zeer wetenschappelijk ontwikkeld officier en een vriend van Huygens en Hooft; den laatsten heeft hij meermalen geholpen bij krijgskundige quaesties in zijne Historien’ (Br. I 199).
3nl. op Dagh-Werck. zie hierover p. 23.
4zie boven de brief van febr. 1639 van Hooft.
5Huygens had dus zijn bestrijding van de critiek van Vondel en Mostart aan Hooft toegezonden, mèt die critiek (die Hooft blijkens zijn eerdere brief van febr. 1639 reeds gezien had).
1zie over dit lofdicht p. 22.
1hoe, is mij niet duidelijk.
2Vgl. boven de brief aan Puteanus en die aan Hooft.
3Zo had hij eerder de beslissing over publicatie geheel aan Hooft overgelaten. Zeker lijkt mij dat Huygens ernstig geaarzeld heeft of hij Dag-Werck zou uitgeven. Omdat het onaf was?
4Van een reactie van Heinsius op Dagh-werck heb ik niets kunnen vinden.
5Over het levendig verkeer, vooral na circa 1650, tussen Huygens en de Huygensvereerder Westerbaen zie J.A. Worp, Jacob Westerbaen, Ts 6, 194; de briefwisseling waaronder ook de brief van 18 september 1652 in Bijlage II, 234-274.
18 december 1651 voltooid, 1653 uitgegeven!
2Vgl. Plautus, Persa 41 (in andere toepassing).
3lekkernij; vgl. Cicero, Ad familiares 9, 18, 3; Iuvenalis 1, 143.
4lekkernij; vgl. Iuvenalis 4, 39 e.a.
5Hofwijck en Dagh-werck.
6Wat Hofwijck betrof, duurde dit duister nog niet zo lang, slechts een klein jaar; op Dagh-werck, in 1638 voltooid, past dit ‘zo langdurig duister’ geheel.
7in Batava Tempe, passim.
8Dagh-werck 1453-1460.
9Batave Tempe 56.
10Dagh-werck 1460. In de oudheid gebruikte men onder omstandigheden wel lindebast (philyra) om op te schrijven; zie Plinius, Naturalis historia 16, 35; Servius, Georgica 3, 93; Martianus Capella 2, 136; Dictys, Prologus.
11omschrijving van Dagh-werck met zinspeling op Operis dimidium sui in de titel.
1Vgl. Iuvenalis 3, 65.
2Vgl. Martialis 4, 72, 2.
3Met allusie op de zegswijze: Bis dat qui cito dat. Wat Hofwijck betreft, werd Westerbaens wens spoedig vervuld, het werd in 1653 uitgegeven.
4Men vraagt zich af welke dat waren. Alleen de onvoltooidheid? Ook het zeer persoonlijke karakter?
5Westerbaen heeft dus evenals Vondel en Mostart critiek op D. geoefend en deze aan Huygens gestuurd. Ze is niet bewaard, althans niet in Leiden aanwezig.
6Westerbaen zag het goed!
7Op het Dagh-werck des Heere van Zuylichem, opgenomen bij de lofdichten voor Dagh-werck in Korenbloemen 1658. Zie p. 000.
8Westerbaen wist dus van Huygens' verzoek in het begin van 1639 aan Hooft en via deze aan Van Baerle, Vondel. Mostart.
9Westerbaens lofdicht is een sonnet. Het getal 14 noemt hij mooi: 2 maal vier, 2 maal drie.
10Heeft de krachtige opwekking van Westerbaen in zijn brief en in zijn daarbij gaand lofdicht (zie de laatste vss daarvan!) geholpen? Gaf hij zodoende eindelijk gehoor aan Boxhorns verzoek onder zijn lofdicht van 26 maart 1639: Noli tamen id publico diutius invidere, cujus partem coelum jam sibi vendicavit?
1Vgl. boven p. 4.
prepostterug  begin  verder